Wodan, de Veelwijze, zat als wachter voor den lichtburcht in het
hooge Noorden, waar Goudvreugde de gevangene van den winter was.
Een hoog en stevig gestapelde omgording van ijs, die Dondergeschal
heet, staat rondom den burcht,--een vlammende gloed van doodsvuren,
door Wodan uit de ledematen van den Ruischreus gebrand, laait er
rondom. Ze zijn sterk genoeg om stand te houden zoo lang de wereld
staat. En om beurten houden Gierig en Gulzig, de wilde honden, de
wacht tot de goden vergaan zijn.
Eens had een vreemdeling den brandgloed doorbroken en naderde den
burcht, waar bedelaars niet lang blijven kunnen. Maar deze liet zich
door Wodan niet weren. Want zijn oogen hadden iets schoons gezien,
en zoet scheen het hem toe te mogen toeven in de gouden zaal.
Koeltewind noemde hij zich, toen de wachter zijn naam vroeg: Lentekoud
en Strengkoud waren zijn voorvaderen. Hij wenschte wel te kunnen
binnengaan in de zaal, waar het mooie meisje Goudvreugde woonde, die
de dochter was van Slaapdoorn's zoon. En hij vroeg aan den wachter
of er geen kost was voor de nimmer slapende honden, waardoor ze,
vretend, vergaten hun wacht.
Veelwijze sprak toen:
--"Op Mimirs hoogen boom, die een dak van wolkig loof breidt over
heel de wereld, woont Weerhaan in schitterenden schijn. Beide zijn
wieken als gebraden bouten zouden een kost zijn, waardoor de honden,
vretend, vergaten hun wacht."
Toen vroeg hem Koeltewind of er geen wapen was, waarmede hij Weerhaan
naar het land van Hel kon zenden.
Veelwijze antwoordde:
--"Treftwijg is het wapen, dat Weerhaan kan dooden. Bij Sinmara diep
onder de harde aarde ligt het gesloten achter een negenvoudig slot."
Koeltewind wilde nu weten, of wie er heen ging om die roede te rooven,
ontkomen kon;--en welke gave Sinmara vroeg als geschenk.
--"Wel kan ontkomen," kreeg hij ten antwoord, "wie erheen gaat om de
roede te rooven, als hij de leemgele Aardevrouw geeft wat weinige
winnen. In Weerhaans vleugel is een zon-gouden veder. Wie haar die
meebrengt als een geschenk, wil zij het wapen zeker geven."
Vol verlangen keek Koeltewind naar Goudvreugdes slot: aan alle zijden
was het van vloeiende vlammen omslingerd.
--"Veelwijze," vroeg hij, "noem mij den naam van het slot, dat van
vlammen is omslingerd."
--"Vuur," sprak Veelwijze, "is de naam: het zweeft op de stralen als
de schitterende spits op een speer: van het heerlijke huis kan men
op aarde slechts hooren: verblindend blinkt het voor het oog."
Toen wilde Koeltewind nog meer weten: hoe de berg heet, door de bruid
bewoond,--en de namen van de dienende maagden,--en of ze hulpe bieden
aan wien er om bidt.
Veelwijze verhaalde:
--"Wie den Kuifberg beklimt en goed den winter doorworstelt, wordt
genezen van allen nood. Schutse en Schild en Volkenbeschermster noemt
men de maagden, Zachte en Goede, Zilveren en Glans. Wie in den zomer
op gewijde plaatsen bede-offers aan haar brengt,--geen ramp is zoo
verschrikkelijk of zij zullen hem er van bevrijden."
Koeltewind zag weer verlangend naar Goudvreugdes woning en vroeg weer:
--"Veelwijze, wil mij nog zeggen: is er een man, die aan Goudvreugdes
blanken boezem mag rusten?"
En dit was het antwoord:
--"Geen man mag aan Goudvreugdes blanken boezem rusten als Dagdrager
alleen: lang reeds verbeidt zij haar bruidegom.
Toen sprak de vreemdeling:
--"Rukt open de deuren,--wijd open de poort! Dagdrager is gekomen. Ga,
ik wil weten of Goudvreugde verlangende is naar mijn liefde."
Veelwijze ging naar binnen en zeide:
--"Goudvreugde, een man is gekomen, zie zelf den gast. De honden
likken zijn handen, wagenwijd open vloog de poort. Mij dunkt dat
Dagdrager er is."
Goudvreugde stond op en zeide:
--"Aan de galg zullen gulzige gieren uitpikken beide uw oogen, als
ge het liegt, dat de lang verwachte mijn zaal bezoekt."
Toen ging zij naar buiten en vroeg aan den vreemde:
--"Vanwaar zijt ge gekomen? Langs welken weg? Hoe noemt men u bij de
uwen? Uw naam en uw afkomst zullen mij zeggen, of voor u ik bestemd ben
als bruid."
Ten antwoord sprak de vreemde:
--"Dagdrager ben ik. Langs windkoude wegen kwam Zonneberts zoon. Der
Norne beschikking kan ook met listen niemand ontloopen."
Goudvreugde weende: "Heil, mijn liefde, wees welkom, ik kus u ten
groet. Vervulling vond mijn verlangen. Zoolang al zat ik op den lichten
berg, dag na dag, kwijnend van kommer, waar de bruidegom bleef. Nu zijt
gij bij mij, kwaamt in mijn woning, o, leven van liefde, onverwacht
weerzien, gouden geluk."
En Dagdrager lachend:
--"Mij martelde zoo lang het verlangen naar uw liefde als u martelde
het verlangen naar mij. Nu is het beslist; wij zullen eeuwig te
zamen blijven."