Een man had zijne echtgenoote. Hij was getrouwd, hij kende zijne
vrouw, eindelijk baarde zij twee kinderen, Zwina en Nkenge: zij Zwina,
de oudste, Nkenge, de jongste.
Maar deze kinderen, toen zij geboren werden, werden geboren
terzelfdertijd met bladeren van meloenplanten.
Maar zij, Zwina, sedert hare geboorte, 't werken had zij nog niet
gewerkt; alle dagen bestreek zij haar slechts met rood [119]. Zij,
Zwina, was een schoone maagd. Vele jongelingen vochten om haar, Zwina,
omdat zij uitscheen tusschen al de schoonste maagden. Vele jongelingen
gingen daar, om haar te trouwen; maar zij konden haar niet, om haar
te trouwen, Zwina.
Maar van Makela, een verafgelegen land, was een schoone jongeling
gekomen; zijn wezen blonk van schoonheid, de palmolie [120] parelde
op zijn aangezicht, een schoon jongeling, die gekomen was in 't huis
van den vader van Zwina, om den koophandel.
De kooplieden vroegen aan den vader van Zwina: Zijn er misschien in
uw dorp geene maagden, om er mee te kouten?
De vader van Zwina, alzoo: Ik zal gaan, ik ga mijne twee kinderen
verwittigen, dat zij komen, dat zij met u komen spreken.
Die jongeling van Makela, toen hij de twee meisjes zag aankomen,
sprak alzoo: Ik, Zwina.
Een andere: Ik, Nkenge.
Zij traden in huis, kwamen dichter bij elkander en begonnen te
vertellen. Hij, de jongeling van Makela, zegde, alzoo: Gij, Zwina,
ik trouw u.
Zij, Zwina, alzoo: Ik, vele jongelieden hebben mij verlaten. Mij
konden zij niet.
Hij, aldus: Ik alleen, ik trouw u.
Zij gingen 't vragen aan vader en moeder. Hij, de vader, nam het aan,
alzoo: Wij trouwen haar met dien schoonen jongeling.
De moeder, alzoo: 't Is goed, gelijk gij, haar vader, gezegd hebt. Ik,
moeder, zou ik weigeren?
De vader, dus: 't Is goed, wij zullen haar dus trouwen. In een
verafgelegen land baart men kinderen.
Zij trouwden Zwina; Nkenge, zij niet.
De huwelijksbrief werd afgesneden [121], alzoo: Gij, die Zwina trouwt,
betaal 't geld, dat wij snijden [122], op eenen dag, omdat zij,
Zwina, vele jongelingen hebben voor haar gevochten, zij konden haar
niet. Maar gij hebt u aan haar vastgehecht. 't Is goed; maar betaal
't geld op eenen dag.
Die inwoner van Makela, alzoo: Ik, ik ben immers hier, betalen zal
ik zeker. Laat ons buitengaan, stelt eerst 't familiegeld.
Zij gingen buiten. De vader zegde: Ik heb het kind gebaard, (geef
mij daarom) mijn slaaplaken; en daarenboven drie levende geiten.
Haar oom kwam buiten, alzoo: Ik, al mijn geld hebben zij opgeëten;
maar (geef mij) mijn draagmes alleen.
Toen zij dat afgesneden hadden, hij de inwoner van Makela, alzoo:
Zoo is 't goed voor mij, maar nu snijd den huwelijksbrief.
Zij sneden den huwelijksbrief; hij besloot zes duizend mitakos.
Hij, de inwoner van Makela, alzoo: 't Is wel. Betalen zal ik, al wat
gij mij afgesneden hebt.
Hij oordeelde deze zes duizend mitakos goed; hij beval aan zijne
slaven, alzoo: Gaat mijn geld en kleedingsstoffen halen.
Zij gingen en zij kwamen. Zij haalden drie groote stukken roode stof
te voorschijn, betaalden ze drie duizend mitakos; toonden weer een
grijze stof, betaalden haar duizend; toonden weer een beddedeken,
betaalden het vijfhonderd; een heel stuk blauw goed van acht vadems,
betaalden het duizend vijf honderd.
Al het geld was op, en hij sprak alzoo: Welaan! Kleed mijne vrouw aan.
Die inwoner van Makela, door zijnen koophandel, was rijk en gaf haar
veel glans en luister. Hij ging een parelen halssnoer halen, gaf het
aan zijne vrouw; ging weer acht ringen [123] halen voor de voeten,
en sprak: Doet ze vast aan de voeten.
En zij deden ze vast aan de voeten van zijne vrouw; hij ging weer
tien armbanden halen, en gaf ze aan zijne vrouw.
Vader en de oomen hadden dat gaarne. Zij zegden: Al zijne zaken heeft
hij gegeven, maar waarom houden wij zijne vrouw?
De vader ging binnen in huis, beval aan de slaven, alzoo: Gaat verkens
halen en doodt ze.
De slaven gingen, bonden de verkens vast, doodden ze.
Hij beval weer, alzoo: Slaat tien kiekens dood.
De slaven grepen tien kiekens en zij hadden ze gedood.
De moeder maakte tien groote maniokbrooden gereed, alzoo: Zwina,
't is haar vertrek. Maar gij, echtgenoot, kom nader; wij zullen
't akkoord maken tusschen u en uwe vrouw.
De echtgenoot kwam.
Zij, de moeder, alzoo: Wel, gij, man, waar gij gaat met Zwina, zij, zij
put geen water, zij, zij raapt geen hout op, zij, zij werkt niet. Mijn
kind, alle dagen sinds dat zij geboren is, weet niet wat werken is,
noch hoe men water put, zij weet dat niet.
Hij, de man, alzoo: 't Is goed, daar waar zij gaat, wie haar water
beveelt of hout, niemand.
De moeder sprak, alzoo: 't Is zoo, vader. Waar gij gaat, verzorg goed
uwe echtgenoote.
Zij gingen kiekens en verkens slachten en voorbereiden; zij kwamen
den inwoner van Makela en zijn volk spijzen. Zij aten alles; zij
groetten malkander met handgeklap. De vader van Zwina ging tien
kruiken palmwijn halen, hij kwam en ging ze laten drinken.
En zij dronken, zij dansten, zij sliepen.
A! de zon was opgegaan, 't was klaar geworden.
Hij, de jongeling van Makela, kwam buiten, alzoo: Geef mij mijne vrouw;
't is mijn vertrek. Geef mij mijne vrouw.
Zij, de moeder, zegde zoo: Wacht, dat zij al haar dingen vastgebonden
heeft.
Zwina had al hare glorie vergaderd, legde het in haren korf en gaf
dezen aan hare zuster Nkenge.
Zij, Nkenge, zou met hare oudste zuster medegaan.
Hij, de jongeling sprak zoo: Zwina mag niets dragen.
Dan begon het vuur te spreken [124], om zijne vrouw Zwina te
vereeren. Zij gingen weg. Van gehucht tot gehucht, 't vuur was aan
't weergalmen. Hij, de man van Zwina, zegde zoo: Draagt mijne vrouw.
Zij droegen zijne vrouw.
En zij gingen, zij gingen, zij gingen. Zij kwamen in hun dorp
aan. Zij schoten weer met 't vuur. Heel het dorp kwam kijken naar
haar, Zwina. Zij zat neer op haar bed. Hij, de man, beval eene geit
te dooden, hij kwam en spijsde zijne vrouw.
Zij, de vrouw, in 't begin at maar een broksken, zij at niet veel. Hij,
de man, alzoo: Toe, eet maar!
Zij sprak: Ik volstrekt, ik eet langzaam.
Haar zuster, Nkenge, sprak ook: Kom aan, eet, wat zijt gij beschaamd!
En zij waren, zij waren, bijna drie maanden verliepen.
Hij, de man, alzoo: Verder de streek in, ga ik koophandel drijven,
waarschijnlijk binnen vijf maanden kom ik hier terug!
Hij liet zijne vrouw aan zijn jongsten broeder te bewaken, alzoo;
He, broer, sla goed mijne vrouw en mijne schoonzuster gade, totdat
ik terugkom.
Hij, de oudste broeder, ging dus naar Zombo [125].
Waar zij bleven, ging de tijd voorbij, ging de tijd voorbij.
De jongste broeder zegde, alzoo: Blijft hier, ik ga mijn geld halen
aan den anderen kant van de rivier; de dag is gesteld.
De schoonmoeder van Zwina en Nkenge bleef in 't dorp. De schoonmoeder
zegde, alzoo: Vandaag, gij Zwina en Nkenge, wij gaan maniok uitdoen,
laat daar uw maagddom.
Maar Zwina begon te weenen, alzoo: Ik, Vader en Moeder hebben mij
verboden, alzoo: Gij moogt niet werken. En vandaag dus: Laat ons
maniok uitdoen. 't Is wel vooruit!
Maar hare zuster Nkenge sprak dus: Mijn oudste, dat zij blijve:
ik ga mee om maniok uit te doen.
Zij gingen, zij deden drie korven uit; zij legden hem in 't water,
opdat hij rotte, en zij kwamen terug in 't dorp.
De jongste broeder was teruggekomen, hij kwam 't huis binnen. Toen
hij Zwina zag, die weende, vroeg hij aan Nkenge, alzoo: Zij, Zwina,
wat weent zij?
En zij antwoordde: Uwe moeder heeft met haar twist gemaakt, dat zij
ging om maniok uit te doen.
De schoonbroer nam 't geweer: Gij, vrouw, gij zoekt twist met Zwina;
gij zijt een wangedrocht van uwe moeder, ik schiet u dood.
Maar Nkenge belette den schoonbroeder, alzoo: Och, man, laat los,
ik smeek u, dat zij ons zullen verwijten en haten, alzoo: Gij eet
ons dorp op [126].
Vier dagen waren vervlogen, sedert men maniok in 't water gelegd
had. De schoonbroeder vertrok daar, waar men den dag gesteld had
om zijn geld te ontvangen, want hij had nog niets ontvangen. En hij
was gegaan.
De schoonmoeder liep dan rond in huis en sprak, alzoo: Vandaag,
gij Mevrouw [127] Zwina, kom buiten, wij gaan naar 't water, om den
maniok af te schillen.
Nkenge sprak dus: Gij, moeder, aan mijn oudste zuster heeft Vader en
Moeder dat verboden, en gij dus, gij vervolgt altijd mijne zuster om
maniok af te schillen.
Zwina ook werd boos, alzoo: Welaan, laat ons maniok afschillen.
En zij gingen, zij haalden maniok uit 't water, zij pelden hem af.
Zij, de schoonmoeder, sprak: Gij, Nkenge, ga naar 't hooge gras om
varenkruid te halen, wij doen het eerst onder in den korf, zoo bederft
onzen maniok niet. Ik ook, ik ga de rivier op, ik zal gaan bladeren
van bananen halen. Zij, Zwina, dat zij hier blijve.
Zij, de schoonmoeder, ging dus rivieropwaarts en veranderde in een boa
[128]. Zij kwam de rivier af, waar zij Zwina gelaten had. Zwina, toen
zij het zag, schreeuwde en huilde: He, Nkenge, mijn jongste zuster,
haast u, ik sterf door de boa.
Maar Nkenge, toen zij kwam toegeloopen, de boa had zich reeds
rondgeslingerd om 't lichaam van Zwina. Nkenge liep naar 't dorp,
begon te roepen: He, la, la, la, la [129]! He, mannen, haast u,
mijn oudste zuster, een boa heeft haar gegrepen.
De mannen kwamen toegeloopen; maar de boa had haar man reeds ingeslikt;
zij schoten die boa.
En de boa veranderde in de moeder van den man van Zwina.
Men stond verbaasd. Vol verbazing en verbazing, alzoo: Wat! Die moeder
is nu de vrouw van 't kind geworden.
De jongste broer zegde, alzoo: Wat kan men er aan doen? Nu is 't toch
te laat. Alle beiden zijn doodgegaan.
Zij deden de moeder open, en haalde Zwina er uit; alle beiden, bond
me ze in kleedingsstukken.
De moeder, legde men op eene plaats; Zwina, legde men op een andere
plaats.
En de tijd ging voorbij, en de tijd ging voorbij.
De echtgenoot van Zwina kwam terug. Toen men 't gebeurde vertelde,
hij, alzoo: He, moeder, ik vader [130]! Hoe ben ik gevaren? Daar waar
ik mijne vrouw gaan halen heb, die haar bezitten zullen zich over
mij wreken, vermits mijne moeder schuldig is. Och arme, mij! Hoe zal
ik zeggen?
Zij deden vijf kassen poeder brengen, en zij schoten en schoten, en 't
vuur weergalmde over de dalen en bergen tot in den hoogen hemel [131].
En de tijd vervloog, en hij vervloog, en hij vervloog.
Op zekeren middag was de man op 't einde van 't dorp gaan
wandelen. Nkenge was haar mandeken aan 't vervaardigen, den weduwestaat
van hare zuster had zij begonnen. En zij was droevig en sprak: Ik
neem mijne lier [132], weenen, ik ga weenen.
Toen hief zij eenen zang aan, alzoo: Kindengele, kindengele, kindengele
Ya Zwina! Ik ben reeds aan Zwina gestorven!
En daar, zij hoorde iets in de verandah, een lied ook: Ik weet,
dat gij mij beweent op uwe lier!
Nkenge liet hare lier vallen, luisterde nog naar de verandah, alzoo:
Ik ga stillekens buiten, dat ik zie!
En zij ging heel stillekens, stillekens op hare teenen. Toen zij
buiten kwam, en zij rondkeek, niemand zag zij. Nkenge sprak in haar
eigen: He, Bambata [133], waarom vervolgt gij mij? He, gij allen gij,
hebt gij niets gezien?
En zij sliepen. 's Morgens, toen het klaar geworden was, was de man
gaan wandelen. 't Was middag geworden. Nkenge zegde, alzoo: Ik zal
mijne lier nemen, dat ik weene.
Nadat zij haren zang had aangeheven: Kindengele, kindengele,
kindengele, Ya Zwina! Ik ben reeds aan Zwina gestorven! Zij hoorde
in de verandah 't lied weer, alzoo: Ik weet wel dat gij mij op uwe
lier beweent.
Nkenge liet daar haar weenen: Wacht, ik kijk.
Toen zij buiten ging, zij, zij zag niemand. Zij liet alles stil,
zij zegde geen woord aan niemand. Tegen den avond, toen de zon was
ondergegaan, kwam de man terug; zij vertelde hem 't gebeurde, alzoo:
O man, dit dorp, men vervolgt mij hier!
De man, alzoo: Hoe?
Wel, gisteren, tegen den noen, was ik aan 't weenen. Toen hoorde ik
iemand in de verandah, die zegde, alzoo: Ik weet dat gij mij op de
lier beweent. Toen ik buitenging, toen ik rondkeek, ik zag niemand.
De man, alzoo: Is 't waarheid, dat gij zegt, of leugen?
Nkenge sprak: Zoo waar dat ik eene zuster had, 't is geen
leugen. Morgen noen, blijf hier in huis, ik zal weenen.
Toen zij sliepen, de dag was aangebroken, 't was middag, alzoo: Man,
blijf in huis, ik zal weenen, dan zult gij den zang hooren, dien
men in de verandah zingt, waar men Yaya [134], mijn oudste zuster,
begraven heeft.
Nkenge nam hare lier; terwijl zij begon te weenen, hief zij haar lied
aan: Kindengele, kindengele, kindengele Ya Zwina! Ik ben aan Zwina
gestorven. Zij hoorde in de verandah 't lied weer, alzo: Ik weet dat
gij mij op uwe lier beweent.
Wel, man, nu, kom, luister. Hoor je, bedrogen heb ik u?
De man, toen hij gekomen was, toen hij luisterde, 't was immers
zoo. Hij sprak in zijn hart, alzoo: Toen zij geweend had, ik kwam
nader, ik zag rond, om te zien, wie ons kwam vervolgen; waarschijnlijk,
die jonge lui van Bambata, ik zou ze doodschieten.
Maar toen hij naderde, en naderde, hij luisterde daar in het graf,
waar men Zwina gelegd had, daar kwam de zang uit. Toen riep hij op
Nkenge: He, Nkenge, wel, kom!
Toen zij kwam, die zang kwam daar uit. Hij sprak: Wo! zoo wij 't lijk
weer uithaalden?
Nkenge, alzoo: Ja, 't is goed; wij doen 't graf open, wij zien;
doch dat er geen menschen zijn, die het zouden zien en rondstrooien,
hoort ge [135]!
Toen zij het graf opengedaan hadden, alzoo: Laat ons dit lijk uit de
stoffen doen, om te zien.
Toen zij 't losmaakten, hoorden zij Zwina, die sprak, alzoo: Doet
mij stillekens los!
Toen zij al de stoffen hadden losgemaakt, deden zij de stoffen weer in
't graf. Zij maakten het effen, gelijk het was, alzoo: De menschen,
als zij komen zien, zullen alzoo zeggen: Het lijk is er, daar is
't begraven.
En 't graf toch was ledig.
Hij sprak: Nkenge, neem eene kalebas, ik neem eene kruik. Laat ons
water gaan putten, om haar te wasschen.
Toen zij water geput hadden, waschten zij haar goed, namen
roode verf en palmolie, en bestreken haar goed, zij spreidden
schoon-dooreengevlochten biezenmatten open, in de schoonste plaats
van de strooien hut, alzoo: Hier, hier komen geene menschen binnen,
dat zij haar niet zien. Om haar te spijzen, doet men noch geit,
noch verken dood. Alle dagen, maar wasschen en wasschen, bestrijken
en bestrijken, inwrijven en inwrijven.
Twee maanden waren vervlogen. Zwina was weer goed gekomen, gelijk
zij was. Al hare krachten waren haar teruggekomen.
De man sprak zoo: Gij, Nkenge, en gij, mijn jongste broer, waar gij
blijft, Zwina, zij, toont haar niet aan de menschen. Ik ga terug
naar Zombo, ik ga mijne kassen poeder halen, die ik daar gelaten
heb. Dien dag, dat ik Zwina aan de menschen van 't dorp zal toonen,
dan moogt gij al die kassen poeder afschieten.
Hij ging.
Waar zij bleven, de tijd om 't eten verdween, de tijd om te slapen
verdween.
De jongste broer, wanneer hij wandelde in 't bosch, was Nkenge met haar
oudste gebleven, alle beiden te zamen. 't Was middag geworden. Nkenge
zegde zoo: Gij, Yaya, al uwe krachten, zijn zij teruggekomen?
Zwina, zoo: Ja, mijn jongste, mijn lichaam is teruggekomen, gelijk
ik geboren was.
Nkenge, alzoo: Wel, gij, Yaya, vermits wij dit wonderteeken gezien
hebben, ja, blijven wij nog hier?
Zwina sprak: Ja, kindlief; als wij hier niet blijven, ach, waar
gaan wij henen? Dien weg van ons dorp, dien weten wij niet. Eén komen
slechts, zijn wij hier gekomen. De weg, daar zijn vele zijwegen. Indien
wij gaan en gaan, zouden wij niet verloren loopen? Misschien ook
vatten zij ons terug.
Nkenge, dus: Neen, Yaya, toen wij hier gekomen zijn, ik ben altijd
een weinig van achter gebleven; aan de zijwegen, heb ik teekens gezet.
Zwina, alzoo: A! Die teekens, die gij gezet hebt, wat zijn ze?
Nkenge, alzoo: A! Kleine putjes heb ik gegraven!
Zwina dus: Wel, wij vluchten. Wanneer, kindlief?
Nkenge, alzoo: Wij gaan vluchten, als zij slapen den eersten slaap. Van
avond, zal ik maniok stampen, wij leggen hem in den korf. Ik zal u
kiekens dooden, wel vijf. Wij maken ze gereed, wij leggen ze in den
korf. Dan, de Bambata, als zij hunnen eersten slaap aan 't slapen zijn,
wij gaan uit, wij vallen op den weg, wij gaan.
Zwina, alzoo: A! kindlief, als wij maar niet verloren loopen!
Nkenge, alzoo: Wat! Wij verloren loopen! Maar 't is maneschijn; de
maan, die schijnt zoo fel met haar schijnen. De wegen zijn gelijk in
den dag.
De zon was ondergegaan, de avond viel; de Bambata vielen aan 't eten,
terwijl zij om 't vuur zaten, dat glinsterde in de hutten. Men koutte
en koutte. 't Kouten was uiteengegaan, 't dorp werd stil. Zij sliepen.
Bij den eersten slaap, sprak Nkenge, alzoo: Yaya, neem uwen korf;
de Bambata zijn aan 't slapen.
Zij, zij gingen weg. Zij gingen, zij gingen, zij gingen. Zij waren
heel ver geraakt. De dag was aangebroken. Nkenge sprak: Yaya, wij
gaan 't hooge gras in; waarschijnlijk zal de jonge broer, die thuis
gebleven is, ons volgen.
Toen zij in 't hooge gras waren gekropen, zetten zij zich nevens
malkander. En zij zaten. De zon was aan 't ondergaan.
Zwina sprak, alzoo: Mijn jongste, laat ons nu uitgaan tot op den
weg. Wij zullen heel traagzaam, traagzaam vooruitgaan, tot de zon
weer opkomt, dan zijn wij heel ver in 't gaan.
Waar zij uitgekomen waren, gingen zij, gingen zij. Zij hoorden de
hanen, die kraaiden.
Nkenge, alzoo: Yaya, de voeten doen zeer. Laat ons een beetje rusten.
Zij kwamen dichtbij. De dag was aangebroken.
Nkenge, alzoo: Yaya, wij trekken van hier tot op den middag. Hier
zijn wij halfweg; de Bambata kunnen ons niet meer volgen.
Van daar, maar gaan en gaan en gaan.
Den dag van den Nsona, kwamen zij 's avonds dicht bij hun dorp aan,
in hun dorp waar zij Vader en Moeder gelaten hadden.
Zwina, toen zij gestorven was, de stengel van de meloen van Zwina was
gestorven. De vader en de moeder, toen zij de stengels van de meloenen
zagen, die van Nkenge was frisch, vol leven en groen, die van Zwina,
verslenst en verdroogd.
Vader en moeder weenden en weenden dan. Zij maakten een groote
doodenkamer: Ons kind Zwina is gestorven in Mbata [136].
De doodenkamer weergalmde wel twee maanden van 't weenen en 't dansen
en 't zingen: 't was de doodendans van Zwina.
Daarna was alles uiteengegaan. Maar haar vader wraak aan 't uitdenken,
alzoo: De Bambata, als zij hier komen om 't doodsbericht te brengen
[137], allen snijd ik ze dood, niet één uitgezonderd; geen man
trekt terug.
Op den dag van heden was vader naar 't hooge gras gegaan. De
moeder ging niet uit, den weduwestaat van haar kind had zij begonnen
[138]. Een jongsken, 't kleinste, bleef thuis bij zijne moeder. Tegen
den avond was het gaan wandelen, waar de meloenen stonden, alzoo:
Ik ga naar de meloenen van mijne ouderen zien.
Toen hij ging, de stengel van de meloen van Zwina, die gestorven was,
toen hij zag, de stengel herleefde. Toen hij hem raakte, een nieuwe
scheut kwam uit op den stengel van de meloen, die gestorven was:
Wacht, zegde hij, ik zal dat gaan zeggen aan Mama.
Toen hij hard liep, toen hij kwam, zegde hij: He, Mama, laat ons
gaan en zien; de stengel van de meloen van Zwina is verrezen, is
groen geworden.
De moeder, alzoo: He, gij, loop weg, hebben de toovenaars u
geslagen [139], dat gij uw oudste zuster, die doodgegaan is, komt
vervolgen?... Waarlijk, 't is zijne jonkheid, die hem dus doet spreken.
En hij, alzoo: Mama, 't is mijne jonkheid niet. Laat ons gaan en
zien, de paddestoelen staan open [140], Mama; 't is geen leugen,
't is waarheid.
Maar de moeder: 't Is maar een klein kind, hij verstaat noch goed,
noch kwaad.
Omdat haar hart dat herinnerde, kwam er droefheid in en zij weende
en weende.
Eindelijk was vader gekomen. Hij, 't kind, toen hij vader zag, hij
ging loopen daar waar zijn vader was, alzoo: He, vader, de stengel van
de meloen van Zwina, die gestorven was, toen ik ging zien, hij stond
recht, daar was een scheut uitgegroeid. Maar ik ging dat aan Mama
zeggen, alzoo: Laat ons gaan, kom zien, Mama. En Mama, zij joeg mij
weg, zij verwenschte mij. Nu is zij in huis, aan 't weenen weent zij.
De vader, alzoo: Welaan, ik ga zien.
Toen zij gingen, zag de vader, dat de stengel herleefde en een scheut
was er geschoten op den stengel van de meloen van Zwina.
Dan riep hij zijne vrouw, alzoo: Wel, gij, dit kind, waarom verwenscht
gij het, om welke reden?
Zij dus, alzoo: Omdat het oude zaken, die al lang en lang in 't hart
vergeten zijn, weer ophaalt.
En hij, alzoo: Maar de stengel van de meloen van Zwina heeft een
scheut geschoten. Ik heb hem gezien.
Zij, de vrouw, sprak: Ik ook, ik ga zien.
Toen zij kwamen, de scheut die kwam te voorschijn.
Alle beiden, vrouw en man, stonden verwonderd en verwonderd: Dit,
wat is deze zaak? Wel, wat is 't? Ons kind is al lang gestorven,
deze 't zijn nu vijf maanden al vervlogen. Wel, die stengel herleeft
weer. Wij zullen zien dezer dagen.
En zij waren, zij waren, zij waren. Zwina in Mbata, al hare krachten
waren teruggekomen. De stengel van de meloen had drie bladeren.
De vrouw sprak dus: Wel, gij, mijn man, gaat gij niet langs die wegen
om te zien, gaat gij deze zaak niet klaar maken, hoe zij is? Misschien,
ons kind verrijzen is verrezen.
De man sprak: Dezer dagen zal ik zien, verzamel eten. Dan zal ik gaan,
ik zal eens gaan zien langs die wegen.
En de tijd verdween en verdween en verdween.
Op zekeren dag, omtrent den noen, had de moeder haar huis
uitgekeerd. Zij legde de vuiligheid op een oud mandeken en zij riep
haar kleinste kind, alzoo: Kom, neem dit veegsel, en werp het in
den vuilput.
Het kind, toen hij 't veegsel was komen halen, toen hij ging naar
den vuilput, toen hij 't wegwierp, hij zag rond in den weg: en zijne
zusters Zwina en Nkenge zag hij. Hij wierp 't oud versleten mandeken
weg, en kwam geloopen naar 't huis van zijne moeder, alzoo: He Mama,
Zwina en Nkenge, uwe kinderen, daar komen zij aan.
De moeder, dus: He gij, de slechte geesten hebben u betooverd, loop
weg. Ik sla u dood. De goeden zijn doodgegaan en voor altijd. Heden,
gij, een wangedrocht van een jongen. Wel, gij, kunt gij onzen
familiestam doen herleven [141]?
Het kind, toen hij dit hoorde, zijn hart was geprangd, omdat hij
waarlijk zijne zusters gezien had. Hij ging in allerhaast terug, daar
waar hij zijne zusters gezien had. Zijne zusters, toen zij hem zagen,
droegen hem, hij zat op hare heupen. Zij kwamen zoo 't dorp binnen.
De moeder, alzoo: He gij, die betooverd zijt door de slechte geesten,
waar zijt gij geloopen, waar?
Toen zij buitenging, alzoo: Ik ga zien waar hij henen is.
En zij, zij zag in de ronde; 't kind was op de heupen van Zwina en
Nkenge gezeten. De moeder ook ging loopen in allerhaast: Gij, mijn
kind, waarlijk, gij hebt niet gelogen.
Terwijl zij liep, zij de moeder ook, zij kwamen te zamen dicht bij
hun huis, zij kwamen allen tot op de koer. De moeder zette ze op haren
schoot, een op een knie, een op een knie: He, moeder, mijne kinderen,
die ik beweende en voor wie ik slordige kleeren droeg [142], zijn
vandaag verschenen.
Toen riep zij haren man, die aan 't uiteinde van het gehucht was.
De man sprak dus: Ik zal gaan.
Toen hij kwam, toen hij aankwam op 't einde van 't dorp, zag hij op
den schoot van zijne vrouw, twee maagden, die zich bijeen naderden
op haren schoot. Dan bij het naderzien: Deze kinderen, van waar zijn
zij gekomen?
Toen hij de oogen wijd opende, toen hij keek en keek, dan waren het
zijne kinderen, alle twee. En hij liep in allerhaast met al de vreugde,
die hij in zijn hart had, en hij kwam: He, moeder, mijne kinderen,
moeder! Wat! Zij zijn teruggekomen!
Hij ging in zijn huis, deed twee groote kassen poeder te voorschijn
komen: He, mijne neven, komt af met uwe geweren. Komt schieten,
uwe vrouwen zijn gekomen [143].
De neven vroegen aldus: Welke vrouwen die gekomen zijn?
De oom zegde, alzoo: He, vooruit, mannen, komt gij?
De neven kwamen afgeloopen. Dan kwamen zij daar Zwina en Nkenge
tegen. Toen schoten zij vuur. En 't vuur daverde en daverde.
't Einde van 't dorp, toen zij 't vuur hoorden, dat sprak, alzoo:
Welaan, wij ook, wij gaan zien 't vuur, waarom men 't vuur schiet op
't einde van 't dorp.
Toen zij kwamen, vonden zij de twee, Zwina en Nkenge. 't Nieuws
verspreidde zich door gansch het dorp.
Heel het dorp en vuur schieten en schieten en schieten. De avond
viel. Hun vader sprak: Gaat, 't is genoeg, gaat het zeggen. Dat
eenieder kome, en laat ons de kinderen vragen, waarmee zij gekomen
zijn.
Toen allen vergaderd waren op het plein van hunnen vader, alzoo: Gij,
Nkenge, gij, vertel wat gij ginder gezien hebt.
Nkenge, toen zij alles uitgelegd had, wat zij gezien had, van 't
sterven harer zuster, enz. enz., hun vader sprak, alzoo: 't Is niets,
wel dat gij u gered hebt, komt dichter bij.
Toen deden zij de trommels komen. En de trommels weergalmden en
weergalmden. Zij dansten de glorie hunner kinderen, en zij dansten
en dansten en dansten eene heele maand.
Toen deed de vader 't feest uiteengaan, alzoo: Wij zullen dien
jongeling afwachten, of hij zal komen?
En de tijd verdween en verdween.
De echtgenoot, waar hij bleef, kwam met zijn jongsten broer overeen,
alzoo: Hoe zouden wij aan de ouden vertellen?
Hij, de jongere broer, aldus: Gij, mijn oudste, wij zeggen, alzoo:
't Is nu al een beetje tijd, dat hier anderman's kind gestorven is,
wel, laat ons de doodmare gaan dragen naar den familiestam. De leden
van de familie, dat zij ons de doode komen begraven.
Zoo zullen wij aan de ouden zeggen. Wij zeggen niet, alzoo: Zwina,
die gestorven was, is verrezen; noch, dat zij in 't huis was, dat
wij haar verzorgden, dat zij weer was gelijk vroeger; noch dat ze
is gaan vluchten. Zoo wij dit alzoo moesten vertellen aan de ouden,
de ouden zouden ons berispen, en zoo zouden zij naar den familiestam
niet willen gaan om de doodmare te dragen. Maar wij zullen slechts
zeggen, de doodmare in de familie te dragen.
De avond was gevallen. De echtgenoot had palmwijn gekocht, kiekens
geslacht, deed al de ouden komen. De ouden kwamen af en waren vergaderd
bij zijne hut. Hij sprak dus: Ouden, die maniokbrooden eet gij,
die kruiken drinkt gij, dan luistert naar hetgeen is in mijnen mond,
dat ik spreke.
De ouden aten de maniokbrooden, dronken de kruiken, dan spraken zij,
alzoo: Wat zaak is er met u? Wel, zeg het, wij luisteren.
Hij dan, alzoo: Gij, ouden, ziehier waarom ik u uitgenoodigd heb. 't
Is al eenigen tijd dat mijne vrouw gestorven is, de vogel is aan 't
rotten [144]. Wel, gij ouden, ziehier waarom ik u uitgenoodigd heb,
laat ons gaan naar den familiestam van Zwina, wij regelen de zaak en
wij dragen de doodmare. Al wat er ginder is, regelen wij.
De ouden zegden: Maar, jongen, gaan en gaan, 't is wel; maar een ding
moeten wij inzien, ginder is het mes gescherpt [145]. Indien er iets
moest voorvallen?
De echtgenoot, alzoo: Er is niets, geene zaak te vreezen, alleenlijk
dat 't nieuws nog tot ginder niet toegekomen is: dit dat Zwina dood is.
De ouden antwoordden zoo: 't Is wel, wij zullen eten gereed
maken. Toekomenden Nkandu, den dezen niet, maar den volgenden Nkandu,
dan staan wij 's morgens vroeg op en wij vertrekken.
De Nkandu, die gesteld was, was aangebroken. Zij bonden heele
dragerskorven eten vast, zij kwamen te zamen, wel twee honderd, en
geweren en geweren en geweren, en potten poeder en potten poeder. Zij
trokken op met cimbalen en klokjes en trommels. Zij gingen en
gingen. Zij sliepen; de dag was aangebroken. Toen zij weer gingen en
gingen en gingen, sliepen zij. Zij sliepen wel acht slapen op weg,
den negensten kwamen zij aan. Degene, die de belletjes en klokjes
konden spelen, begonnen: Ku nge, nge, nge, nge, nge. Ku nge, nge,
nge, nge, nge... [146].
In 't dorp van Zwina, zegde men: A! Die de klokjes spelen, wie zijn
't? Ziet den hond daaronder [147].
Allen kwamen aangeloopen, zij kwamen zich vereenigen op de dorpsplaats,
en de mare verspreidde zich: 't Is de echtgenoot van Zwina. Maar
zwijgen, zwijgen, zwijgen, wij zullen hooren, wat hij komt zeggen.
De vader leerde Zwina en Nkenge, alzoo: Gij, komt niet buiten op den
weg, blijft in huis, ik heb al de ouden van 't dorp doen vergaderen,
alzoo: Komt; de schoonzoon die lang vergeten is, is in 't dorp gekomen;
wij hooren wat nieuws hij komt brengen.
De Bambata kwamen ook af op het plein van den vader van Zwina. Zij
vereenigden zich met hunne geweren. De ouden van 't dorp waren ook
vereenigd.
Toen zij allen gezeten waren, sprak de echtgenoot, aldus: De voeten
rusten, de mond, hij rust niet [148]. Ik, ik ben hierom gekomen:
Ndona Zwina is gestorven, maar de doodmare komen wij brengen. Staat
op, laat ons de doode begraven [149].
De vader van 't kind, aldus: He, ouden, hebt gij het gehoord?
De ouden zegden: Welaan!
Zij stonden op, zij gingen zich vereenigen op het plein van 't
opperhoofd. De vader van Zwina sprak, aldus: Gij, ouden, de toovenaars
hebben 't lijk opgeëten [150], en nu zouden zij nog hier komen liegen,
wij dus, wij zouden ze loslaten?
De jongsten onder hen antwoordden: Neen, vandaag, zijn zij allen dood.
't Opperhoofd van 't dorp sprak, alzoo: Wel, gij, onderdanen, als
wij teruggaan bij hen, hoe zullen wij doen?
De vader van Zwina, alzoo: Als wij gaan met u, grijsaard [151],
wij, wij regelen niets. Maar ik, als ik Zwina en Nkenge zal doen
te voorschijn komen, als zij op de plaats zullen komen, waar wij en
de Bambata vereenigd zijn, zij zullen alles vertellen. Wanneer zij
zullen verteld hebben, wanneer zij gedaan hebben, op die plaats neem
ik mijn kind terug. Wie mijn kind durft aanraken, doodt ze maar,
allen. De toovenaars zijn afgekomen, zij komen 't zelf zeggen. En
wij zouden ze loslaten?
Zij allen spraken: O neen! Wij vermoorden. Dus vooruit naar de
plaats. Gij, ouden, als wij gaan, gij, vereenigt u te zamen dicht
bij hen op de plaats. Wij, de jongelingen, wij allen om de Bambata,
wij omringen ze.
Zij kwamen op de plaats. Zij waren allen gezeten. De vader van Zwina
deed Zwina en Nkenge buiten komen. 't Was een donderslag in 't midden
van de Bambata. Toen zij Zwina en Nkenge zagen, stonden zij allen recht
op de plaats, allen verbaasd en verbaasd en verbaasd, alzoo: Wat is
dat? Zwina is dood in 't dorp. En nu, Zwina is hier met Nkenge; dat,
dat in 't dorp gebleven is, is maar een schijn. 't Zijn hier heksen
[152].
De jongelingen, toen zij dat hoorden, schoten vol gramschap: Wie
beschuldigt ons hier van heksen?
En zij vielen op de Bambata, en zij schoten ze dood. Slechts tien man
konden er vluchten. Zij gingen 't nieuws dragen in hun dorp, alzoo:
't Dorp, waar wij uitkomen, is een dorp van heksen. Zwina, weet ge, is
verrezen. In 't huis had men haar verborgen. Zij is juist gelijk zij
was. Die toovenaars hadden zich onder malkander geregeld, 't nieuws
zegden zij niet. Zwina hebben ze dan getoond en wij waren verbaasd
en verbaasd en verbaasd. Zij zijn op ons gevallen, en zij hebben ons
allen vermoord. Wij, wij zijn ontsnapt uit een land van toovenaars.
Hun dorp stierf uit. Al de ouden had men vermoord.
Maar de eenigen, die overgebleven waren, zegden, alzoo: Zij, de mannen
van die streek, waar men onze ouden heeft vermoord, als zij hier den
voet zetten, dood zijn ze, niet levend.
Mbengo.