Koning Zwaardwacht had drie vrouwen. De eerste heette Alfheld, wier
zoon Hedin was; de tweede heette Zeerit, wier zoon Schemerling was;
de derde heette Zinrood en haar zoon was Sluimerling.
Koning Zwaardwacht had gezworen, dat hij de schoonste vrouw zou
trouwen, die hij vinden kon. Eens vernam hij, dat koning Slaapner
een zeer schoone dochter had, wier naam Sieglinde was. Atli, den
zoon van een zijner edelen, die Idmond heette, zond hij uit om de
hand van Sieglinde te vragen.
Een winter lang verbleef deze edelman met zijn volgelingen aan koning
Slaapners hof. Glanswolk echter, een hoveling van den koning, die de
verpleger van Sieglinde was, en zelf eene dochter had, die Alof heette,
raadde zijn koning aan Sieglinde niet aan Atli mede te geven. Toen
ging Atli heen.
Maar voor hij heenging stond hij op zekeren dag voor een boschje lage
boomen. Daar zat een vogel in de takken, en deze had gehoord, dat
Atli's volgelingen de vrouwen van Zwaardwacht de mooiste vonden. Toen
zeide de vogel:
--"Hebt gij Sieglinde, Slaapners dochter, wel gezien, dat gij de
vrouwen van Zwaardwacht nu nog mooi kunt vinden?"
Atli vroeg den vogel, of deze hem helpen wilde Sieglinde voor zijn
koning te verwerven. De vogel beloofde het hem, wanneer hij in ruil
voor zijn diensten rijke geschenken krijgen zou. Maar toch moest Atli
zonder Sieglinde wederkeeren.
Zoodra hij in zijn eigen land, dat Glasland heette, aangekomen was,
vroeg de koning hem welke tijding hij medebracht. Atli zeide, dat hij
alle moeite gedaan had, die mogelijk was,--verhaalde den koning van
zijn afmattenden tocht over de barre bergen, hoe zij bij ebbe door
gevaarlijke rotsspleten aan zee waren gegaan, en dat tenslotte toch
nog Slaapners dochter was geweigerd.
De koning verlangde, dat zij nogmaals heen zouden gaan, en hij ging
zelf mede.
Toen zij boven op de bergen gekomen waren, en Slaapners land,
dat Svabaland heette, konden overzien, zagen zij daar hoogopslaande
vlammen en warrelende stofwolken, die door rennende paarden opgeworpen
werden. De koning reed van de bergen naar beneden, en vestigde zijn
nachtverblijf aan een breede rivier. Atli hield de wacht, en stak
de rivier over. Daar, aan den anderen oever, vond hij een huis,
waarvoor een groote vogel zat, die er de wacht moest houden, maar
ingeslapen was. Atli schoot den vogel dood, ging het huis binnen en
vond daar Sieglinde, de koningsdochter, en Alof, de dochter van den
edelman. Deze edelman had zich in een arend veranderd, en hij was
de vogel, die door Atli gedood werd, en hij had de beide meisjes met
zijn tooverkunst voor de legers beschermd. Want Roodwolk, een koning
uit den omtrek, die ook naar Sieglinde gedongen had, was het land
van den Svaba-koning binnengevallen, had hem verslagen, en zijn rijk
geplunderd en in brand gestoken.
Toen nam koning Zwaardwacht Sieglinde tot vrouw, en Atli behield Alof
voor zich.
Zwaardwacht en Sieglinde kregen een flinken, krachtigen zoon. Maar
spreken kon hij niet, en men gaf hem ook geen naam.
Eens echter, dat deze op een heuvel stond, zag hij negen Walkuren
over de wolken rijden. Een van dezen, Svaba genaamd, die de dochter
was van koning Euling, sprak tot hem:
--"Helgi, gij zult eens over heel het gebied en over alle burchten
van dit schitterende Glasland regeeren."
De koningszoon zag tot haar op, en toen hij het meisje gezien had
kon hij spreken. En hij zeide:
--"Schitterend meisje, wat wilt gij mij nog meer geven, behalve dien
naam? Wenscht gij mij nog meer in uw groet? Ik neem dien naam niet
zonder u."
Svaba, de Walkure, antwoordde hem:
--"Zes en veertig zwaarden zie ik in Zegehout staan. Maar één
daarvan is het beste van allen. Aan het gevest is een ring, moed in
de snede, op de spits schittert verschrikking, in het staal steekt
een bloeddrinkende draak. Het zwaard, dat met goud is beslagen, slaat
alle schilden stuk, en het trilt als de staart van een giftslang."
Toen reed Svaba heen. Helgi echter ging naar zijn vader Zwaardwacht,
en zeide:
--"Koning Zwaardwacht, gij zijt wel beroemd als aanvoerder van vele
legers, maar gij laat de vlammen vreten in het land van vorsten,
die u nooit iets hebben misdaan. Roodwolk regeert over de burchten,
die aan onze verwanten behoorden, en hij heerscht ongestoord over
het eigendom van de dooden."
Zwaardwacht antwoordde hem, dat hij hem een leger zou geven, als hij
er mede wilde uitrukken om den vader van zijn moeder te wreken.
Helgi zocht het zwaard, dat Svaba hem gewezen had, rukte met Atli uit,
velde Roodwolk neer en volbracht nog menige heldendaad.
Op een van zijn vele tochten versloeg Helgi ook den reus Haat, die
boven op een berg zat, aan den oever van de zee. Helgi en Atli legden
toen hunne schepen in de Haatfjord vast. Atli zou gedurende het eerste
gedeelte van den nacht de wacht betrekken, en terwijl hij op den hoogen
voorsteven van het grootste schip stond en uitzag, kwam Ringgerd,
de dochter van den gedooden reus, op de rotsen en sprak tot hem:
--"Welke helden zijn er in de Haatfjord gekomen? Schilden staan als
tenten op uw schip: gij schijnt dus geen vrees te kennen. Hoe heet
uw koning, en wie zijt gij?"
Atli antwoordde de heks:
--"Helgi heet de koning. Gij kunt zijn schip toch niet beschadigen,
want het is rondom met ijzer beslagen. Ik ben Atli. En ik haat alle
heksen, en vele malen heb ik, op den voorsteven staande, nachtspoken
vernietigd. Hoe heet gij, heks?"
De heks zeide hem:
--"Ringgerd heet ik, de dochter van Haat. Mijn vader heeft zich menige
bruid uit de burchten genomen, voor Helgi hem doodde. Want hij was
de machtigste onder de reuzen."
Atli wist, dat het haar plan was de schepen te vernietigen, als zij
er ongemerkt dichtbij kon komen, of wel, afwachtend onder het water,
ze om te werpen en zoo te doen zinken. Ringgerd, woedend, dat Atli
haar voornemen kende, riep uit:
--"Helgi, word wakker. Betaal boete voor den val van mijn vader. Laat
mij maar een nacht naast u slapen, dan zal uw wandaad wel gewroken
zijn."
Helgi werd wakker van haar stem, die huilde als de storm, en hij
zeide haar:
--"Lodhin, de woudreus, zal u wel temmen,--want voor een mensch zijt
gij niet goed genoeg. Bij wilde bergbewoners hoort ge thuis."
Ringgerd antwoordde hem:
--"Gij zoudt wel liever het blonde meisje hebben, dat de haven voor
u veilig heeft gemaakt. Hier zag ik ze aan land gaan,--zij is het
geweest, die mij de macht heeft ontnomen, om uw bende in het verderf
te storten."
Toen Helgi van het blonde meisje hoorde spreken, dacht hij aan Svaba,
de Walkure, en hij vroeg:
--"Zeg, Ringgerd, was zij alleen, toen zij mijn schepen redde, of
stonden anderen haar bij?"
Ringgerd zeide:
--"Er waren drie rijen meisjes, maar voorop reed er een in helderen
glans en zij droeg op het hoofd een helm. Van de waaiende manen harer
paarden droppelde dauw in het dal en woei de regen over de wouden. Dat
gaf vruchtbaarheid aan de velden,--en ik vloekte ze."
Terwijl Ringgerd zoo sprak, was de zon opgekomen, die alle nachtelijke
spoken doodt. Helgi en Atli lachten, en spraken tot Ringgerd:
--"Ringgerd, zie naar het Oosten, zie hoe ik u ten doode toe trof. Nu
is de vaart voor ons veilig,--blijf gij daar nu staan in de haven,
als een bespottelijke steenen gedenkzuil."
Helgi groeide op en werd een roemrijk krijgsman en machtig
koning. Hij ging naar koning Euling en vroeg hem zijn dochter Svaba
tot vrouw. Helgi en Svaba beloofden elkander trouw, en zij hielden
zeer veel van elkander. Svaba echter bleef bij haar vader, terwijl
Helgi verre krijgstochten ondernam. En Svaba was Walkure.
Hedin, de broeder van Helgi, was in Noorwegen bij zijn vader
Zwaardwacht. Op zekeren avond, dat hij eenzaam uit het woud naar huis
terugkeerde, ontmoette hij eene toovervrouw, die op een wolf reed en
slangen als teugels gebruikte. Deze bood aan Hedin haar bescherming
aan, doch Hedin weigerde. Toen riep de vrouw verontwaardigd:
--"Dat zult gij bij den Bragidronk ontgelden!"
's Avonds, toen Hedin met andere helden te zamen zat aan het groote
drinkgelag, dat Bragidronk genoemd wordt, verzekerde de een dìt, en
een ander dàt te zullen doen. Luidruchtig roemden zij allen bizondere
heldendaden te zullen volbrengen. Hedin legde een gelofte af, dat hij
Svaba, die de dochter van Euling en de bruid van zijn broeder was,
tot zijn vrouw zou maken.
Maar den volgenden morgen had Hedin zulk een groot berouw over wat
hij beloofd had, dat hij over de woeste wegen naar het Zuiden ging
en zocht, totdat hij zijn broeder Helgi had gevonden.
Zoodra deze hem zag, zeide hij tot Hedin:
--"Wees welkom, Hedin,--brengt gij goede berichten uit Noorwegen
mede? Waarom verliet gij uw land en zijt gij gekomen om mij te zoeken?"
Hedin verhaalde alles wat er dien avond gebeurd was en hij zeide:
--"Aan een groote gruweldaad ben ik schuldig, broeder. Bij den
Bragidronk heb ik de koningsdochter, uw bruid, tot vrouw gekozen."
Toen zeide Helgi:
--"Beschuldig u niet. Misschien kan wat gij drinkend beloofd hebt,
nog wel eens worden vervuld. Een held heeft mij naar een eiland
ten strijde gedaagd en na drie nachten zal ik er heen gaan. Ik weet
niet of ik ooit zal wederkeeren,--maar als ik val, loopt het lot u
misschien ten goede."
Helgi sprak aldus, omdat hij een voorgevoel had van zijn dood, en
omdat hij vermoedde, dat zijn eigen beschermgeesten hem verlaten en
Hedin hadden opgezocht, toen hij die vrouw op een wolf zag rijden.
De koning, die Helgi tot den strijd had uitgedaagd, heette Alf. Deze
was de zoon van Roodwolk, en hij wilde zijn vader wreken. Als plaats
voor den strijd had hij Zegeveld uitgekozen.
Toen Helgi na drie nachten daarheen ging, sprak hij tot zichzelf:
--"De vrouw, die op den wolf reed en mijn broeder haar bescherming
aanbood, wist het wel: Sieglinde's zoon zal op Zegeveld verslagen
worden."
Daar ontstond toen een hevig gevecht, waarin Helgi doodelijk gewond
werd. Hij zond een dienaar tot Svaba, om haar te zeggen, dat hij haar
spreken wilde. De dienaar ging tot Svaba en zeide tot haar:
--"Helgi heeft mij hierheen gezonden, om u te zeggen, dat de held u
nog zien wil voor hij sterven zal."
Svaba vroeg verschrokken:
--"Wat overkwam dan mijn Helgi? Welk leed moet ik beleven. Heeft de
zee hem verzwolgen, of trof hem het zwaard? Vervloekt zij de man,
die hem verwondde!"
De dienaar antwoordde:
--"Vroeg in den morgen viel de vorst, die de edelste was op de
aarde. Alf heeft hem verslagen."
Svaba ging naar de plaats, waar Helgi lag. Toen deze haar komen zag,
zeide hij tot haar:
--"Svaba, wij zien elkander voor het laatst in ons leven. Uit vele
wonden vloeit mijn bloed,--het scherpe zwaard heeft mij zoo dicht bij
het hart getroffen. Luister geliefde,--neen, ween nu niet,--vervul
dezen wensch: neem Hedin tot u, heb Hedin lief, maak zoo den jongen
held gelukkig."
Doch Svaba antwoordde hem:
--"Weet gij nog wel, mijn Helgi, wat ik u beloofd heb, toen gij mij
uw gouden ringen gaaft? Nooit zou ik na den val van mijn vorst nog
een anderen held omhelzen."
Toen sprak Hedin, de broeder van den gestorven Helgi, tot Svaba:
--"Svaba, geef mij een kus, tot groet. Want ik ga, en nooit zal ik
wederkeeren naar mijn land, nooit zal ik weerzien mijn glanzende
bergen, vóór ik Zwaardwachts zoon heb gewroken, die de edelste was
op de aarde."