Ik weet hoe ik hing aan den wereldboom
Negen nachten, lang als eeuwen,
Gewond door de speer, aan God-Wodan gewijd,
Ik zelf zoo gewijd aan mijzelf;--
Hing aan den boom, die voor ieder verbergt
Waar zijn wortelen groeien.
Geen brood bood men mij, noch mede aan,
Mijn hoofd zonk zinnende neder,
Klagende riep ik om runentoover
Tot ik als vrucht van den boom viel.
Negen liederen leerde mij de zoon
Van Boosdoorn, Bestla's vader.
En van Mimir's wondere wijsheidswater
Dronk ik een teug.
Er kwam in mijn leden een nieuwe kracht
En nieuwe lust tot leven:
Onheilen kan ik van mijn hoofd afwenden,
En de woorden drijven tot daden.
Lodfafnir, luister. Wilt gij leeren
Runen te ontraadselen, die de hoogste der goden
In stevige twijgen sneed?
"Wilt gij vernemen de nuttige woorden,
Die Godspreker sprak, en gebeden kennen,
Die heil aanbrengen,--zoo hoor!
Vóór de wereld was Wodans wijsheid:
Hij keerde vanwaar hij kwam,
Liederen ken ik als geen enkele koning
Of hoogverheven vrouw.
Het eerste lied leert mij hulp te verleenen
In gevechten, onheil en gevaar;
Mijn tweede zang geneest de zieken,
Wanneer de dood hen dreigt.
Het derde is verschrikkelijk voor iederen vijand:
Want nauwelijks zal ik het zingen,
Of het zwaard verstompt van mijn bestrijders
En hun baat geen wapen tot afweer.
Als een vijand mij heeft gevangen genomen
En armen en beenen mij bindt,
Zing ik den vierde der tooverzangen,
En vrij zijn mijn voeten, daar de boeien vielen,
Vrij hef ik mijn handen omhoog.
Een pijl, die van de pees werd geschoten
En in trillende vlucht mij wil treffen,
Staat stil en valt bij 't vijfde lied,
Gebonden door mijn blik.
Een zesde is machtig, wanneer een man
Met de tooverdistel wil steken:
Dan valt niet op mij,--dan valt op hem
Het verderf, waarmede hij dreigde.
Het zevende lied zing ik, zoodra ik zie,
Dat een huis in vlammen is gevlogen,
Hoe hoog het laaiende vuur ook lekke,
Hoe uitgebreid de brand ook zij,
Ik dwing hem te bedaren.
Twist, die tusschen de helden ontstaat,
Beëindigt van mijn lied'ren het achtste,
Mijn negende zang, in den nacht gezongen,
Verdrijft de gestalten der vrouwelijke spoken,
Die over de rotsen rennen.
Ik ken nog een tienden tooverzang
Om in nood op zee te zingen:
Dan stil ik den storm en hooggaande golven,
Bedaar ik het dreigende, woeste water,
En kan rustig verder varen.
Mijn lieveling wordt door mijn elfde lied
Beveiligd in alle gevechten:
Ik zegen zijn schild en zijn glanzende zwaard,
En hij gaat ongedeerd, en hij keert ongedeerd
En is in den strijd steeds de sterkste.
Het twaalfde bewerkt dit groote wonder:
Het jonge kind van een edelen koning,
Door mij in het water gewasschen
Terwijl ik zing, kan geen zwaard verwonden,
Wanneer het als held in den strijd trekt.
Wanneer heel het volk ter vergadering komt
En ik noem van de goden de namen,
Dan zing ik mijn dertienden zang,
Want beter dan wie ook ben ik bekend
Met 't wezen van Asen en Alfen.
Eens zong een dwerggeest, Rustegever,
Een lied dat aan volkeren kracht verleent,
Wanneer ze des morgens ontwaken:
Dat werd mijn veertiende tooverzang,
Die sterkte aan de Asen verstrekt
En mijzelf verheldert de zinnen.
En als ik bij een angstig meisje
Mijn vijftiende zang ga zingen,
Dan wordt zij goedgunstig en geeft mij geluk
En vervulling van al mijn verlangens.
Wil zij mij verlaten, zoo zing ik een zestiende lied
Waardoor zij mij blijft verbonden,
Ik zal aan geen meisje ooit mededeelen
En aan geen vrouw vertellen
Mijn zeventiende, 't laatste lied.
Behalve aan Frigga, de vrouw aan mijn zijde,
Is 't slechts één enkele bekend.
Nu zong ik geheel mijn hoogen zang,
Die den menschen tot steun moge strekken.
Gelukkig is hij, die de liederen kan keren,
En den zijnen meedeelen mag.
Al zal het lang duren, Lodfafnir, vóór
Gij ze ooit zelf zult zingen,
Verheug u dat gij ze mocht vernemen
En gebruik den zegen, dien ik u gaf.
Door u dit heil te doen hooren."
Lodfafnir vroeg aan Wodan, dat deze hem nog meer zou leeren, dat
heilzaam voor alle menschen was. Toen sprak Wodan tot hem:
--"Lodfafnir, luister dan naar mijn lessen, en doe uw nut met wat gij
vernemen zult. Gij hebt de runen van den Hooge gehoord,--luister nu
naar zijn levensregels.
Het allervoorzichtigste zult gij zijn bij het drinken van den
aaldrank, doch ook bij een vrouw, die getrouwd is, en bij schelmen
en dieven. Wanneer gij drinkt, roep dan de kracht der aarde te hulp:
deze bevrijdt u van een roes, zooals een huis bevrijdt van verwarring,
de maan van de woede, en runen van boosheid,--geef daarom aan de
aarde een deel van uw drank.
Lodfafnir, leer deze wijze les. Als gij gaat over landen en zeeën,
neem dan den noodigen mondvoorraad mee en wijk geen stap van uw
wapens. Wie honger heeft vindt geen vreugde in gesprekken, en niemand
kan zeggen hoe spoedig hij zijn speer noodig heeft. Geef aan uw vijand
geen vrede, zoodra u gevaar dreigt, en zie in een gevecht niet angstig
rond, want de schrik verandert iemand in een varken.
Een angstig man vermijdt het gevecht, alsof hij eeuwig bleef leven:
ook als hij de speer is ontsprongen weet de ouderdom wel waar hij
is. Aan mannen past een wakkere moed, tot de dood hen heeft getroffen;
en koningskinderen zijn dapper in den strijd, maar sober met woorden.
Heil den gever! Daar is een gast gekomen, waar zal hij zitten? Wie zijn
geluk zoekt op de reis heeft groote haast. Wie van buiten komt heeft
verwarming noodig voor zijn koude leden, wie van verre door de bergen
komt kan kleeding en voedsel gebruiken. Water en een handdoek zal de
gastheer aan zijn gasten geven: door goede behandeling verkrijgt hij
hun dank en belooning. Want er is geen enkele goede en gastvrije man,
die zich niet verheugt om geschenken,--hoe veel hij zelf ook weggeven
moge, nooit zal een belooning hem leed doen.
Niemand zult gij hoonen, die in uw huis komt, want wie binnen zit
kan de waarde van een bezoek niet altijd zien.
Lodfafnir leer deze wijze les: vaar tegen geen enkelen vreemdeling uit
en geef gaarne aan wie er om vragen, en geef zoo lang en zoo goed als
gij kunt. Spot nooit met een stumper en veracht een ouden prater nooit:
verstandigen hebben een verwelkte huid, die slap en verschrompeld om
hen heen hangt: maar het verstand kwam met hun jaren. Alle menschen
hebben deugden en gebreken, en al is niemand geheel volmaakt, er is ook
niemand die niet iets goeds heeft. Een ieder heeft niet dezelfde gaven
gekregen, en alleen degene, wien het aan hart en verstand ontbreekt,
spot en lacht om alles. Hij moest weten,--maar weet het niet,--dat hij
ook zelf niet vrij is van fouten. Een gastheer zij vriendelijk voor
zijn gasten, en vroolijk: dan zorgt hij tegelijk voor zichzelf. Want
wie goeden raad weet te geven verdient de lof van een verstandig man.
Op reis is voorzichtigheid het beste gezelschap,--die heeft men het
meeste noodig van alles. Stel daarom ook niet al te hoog vertrouwen op
het ontkiemende veldzaad, noch op het verstand van uw kind: het zaad
heeft zijn tijd en een kind heeft opvoeding noodig. Hoe vaak blijken
beide niet onbetrouwbaar! Prijs den dag nooit voor den avond, en een
vrouw slechts dan als ze dood is,--prijs een bruid na de bruiloft,
het bier na het drinken, het ijs als ge behouden aan land zijt gekomen,
en een zwaard, nadat gij het eenmaal gezwaaid hebt. Brekende bogen en
flikkerende vlammen, wilde zwijnen en ontwortelde boomen, huilende
wolven en hongerige raven, hooggaande golven en glibberige slangen,
krakend ijs en een kookenden ketel, preekende vrouwen en een vleiende
heks, stijgerende hengsten en schijndoode helden, pralende vorsten
en prijzende heeren, een klaren hemel en een klagend meisje, een
brandend huis en een beer, die danst, uw vijand op denzelfden weg
als gij bewandelt,--wees altijd voorzichtig, vertrouw dezulken nooit.
Wie als gast in een huis komt zal goed om zich rondzien, want niemand
weet of daarbinnen zich niet een vijand bevindt. Blijf ook niet te
lang in hetzelfde huis, want de beste vrienden worden vervelend,
wanneer zij te lang op den bank van een ander vertoeven.
Wees vooral voorzichtig, wanneer gij aan den maaltijd gaat. Drink van
de mede, maar houd de maat, dan kunt ge zwijgen en spreken waar het
noodig is. Niemand zal u verwijten, dat gij vroeg naar bed gaat. Mede
is voor de menschen niet zoo goed als men meent, en dronkenschap
is de slechtste gezel, omdat iedere slok een stuk van het verstand
steelt. En wie zonder nadenken aan zijn lusten maar toegeeft, eet
zich ziek: menigeen, die zich in matig gezelschap zoo dom gedroeg,
werd later door zijn maag uitgelachen. De kudde kent den tijd om naar
huis terug te keeren, en houdt dan met grazen op,--maar een domme
mensch let niet op de maat van zijn maag.
Wanneer men aan een maaltijd fluistert, moet gij zwijgen, zet echter uw
oogen en uw ooren wijd open, opdat gij uw voordeel kunt vinden. Laat
u nooit verleiden met den eerste den beste te spreken en vertel aan
een schelm nooit van uw eigen verdriet, want in een slecht gezelschap
vergeldt men goed niet met goed en worden de braven ontwapend door
de schimpscheuten der slechten.
Zorg er voor van alles te weten, omdat bij wijzen een domme bespot
wordt. Dwaas is hij, die nooit iets zegt, of niet weet wanneer hij
moet zwijgen. Wanneer het gesprek op runen komt of op kennis van
goddelijke dingen, spreekt een dwaas het verstandigste, wanneer hij
zwijgt. Een dwaas doet het beste in gezelschap van andere mannen
zijn mond te houden: dan bemerkt niemand, dat hij weinig weet,
en houdt hij zijn armoede verborgen. Een man moet echter ook niet
méér dan matig wijs zijn. Wie zijn noodlot niet kent blijft bevrijd
van veel kommer, en te groote wijsheid kost iemand de vroolijkheid
van zijn hart. Wanneer men slechts goed weet hetgeen dat men weet,
leidt men het gemakkelijkste leven.
Wie verstandig wil zijn moet steeds weten wat hij zal zeggen of
vragen. Doch hij vertrouwe slechts den een, en den ander niet, want
wat drie weten weet heel de wereld. Houd daarom voorzichtig de wacht
aan de deur van uw vertrouwen: hoe menigeen heeft het niet moeten
boeten, dat een ander zijn geheime gedachten kende! Hoofd en tong
behooren bij elkander en toch heeft menige tong een hoofd afgehouwen;
dikwijls is onder een kleed van vrede een gewapende hand verborgen.
Hij is een dwaas, die denkt een vriend te vinden in een ieder die hem
toelacht, en hij ziet niet in hoezeer men hem bespot. Hij is een dwaas,
die denkt een vriend te vinden in een ieder die met hem meepraat,
en als hij voor het gerecht geen verdediger vindt, bemerkt hij eerst
hoe hij bedrogen werd.
Weet gij echter, dat gij een vriend hebt, dien gij volkomen kunt
vertrouwen, wissel met hem dan al uw gedachten en vele gaven en ga hem
dikwijls bezoeken; want heidekruid en hoog gras groeien op een weg,
dien niemand bewandelt.
Eens was ik jong en doolde eenzaam rond en verdwaalde op de wegen;
nu ben ik rijk, wijl ik een ander vond: een man is voor den man een
vreugde. De boom, die op een dorren heuvel staat, krijgt geen bladeren
en takken; zoo is ook de man, die door niemand bemind wordt,--waarom
zou hij langer leven?
Een brandstapel vangt van een brandstapel vonken tot hij zelf in
brand vliegt,--zoo leert een man van een anderen man, en zou dom
blijven, als deze zweeg. Maar als bij slechte menschen het vuur van
de vriendschap vijf dagen brandt, zinkt het in asch vóór den zesde,
en is alle liefde uitgedoofd.
Met wapenen en kleederen moeten vrienden elkander verblijden, zooals
men zelf zeer goed weet: wie elkander geschenken geven blijven
het langste bevriend, wanneer het geluk overigens wil dienen. Niet
alleen groote gaven moet men geven, ook met kleine koopt men zich
dank,--met een half brood en een halfgeledigden beker verkreeg ik eens
een vriend. Voor een vriend moet men vriendelijk zijn en hem alle
gaven vergelden, zooals men hoon met hoon, en bedrog vergeldt met
leugens. Voor een vriend moet men vriendelijk zijn, ook voor allen,
die hem bevriend zijn, maar wie uw vriend vijandig is, zult ook gij
niet als vriend beschouwen.
Breek nooit overijld, en nooit het eerst, den band met uw vrienden,
want als gij uw gedachten aan niemand toevertrouwen kunt, knaagt de
kommer aan uw leven.
Uit den verstandigen man weet de macht der liefde een dwaas te maken
en dat gebeurt eens bij een ieder. Daarom moet niemand een ander
verwijten, dat hij in haar boeien ligt: de schoonheid verwart den
flinken man en laat een zwakhoofd onverschillig. Met mooie woorden
en rijke geschenken verwerft men de gunst van de vrouwen, en wie de
schoonheid van een meisje prijst vangt haar spoedig in zijn armen. Maar
ik beken het u eerlijk,--ik ondervond het toch zelf,--de liefde van een
man voor eene vrouw is vluchtig. Wij praten prachtig, denken slecht,
en bedriegen haar, die ons het meeste vertrouwen.
Lodfafnir leer deze wijze les: verleid nooit de vrouw van een ander
tot liefde. Maar als gij een meisje, dat vrij is, tot liefde wilt
lokken en vreugde bij haar wilt vinden, beloof en geef haar dan
schoone geschenken, en nooit geeft gij haar te veel.
Lodfafnir, leer deze wijze les: vertrouw niet te veel op het woord van
vrouwen en meisjes, want op een rollend rad werd haar hart geschapen
en in haar ziel woont wispelturigheid. De liefde van een vrouw met
vluchtigen zin is gelijk aan een tweejarig paard, dat zonder toom,
met onbeslagen hoeven, schichtig over het ijs holt;--gelijk aan een
schip zonder stuur in den storm, en aan een jager op beregende wegen,
die struikelt en uitglijdt op gladden steen.
Lodfafnir, leer deze wijze les: ontvlucht de omhelzing van een
toovervrouw, want zóó zal zij u bedriegen: gij weet niet meer wat
rechters en koningen tot u spraken, gij denkt aan geen eten en
mannenmoed meer en zorgenvol valt gij in slaap. De booze tong van
een vrouw heeft al menigeen leven en hoofd gekost, en haar valsche
woorden sleepen hem in het graf, zonder dat hem schuld treft.
Lodfafnir, leer deze wijze les: sta in den nacht slechts op als er nood
is. Wie alle nachten waakt zal 's morgens zeer vermoeid zijn en toch
dezelfde zorgen vinden. Sta echter vroeg op, als gij weinig werklieden
hebt, want er wordt veel verloren door wie zich verslaapt. Wie eens
anderen mans leven en goed wil verkrijgen moet vroeg opstaan: een luie
wolf verliest zijn prooi, en zoo ontgaat een slapende de overwinning.
Een ieder moet de maat goed kennen van de houtstapels voor zijn
huis, opdat in de wintermaanden zijn voorraad niet opraakt. Een
goede voorraad geeft rustigen slaap, zelfs in den barren herfst,
als het weer wel vijfmaal verandert op een dag, en hoe dikwijls
dan niet in de maand! Met het vermogen, dat een man zich verwierf,
moet hij niet gierig zijn: vaak krijgt een vijand wat men voor
een vriend had bestemd, 't Geschiedt zoo dikwijls anders als men
vermoedde! Een rijke had eens volle schuren,--nu kauwen zijn kinderen
op hun vingers,--rijkdom, de onbetrouwbare vriend, verdwijnt zoo vlug
als een wenk van de oogen.
Hoe klein uw bezit dan ook zij, wanneer gij een huis hebt zijt gij er
meester: een dak van stroo en twee geiten in den stal is beter dan
bedelen. Hoe klein uw bezit dan ook zij, wanneer gij een huis hebt
zijt gij er meester,--alleen bloedt het hart, wanneer men iederen
middag zijn eten moet vragen. Maar niemand behoeft zich te schamen,
die geen goede schoenen en prachtig paard bezit, als hij maar schoon
en verzadigd naar de rechtplaats kan rijden. Een rijke, die tusschen
de menigte toch geen verdediger kan vinden, is als een arend, die
angstig op een prooi aast.
Vuur is het beste onder de menschen, de aanblik van de zon en een
goede gezondheid, wanneer men die zonder schande kan hebben. Nooit
is een man geheel ongelukkig, zelfs niet dan als hij ziek is: de een
verheugt zich over zijn zonen, een ander over verwanten, een derde
over zijn vele vee, en een vierde is tevreden over zijn daden. Een
lamme rijdt nog op een paard, wie zijn handen verloor kan de kudde
leiden, een doove kan nog vechten, en een blinde is beter dan een
verbrande. Want dooden dienen tot niets. Het is beter te leven dan
dood te zijn,--een levende krijgt nog wel ooit een koe,--bij den rijke
zag ik vroolijk vuur opvlammen, maar hij lag zelf voor de deur dood.
Een zoon te hebben is goed, ook al werd hij geboren na den dood van
zijn vader: zelden staan er gedenksteenen langs den weg, die een zoon
er niet voor zijn vader zette.
Het vee sterft en alle verwanten sterven, en eens sterft men ook
zelf,--maar nooit sterft de roem van hem, die zich een goeden naam
verwierf.
Het vee sterft en alle verwanten sterven, en eens sterft men ook
zelf,--één ding weet ik, dat sterft nooit: het oordeel over den doode."