Bij de uitvoering van 't plan Lely loopt men gevaar, dat de aanwinst van
land de markt zal overvoeren, telkens als een der 4 polders droog gelegd
is. Als de afsluitdijk van 't pl. L. gelegd is, moet men _zelfs nog
jaren_ aaneen steeds uitgeven zonder eenig voordeel te kunnen trekken,
want zware polderdijken aan te leggen op een weken kleibodem vereischt
taai geduld en veel arbeid. En toch zal er snel gewerkt moeten worden,
want gedurende den winter bij felle vorst zal het ijs zeer belemmerend
zijn en in 't voorjaar bij dooi weder zal de watertoevoer en 't kruien
van 't ijs zelfs dwingen tot werkstaking.
De heer U. noemde den IJsel en 't groote IJselmeer steeds »een paar
zware hypotheken" op 't pl. Lely.
* * * * *
Als de afsluitdijk van 't plan U. gereed is, kan men reeds dadelijk
beschikken over 't zand van de Grind en meerdere zandbanken. Bij den
val van 't water wijst moeder Natuur de diepe geulen aan, die als
vaarwateren en afvoerkanalen zullen dienen, en door hare diepte daarvoor
geschikt zullen blijven.
Met geringe kosten zal men in de nabijheid der geulen zand kunnen laden
en lossen. De betonblokken, _die op de banken kunnen gemaakt_ worden,
kunnen eveneens met geringe moeite en kosten ter plaatse gebracht
worden. Betrekkelijk groote vlakten komen bloot te midden van »het
arbeidsveld". Ze zijn grof van structuur en dus spoedig uitgezilt,
zoodat er niet alleen dadelijk gelegenheid is voor woningbouw ten
behoeve der polderwerklieden, maar ook kan de grond spoedig productief
gemaakt worden. Kort na 't leggen van den afsluitdijk komt er dus reeds
landbouw en na acht jaren is er reeds een gevestigde boerenstand, die
in de toekomst zelfs bijna geen polderlasten te betalen heeft, omdat
de kosten van aanleg en onderhoud gering zijn in een gebied, waar
't maaiveld hoog ligt. Immers in 't Waddengedeelte kan men met recht
spreken van drooglegging; eigenlijke polderwerken moet men uitvoeren bij
dieper gelegen deelen.
Welke menschen zullen zich dus op die hooger gelegen gronden vestigen?
De werkmenschen, zij, die thans nog hunne gezinnen moeten verlaten, om
elders het te kort in hun kas te verdienen, zij, die met bloote kaken
hunne ruggen krom moeten werken in den turfkuil en den modderbak, daarna
op 't maai- en hooiveld van den Frieschen of Hollandschen boer, op
't aardappelland van den Groningerlander of op 't bietenland van den
polderboer. Die menschen zijn bekwaam voor het in cultuur brengen van
den zandbodem en kunnen, des gewenscht, op 't _bloembollenland_ ook
zeer goed behulpzaam zijn. De mannen in de kracht van 't leven zullen
met hunne gezinnen de armelijke woningen op de Veluwe, den Hondsrug of
waar dan ook, gaarne willen ruilen voor de woningen, door de Regeering
gebouwd onmiddellijk bij 't werk, en zich met vrouw en kind toeleggen
op 't bewerken van den grond. Mogen ook dan nog de spade en 't kouter
glimmen als zilver, die zilverglans zal hen dan ook aanmoedigend
tegenstralen, als ze buidel of beurs openen, iets wat nu niet het geval
is.