Londen. Westminster-hal.
De geestelijke Lords rechts, de wereldlijke Lords links van den troon,
de Gemeenten aan den voet des troons.--Bolingbroke, Aumerle, Surrey,
Northumberland, Percy, Fitzwater, een ander Lord, de Bisschop van
Carlisle, de Abt van Westminster en Gevolg komen op. Op den achtergrond
Gerechtsdienaars, met Bagot.
BOLINGBROKE. Roept Bagot voor.--
Nu Bagot, spreek vrijuit; deel mee, wat u
Bekend is van des eed'len Gloster's dood.
Wie dreef den koning aan, en wie volbracht
Het bloedig werk van zijn ontijdig eind?
BAGOT. Stel dan voor mijn gelaat den lord Aumerle.
BOLINGBROKE. Neef, treed vooruit, en zie dien man in de oogen.
BAGOT. Mylord Aumerle, ik weet, uw stoute tong
Versmaadt, wat ze eenmaal heeft gezegd, te looch'nen.
Dien doodschen tijd, toen Gloster's dood beraamd werd,
Hoorde ik u zeggen:--"Is mijn arm niet lang,
Die, van het rustig hof in England, reikt
Tot aan Calais, tot aan het hoofd mijns ooms?"
Met nog veel andre zaken hoorde ik u
Terzelfder tijd betuigen; liever sloegt gij
Een aanbod af van honderdduizend kronen,
Dan dat gij Bolingbroke hier keeren zaagt;
Als ook, wat groote zegen voor dit land
De dood zou zijn van dezen uwen neef.
AUMERLE. Prinsen en eed'le lords,
Wat antwoord zal ik dezen niet'ling geven?
Zal ik mijn schoon gesternte zoo onteeren,
Dat ik hem tuchtig op gelijken voet?
Dit moet ik doen, of wel, mijn eere blijft
Door de uiting van zijn lastermond bezoedeld.--
Daar ligt mijn pand, 's doods eigenhandig zegel,
Dat voor de hel u stempelt; 'k zeg, gij liegt.
Getuigen, dat ge onwaarheid spreekt, doe ik
Uws harten bloed, al zij dit ook te laag,
Om 't staal te vlekken van mijn ridderkling.
BOLINGBROKE. Bagot, terug! gij neemt dat pand niet op.
AUMERLE. Ik wenschte, dat uit dezen kring de beste,--
Op één slechts na,--mij zoo had uitgetart.
FITZWATER. Indien uw strijdlust op gelijkheid staat,
Ziedaar mijn pand, Aumerle, als 't pand voor 't uwe.
Ik hoorde 't ook, en snoevend zeidet gij,
Dat de eed'le Gloster stierf door uw bedrijf.
Mocht gij dit loochnen, twintigmaal, gij liegt;
En 'k drijf uw leugen in uw hart terug,
Waar hij gesmeed werd, met mijn degenspits.
AUMERLE. Gij waagt dien dag niet te beleven, lafaard.
FITZWATER. Bij God, ik wilde, 't uur was nu reeds daar.
AUMERLE. Fitzwater, dit veroordeelt u ter helle.
PERCY. Gij liegt, Aumerle; vlekk'loos is zijn eer
Bij deze klacht; want zeker, gij zijt schuldig.
Dit houd ik staande en werp mijn pand hier neer,
Gereed om tot den laatsten levensadem
Dit u te staven. Neem het, als gij 't waagt.
AUMERLE. Doe ik dit niet, dan moog' de hand mij rotten
En nimmermeer mijn wrakezoekend staal
Doen flikkren op mijns vijands blanken helm!
EEN LORD. Ik doe als zij, Aumerle, meineedpleger;
En prikkel u zoo vaak met de' uitroep "Leug'naar!"
Als die een kampdag lang in 't eerloos oor
U galmen kan. Daar ligt mijn eerepand;
Aanvaard het tot den tweekamp, zoo gij 't waagt.
AUMERLE. Wie zet nog meer? Bij God, ik werp om alles.
Ik heb in éénen boezem duizend harten
Om twintig duizenden als gij te staan.
SURREY. Mylord Fitzwater, 'k weet den dag zeer goed,
Dat gij en lord Aumerle samen spraakt.
FITZWATER. Volkomen juist, gij waart toen tegenwoordig,
En kunt getuigen, dat dit waarheid is.
SURREY. Zoo valsch, bij God, als God de waarheid is.
FITZWATER. Surrey, gij liegt.
SURREY. Gij eervergeten knaap,
Die logen ligg' zoo zwaar op mijne kling,
Dat zij vergelde en wreke, tot gijzelf,
De logenstraffer, met uw logen saam,
In de aard zoo stil ligt als uws vaders schedel!
En als getuige is hier mijn eerepand;
Bewaar het tot den tweekamp, als gij 't waagt.
FITZWATER. Hoe dwaas geeft gij een toornig ros de sporen!
Durf ik wel eten, drinken, aad'men, leven,
Zoo durf ik Surrey staan in een woestijn
En naar hem spuwen, zeggend, dat hij liegt,
En liegt, en liegt. Hier is mijn bindend pand,
Om u te boeien aan mijn zware straf.
Zoo waar ik hoop, in deze nieuwe wereld,
Op voorspoed en geluk, zoo waarlijk is
Aumerle schuldig en mijn aanklacht waar.
Ook hoorde ik den verbannen Norfolk zeggen,
Dat gij, Aumerle, twee der uwen zondt,
Om de' eed'len hertog in Calais te dooden.
AUMERLE. Vertrouwe een wakker christen mij een pand,
Dat Norfolk liegt; hier werp ik dit nu neer,
Als hij mag keeren om zijn eer te staven.
BOLINGBROKE. Al deze twisten rusten, met de panden,
Tot Norfolk is gekeerd; want keeren zal hij,
En, schoon hij ook mijn vijand zij, zijn leenen
En rechten weer erlangen. Komt hij weder,
Dan gaat zijn tweekamp met Aumerle door.
BISSCHOP. Nooit zullen wij dien dag van eer aanschouwen;
Want menigmaal streed de verbannen Norfolk
In heil'gen christenkamp voor Jezus Christus,
Ontplooide in 't veld zijn kruisbanier tot schrik
Van zwarte heidnen, Turken, Saracenen,
Maar strijdensmoede trok hij naar Itaalje;
Daar liet hij, in Venetië ruste vindend,
Het lijf aan de aarde van dat schoone land,
De reine ziel aan zijnen veldheer Christus,
Wiens vaan zoolang ten strijd hem had gevoerd.
BOLINGBROKE. Wat, bisschop! Norfolk dood?
BISSCHOP. Zoo waarlijk, heer, als ik hier sta.
BOLINGBROKE. Geleide zoete vrede naar den schoot
Des goeden vader Abrahams zijn ziele!
Uw twisten, heeren klagers, zijn geschorst,
Tot wij u dagen om uw kamp te strijden.
(York komt op, met Gevolg.)
YORK. Doorluchte Lancaster, ik kom als bode
Des kaalgeplukten Richards, die gewillig
U erfgenaam verklaart, zijn hoogen scepter
Ter voering afstaat aan uw koningshand.
Bestijg zijn troon, gij, die van hem nu stamt,
En lang leev' Hendrik, vierde van dien naam!
BOLINGBROKE. In naam van God dus, stijg ik op den troon.
BISSCHOP. Neen, dit verhoede God!--
Slecht moge ik spreken in zoo hoogen kring,
Toch past het mij, de waarheid uit te spreken.
O waar',--gaav' God dit!--in deez' eed'len kring
Er één zoo edel, om den eed'len Richard
Naar 't recht te richten; dan zou zielenadel
Hem leeren, zulk een gruwlijk kwaad te schuwen.
Kan ooit een onderdaan zijn koning richten?
En wie hier is niet Richards onderdaan?
Geen dief wordt ooit gericht, dan dat hij 't hoort,
Al is zijn schuld voor ieder openbaar;
En wordt het toonbeeld van Gods majesteit,
Zijn krijger, zijn beheerder, zijn verkoor'ne,
Gezalfd, gekroond, sinds zooveel jaar erkend,
Alsnu gericht door onderdanen, mind'ren,
En in zijn afzijn? O! verhoede God,
Dat, in een christenland, verloste zielen
Een daad, zoo snood, zoo zwart, zoo gruw'lijk plegen!
Hier spreekt een onderdaan tot onderdanen,
Door God gedreven, stout voor zijnen koning.
Deez' lord van Hereford, dien gij koning noemt,
Smeedt tegen Hereford's koning driest verraad;
En kroont gij hèm, dan wil ik profeteeren,
Dat Engelsch bloed den bodem mesten zal,
De verre toekomst kermen om dien gruwel.
De vrede zal bij Turk en Heiden sluim'ren,
En hier, in vredes zetel, woeste krijg
Vriend tegen vriend, bloed tegen bloed doen opstaan;
Verwarring, schrik en angst, en muiterij
Zal hier verblijven en dit land den naam
Van Golgotha, van schedelplaats, erlangen.
O, zoo gij dit huis aanhitst op dit huis,
Dan brengt gij tweedracht voort, zoo jammervol
Als ooit met zwaren vloek deze aarde trof;
Weerstaat, verhoedt dit, toont u wijs en kloek,
Opdat uw kind, uws kinds kind u niet vloek'!
NORTHUMBERLAND. Gij spraakt met klem, heer, maar wij nemen thans,
Tot loon, u wegens hoogverraad in hechtnis.
Mylord van Westminster, 't zij uwe taak
Hem tot den dag der rechtspraak te bewaken.--
Beaamt gij, Lords, 't verlangen der Gemeenten?
BOLINGBROKE. Haal Richard hier; hij drage in 't openbaar
Den scepter over; vrij blijft dan ons doen
Van achterdocht.
YORK. Ik wil hem hier geleiden.
(York af.)
BOLINGBROKE. Gij Lords, wier zaak nog hangt voor onzen stoel,
Stelt borgtocht voor den dag, dat wij u roepen.--
(Tot den Bisschop.) 't Is luttel, wat we uw liefde zijn verplicht;
Doch luttel hulps verwachtten wij van u.
(York komt terug, met Koning Richard en Beambten, die de kroon
enz. dragen.)
KONING RICHARD. Ach, waarom voert gij mij voor eenen koning,
Eer ik den vorstenaard heb afgeschud,
Waarmede ik heerschte? Nauwlijks leerde ik nog
Mij plooien, vleien, buigen, nederknielen;
Geef aan het leed den tijd, dat het mij leer'
Gedwee te zijn. Zie, ik herken de trekken
Van al die mannen; waren zij niet mijn?
En riepen zij niet pas mij "Heil u!" toe,
Als Judas deed aan Christus? Christus vond
Elf trouw van twaalf, niet één ik van twaalfduizend.
Den koning heil!--zegt niemand "Amen"? Moet ik
En priester zijn en leek? Nu goed dan,--Amen!
Den koning heil! schoon ik het niet meer zij;
En Amen ook, erkent de hemel mij.--
Tot welken dienst werd ik hierheen gebracht?
YORK. Om hier uit eigen vrijen wil te doen,
Wat moede majesteit u aan deed bieden,
Het overdragen van uw macht en kroon
Aan Hendrik Bolingbroke.
KONING RICHARD. Geef mij de kroon.--Hier, neef, hier, vat de kroon;
Aan gene zijde uw hand, neef, hier de mijne.
Nu is de goudband als een diepe put,
Een met twee emmers, die elkander vullen;
De ledige altijd dansend in de lucht,
De tweede omlaag en ongezien, vol water;
Ik ben die eene omlaag, vol, uit het oog,
Ik drink mijn kommer en hef u omhoog.
BOLINGBROKE. Ik dacht, dat gij gewillig afstand deedt.
KONING RICHARD. Ja, van de kroon; niet van mijn zieleleed.
Verliezen moge ik kroon en heerschappij;
'k Blijf koning van mijn leed, dit blijft mij bij.
BOLINGBROKE. Uw kroon brengt mij uw zorgen mee, ten deele.
KONING RICHARD. 't Zij zoo, mijn zorgen blijven even vele.
Zorg om verloren zorg is 't wat mij wacht;
Zorg is de winst, die mijne kroon u bracht;
Ik gaf de zorg aan u, maar houd ze toch;
Zij volgt de kroon, maar bij mij toeft zij nog.
BOLINGBROKE. Doet gij gewillig afstand van de kroon?
KONING RICHARD. Ja, neen; neen, ja;--niets moet ik zijn, niets meer;
Daarom geen neen; voor u leg ik haar neer.
Merk op nu, hoe ik hier mijzelf vernietig:--
Ik geef dien zwaren last nu weg van 't hoofd,
Dien zwaren, plompen scepter uit de hand,
Des heerschers fierheid uit mijn koningshart;
Met eigen tranen wasch ik af den balsem,
Met eigen handen geef ik weg mijn kroon,
Leg neer met eigen mond mijn heilig ambt,
Onthef met eigen stem van plicht en eed,
Verzaak hier al mijn glans en heerlijkheid,
Geef riddergoed'ren, pachten, renten op,
Herroep wat ik verordende en besloot;--
Vergeev' God elk, die mij zijn eeden schond,
God make elk trouw, die zich aan u verbond;
Maak' mij, die niets meer heb, om niets bedrukt,
U blijde om alles, daar u niets mislukt,
Leef lang en bloei en zit op Richards troon,
En Richard hebb' welras een graf ter woon!
Leef, koning Hendrik, lang, in zonneglans;
Zoo roept u Richard toe, ontkoningd thans!
Wat wilt gij meer?
NORTHUMBERLAND (een geschrift aanbiedend). Slechts dit, dat gij
deze aanklacht
En krenkende vergrijpen leest, die gij,
't Zij in persoon, 't zij door uw volgelingen,
Begaan hebt tegen England en zijn heil,
Opdat heel 't volk door uw bekent'nis zie,
Dat uw onttroning wel te recht geschiedt.
KONING RICHARD. Moet ik dit doen? mijn weefsel hier ontraaflen
Van vroegre dwaasheid? Vriend Northumberland,
Stondt, waren uwe zonden zoo geboekt,
Gij niet beschaamd, zoo gij in zulk een kring
Ze voor moest lezen? Als gij 't deedt, gij zoudt
Er één verfoeilijk punt in de aanklacht vinden,
De onttroning van uw vorst vermeldend, en
't Verbreken van een eed van trouw,--een daad,
Zwart aangestipt, vervloekt in 's hemels boek.--
Gij allen, die daar staat en zwijgend toeziet,
Hoe mij de ellende jaagt,--schoon enklen uwer,
Uitwendig vol meêdoogen, als Pilatus,
Uw handen wascht, toch, gij Pilatus' jongren
Gaaft hier mij over aan mijn bitter kruis,
En uwe zonde wascht geen water af.
NORTHUMBERLAND. Mylord, besluit, en lees die aanklacht voor.
KONING RICHARD. Ik kan niet zien; mijn oogen zijn vol tranen;
En toch, hen blindt der tranen zilt niet zoo,
Of zij ontwaren hier een bent verraders.
Ja, zoo ik op mijzelf mijn oogen richt,
Dan zie ik mij, met de andren, als verrader;
Want ingewilligd heb ik met mijn ziel,
Mijn lichaam van den koningstooi te ontdoen,
Mijn hoogheid laag, mijn heerschappij een slaaf,
Mijn fiere majesteit een onderdaan,
Mijn vorstlijkheid een schooier te doen zijn.