Zij, zij werden geboren, alle drie te zamen; Kinimbu, Kisinsu: twee
meisjes, en Kubantu: een jongen.
Op zekeren dag zegde hun vader tot Kubantu: Kubantu, moest er een
twist ontstaan, mijn poederdoos [153] neem ze, en vlucht er mee.
Op een anderen dag, ging hun vader van den anderen kant der rivier;
hij ging koophandel drijven.
En hij ging, en zij bleven bij hun moeder.
Hun moeder, op een morgend, toen de zon was opgestaan, zegde, alzoo:
Ik ga naar 't hooge gras; gij, blijft hier, mijne kinderen, en stampt
luku. Ik zal ginder eten. Gij, eet hier.
Waar zij bleven, nam Kinimbu maniokmeel en stampte het. Kisinsu nam
meloenzaad, en bereidde het.
En zij aten alle drie. Toen zij geëten hadden, alzoo: He, Kinimbu,
laat ons naar de rivier gaan, wij visschen er.
Kubantu, alzoo: Ik neem de poederdoos van vader mee.
Kinimbu, alzoo: Wat! Gij, de poederdoos van vader, de Bangala [154]
zullen ze afnemen. Gij, als gij die poederdoos meedraagt, indien zij
gebroken is, zij is weg voor altijd; en vader, als hij terugkomt,
zal ons straffen en ons verkoopen.
Kubantu zag er niet naar om; hij droeg de poederdoos mede. En
zij gingen naar de rivier. Kisinsu, de oudste, ging voorop om te
visschen. En zij gingen en gingen, alzoo: Kubantu, opgepast hier,
dien steen in 't water.
Kubantu, toen hij aankwam, de steen was glibberig en glibberig.
Voorzeker breekt de poederdoos van vader hier. Ziet ge wel, gij, wij
hebben het u gezegd, laat de poederdoos van vader thuis; maar gij,
gij wildet niet.
En Kubantu ging over den glibberigen steen en hij viel. De poederdoos
ook viel in stukken.
't Water werd zwart en zwart. Hij, alzoo: A, he, moeder, de poederdoos
van vader?
Zij, alzoo: Wat is er, jongen?
Hij, alzoo: De poederdoos van vader is in stukken.
Zij: He, gij, wij hebben het u gezegd, alzoo: Laat de poederdoos
thuis; gij, gij wildet niet. Maar, waar wij gaan, zeg het gebeurde
aan mama niet. Hoe zullen wij doen? Laat mama afkomen; wanneer wij
geëten hebben, dan zullen wij alles vertellen.
Hij, alzoo: Als gij het zoo zult zeggen, zal mama ons slaan.
En zij kwamen terug in hun dorp. En zij maakten de visschen gereed,
alzoo: Hang ze daar aan 't vlechtsel. Als moeder komt, zullen wij
't gebeurde vertellen.
En zij bleven wachten en wachten, vol angst en tranen.
Hun moeder kwam terug, alzoo: He, Kisinsu, geef mij water, mama;
't is stikkend heet, en ik heb grooten dorst.
En zij dronk water, en zij namen maniok, alzoo: Neem luku, mama!
Zij, de moeder, alzoo: De kruiderijen, wat zijn 't?
Zij, alzoo: Vischjes!
En zij nam ze aan, en zij begon te eten.
Kisinsu, alzoo: He, mama!
Zij, alzoo: Wat is er, mijn kind!
Kisinsu, alzoo: Neen, moeder; wees gerust, mama, er is niets.
Zij, de moeder, alzoo: Zeg het mij; uw moeder, haar bloed bruischen
het bruischt slechts.
Een onder hen, alzoo: Eet maar, mama, er is niets.
En de moeder at en at, 't was gedaan.
Kisinsu, alzoo: He, mama, de poederdoos van vader, Kubantu heeft ze
in de rivier gebroken.
Zij, de moeder, alzoo: He, mijn beste, de poederdoos van vader! Wat,
gij hebt de poederdoos van vader gebroken; wacht, morgen ga ik
u verbergen!
Wanneer het klaar geworden was, stampte moeder luku, nam vier kiekens,
gaf ze aan Kubantu. Hij doodde ze en men maakte ze gereed.
Zij, de moeder, alzoo: Vooruit, ik ga u verbergen. Uw vader, als hij
komt, zal u aldus niet verkoopen.
En zij gingen in het uitgestrekte woud, en zij gingen binnen en binnen
in 't woud; zij vonden een hol in een nsengaboom [155]. En de moeder
keerde 't hol uit, alzoo: Ga hier binnen.
En zij gingen binnen, alle drie.
Ik, die u hier geplaatst heb, als ik kom met maniokbrooden en ik
zing: He, Kubantu, aan de bron van den nsengaboom! Als gij dat hoort,
dat lied, komt er dan uit, want dan is uw moeder gekomen met eten.
En zij, de moeder, zij trok terug naar 't dorp. Zij, de kinderen,
zij bleven in 't hol van den nsengaboom.
De moeder, 's morgens toen de zon was opgestaan, vatte vier kiekens,
gaf ze aan de kleine slaven, alzoo: He, mijn kleine slaven, ziehier,
neemt deze kiekens en doodt ze mij.
Zij, alzoo: Geef ze, moeder, wij zullen ze u dooden.
En zij doodden de kiekens. Moeder bereidde ze, stampte luku, nam
hare hak, droeg haren korf luku op den kop, en ging, waar zij hare
kinderen gelaten had.
Toen zij aankwam, waar haar kinderen waren, dicht bij 't hol van
den nsengaboom, hief zij 't lied aan: He, Kubantu, aan de bron van
den nsengaboom!
En zij zong en zong haar lied, tot zij aan den boom kwam, en zij riep:
He, Kinimbu!
Kinimbu, alzoo: Hier ben ik!
He, Kisinsu!
Kisinsu, alzoo: Hier ben ik!
He, Kubantu!
Kubantu, alzoo: Hier ben ik!
Zij, de moeder, alzoo: Wel, komt, komt buiten.
Zij kwamen er uit, alle drie. Zij nam de kiekens en de luku uit haar
mandeken, en gaf alles aan haar kinderen, alzoo: Als gij luku eet,
en gij mijne stem hoort, die heel fijn is, komt dan uit 't hol. Maar
indien het een grove stem is, komt er niet uit.
En zij trok terug naar haar dorp; op haar gelaat was droefheid,
maar in haar hart toch vreugde, omdat zij hare kinderen nog bezat.
Op zekeren dag, toen de zon was opgestaan, sprak een visschenvanger,
alzoo: Ik zal gaan, ik ga mijn fuiken spannen. En hij was
rivieropwaarts gegaan, en hij kwam nu af, rivierafwaarts. En hij ging
en ging, en hij hoorde waar hij ging, iemand die een lied kwam zingen,
alzoo: He, Kubantu, aan de bron van den nsengaboom!
Haar kinderen, hunne namen was zij aan 't opzeggen.
Hij, alzoo: Wat, die vrouw, wat zegt zij? Zij komt hier in haar eigen
zoo spreken.
En de vrouw wist niet, dat men haar afluisterde.
Hij, hij hoorde, dat zij aankwam, en zij kwam tot aan de opening van
den nsengaboom, alzoo: He, Kinimbu?
En iemand antwoordde: Hier ben ik!
He, Kisinsu?
Hier ben ik!
He, Kubantu?
Hier ben ik!
En zij kwamen er uit, alle drie. De moeder, alzoo: Neemt uw luku
aan. Maar gij, spreekt niet te hard. Als gij hoort dat ik kom 't lied
zingen, mijn stem, onthoudt ze wel. En nu welaan, gaat terug!
Zij gingen terug in hunne schuilplaats. De moeder vertrok ook.
De visschenvanger klom ook op naar 't dorp, alzoo: Die vrouw, wat! Zij
is daar haar kinderen gaan verbergen.
Dien dag ook, hij, de echtgenoot, was teruggekomen van den
koophandel. Hij kwam tot aan zijn huis, en toen hij binnenging,
zijn vrouw was er niet, noch zijn kinderen.
In 't dorp waren er twee menschen naar 't hooge gras gegaan. Hij
hoorden op den hoek van 't dorp, iemand die kemp aan 't rooken was. Hij
zegde, zoo: Wacht, ik ga mijn kemp rooken.
En hij ging tot aan 't huis van den visschenvanger.
De visschenvanger, alzoo: Ik groet u!
Hij antwoordde: Ja, opperhoofd!
De visschenvanger, alzoo: Waar gij geweest zijt, waar is 't?
Hij, alzoo: Langs den anderen kant van de rivier ben ik geweest,
broeder. Maar toen ik hoorde, dat gij kemp aan 't rooken waart, ik
zegde zoo in mijn eigen: Ik zal gaan, hij zal mij kemp geven en ik
rook ook.
De visschenvanger stak de pijp kemp aan, en zij vielen aan 't rooken.
Hij, alzoo: Mijn vrouw, waar is zij gegaan?
De visschenvanger, alzoo: Ik, dezen morgend vroeg, ben ik hier
opgestaan, ik ben ze niet tegengekomen.
Toen hij dat gezegd had, vielen zij weer hun kemp aan 't rooken.
De visschenvanger vervolgde: Langs den anderen kant der rivier zijt
gij geweest, hebt gij geenen kemp gekocht?
Hij, alzoo: Zeven bussels heb ik gekocht, broeder.
De visschenvanger, alzoo: Wel, ga, haal er, en verkoop mij kemp.
Hij, alzoo: Als ik er u verkoop, ziet ge, die muizen daar, zult gij
mij verkoopen.
De visschenvanger, alzoo: Ik, als gij mij kemp verkoopt, misschien
heb ik een zaak te vertellen.
Hij, alzoo: Welke zaak?
De visschenvanger, alzoo: Gij, wel, ga, haal kemp.
En hij ging naar zijn huis, en hij nam kemp en hij kwam terug.
De visschenvanger: Wel, verkoop mij nu. Gij, 't kemp voor hoeveel
verkoopt gij het?
Hij, alzoo: Zeg mij de zaak, waarvan gij gesproken hebt. 't Ligt op
mijn hart en ik denk en denk, welke zaak?
De visschenvanger: Zal ik het voor niet zeggen? Wel, wat zult gij
mij geven? Wat wij zullen afsnijden, wat is 't. Groote zaken zal ik
u vertellen.
Hij, alzoo: Neem al mijn bussels kemp.
De visschenvanger: Bij den hoop twee duizend mitakos.
Hij, alzoo: Neem duizend aan.
De visschenvanger: Duizend en een geit wil ik.
Hij, alzoo: 't Is goed. En nu, vertel mij die zaak.
De visschenvanger, alzoo: In uw huis, gij, hebt gij niets gelaten?
Hij, alzoo: Ja, mijn poederdoos had ik gelaten in de handen van mijn
jongen, Kubantu.
De visschenvanger: Wel uw poederdoos, hij is ze gaan breken in de
rivier. Maar hun moeder heeft ze verborgen alle drie, de kinderen.
Hij, alzoo: Waar is zij ze gaan verbergen?
De visschenvanger: Wacht tot morgen, dan zullen wij gaan.
Den volgenden dag, 's morgens vroeg, toen de zon was opgestaan en
't klaar geworden was, hij alzoo: Wel, laat ons gaan.
De visschenvanger: Wacht, dat zij, de moeder, weg is, naar 't hooge
gras. Neem maniokbrood in 't huis van hun moeder. Als wij gaan, gij,
spreek niet, ik zal een lied zingen.
En zij gingen tot aan de rivier.
Zij kwamen dicht bij 't hol van den nsengaboom. De visschenvanger vong
't lied aan: He, Kubantu, aan de bron van den nsengaboom!
En zij kwamen tot aan den stam van den nsenga.
De visschenvanger veranderde zijn stem, zij werd fijn en fijn, alzoo:
He Kinimbu?
Kinimbu, alzoo: Hier ben ik!
He, Kisinsu?
Kisinsu, alzoo: Hier ben ik!
He, Kubantu?
Kubantu, alzoo: Hier ben ik!
De kinderen kwamen er uit, en zij zegden: Gij, zijt gij onze moeder nu?
En hij de visschenvanger: Komt er uit, uw moeder heeft het mij bevolen.
En zij kwamen af, alle drie, en zij zagen daar hun vader. Hun vader
nam Kinimbu en Kisinsu. Hij sloeg Kubantu dood, en hij hakte hem
in stukken.
De vader trok op met zijn kinderen, alle twee en hij ging ze verkoopen.
Waar Kubantu gebleven was, heel de gezichteinder was zwart geworden;
de wolken dreven in aller haast door; de donder ratelde en ratelde;
de bliksem flikkerde; en de regen viel en viel.
Terwijl de regen viel en de wind waaide door de boomen van 't diepe
woud, herleefde Kubantu!
De gehakte stukken van zijn lichaam kwamen bijeen, en hij herleefde;
en hij trok terug in 't hol, waar hij verbleef; vóór eenigen tijd
met zijne zusters, maar nu alleen!
Den volgenden morgend had hun moeder kiekens gedood, en zij ging waar
zij haar kinderen gelaten had. Zij hief weer 't lied aan, gelijk zij
het alle dagen aanhief: He, Kubantu, aan de bron van den nsengaboom!
En zij kwam tot aan den stam van den boom, alzoo: He, Kinimbu!--Pidi
[156].
He, Kisinsu!--Pidi.
He, Kubantu!
Hij, alzoo: Hier ben ik.
Zij, de moeder, alzoo: Wel, uw zusters, zij antwoorden niet. Wel,
kom er uit! Wel, waar zijn de anderen, waar zijn ze?
Hij, alzoo: Vader is ze komen halen!
De moeder, vol gramschap, nam Kubantu, sloeg hem dood en hakte hem
in stukken.
Dan kwam zij weenen en weenen tot in 't dorp, waar haar man was,
die in de hut was neergezeten.
Hij, alzoo: Van waar zijt gij gekomen?
Zij, alzoo: Van 't hooge gras.
Hij, alzoo: Wel, de kinderen, waar zijn ze?
Zij: De kinderen, waar ze gegaan zijn, ik heb ze niet gezien.
Hij: De moeder blijft bij de kinderen. En nu de kinderen, gij zegt
dat gij ze niet gezien hebt.
Zij, alzoo: Terwijl zij in 't dorp bleven, ik ben naar 't hooge gras
gegaan. Toen ik terugkwam, de kinderen, zij waren hier niet.
Hij, alzoo: Mijn poederdoos, die in huis was, waar is zij henen?
Zij, alzoo: Dat weet ik niet.
Hij, alzoo: Zij, zij is weg met de kinderen, voorzeker! Maar de
kinderen, weet gij niet waar zij henen zijn?
Zij, alzoo: Wel, ik, mijn man, ik ben naar 't hooge gras gegaan.
Hij, alzoo: Wel, ga het vragen aan uw familiestam.
Zij: Wacht! Morgen, zal ik gaan.
Den volgenden morgend, toen het klaar geworden was, vertelde zij het
gebeurde aan hare zusters en broeders, alzoo: Mijn kinderen hadden
de poederdoos van vader gebroken, en in 't hol van een nsengaboom
had ik ze verborgen, zij zijn daar niet meer.
Zij, alzoo: Wel, gij waarom hebt gij ze verborgen?
Zij, de moeder: Hun vader, vermits hij vol gramschap is, zou ze
misschien vermoord hebben, als hij terugkwam.
Zij, alzoo: Voorzeker heeft hun vader de kinderen verkocht.
Kubantu, waar hij gebleven was, herleefde weer.
Zijn strikken zette hij alle dagen, om patrijzen te vangen. Maar de
patrijzen, hij doodde ze niet; hij kweekte ze op, gelijk men kiekens
kweekt. En in 't hol van den nsenga ging hij slapen. Alle dagen spande
hij zijn strikken, en ving patrijzen.
Op zekeren dag, toen hij naar zijn strikken was gaan zien, daar was
een wouw in 't net gevangen. De wouw spartelde en spartelde in den
strik. Hij vatte hem.
De wouw sprak, alzoo: Laat mij los, dood mij niet; ik geef u een
toovermiddel.
Kubantu, alzoo: Dat toovermiddel, waarin bestaat het?
De wouw, alzoo: Indien uw broer of zuster verkocht is, met dit
toovermiddel neemt gij ze weer.
En hij liet hem los. De wouw gaf hem het toovermiddel, alzoo: Verander
in een arend.
En Kubantu werd in een arend veranderd.
De wouw, alzoo: Stijg nu in den hemel op.
En hij steeg hoog in den hemel op.
De wouw, alzoo: Val nu terug op den grond.
En hij viel terug op den grond, en de wouw alzoo: Indien men uwe zuster
verkocht heeft, als gij ze ziet op de de markt, waar gij gekomen zijt,
verander u in een vogel.
En de wouw vertrok.
Kubantu trok terug naar zijn schuilplaats.
Op zekeren dag, was de Nkenge verschenen. Hij, alzoo: Ik neem mijne
patrijzen, ik ga ze verkoopen naar den Nkenge [157].
En hij ging tot op de markt, en hij verkocht zijne patrijzen. En hij
ging tot bij een jonge maagd, alzoo: Neem de mitakos, verkoop mij
een maniokbrood!
En hij, hij gaf de mitakos aan zijn eigene zuster.
Zij, alzoo: Wat! Gij, die zoo slordig zijt, ik zou u mijn maniokbrood
verkoopen.
Hij, alzoo: Wel, zusterken [158], 't is voor mij, ik koop het.
De zuster van Kisinsu sprak, alzoo: Neem de mitakos aan, en verkoop
hem een maniokbrood.
En zij nam de mitakos aan, en zij verkocht een maniokbrood.
Kinimbu, alzoo: Maar, die jongen, gelijk hij daar is, 't is juist onze
Kubantu, dien wij bezitten. Waarlijk, zij gelijken goed op malkander.
En Kubantu ging terug tot in den omtrek van de markt; hij legde zijn
maniokbrood in een stuk stof, en hij bond het vast aan zijnen paan.
En hij veranderde in een arend, en hij ging zitten op eenen
kisoko-sokoboom, en hij slikte de granen er van in; daarna steeg hij
hoog den hemel op, in den hoogen, hoogen hemel. Hij kwam neervallen
op den wilden vijgenboom, die op de markt stond.
Zij, de menschen, alzoo: Daar een vogel, ziet, wat een vogel, he,
een groote vogel!
De vogel was de nek aan 't waggelen, hij liet de granen vallen,
en zij vielen op den grond.
De menschen, alzoo: Die vogel, die spuwt schoone en schoone
parels. Alle man haastte zich, en voor die parels waren zij aan
't vechten, om ze op te rapen.
Eindelijk nog wiegelde hij met den nek, en Kinimbu en Kisinsu kwamen
af, om de parels op te rapen.
De vogel, alzoo: Wo, wo, wo, wo, wo [159]! Hij vatte Kisinsu en
Kinimbu, en hij steeg met haar in de lucht, en zij kwamen vallen, dicht
bij hun dorp. En de arend veranderde in Kubantu. Te zamen alle drie
kwamen zij in hun dorp aan, en zij kwamen zitten op den vuilnishoop,
achter 't huis van hunne moeder.
De moeder had haar huis uitgekeerd, alzoo: Ik zal dit veegsel oprapen
en het gaan werpen op den vuilnishoop. En zij ging het werpen, alzoo:
Mfwa [160]!
De kinderen, alzoo: He, mama, gij!
De moeder, alzoo: A! Wat is het daar?
En waar zij het veegsel geworpen had, kwam zij naderbij zien, en zij
zag hare drie kinderen. De moeder, alzoo: He, mijn besten, van waar
zijt gij gekomen?
Zij, alzoo: Wij, vader had ons verkocht! En ziet ge, Kubantu is ons
komen opvatten.
En zij gingen 't huis binnen, en de moeder vatte eene geit, zij
slachtte ze, sneed ze in stukken, en spijsde hare kinderen.
's Morgens, toen de zon was opgestaan, nam zij hare kinderen en zij
vertrok naar haren familiestam.
Haar man bleef alleen in 't dorp dwalen!
Songia.