De Welandsage

Er was een koning in Zweden, die Nijdhod heette. Twee zonen had hij,

en ene dochter, wier naam Bodwild was.

Ook leefden daar terzelfder tijd drie tooverkundige bergbewoners. Zij

waren broeders. De oudste heette Slagfid, de tweede Egil en de derde

Weland. Zij waren gewoon op sneeuwschoenen te loopen, en maakten

jacht op wilde dieren.

Eens kwamen zij in Wolvendal en bouwden er zich een huis dicht bij

een water, dat Wolvenmeer genoemd werd. Op zekeren dag, vroeg in den

morgen, dat de drie broeders op jacht waren gegaan, kwamen over het

uitgestrekte Zwartwoud meisjes uit het Zuiden gevlogen. Zij droegen

helmen op het hoofd en zochten of er ook ergens werd gevochten. Toen

zij niets zagen, zetten zij zich aan het strand van Wolvenmeer neder,

en sponnen er de kostbare draden van het lot. Hare zwanenkleeren lagen

in de nabijheid, want zij waren Walkuren. Twee van haar waren dochters

van koning Lodwer: de zwaanwitte Ladgud, en Herwor, de Alwijze. De

derde echter was Aalrune, de dochter van Kiar, koning van Walland.

Toen de drie broeders terugkwamen uit de bergen, en de vrouwen zagen,

namen zij haar mede naar hunne woning. Egil koos Aalrune, en vleide

zich aan haar blanken boezem neer; Slagfid nam de zwaanwitte Ladgud,

en Herwor, de derde, omhelsde Weland. Zij bleven zeven winters lang bij

elkaar. Maar in den achtsten winter voelden de vrouwen een rusteloos

verlangen naar haar eigen werk, en in den negende kon niets haar

weerhouden. Een groot verlangen om te zoeken waar gevochten werd

dreef de helmdragende meisjes het Zwartwoud in. En toen op zekeren

dag de drie broeders waren uitgegaan ter jacht, vlogen de vrouwen

heen. Herwor was de laatste, die heenging, en vóór zij ging fluisterde

zij, rondom zich ziende in den voorhof:

--"Wie straks uit het bosch komt zal geen blijheid beleven."

Vermoeid van de jacht keerden eindelijk de drie broeders uit het woud

in hunne woning terug. Zij vonden alle zalen verlaten,--zij liepen

naar buiten, liepen naar binnen, overal zoekend liepen zij rond.

Toen ging Egil naar het Oosten om Aalrune te zoeken,--naar het Zuiden

ging Slagfid om te zien of hij Ladgud ook vond. Maar Weland bleef in

Wolvendal, eenzaam. In fijn-gesmeede sieraden vatte hij edelsteenen,

reeg aan banden van boombast ringen van goud en wachtte, hopend,

dat zijn blonde Herwor zou wederkeeren.

Daar hoorde Nijdhod, de vorst van de Njaren, dat Weland eenzaam in

Wolvendal was. Weldra reed hij door de stilte van den nacht met een

leger krijgshaftige mannen, wier schilden en schubbige pantsers in

den schijn van den manesikkel schitterden.

Bij Weland's woning stegen zij van hunne paarden en gingen in de groote

hal. Daar zagen zij de aangeregen ringen, zevenhonderd in getal, die

het eigendom van Weland waren. Zij trokken ze van de banden, regen

ze echter weer aan elkaar, behalve een, die de mooiste was en dien

Nijdhod behouden wilde. Toen verscholen zij zich in de holen en in de

bosschen, die rondom de woning waren, en wachtten tot Weland komen zou.

Vermoeid van de jacht keerde deze eindelijk na een langen tocht

terug. Weldra vlamde er een vroolijk vuur in het dorre hout, dat

de wind gedroogd had, en ging Weland berenvleesch braden. Nadat hij

ervan gegeten had, legde hij zich neer op de huid van den beer, dien

hij gedood had, en telde zijn ringen. Hij miste er een, en meenend,

dat Herwor dien eraf had genomen, dacht hij, dat de jonge Alwijze

was teruggekeerd.

Zoo zat hij lang, wachtende tot zij zou komen, en viel eindelijk in

slaap. Maar wat jammerlijk wee bracht hem het ontwaken! Harde banden

bonden zijn handen, en zijn voeten waren stevig geboeid.

Toen riep hij luide:

--"Waar zijn de roovers, die mij met ruwe riemen omsnoerden en mij

in harde banden gebonden hebben?"

Nijdhod, de koning, die dacht, dat Weland al dat goud had gestolen,

ging naar hem toe en zeide:

--"Zeg, Weland, hoe hebt gij in Wolvendal al dat goud verworven? Want

gij hebt niet, als Siegfried, een draak gedood, die schatten

bewaakte, en de rotsen van den goud-rijken Rijn zijn ver van uw

woning verwijderd."

Weland antwoordde den koning:

--"Kent gij Ladgud en Herwor niet, Lodwers rijke dochters, en Aalrune,

die een kind van koning Kiar is? Ik had nog grootere schitterende

schatten, toen ik met Alwijze zoo gelukkig was."

's Konings krijgslieden namen den gevangen Weland op en brachten hem

naar het paleis van Nijdhod. De koningin, die buiten stond, zag hen

aankomen en zij zeide tot zichzelf, terwijl zij naar binnen ging:

--"Het ziet er niet goed uit, voor wie daar uit het woud komt."

Nijdhod gaf den gouden ring, dien hij uit Welands woning medegenomen

had, aan zijn dochter Bodwild ten geschenke. Zelf echter behield hij

het scherpe zwaard dat aan Weland had toebehoord.

Toen sprak de koningin tot den koning:

--"Welands oogen schitteren als die van slangen. Zijn tanden zullen

van woede wel knarsen, als hij zijn zwaard ziet en den ring herkent

aan Bodwilds arm. Snijd hem de kniepezen door en laat hem zoo in

Zeestad zitten!"

Dit geschiedde. Men sneed hem de pezen van de knieën door, en hij werd

op een eiland gezet, dat in de nabijheid van het land lag en Zeestad

heette. Daar moest hij voor den koning allerlei sieraden smeden,

en niemand durfde hem te naderen als de koning alleen.

Slapeloos zat er Weland en hanteerde den hamer. Hij dacht hoe nu aan

Nijdhods gordel het glanzende zwaard hing, waarvan hij de snede had

geslepen zoo goed hij kon, dat hij gehard had met hamerende handen,

en dat hem nu ontnomen was en nooit meer in zijn werkplaats zou worden

gebracht. En hij dacht aan den roodgouden ring van zijn heerlijke

Herwor,--en die nu aan Bodwilds arm blonk.

Zoo zat hij en smeedde sieraden voor Nijdhod, knarsend van woede,

onmachtig tot wraak.

Maar op zekeren dag kwamen Nijdhods jeugdige zonen naar Welands

werkplaats. Voorzichtig slopen zij naar binnen, openden de kist, waarin

de kostbaarheden waren, en keken er in. Daar zagen zij schitterende

schatten, en zij vroegen schuchter aan Weland:

--"Is al dat glinsterende echt goud?"

Weland wendde het hoofd om en zag de beide koningskinderen. Toen

rijpte er plotseling een plan tot wraak, en hij zeide:

--"Kinderen, komt morgen heimelijk bij mij, dan zal ik u schatten

ten geschenke geven. Maar zegt het niet aan de knechten en meiden,

verbergt voor iedereen, dat gij bij mij waart."

Den volgenden morgen, al heel vroeg, zeide het oudste van de kinderen

tot het andere:

--"Kom, laten wij gauw naar het goud gaan kijken." Nieuwsgierig

gingen zij naar Welands werkplaats, slopen voorzichtig naar binnen,

openden de kist, waarin de kostbaarheden waren, en keken er in.

Toen, met een hevigen slag, sloeg hun Weland het hoofd af en verborg

hun voeten onder den haard. Maar hun schedels zette hij in zilver en

zond ze aan Nijdhod, maakte van hun oogen edelsteenen, voor de sluwe

moeder een schitterend geschenk, en smeedde uit de tanden van haar

twee broeders een blinkend sieraad voor Bodwilds borst.

Korten tijd daarna gebeurde het, dat de gouden ring, waarmede Bodwild

pronkte, brak. Zij nam de beide stukken, ging er mede naar Weland,

en zeide:

--"Weland, wilt gij mijn ring weer maken? Aan u alleen durf ik zeggen,

dat hij gebroken is."

Weland antwoordde haar:

--"Ik zal uw gouden ring zóó maken, dat hij uw vader nog sierlijker

schijnt, en dat uw moeder hem veel mooier zal vinden. Gij zelf zult

zeggen: hij is weer even goed."

Overweldigd door het vele bier, dat Weland haar deed drinken, viel

Bodwild weldra, dicht tegen hem aan, in slaap.

Toen juichte Weland:

--"Nu heb ik alle wandaden gewroken, behalve één. Maar ik zal mij

nog wel hoog verheffen boven de schurken, die mijn pezen doorsneden."

Heftig begon hij te hameren en smeedde zich vleugels. En toen Bodwild

wakker werd, ging zij weenende heen van haar verleider, bevend voor

haars vaders wraak, en bang, dat Weland zou ontvluchten.

Koning Nijdhod had langen tijd tevergeefs op zijn zonen gewacht. Hij

lag op een bank in de groote zaal van zijn paleis, en peinsde. De

koningin stond buiten, en zoodra zij hem zag, ging zij tot hem,

zette zich naast hem neder en zeide:

--"Nijdhod, vorst der Njaren, zijt gij wakker?"

De koning antwoordde haar:

--"Altijd ben ik wakker, geen slaap sluit mijn vreugdelooze oogen. Mij

kwellen zorgen na der kinderen dood. Het hamert in mijn hoofd, sinds

gij mij zoo heilloos hebt geraden. Ik wil met Weland spreken."

Nijdhod stond op en ging naar Zeestad. Daar sprak hij tot Weland:

--"Antwoord mij, Weland,--wat is er gebeurd met mijn zonen, die zoo

gezond mij verlieten?"

Toen zeide Weland:

--"Alles zal ik u zeggen, als gij mij zweren wilt met heilige eeden:

bij de spits van uw speer, bij den rand van uw schild, bij de kiel

van uw schepen, bij den rug van uw krijgsros, dat gij mijn vrouw

niet zult vermoorden, dat gij mijn lief geen leed zult doen, ook niet

wanneer zij aan uw huis verwant zou zijn, en mij een kind in konings

zalen werd geboren.--Zoo ga dan in de werkplaats, die gij voor Weland

bouwdet, en zie er de balken, die druipen van bloed. Daar sloeg ik

uw kinderen met hevigen slag het hoofd af, en verborg hun voeten

onder den haard. Maar hun schedels zette ik in zilver, en zond ze

aan Nijdhod, maakte van hun oogen edelsteenen, voor de sluwe moeder

een schitterend geschenk, en smeedde uit de tanden van haar twee

broeders een blinkend sieraad van Bodwilds borst. En Bodwild zelf,

uw beider eenige dochter, gaat en draagt mijn kind."

Toen sprak Nijdhod:

--"Geen woord, Weland, heeft ooit mij heftiger getroffen,--geen woord

wensch ik zoo streng te straffen als dit."

Maar lachend vloog Weland de lucht in. Nijdhod stond, en staarde hem

na, vernietigd van smart.

Daarop zeide de koning:

--"Dankraad, gij wiens raad ik zoo dikwijls dankend aanvaardde, ga,

en ontbied de blonde Bodwild hier. Ik wil haar verhooren."

Toen Bodwild gekomen was, zeide de koning:

--"Is het waarheid, Bodwild, wat Weland mij zeide? Waart gij te zamen

met hem?"

En Bodwild sprak:

--"Het is waarheid, koning, wat Weland u zeide. Wij waren te zamen,

alleen. Ach, had ik toch nooit dat nooduur beleefd! Maar ik deed

het ontwetend, deed het onwillend, ik kon niet weerstaan, kon Weland

niet weren."

De Edda · 第 32 / 42 题