De Palmboommuis en de Krabbe hadden te zamen gebouwd. Dat, dat was
niet goed, vermits zij niet voorzichtig waren.
Op zekeren dag zegde de Palmboommuis tot de Krabbe: De ouden hebben
geleerd 's nachts alleenlijk te wandelen. Maar ik wil niet, wij
wandelen in den dag. Vooruit, ik zal mijn palmnoten gaan zoeken.
En zij gingen. Dicht bij hun dorp, was er een palmnotenrist rijp.
De Palmboommuis had 't gezien, zij was er opgeklommen om de palmnoten
te snijden. De Krabbe kwam af, bleef staan onder den palmboom. Ga
weg, vriendin, zoo deed ze opmerken, ga weg, misschien valt de
palmnotenrist.
Stel u gerust, vriendin, zoo zegde de Krabbe; ik heb schelpen, ik
kan niet sterven door dien palmnotenrist. Ik blijf hier van onder.
In 't dorp juist was de vrouw van 't opperhoofd maniok aan 't
stampen, terwijl zij haar liedje zong, alzoo: Maniok is hier, maar
de kruiderijen waar zijn ze? [8]
Haar man, toen hij dit hoorde, nam zijn geweer, ging uit, ging
zijn muizen schieten. Toen hij aan den palmboom kwam, zag hij de
Palmboommuis; hij legde zijn geweer aan, hij schoot.
De Palmboommuis at zijn poeder op [9]. De palmnotenrist, die afgesneden
was, rolde naar beneden; zij de Krabbe werd vergruisd. Alle beiden
stierven.
Waar zij hun dood gezocht hadden, daar vonden zij hem.
Kisantu.