De mijnwerker lachte schamper: "En je verdiende loon dan?"

Dat was 't, wat hij dan nù zou leeren: ieder heeft recht op hetgeen

hij zelf verdient. "Doet je vader soms het werk voor jou? Dan moet

je ook je loon zelf behouden."

En een keer viel Willem tegen zijn moeder uit:

"Ik heb mijn eigen geld zelf noodig."

Zij zette groote oogen op.

"Je kunt 't me wel afstelen wanneer ik naar huis kom" gaf hij

toe. "Maar wie belet me het te verzuipen eer ik terug ben?"....

Alle mijnwerkers-jongens, had hij gehoord, betaalden kostgeld bij

hun ouders. Dat was ruim voldoende, hoe gering het dan ook was.

Bij elke gelegenheid begon hij praat te verkoopen, die nooit gehoord

was onder hun dak te voren. Toen begon de onrust der moeder te groeien

met den dag en de stem des gewetens werd in haar luide, wanneer zij

aan de woorden terug dacht van den grijzen herder, die sedert den

voet niet meer over hun drempel gezet had.

"Ga eens naar den pastoor, vroeg zijne moeder. Hij wilde zoo graag

dat je eens kwam."

"Daar heb ik niets verloren," gromde Willem terug, en ging zijn gang.

Wanneer zij opspeelde, lachte hij; en als zijn vader dreigde, kwam

er vuur in zijn oogen.

"Dat is een nagel aan mijn doodkist" jammerde zij.

"Vrouw," troostte Stoffels haar uit de verte, "je hebt het zelve

gewild!"....

In 't begin was Willem verlegen geweest om zijn roetzwarte handen

en de vuilnis die bij 't werk ging kleven op zijn gezicht. Hij had

het telkens schoon gewasschen eer hij naar huis terug ging, onder de

stortkraan in de inrichting. Nu deed hij dat niet meer. Het stond

kranig met een zwart gezicht te loopen. In 't dorp keken hem de

kleine kinderen dan angstig na. Iedereen kon nu zien dat hij aan den

mijnarbeid was. Mijnwerkersvolk is gevaarlijk volk, had zijn groote

makker hem geleerd. Zij zijn als levende duivels; en daarom zijn zij

voor den duivel niet bang.

En Willem haalde als altijd zijn wijze woorden gretig in. Zij

bedwelmden hem als de jenever die hij hem leerde zwelgen. Willem

was fier op zijn vriendschap. Reeds huiverde hij niet meer van een

vloek. Dat was mannentaal. Zelf streefde hij er thans naar, een

werkelijk man te worden die over alle gezanik heen te stappen weet.

Zwart kwam hij er aan zetten, mompelend binnensmond en waggelgaande

langs den weg, met zijn blikken koffieketeltje aan een touw over den

rug, de pet scheef over zijn lang sluik haar en groezelig in zijn

armoedige plunje,--toen met twee volle emmers aan 't juk, dat ze over

de schouders in den nek droeg, Anna Jansen hem bij de eerste huizen

van Merkelbeek ontmoette.

"Anneke" riep hij.

Zij stond stil.

"Anneke,--heb je water gehaald?"

"Wou je je gezicht soms wasschen?" vroeg ze bits.

Haar hart bonsde in haar.

"Liever drinken, als je me laat."

"Ga je gang,--als je niet sterk genoeg op je beenen staat, om zelf

naar den put te gaan."

"Lief kindje," zei hij. "Vroeger ben je toch wel liever geweest. Weet

je nog wel, toen ze je plaagden met mij?"

Hij glimlachte beschermend, maar zijn oogen stonden vreemd; zij zagen

wild, zooals zij glommen uit zijn roetzwart gezicht.

"Ga nog niet weg," fleemde hij.

"Ik heb geen tijd om naar je te luisteren."

"Hou je dan niet meer een klein beetje van me?"

"Wie zou je terug kennen, met dat vuil gezicht?"

"Ja, maar ik ken je nog wel, Anneke; ik herken je overal en ik vergeet

je niet, omdat ik stapelgek ben naar je...."

Ze liet hem staan, en zeulend droop hij af.

Bleek kwam Anna thuis en zij zette zich neer op een boomstam die

onder den poortboog lag.

Vragend keek haar vader haar aan, toen hij voorbij het venster ging dat

op het erf uitzag. Zij wilde opstaan, maar hare armen vielen zwaar in

haar schoot terug. "Ik ben zoo moe," fluisterde ze en sloot de oogen.

"Rust een poosje," riep Jansen en trok een paar keeren heftiger aan

de pijp, die zijn mond nooit verliet. "Het zal van de warmte zijn."

"'t Is ook zoo heet," sprak ze 't haar vader na. En zij leunde met

het hoofd achterover tegen den baksteenen muur.

"Anneke heeft 't te kwaad van de hitte vandaag," vertelde Jansen zijn

vrouw in 't voorbijgaan.

"Waar is ze dan? vroeg de moeder. Ik zag haar zoo even nog met een

mijnwerker staan praten."

"Met wie?" vroeg Jansen.

"Ik geloof dat het Stoffels-Willem was."

Jansen bromde wat voor zich heen, misnoegd. Maar zij spraken geen

woord verder.

Anna was weer opgestaan en had de dweil ter hand genomen. Eer 't avond

was, had zij de keuken geschrobd en al het werk gedaan als altijd. Doch

toen zij 's avonds was ter rust gegaan, kon zij niet inslapen. Zij

lag en dacht en droomde en sliep toch niet. Zij voelde haar hoofd

zoo zwaar en warm. Het was alsof er een zee in ruischte, die steeg

en viel en steeg. Doch nauwelijks was zij dan eindelijk ingedommeld,

of zij hoorde een stem aan haar oor, die klaar en duidelijk zeide:

"ik herken je nog wel; ik vergeet je niet; ik ben stapelgek naar

je...." Toen zag zij over haar heen zijn zwart gezicht, met de vreemde,

wilde gloed-oogen. Zij wilde geluid geven in haar angst, maar kon

niets uitbrengen. Dan schrok zij wakker en zag in het schemerdonker

rond. Het zweet stond op haar voorhoofd. Zij sloeg de dekens af en

stond op. Het was als steeg zij uit een warm bad. En zij ging naar

het venster toe, dat openstond op een kier. De sterren fonkelden in

het duister buiten. Waar de eene groote ster neer hing, achter den

wal der boomen, lag de heide....

Onder den rook der mijn Eene novelle uit Limburg · 第 13 / 22 题