Thonarr, den Dondergod, doorvlamde de toorn, toen hij uit zijn
winterslaap ontwaakte en zijn hamer niet vond. Woedend schudde hij
zijn woeste haren en waaienden baard, en hij ging aan het zoeken.
Toen was zijn allereerste woord:
--"Loge, luister, u alleen wil ik het zeggen; op aarde en in den
hemel mag niemand het hooren: mijn hamer is weg."
Naar Freya's woning gingen zij samen. Daar was zijn allereerste woord:
--"Freya, zoudt gij mij uw vederenkleed kunnen leenen,--dan ga ik
mijn hamer halen."
Freya antwoordde:
--"Dat wil ik u heel graag geven, al was het van goud,--ik zou het
u leenen, al was het van zilver."
Loge vloog heen, het vederenkleed ruischte, hij vloog onvermoeid van
Asengaarde tot hij in het Rijk van de Reuzen kwam.
Daar zat op een heuvel Thrym, die de vorst van de Dorstigen is. Honden
hield hij aan gouden halsbanden, die blonken als de lichte randen om
de wolken, en van zijn merries streek hij de manen glad, die fladderden
als grauwe nevelflarden in den wind.
Toen hij Loge zag, vroeg hij hem, hoe het met de Asen en met de Alfen
ging, en waarom hij zoo alleen naar Reuzenland kwam. Loge antwoordde,
dat het den Asen slecht ging en den Alfen ook, en dat hij gekomen
was om te vragen, of Thrym het wapen verborgen had van den God,
die bliksems slingert.
Daarop zeide Thrym:
--"Goed verborgen houd ik het wapen van den God, die bliksems slingert,
zoo diep onder de aarde als in den tijd gemeten acht maanden van den
winter zijn. En niemand zal het mij daar ontnemen, tenzij Freya mij
gebracht werd als bruid."
Loge vloog heen, het vederenkleed ruischte, hij vloog onvermoeid van
het Rijk der Reuzen tot hij in Asengaarde kwam.
Daar stond Thonarr in den voorhof, en toen hij hem komen zag, was
zijn allereerste woord:
--"Zeg, Loge, volbracht gij uw taak even voorspoedig als uw
tocht? Vertel mij alles van verre: wie zit verzuimt soms iets te
zeggen, en leugens verzint men als men ligt."
En Loge verhaalde, dat hij zijn taak even voorspoedig volbracht had
als zijn tocht: dat Thrym, der Dorstigen vorst, den hamer had, maar
dat niemand hem dien zou ontnemen, tenzij Freya hem gebracht werd
als bruid.
Weer gingen zij samen naar Freya's woning. Daar was zijn allereerste
woord:
--"Bruidslinnen, o Freya, zult gij om de leden u hangen: samen reizen
wij dan naar het land van de Reuzen."
Maar Freya werd zoo woedend, dat onder haar toorn de burcht der
Goden stond te beven, en dat haar halssieraad van gevlochten goud in
stukken vloog.
En ze sprak:
--"Gek wel moest ik zijn op mannen, als ik meeging naar het Rijk
der Reuzen."
Nu gingen de Goden en Godinnen allen te zamen in beraad, hoe men
den Dondergod toch weer aan zijn hamer kon helpen. Het eerste sprak
Helderwit, die de glanzendste van alle Goden is, en, wijs als een Wane,
de toekomst kan zien. En hij zeide:
--"Bruidslinnen zullen wij Thonarr om de leden hangen, hem tooien
met het halssieraad van gevlochten goud, en aan zijn zijde laten wij
een ring met sleutels rinkelen. Vrouwekleeding omgolve zijn knie,
zijn borst bedekken schitterende steenen en sierlijk zij hem het
hoofd gekroond."
Thonarr sprak, de sterkste der goden:
--"Verwijfd zullen de goden mij vinden en uitlachen mijn lafheid,
als bruidslinnen mij om de leden hangt." Maar Loge antwoordde hem,
dat het nu de tijd niet was om zulke dingen te zeggen, en dat de reuzen
Asgard ras bestormen zouden, als hij niet spoedig zijn hamer had.
De Goden hingen nu Thonarr bruidslinnen om de leden, tooiden hem met
het halssieraad van gevlochten goud en lieten aan zijn zijde een ring
met sleutels rinkelen. Vrouwekleeding omgolfde zijn knie, zijn borst
bedekten schitterende steenen en sierlijk werd hem het hoofd gekroond.
Slimme Loge wilde als dienares met hem mee, en te zamen met hem naar
Reuzenland reizen.
Vlug werden de bokken naar huis gehaald en voor den wagen gespannen,
ijlings renden ze heen.
Rotsen spleten, vonken spatten op den weg, dien Wodans zoon naar
Reuzenland nam.
Toen Thrym hem daar van verre zag aankomen, riep hij luide:
--"Reuzen staat op, en rangschikt de zetels: Freya brengt men mij tot
vrouw. Drijft naar huis mij de koeien, die zwart zijn als wolken en
wier hoornen lichten als goud: vele schatten bezit ik, alleen ontbrak
mij nog Freya als bruid."
Het was nog vroeg in den avond, toen de gasten bijeen kwamen. Ook
kwam er de oude wintergrauwe zuster van den Reus. Die bedelde een
bruidsgeschenk:
--"Geef mij de graangouden ringen, die glinsteren aan uwe handen,
als gij mijn liefde en gunsten verwerven wilt."
Veel schuimend bier werd er op het feest geschonken. Thonarr alleen
at een os en acht zalmen, en alle koeken, die men klaar gezet had
voor de vrouwen, en hij dronk drie emmers mede leeg, hij alleen.
Thrym vond dat vreemd, en hij zeide:
--"Nog nooit heb ik een bruid zoo gulzig gezien, en geen meisje ooit
zooveel mede zien drinken."
Maar de sluwe dienares, die aan zijn zijde zat, antwoordde geslepen:
"Acht nachten lang gunde Freya zich geen eten: zóó hunkerde haar hart
naar Reuzenland."
Thrym, die zijn bruid wilde kussen, lichtte nu verlangend haar sluier
op. Bijna stoof hij van ontsteltenis de zaal uit en zeide:
--"Wat vreeselijk flikkeren Freya's oogen! Als bliksem brandt haar
blik!"
Maar de sluwe dienares, die aan zijn zijde zat, antwoordde geslepen:
--"Acht nachten lang heeft Freya's oog geen slaap gesloten: zoo
hunkerde haar hart naar Reuzenland!"
Toen stond Thrym op, der Dorstigen vorst, en sprak:
--"Brengt mij den hamer om de bruid te wijden, legt Mjölnir in den
schoot van de maagd: dat een onverbreekbaar verbond ons verbinde."
Wat lachte van vreugde Thonarrs sterke hart, toen hij zijn bliksemhamer
herkende!
Thrym trof hij het eerst, daarna versloeg hij gansch het geslacht
der Reuzen, heel de bende beukte hij neer.
En ook de wintergrauwe Reuzenzuster, die om een bruidsgeschenk
gebedeld had, werd door den moker vermorzeld: van Mjölnir kreeg ze
mooie munten--graan-gouden ringen gaf haar de hamer.
Zoo kreeg Thonarr zijn hamer terug.