De Gazelle was in vijandschap met den Luipaard. Hij, de Luipaard,
hij vervolgde en vervolgde de Gazelle; de Luipaard wilde de Gazelle
dooden; maar de Gazelle, zij vluchtte en vluchtte den Luipaard.
Op zekeren dag was de Gazelle in haar dorp teruggekomen: zij had haar
werk begonnen; zij vervaardigde hare fuiken; zij legde ze in 't water
dicht bij haar dorp. De regen was gevallen; de Gazelle ging uit om
middernacht: zij ledigde de visschen uit hare fuiken, en zij kwam
terug en legde de visschen in al hare fuiken. De zon was opgestaan,
't was klaar geworden. De Luipaard kwam in 't dorp van de Gazelle;
hij zag de Gazelle, die bezig was hare visschen te tellen.
De Luipaard sprak, alzoo: He, Gazelle, die visschen, waar gaat gij
ze halen?
Moeder Gazelle toonde een fuik onder een banaanplant; kwam, ledigde
die fuik, en schudde ze uit, en zag groote visschen. De Luipaard zegde,
zoo: He, Gazelle, geef mij ook dat toovermiddel.
De Gazelle, alzoo: Waar gij gaat, kijk niet om!
De Luipaard ging; de Gazelle volgde den Luipaard, zij schudde met
't hooge gras. En de Luipaard vergat 't verbod dat de Gazelle hem
had voorgeschreven: hij zag om bij vergissing, en hij dacht: Ach! De
Gazelle heeft het mij verboden.
En hij zegde: 't Is niets.
Hij ging; hij deed, gelijk de Gazelle het hem bevolen had. De regen
viel, hij ging waar hij de fuiken had gespannen; hij ledigde ze,
maar er was niets in; hij wist niet hoe de Gazelle deed met haar
verstand; hij kwam terug bij de Gazelle, en hij zegde: He, Gazelle,
ik heb niets gevangen.
Zij antwoordde: Gij hebt omgekeken.
De Luipaard alzoo: 't Is waar.
De Gazelle had gelijk; maar hij, de Luipaard wist niet hoe de Gazelle
haar verstand toonde. Want zij de Gazelle bedrogen, zij had hem
ook bedrogen.
Kinlau.