De Luipaard had tien kinderen gebaard. Wandelen, hij wandelde om
eten te zoeken voor zijne kinderen. Toen kwam de Gazelle in 't dorp
van den Luipaard aan; zij, toen zij hare oogen richtte vóór 't huis,
zag een jonge maagd van den Luipaard, die de kinderen verzorgde. De
Gazelle ging 't huis binnen, waar de kinderen van den Luipaard waren,
en zij zegde tot de jonge maagd van den Luipaard, alzoo: Neem dezen
sprinkhaan, en bereid hem mij boven 't vuur.
En de jonge maagd nam hem aan, en legde hem boven 't vuur. Maar zij,
de Gazelle, zegde zoo: Mijn sprinkhaan, dat hij niet verbrande!
En zij gingen zich neerzetten, zij vielen aan 't vertellen. En zij
vertelden en vertelden. Zij, de jonge maagd, wien men den sprinkhaan
bevolen had, toen zij ging zien naar 't vuur, de sprinkhaan was
verbrand. Zij zegde, zoo: He, Gazelle, de sprinkhaan is verbrand.
De Gazelle antwoordde: Ik heb het u gezegd; mijn sprinkhaan, dat
hij niet verbrande! Maar geef een kind van den Luipaard, dat wij
het opeten!
De jonge maagd, toen zij dat hoorde, nam een kind.
De Gazelle zegde zoo: Bereid het boven 't vuur, wij eten het op.
Zij bereidden het voor, en zij aten het. De Gazelle ging naar haar
dorp terug.
De Luipaard, toen hij kwam, vroeg aan de jonge maagd: Tel mijne
kinderen.
Zij telde tien kinderen, bij het tellen waren zij er. Maar hij, de
Luipaard, hij wist niet, of zijne kinderen er waren. Maar zij waren
er allen niet.
Op een anderen dag kwam de Gazelle weer in 't dorp van den Luipaard,
toen hij aan 't wandelen en wandelen was; zij kwam 't huis binnen
waar de kinderen van den Luipaard waren. Zij beval weer aan de jonge
maagd, een sprinkhaan voor te bereiden: Mijn sprinkhaan, dat hij
niet verbrande!
En zij zaten neer, en zij vertelden en vertelden. Maar de sprinkhaan
was verbrand, en de Gazelle zegde: Neem een kind van den Luipaard,
wij eten het op!
En zij aten het op. En alzoo verdwenen al de kinderen van den Luipaard,
alle tien.
De Luipaard, toen hij van 't wandelen terugkwam, kwam terug in zijn
huis, en hij zegde: Tel mijne kinderen. En de jonge maagd telde
zijne kinderen. En zijne kinderen waren er alle tien, maar slechts
bij het tellen.
Toen hij weer gewandeld had, kwam hij in zijn dorp terug. Zijn huis
stond wijd open. De Luipaard begon te weenen; de tranen vielen over
zijne wangen; hij kwam buiten, hij zocht naar de jonge maagd; op den
weg struikelde hij [38]! En in zijn hart kwam gramschap, vele gramschap
op; hij kwam terug in zijn huis; hij vatte een hak, hij ging een stuk
hout losmaken, hij vond zijn jonge maagd en hij doodde haar.
Alzoo waren al de kinderen van den Luipaard verdwenen.
Kinlau.