VII.

Niet voor vele dagen was Hary Gerards sinds naar Brunssum

teruggekeerd. Hij had voor zijne akte's gewerkt, vertelde zijn

vader. Maar nu dezen keer zou hij het er eens goed van nemen. Hij

kwam voor heel de zomervakantie naar huis.

In een der laatste brieven had men hem geschreven, dat de aanbouw van

de mijn op de heide reeds een goed stuk gevorderd was. Die gedachte

had hem bedroefd. Zoo was het er dan toch van gekomen!

Ondanks de vreugde over 't naderend weerzien, kwam hij toch met

bekommerende gedachten naar huis gewandeld.

Het koren had, na 't stuiven van den bloesem, de zware halmen

neergebogen en begon te rijpen. Veel stengels waren in golvende bundels

geheel omgebogen en reikten met hun aren naar den grond. Anderen hadden

hun gebaar verstild in 't neigen. Géén stond er meer overeind. Er was

een gele gloed door 't groen der forsche spieren opgetrokken, zoodat er

een gouden schemer dampte over 't heele veld in de hette. Daartusschen

wemelde het van bloemen, in een overvloed van rood en blauw. De blauwen

waren veel dieper, donkerder en rijker van tint dan de zonnige lucht

daarboven. Zij droegen hare koppen als kroontjes, fijn gekroezeld en

gekarteld en wonderlijk teeder samengesteld. De rooden glansden als

vuur tusschen het gele stroo. Ook hadden zij in hare broosheid den

vorm van vlammen.

"Klaprozen en arengoud, korenbloemen en hemelblauw, murmelde hij in

bewondering: welk een gedicht."

Een man die naar stad ging, groette hem in 't voorbijgaan. Die

eenvoudige groet voor den "goeden dag," het eerste welkom in 't eigen

land, maakte hem gelukkig als een kind. Hier was hij thuis, waar velden

rimpelden voor zijn blik, op de breede deining der glooiingen van kim

tot kim; hij voelde de breede rythmen die vloeien door het onbewogen

veld, hem dragen, hem heffen in een sfeer van rust en vredigheid,

waar het een weelde was te ademen, terwijl er alles lag te glanzen

en te stralen in louter geluk.

Toen hij Merkelbeek naderde, ebden zijn droomen heen. Hij zag links

den hoek om, bij 't eerste huis. Niemand op straat. Maar hij bleef

omzien terwijl hij voort ging. Hij had niet even dan weer voor zich

uit gekeken, of een welbekende stem riep:

"Hola, meester, zoo gehaast? Ge zijt vroeg op pad!"

"Goeden morgen, hoe staat het er mee? Ik heb niet veel tijd."

"Kom wat uitrusten. 't Is warm genoeg," meende Jansen.

"Ja-maar, ik kom zóó van den trein en ze wachten me. Het wordt nog

warmer later op den dag...."

Dan stapte hij vlugger door het veld dat tusschen Merkelbeek en

Brunssum deint. Daar hief tusschen het groen der stille popels, de

toren van zijn dorpskerk het kleine, leien ronddak als een helm van

staal. Die stond er als een grijze hellebardier. En de vreugde lachte

van zijn gezicht. Zij steigerde in zijn hart bij elken stap die hem

nader bracht. Hij ging door 't dorp en men groette hem. Hij groette

terug met een glimlach naar allen, naar alles. Maar zijn gedachte

snelde op de straat vooruit.

Daar lag het stille huis in zijn landelijken vrede onder het groen. Hij

zag het witte gordijntje heffen en weer zinken. Toen snelde hem zijne

moeder op den drempel te gemoet.

Het was kermis te Merkelbeek. 's Middags trok de schutterij op. De

fanfare van Brunssum was daarbij uitgenoodigd. Spelende kwam zij 't

dorp binnentrekken. In "de Kroon" vergaderden blazers en schutters. Dan

zette de stoet zich in beweging.

Voorop de muziek; de banier van rood fluweel met goud bestikt,

opende de rij; de blazers stapten op de maat van hun marsch, en

bliezen hunne roode wangen bol.

Nu volgde de tamboer-majoor. Zijn staf, wat langer dan een gewone

wandelstok, was onderaan voorzien van een zwaren zilveren knop en om 't

geheel wentelden roode en gele koorden op, die uitliepen in bengelende

kwastjes. Met dezen scepter gaf hij de bewegingen aan van den stoet,

die in twee rijen volgde. Eerst gingen de pijper en de trommelaar. Zij

begeleidden den gang der manschappen met geroffel en gefluit, wanneer

de marsch was afgespeeld en de muzikanten rust behoefden.

De schutters droegen voor 't meerendeel wit linnen broeken. De

eenvormige petten waren afgezet met groene biesjes en gouden

galons. Velen van hen hadden bonte sjerpen, eenigen om 't

middel, anderen over den rechter schouder heen. Deze allen waren

gezaghebbenden, officieren en luitenants. Ook droegen zij den blanken

sabel; de anderen slechts geweren of ook maar wandelstokken.

Dan kwam het vaan dat in plooien uithing van den stok, dien de vaandrig

over zijn schouder heen droeg.

Nu volgde de koning. Hij torschte een rammelenden last van zilveren

platen over rug en borst: de schatten van het gilde, van tijden her

bewaard. Op 't hoofd droeg hij den hoogen zijden hoed, gesierd met

een groen takje en een bloemenkrans.

De vrouwen lachten waar de schutters voorbij trokken. De kinderen

liepen in bewondering mee. Maar de schutters zelf vielen niet uit

hunne rol. Zij stapten voort in gewichtigen ernst en onverstoorbaar.

Bij 't huis van den burgemeester liep het dorp te samen. Daar werd het

vaan "geslagen." De burgervader stond op den dorpel, en de vaandrig

hief het vaandel en salueerde, doch zonder dat de bonte zijde den grond

raakte. Dan liet hij in snelle bewegingen den stok draaien in zijn

hand en liet dien wentelen om zijn hoofd, zoodat het vaandel golvend

volgde in klapperenden zwier. Hij bracht den stok vervolgens op zijn

schouder over en liet hem kringen beschrijven om zijn hals heen; hij

haalde hem neer tot zijn middel en deed hem om zijn heupen vliegen;

hij boog voorover tot bij zijn enkels en liet hem aldoor kringvormige

bewegingen maken om zich heen, zoodat het vaandel scheerde langs den

grond; hij hurkte neer en liet hem opnieuw den spiraalloop beschrijven

naar boven thans, tot hij oprees, den stok nam op zijn vlakke hand

en dien zwaaien deed over zijn hoofd. Dan hanteerde hij dien bij

telkens tegengestelde bewegingen, zoodat de zijde ruischte met het

gewentel van golven in haar plooienzwier. De man stond in de vlam

van het waaiend doek als in een bonten brand van kleurig vuur.

"Bravo" dankte de burgemeester toen 't vaan ten slotte andermaal

salueerde. En de menschen klapten in de handen; de kinderen riepen luid

"hoera."

"Jongens," sprak de burgervader. "Ik zal een ton bier geven in

'de Kroon.' Maar gij weet wel,--fatsoenlijk en netjes! Dat het

genoegen blijve en er geen schande neer kome over u en over ons

dorp. Vooruit-dan: prettige kermis!"

Toen Anna Jansen omzag, keek zij Willem Stoffels in 't gezicht. Zij

wist niet dat hij achter haar gestaan had en hij zag haar aan met

lachende voldoening. "Zul je van avond met mij dansen?"

"Dat weet ik nog niet," verstoutte zij zich.

"Je komt zeker wel," zeide hij bewust. "We zullen pret maken."

"Als me geen ander vraagt, misschien--maar misschien ook niet."

"Nee," zei hij, "ik heb je gevraagd en van avond gaan we samen uit."

De schutterij trok verder en de menschen stuwden rondom voort. Willem

was weg. Anna gevoelde dat ze 't hem niet zou kunnen weigeren. En

toch, wat zou er van gepraat worden: "Anna van Jansen aan de kerk,"

zij die er goed bij zaten--"met Willem van den bezembinder...."

Het feest was "in de wei", en er was vogelschieten. Altijd werd

dezelfde boomgaard daarvoor gebruikt. Een eereboog stond opgericht

bij den ingang: twee palen met een dwarshout, omwonden met groene

slingers. Een krans hing er midden tusschen, rondom het opschrift:

"Welkom."

Van de beide palen woeien nationale vlaggen uit.

Groote takken waren verder bij den ingang geplant, waar iemand van

't bestuur bij een tafeltje zat met centenbakjes, om toegangsbewijzen

te verkoopen. Kleine vaantjes wimpelden er nog van beschilderde

paaltjes. Stervormig was er geel en rood zand, krijt en blauwsel,

in figuren rondom op den grond gestrooid.

In den boomgaard waren stoelen en tafels opgesteld van ongeschaafde

planken op stevige dennenstammetjes gespijkerd. De vruchtboomen

spanden er tenten van levend groen over uit. Broodjes en bier werden

aan kramen verkocht. Ook was er een bordje opgeslagen met de woorden:

"wijn verkrijgbaar."

De oude lui waren gauw gezeten. Met trage bewegingen en onder veel

gegichel namen ook, de een na 't ander, de besluitelooze jonge

meisjes plaats, de jongens aan hunne zijde. Met sabel en instrument

liep 't manvolk rond. Er moest vooral eerst geschonken en gedronken

worden. Sommigen lagen er met glazen en flesschen in 't gras, grappen

makend en in 't honderd schreeuwend naar ieder die voorbij ging. Al

het jong gedoe was lawaaierig en druk, tot uitgelatenheid toe. Geen

minnend paar bleef er ernstig. De oudjes genoten de jonge vreugde in

hunne stille teruggetrokkenheid. Overal stegen de schelle kreten, de

schorre stemmen, de uitbarstingen van gierend gelach. Zoo knetterde

de kermisblijheid in spattende vonken uit. Het was een rumoerig

gewriemel van al maar feestende menschen door elkaar, àl joelend om

't hardst. Alleen de groene boomen stonden als verstomd in al die

drukte. Geen vogel die geluid sloeg in hunne twijgen.

Al gauw was 't van mond tot mond gegaan, om de tafels heen, waar

bierflesschen rinkelend werden neergezet:

"Het mijnwerkersvolk drinkt wijn!"

Dat was wat nieuws in de feestwei te Merkelbeek.

De kastelein wist wel, aan welke klanten hij de waar zou kwijt

raken. Er waren er een heel aantal reeds van 't dorp, die naar Heerlen

en naar andere mijnen togen; en die van Brunssum waren er vandaag,

daar 't kermis was en de fanfare er speelde.

Al dat volkje zat zoo wat afgezonderd in 't begin. Zij hérrieden het

meest. Ook was er Willem Stoffels onder.

"Die kon ook wel beter doen," merkte een oude boer op.

"Hoe oud is die wel?" vroeg een ander.

"Ik geloof niet, dat hij al geloot heeft...."

De oudjes schudden bedenkelijk 't hoofd.

Anna had even opgezien. Nu zat zij weer in gedachten voor zich heen

te staren. Maar Betje Bouts die bij haar zat, had al lang gemerkt

dat er iets aan 't handje was.

Toen werd er een signaal geblazen. De schutters gingen naar het stuk

grond achter de wei, waar geen boomen stonden en de vogelstang was

opgericht. Je zag den koning met zijn rammelende sier omhangen,

nog gauw even zijn pint leeg halen met een lange teug en dan op

een drafje weghollen, het zilver rinkelend terwijl hij liep. De

meesten onder de mannen togen mee. Het was het groote oogenblik. Het

vogelschieten begon.

De fanfare beklom het verhoog dat op tonnen was bevestigd, met latten

en groene twijgen omgeven, en gedekt door 't levend loover van een

appel- en een peereboom. De muziek hield er de feestelijke stemming

levendig onderwijl.

"Zullen we samen wat door de wei gaan?"

Anna was hoog rood geworden, toen Willem Stoffels naast haar was

komen staan. Zij had geen woord te zeggen.

"Kom An'," zei Betje Bouts, "we gaan samen."

En zij liet Anna in 't midden gaan, met Willem dicht aan Anna's zijde.

Betje stuwde 't gesprek. Eerst wilde 't wel niet wielen. Maar zij wist

het te drijven. Doch zij greep de eerste gelegenheid aan, om een jongen

kerel vast te klampen, dien ze volgde naar het schietterrein. "Kom

mee" wenkte ze nog even bij 't weggaan met hem. Maar Willem voerde

Anna naar den anderen kant.

"Anna," zei hij, "ben je boos op mij?"

"Ik? Waarom? Zeker omdat ik met je loop?"

"Nee, maar ik dacht soms.... ik was bang dat je niet meer van me

houden zou."

"Daar heb ik nooit wat van gezeid tegen je. Maak nu geen onzin!"

"Ik wilde dat je 't me zei. Het is geen onzin."

"Ben je al niet nuchter meer meer?"

"Anna, ik weet wat je zeggen wil Verwijt me niets. En heb 'k me soms

gedragen als een slecht mensch,--het kan immers wel beteren. Als jij

het hebben wil; als jij dat van me vraagt."

"Dat moet je nou maar voor je zelf weten. Als je weet dat je misloopt,

hoe kun je dan in Gods naam zoo blijven voortgaan?"

"Alleen om jou wil ik het doen, Anna."

"Loop heen," trachtte ze te schertsen.

"Nee," zei hij met diepere stem. "Ik zal nooit van je weggaan. Zelfs

als je dàt willen zou, als je dat willen kon, zou ik het niet

doen. Daarvoor hou ik té veel van je, Anna...."

"Laat me los, riep ze. Ik wil terug."

"Luister, drong hij, Anna, hoor!"

"Laat me gerust," smeekte ze.

"Jij kunt voor me doen, wat geen pastoor meer kan."

Beiden zwegen plotseling.

"Is je dat gemeend?" bracht zij uit in hare ontroering.

"Ik ben een verloren mensch, en ik raak nog verder van wal, als jij

niet wil.... Jij alleen kunt weer wat van me maken; als ik je zeg...."

"Ik wil niets weten. Vertel dat anderen als je wil; maar mij niet!"

"Als ik vrij loot, ging hij verder, dan verdien ik na een jaar of

twee het dubbele van nu. Jij heb immers goed wat thuis, al breng ik

dan ook zooveel niet mee."

"Ik wist niet dat je spaarde," wierp ze er verwonderd tusschen. "Sinds

wanneer?"

"Ik zal nooit een ander dan jou trouwen," verzekerde hij

hartstochtelijk.

"Laat me los. Ik wil.--Hoeveel anderen heb je dat al verteld?"

"Daar is geen ander voor mij, dan jij, Anna...."

"We zijn nog te jong om daar al over te praten. Nu is 't genoeg

geweest!"

Hij ging voort met spreken, maar zij hoorde hem niet meer. Zij zag

de tafel weer, waar ze met hare vriendinnen had gezeten. Aller oogen

hadden haar gevolgd van daar. Zij keerde er terug. Willem kon 't haar

niet langer beletten. Hij volgde.

"Mag 'k hier blijven zitten?" vroeg hij, zich naast Anna

neerzettend. "Ik trakteer" zeide hij in haar oor.

De goed gezeten boerendochters vonden hem wel brutaal. Doch zij moesten

weldra toegeven dat hij onderhoudend was. Toen begon de lach-pret.

Alleen Anna zat er stil en afgetrokken.

Onder den rook der mijn Eene novelle uit Limburg · 第 14 / 22 题