DE PAD EN DE WOUW

Moeder Pad had schuld doen eten [2] aan Meester Wouw. Hij wilde niet

betalen. Hij aan 't wandelen en wandelen, hij was in 't dorp niet

te zien.

Moeder Pad, toen zij ging om 't geld te vragen, hij, Meester Wouw,

vond verstand; hij was er niet. «Overmorgen en overmorgen» deed hij

altijd zeggen.

Maar Moeder Pad, toen zij gedaan had met haar hart [3], ging haar

verstand uitdenken, hoe zij Meester Wouw kon tegenkomen. Dicht bij

het dorp van Moeder Pad, langs de rivier, was er een verlaten land;

't was het droog seizoen [4]; 't gras was droog. Moeder Pad had 't

land in brand gestoken. 't Vuur was gedaan; zij ging zitten op een

kleine hoogte kleigrond; haar witte borst blonk naar omhoog.

Meester Wouw, toen hij den rook van 't vuur gezien had, kwam zwieren

in de lucht, om te zien of er geen muizen wegliepen op dat land. En hij

wandelde, hij wandelde; hij vond iets dat daar blonk op den kleigrond;

hij kwam met de vleugels slaan en hij dacht: Dat is een muis!

Meester Wouw viel beneden, greep op wat daar blonk, legde het in zijn

weitasch, droeg het naar boven, en hij zag niet dat het de Pad was.

's Avonds toen hij terugtrok naar zijn dorp, kwam Meester Wouw met zijn

muizen te huis, begon te tellen de muizen van 't jagen. De muizen,

toen hij ze uitdeed, ze uitdeed, daar Moeder Pad 'n sprong: He,

Meester Wouw, hier ben ik, ik ben gekomen om mijn geld te ontvangen.

Meester Wouw was verwonderd en verwonderd, was beschaamd. Hij ging

geld halen in zijn geheimkamer, dat hij telde aan Moeder Pad: He,

mijn vriendin, neem uw geld, 't is gepast! Maar hoe gaat gij terug

naar uw dorp? Gij, ik zal u niet voor niet dragen.

Moeder Pad, alzoo: Mijn geld heb ik genomen. Indien ik u geen strikken

had gespannen, 't geld, ik had het zeker niet gehad. Ik weet mijn

wegen om langs 't veld terug te gaan.

Meester Wouw wist 't verstand van Moeder Pad niet. 's Nachts,

toen hij ging slapen, liet hij zijn weitasch hangen aan de deur van

't huis dicht bij den grond. Moeder Pad, toen zij de weitasch zag,

'n sprong er in.

's Morgens, toen de zon opgekomen was, Meester Wouw nam de weitasch,

ging wandelen. Maar dien dag, 't was heel warm en heet. Hij ging de

rivier in, om een bad te nemen.

Moeder Pad kwam er uit, terwijl zij zegde: He, mijn vriend, ik ben

er voor niet. Waar de voeten te klein zijn, de geest is niet te klein.

Kimpako.

Uit den Kunstschat der Bakongos · 第 19 / 153 题