Neemt weg mij dien ketel, dat uitzicht weer hebben op aarde de Asen."

Maar Roodspeer wilde niet dat de vuren weggenomen werden. Toen

verhaalde Vermomde de wondere namen van Wodan:

--"De Dolende heet ik, de Wijze en Heer; Vlammenoog ben ik, Bliksemoog,

Blindmaker van menschen, Langbaard en Haarbaard, Verwarder, Verwoester,

Vader der zege, Brenger van slaap. Bevende ben ik en Bruller, Waaiende,

Lucht, Ziedende, Zee, Brander en Oorlogsman, Windrig en Wensch, Goede

en Gouden, Stormheer, Regengod, Waarachtig en Stout. Hoog heet ik,

Evenhoog, Derde en Donderaar, Watergeest, Wakker en Bries.

Sleeper was ik toen ik sleden sleepte, Sluwe in 't geding, Speerespits

voor tegenpartij, Vermomde was ik bij Roodspeer. Nu ben ik Wodan

geworden."

Koning Roodspeer zat, en hield het zwaard halfuitgetrokken op zijn

knieën. Toen hij nu hoorde, dat Wodan er was, stond hij op en wilde

de vuren van hem wegnemen. Maar zijn zwaard viel, het gevest naar

beneden. Koning Roodspeer struikelde en de punt van het zwaard stak

hem een doodelijke wonde. Toen zeide Wodan:

--"Roodspeer, hebt gij te veel mede gedronken? Vele dingen leerde ik u,

maar gij hebt niet geluisterd: nu zie ik rood en rookend van bloed het

zwaard van mijn lieveling liggen. De gaven van goden hebt gij verbeurd,

de gunst van Walhalls heilige helden en Wodan verloren. Nu kunt gij

Wodan zien: Vermomde was een Verschrikker. Komt, goden, het heil is

verschenen, komt in de zaal van den Zomerzeegod: het oogstfeest gaan

wij er vieren. En Agnar, heil u, heil wenscht u de heerscher van

helden; nooit zal een dronk nog met grooter gunsten worden vergolden."

Toen ging Wodan heen en Agnar werd koning in de landen van Roodspeer

voor zeer langen tijd.

De Edda · 第 18 / 42 题