NORTHUMBERLAND. Mijn vorst,--

KONING RICHARD. Geen vorst van u, trotsch, overmoedig man,

Noch iemands vorst; ik heb geen naam, geen titel,

Zelfs dien naam niet, die mij de doopvont gaf,

Dan aangematigd.--Ach, wat booze dag!

Dat ik zoo meen'gen winter heb doorleefd,

En nu niet weet, wat naam ik dragen mag.

Spotkoning wilde ik, dat ik waar', van sneeuw,

Om voor de zon van Bolingbroke te staan,

En zacht in waterdropp'len weg te smelten!--

O, goede koning,--groote koning,--toch

Niet overgoed,--geldt iets mijn woord in England,--

Dan doe het fluks een spiegel voor mij komen,

Die mij moog' toonen, welk gelaat ik heb,

Sinds dit zijn majesteit verloren heeft.

BOLINGBROKE. Het zij; dat een van u een spiegel haal'.

(Een Dienaar gaat heen.)

NORTHUMBERLAND. Lees nu 't geschrift, terwijl de spiegel komt.

KONING RICHARD. Gij duivel, die mij foltert vóór de hel!

BOLINGBROKE. Dring niet meer aan, mylord Northumberland.

NORTHUMBERLAND. Maar dan zijn de Gemeenten niet voldaan.

KONING RICHARD. Zij zullen 't zijn;--genoeg denk ik te lezen,

Heb ik het boek voor mij, waarin mijn zonden

Geschreven staan, en dat boek--ben ikzelf.

(De Dienaar komt terug, met een spiegel.)

Geef hier den spiegel, daarin wil ik lezen.--

Wat, nog geen dieper rimpels? Heeft mijn kommer,

Die mij zoo meen'gen slag gaf op de kaak,

Niet dieper mij gestriemd?--O vleiend glas!

Als zij, die in mijn voorspoed om mij waarden,

Bedriegt ook gij. Was dit eens het gelaat,

Dat daag'lijks onder zijner woning dak

Tienduizend man ontving? dit het gelaat,

Dat, als de zon, verblindde wie er in zag?

Dit het gelaat, dat zooveel dwaasheid kleurde,

En nu door Bolingbroke van kleur verschiet?

Broos is de glans, die speelt op dit gelaat;

Broos als die broze glans is dit gelaat;

(Hij werpt den spiegel op den grond.)

Daar ligt het op den grond in honderd scherven.--

Zie spraakloos vorst, de leering van dit spel,

Hoe ras mijn kommer mijn gelaat vernielde.

BOLINGBROKE. De schaduw van uw kommer heeft de schaduw

Van uw gelaat vernield.

KONING RICHARD. Zeg dat nog eens.

De schaduw van mijn kommer? Laat ons zien:--

't Is waar, 't is waar, mijn kommer huist hier binnen;--

En heel dit uiterlijk vertoon van smart

Is schaduw slechts van diep verholen kommer,

Die zwijgend opwelt in de bange ziel;

Daar huist haar wezen; en ik dank u, koning,

Voor zulk een goedheid, dat gij mij niet slechts

Grond geeft tot klagen, maar ook leert, hoe ik

Mijn lot bejamm'ren moet. Nog één gunst vraag ik,

Dan wil ik gaan en u niet verder storen.

Wilt gij die toestaan?

BOLINGBROKE. Noem haar, eed'le neef.

KONING RICHARD. Uw eed'le neef? Nu ben ik meer dan koning;

Want toen ik koning was, had ik tot vleiers

Slechts onderdanen; nu, als onderdaan,

Heb ik een grooten koning tot mijn vleier.

Werd ik zoo groot, dan ook geen smeeken meer.

BOLINGBROKE. Begeer het dan.

KONING RICHARD. Zult gij het toestaan?

BOLINGBROKE. Ja.

KONING RICHARD. Nu dan, geef mij verlof om heen te gaan.

BOLINGBROKE. Waarheen?

KONING RICHARD. Waarheen gij wilt, slechts heen en u uit de oogen.

BOLINGBROKE. Zoo laat ik naar den Tower u geleiden.

Gij, ijlt vooruit en haalt hem plechtig in.

KONING RICHARD. Inhalen? goed!--Inhalig zijt gij allen,

Die, om te stijgen, zoo een vorst doet vallen!

(Koning Richard af, door een Wacht begeleid.)

BOLINGBROKE. Wij stellen 't plechtig feest van onze kroning

Op Woensdag vast; gij, Lords, houdt u gereed.

(Allen af, behalve de Abt van Westminster, de Bisschop van Carlisle,

en Aumerle.)

ABT. Een weevol schouwspel hebben wij gezien.

BISSCHOP. Nog volgt het wee; de thans nog ongeboor'nen

Zal deze dag eens steken, fel als doornen.

AUMERLE. Gij vorsten van de kerk, weet gij geen plan,

Dat van dien smaad het rijk ontsmetten kan?

ABT. Mylord, aleer ik vrij hierover spreek,

Moet gij het sacrament er op ontvangen,

Dat ge in uw borst begraaft, wat ik ontwerp,

En ook, dat gij mijn plan ten uitvoer legt.--

Uw wrevel lees ik op u beider voorhoofd,

Uw hart is kommervol, uw oog vol tranen;

Neemt met mij 't avondmaal; mij woelt in 't hoofd

Een plan, dat blijde dagen ons belooft.

(Allen af.)

Koning Richard de Tweede · 第 20 / 33 题