De Kameleon en de Muis waren in twist. De Muis, toen zij den Kameleon
uitdaagde, alzoo: Gij en ik, als wij gaan naar de markt, zoudt gij
er rapper kunnen aankomen dan ik? Haast is met mij. Veel slepen is
met u. Gij kunt er niet geraken.
De Kameleon antwoordde zoo: Ik kan wedden, laat ons wedden. Ik kom
de eerste op den Nsona [6].
De Muis alzoo: Wel, laat ons wedden. Ik ben gewonnen.
De dag van den Nsona was aangebroken, de dag was schoon. Alsdan
vereenigden de Muis en de Kameleon hun geld om naar den Nsona te
gaan. Te zamen vertrokken zij uit 't dorp. De Kameleon telde langzaam,
en altijd door, door, door. Maar de Muis begon hard te loopen: hare
pooten stak zij uit, al hare krachten had zij vergaderd; op den top
van den weg was zij heel ver voor. De oogen kwamen haar uit, zij was
buiten adem.
De Kameleon volgde van achter; langzaam, langzaam mat zij, zij had
geen hoop verloren van te winnen.
En zij gingen, zij gingen, zij gingen.
De Muis was in de nabijheid van de markt gekomen, 's morgens, toen er
nog geen menschen waren [7]. Maar in haar zotheid wist zij de markt
niet; zij ging door in de wegen die van de markt komen; daar was zij
aan 't dwalen.
Terwijl zij aan 't dwalen en dwalen was, de Kameleon kwam op den
Nsona; de menschen waren er vergaderd; zij zat neer, kocht hare zaken;
zij bleef wachten naar haar, de Muis, of zij niet aankwam.
De markt was uiteengegaan. De Kameleon, zij alleen, bleef zitten. De
Muis was aan 't dwalen en dwalen. 't Was noen geworden. Op de markt
was zij niet te zien. Eindelijk kwam zij aan.
De Muis kwam op de markt aangeloopen, wijl zij uitriep tot den
Kameleon: He, vriendin, groote pijn, groote pijn, ik zag de markt niet.
De Kameleon toonde hare zaken en zij was gewonnen.
Kisantu.