Hoe de Standen ontstonden

Helderwit, een van de Asen, ging een verre reis ondernemen. Hij had

echter een anderen naam aangenomen, en noemde zich Oerman.

Nadat Oerman al zeer ver was gevaren, kwam hij aan het strand van de

zee en vond daar een huis. De deur lag naast den ingang, en Oerman

ging naar binnen.

Daar zaten, over het vuur gebogen, twee menschen, een man en eene

vrouw, die Oud en Oude heetten en zeer armoedig waren gekleed. Oerman

sprak met hen, gaf hun in vele dingen goeden raad, en spoedig werd

het midden van de bank voor hem vrijgemaakt, waar beiden zich naast

hem nederzetten. Oude haalde een stuk droog brood, dat hard en grof

was en met zemelen gebakken, droeg ook een houten nap met slecht bier

naar binnen en een stuk gekookt kalfsvleesch, het beste wat zij had.

Toen zij gegeten en gedronken hadden, en Oerman hun nog veel goeden

raad gegeven had, stond hij op om te gaan slapen. Hij legde zich

midden in het groote bed, en naast hem legden zich Oud en Oude neer.

Drie nachten bleven zij daar bij elkander. Toen ging Oerman weer heen,

en vervolgde zijn reis.

Na negen maanden echter kreeg Oude een koolzwart kind. Men wiesch

het met water, en noemde het Knecht. Voorspoedig groeide het op,

maar het had ruwe en doorgroefde handen, zijn rug was krom gegroeid,

knoestig waren zijn vingers, en grof zijn gezicht. Het werk, waarmede

Knecht zijn kracht ontwikkelde was hakken van hout, boomtakken binden,

stammen sleepen, heel den dag.

Eens kwam er een vrouw in zijn woning, hinkend op haar bloederige

voeten, met eeltige handen en stompen neus. Meid was haar naam. Spoedig

werd het midden van de bank voor haar vrij gemaakt, en de zoon des

huizes zette zich naast haar neder. Daar lagen, toen het donker was

geworden, lachend en pratend, Meid en Knecht.

Armelijk woonden zij bij elkander, en kregen vele kinderen. Dat waren

kromme en kreupele, plompe, lompe wezens. Zij voederden de zwijnen,

groeven turf, en wroetten rond in de aarde.

Zoo ontstond de stand der Knechten.

Toen Oerman heengegaan was en zijn weg had vervolgd, kwam hij weer

aan een huis. De deur lag naast den ingang en Oerman ging naar binnen.

Daar zat aan het vuur een vlijtig paar, dat ijverig aan het werk

was. Bij den haard stond een houten paal, waarvan de man een gladden

weef boom had geschaafd. Zijn vrouw zat naast hem en trok uit het

spinnewiel stevige draden. De man, in een kiel gekleed, droeg het

haar bij het voorhoofd heel kort geknipt, terwijl zijn vrouw een

doek om het hoofd had geslagen, en een halsdoek over haar jak had

vastgemaakt. Zoo woonden Afi en Amma bij elkander.

Oerman sprak met hen, gaf hun in vele dingen goeden raad, maar stond

spoedig op van tafel om te gaan slapen. Hij legde zich midden in het

groote bed, en naast hem legde het vlijtige echtpaar zich neder.

Drie nachten bleven zij daar bij elkander. Toen ging Oerman heen,

en vervolgde zijn reis.

Na negen maanden echter kreeg Amma een krachtig kind. Het had een

frisch gezicht en vroolijke oogen. Zij wieschen het met water,

wonden het in linnen windselen, en noemden het Kerel. Het werk,

waarmede Kerel zijn kracht ontwikkelde, was stieren voederen, het

veld bebouwen, met wagens rijden, en den ploeg besturen.

Eens kwam er een bruid in de woning van Kerel. Aan haar gordel

hingen sleutels, en over haar lange kleed van geitevellen droeg zij

een mooien mantel. Het meisje heette Snaartje. Zij deelden samen hun

bezit, en woonden als echtpaar bij elkander. Zij leefden gelukkig en

kregen kinderen. Dat waren stevige, sterke, werkzame jongens,--flinke,

vlugge, montere meisjes.

Zoo ontstond de stand der boeren.

Toen Oerman heengegaan was, en zijn weg had vervolgd, kwam hij aan

een groote zaal. De deur stond naast den ingang, die gekeerd was naar

de zon. Oerman ging naar binnen.

Daar zaten een man en eene vrouw, die zich met spelen

vermaakten. Vader, die de heer was van het huis, hield een boog in de

hand, en spande de pees met een puntigen pijl. Moeder, de huisvrouw,

streek de plooien van haar kleeding glad. Zij droeg een sluier op het

hoofd, en kunstige sieraden om den hals, en zij had een blauw gewaad

aan met langen sleep. Voorhoofd, borst en armen waren blanker dan de

blinkende sneeuw.

Oerman sprak met hen, gaf hun in vele dingen goeden raad, en spoedig

werd het midden van de bank voor hem vrij gemaakt, waar beiden zich

naast hem nederzetten. Toen dekte Moeder de tafel met een gebloemd

linnen laken, en zette het beste gebak voor hen neer. Zilveren schalen

met spek en gebraden vogels droeg zij binnen, en kostelijken wijn in

waardevolle kannen.

Zoo ging, pratend en drinkend, de dag ten einde, en Oerman gaf hun

menigen raad, totdat hij opstond om te gaan slapen.

Drie nachten bleven zij daar bij elkander. Toen ging Oerman weer heen,

en vervolgde zijn reis.

Na negen maanden kreeg Moeder een stevigen zoon. Men wiesch hem met

water, wikkelde hem in zijden doeken en noemde hem Heer. Hij kreeg

blonde haren en bloeiende wangen, en als slangenoogen blonk zijn

blik. De knaap werd flink en sterk, leerde pijlen snijden, bogen

buigen, het schild hanteeren, speren slingeren, paarden temmen,

en oefende zich in zwaarden zwaaien en in zwemmen.

Eens, dat Oerman wederkeerde uit het woud, gaf deze hem zijn naam,

en noemde hem zoon. Hij raadde hem aan er opuit te rijden om aan

zijn oude bezit nieuwe winsten te verbinden. Heer reed heen langs

ongebaande paden en over besneeuwde bergen, totdat hij voor een

burcht kwam. Hoog op zijn paard gezeten slingerde hij zijn speer,

zwaaide zijn zwaard en zijn schitterende schild. Er ontstond een

hevige strijd: de bosschen werden rood van bloed, de vijanden vielen,

en heel het land werd overwonnen.

Hij alleen was heerscher over achttien burchten, en schonk overvloedige

schatten weg: kunstig gesmeede sieraden, edele paarden, geslingerde

ringen van goud.

Toen zond hij edelen uit, ver over de zee, naar den burcht, dien

Herse zich bouwde, en hij beval hun, dat zij Erna, het slanke, mooie

adelsmeisje, halen zouden. En Erna kwam, in linnen bruidsgewaad

gekleed.

Heerlijk leefden zij samen, en teelden een grootsch geslacht van

koninklijke kinderen.

Zoo ontstond de stand der edelen.

De jonge koning kende alle runen van oude tijden, had de macht om

zieken te genezen, vijandelijke zwaarden bot te maken, stormen te

bedaren, vuur te dooven, vogels te verstaan, en leed te lenigen. Hij

was zoo sterk van spieren als acht mannen te zamen. Meer zelfs dan

de wijze Oerman kende de koning, en hij was in alle weten ervaren.

Eens reed een van zijn edele zonen door het wilde woud ter jacht, en

luisterde naar het zingen van de vogels. Toen krijschte er een kraai,

en zeide tot den jongen edeling:

--"Vorstenkind, wat voert u hierheen om naar vogels te luisteren? Op

strijdrossen rennen, en helden vellen is betere taak voor u dan de

jacht. Wie na u komen zullen méér burchten bezitten, en grooteren

roem verwerven: op snelle schepen zullen zij over de wereld zeilen,

en overal de teekenen toonen, die het zwaard hun bloedig sloeg"

De Edda · 第 30 / 42 题