De reizende Mieren waren aan 't twisten met de kleine Mieren, en zij
zegden: Laat ons onze krachten beproeven. Wie kan er de huid van een
mensch stelen, om ze op onze trommel te spannen?
De kleine Mieren namen het aan, en zij zegden: Laat ons 't
beproeven. Wij kunnen het.
Daarna speelden de reizende Mieren de oorlogstrommel [11], vereenigden
hunne bende, telden de soldaten, hunne tanden scherpten zij, om te
gaan oorlog voeren met de menschen.
En zij gingen. Dicht bij 't bosch kwam er een heele bende menschen aan,
die naar de markt gingen.
De reizende Mieren stonden recht, bleven zich vasthechten aan de
voeten van de menschen, om er een huid van een mensch af te stroopen.
Maar de menschen begonnen met hunne voeten te stampen: stampten de
reizende Mieren plat, traden er over met kracht, en gingen voorbij
zonder eenig letsel. De reizende Mieren waren de pooten afgesneden,
waren de keel af, gekneusd, gingen uiteen in 't hooge gras, en gingen
alzoo terug naar hun dorp.
De kleine Mieren hadden hun verstand uitgedacht. Aan den oever eener
rivier dicht bij zijn dorp, ging een mensch zijne wonde afwasschen.
De kleine Mieren gingen hem volgen; de huid van zijn wonde die hij
liet liggen, namen zij op, droegen haar, en spande ze op hun trommel.
De groote Mieren, toen zij afkwamen, vol verwondering: Onze krachten
zijn niet gelijk aan de krachten van de menschen.
Maar de kleine Mieren toonden hun trommel en zegden: Verstand is
genoeg, wij zijn gewonnen.
Kisantu.