Maar Roodspeer wilde niet dat de vuren weggenomen werden. Toen
verhaalde Vermomde de wonderen van Walhall:
--"Vijfhonderd-en-veertig poorten weet ik in Walhall,--achthonderd
verheerlijkte helden komen uit elke poort om den wolf te bevechten. Al
wie tot Wodan komt en de zaal ziet, kan haar gemakkelijk kennen: speren
zijn er de spanten, schilden het dak en pantsers staan op de banken. Al
wie tot Wodan komt en de zaal ziet, kan haar gemakkelijk kennen:
een wolf hangt voor de westelijke deur, daarboven zweeft een arend.
Donderstroom dreunt daar rondom en de vloed is niet te doorwaden. Voor
de heilige poort in het water staat Walgrind, het hek: eeuwen is het
oud en weinigen weten hoe het slot sluit.
Luchtkok kookt in Vuurketel den zonne-ever, die Zeezieder heet: de
edele ever in de spijs in Walhalla, maar weinigen weten, waarmee men
zich voedt.
Gierig en Gulzig, de wolven Wodans, krijgen het eten van den koenen
kampheld, die de legers leidt,--want Wodan zelf drinkt slechts wijn.
Herdenken en Denken, de raven, vliegen iederen dag over de aarde:
Denken keert, vrees ik, niet terug,--meer bang nog ben ik voor
Herdenken.
Eikdoorn heet het hert, dat in Heervaders huis aan de boomknoppen
knabbelt; van zijn gewei druipen aldoor druppels naar Ruischkolk,
waar de stroomen ontspringen. Heidroen heet de geit, die in Heervaders
huis aan de boomknoppen knaagt; in schalen schenkt zij schuimenden
dronk voor de helden.
Slagvaardig en sterk zijn de meisjes, die mede schenken aan de heilige
helden, en mooi; schitterend haar schilden, haar lansen lang, en
helmen dekken het hoofd.
Ook mij bieden zij den beker...
Zegen van Uller en aller goden goede gunst voor wie wegneemt de
vlammende vuren.