VII

Bakoe, 20 September 1886.--Wanneer men een tocht door de turkmeensche

steppen heeft gemaakt en de oase van Merw doorkruist, schijnt het niet

meer dan natuurlijk dat men zich beijvert om zoo spoedig mogelijk naar

huis terug te keeren. Maar aan den anderen kant is het toch ook niet

geoorloofd, Bakoe, de stad van het eeuwige vuur, inderhaast voorbij

te gaan, zonder er te toeven. Op geen ander punt der wereld misschien

heeft de natuur zoo vele en zoo verbazingwekkende wonderen gewrocht,

welke niet alleen de oogen der nieuwsgierige menigte trekken, doch

daarbij den geleerden raadselen voorleggen, welker oplossing nog niet

gevonden is.

De kleine stoomboot, waarmede ik van Oezoen-Ada vertrokken ben, vaart

des morgens ten acht uur, na een overtocht van twintig uren, langs

de uitstekende landpunt van het schiereiland Apsjeron. Wij volgen nu,

op korten afstand, de vlakke, zuidelijke kust, en bereiken eindelijk

de ruime reede, waar een honderdtal schepen in volle veiligheid hun

anker hebben uitgeworpen. Ten zuiden beuren de bergen van Lenkoran,

bekend door hunne zwavelbeddingen, hun spitse kruinen in de nevelige

lucht; kort daarop onderscheid ik langs den oever de marinewerven

en inrichtingen, de perzische stad met haar gekanteelde muren, de

nieuwe russische stad met haar in lange rijen geschaarde grijze

huizen, de zwarte stad en de donkere rookwolken die haar in een

eeuwigen sluier hullen. Om tien uur werpen wij het anker uit aan

den gemetselden aanlegsteiger van de douane, die honderd el ver in

zee uitsteekt; er zijn bovendien in de haven van Bakoe nog twintig

andere, op palen rustende, houten aanlegsteigers, waarvan sommigen

tweehonderd el lengte hebben, en die bijna allen het eigendom zijn

van particuliere maatschappijen. Bakoe is tegenwoordig de tweede

handelstad van de Kaspische-zee, en zal misschien over niet langen

tijd de eerste zijn. Sedert de laatste twintig jaren is de bevolking

van tienduizend tot zestigduizend zielen gestegen. De kleine hoofdstad

van onbekende khans is onder het russische bestuur een der voornaamste

en welvarendste industrieele centra geworden. Dezen voorspoed dankt

de stad aan de exploitatie der petroleum- en naphtabronnen.

Na een haastig ontbijt in een voortreffelijk europeesch hôtel, waarvan

het eenige ongerief is--en daaraan valt niets te veranderen--dat het

er letterlijk overal sterk naar petroleum ruikt, spring ik in een

mooien phaëton, en rijd in vollen galop naar de Villa Petrolia. Eerst

rijden wij door de rechte, goed geplaveide, levendige straten van

de russische stad; dan komen wij aan eene kleine zandwoestijn van

omstreeks vierhonderd meters lengte, waar de tartaarsche paarden

niet dan stapvoets en met veel inspanning kunnen voortgaan. Eindelijk

komen wij weer op een vaster terrein, waar de grond eene roodachtige

kleur heeft; links en rechts zien wij een aantal plassen, waarvan het

vocht het meest op levertraan gelijkt: dit vocht is het bezinksel,

dat bij het zuiveren van de natuurlijke naphta overblijft; de grond is

geheel met dit vocht doortrokken--van daar zijne eigenaardige kleur

en zijne meerdere vastheid. Het klinkt bijna ongeloofelijk, en toch

is het waar, dat men te Bakoe, waar het zelden regent, dit bezinksel

van petroleum soms gebruikt om de straten te besproeien. Het asphalt,

waarmede de trottoirs zijn bekleed, wordt evenzoo van naphta gemaakt:

het is in die mate onderhevig aan de werking der zon, dat uw voet er

soms inzinkt als in half droge modder.

Ten slotte bevinden wij ons midden in de zwarte stad: dat wil zeggen

in een baaierd van groote en kleine werkplaatsen en fabrieken, die

ieder om het hardst vuile zwarte rookwolken omhoog blazen, behalve

drie of vier, de grootste en de best ingerichte, die aan Europeanen

behooren, en die haar eigen rook verteren. De meeste fabrieken, die

door Armeniërs worden bestuurd, zenden u in het voorbijgaan stroomen

van vuil stinkend gas in het aangezicht, zoodat ge bijna gevaar

loopt te stikken. Het is raadzaam, hier niet te lang te toeven;

mijn koetsier legt de zweep over de paarden en drijft ze tegen een

heuvel op, waarop ge drie geweldige gasmeters ziet: het zijn evenwel

geen gasmeters, maar bewaarbakken van naphta. Zie zoo: wij zijn deze

noodlottige plek voorbij; de wind drijft de afschuwelijke rookwolken

achter onzen rug weg; van de hoogte waarop wij nu staan, overzien wij

de baai van Bakoe en de naakte heuvelen van Apsjeron. Voor onze voeten,

aan den oever der zee, zien wij eene soort van oase, waar althans

eenig groen de oogen verkwikt; eenige nette, ruime woningen staan

daar te midden van de dorre zandwoestijn. Deze woningen zijn gebouwd

door de heeren Nobel, de chefs van een zeer aanzienlijk handelshuis en

eigenaars van petroleumbronnen; zij dienen tot huisvesting van hunne

agenten en voornaamste beambten. Deze kleine oase draagt den naam

van Villa Petrolia. Ongelukkig genoeg moeten wij langs denzelfden

weg, midden door de stinkende, de lucht verpestende fabrieken, naar

Bakoe terugkeeren.

Eene wandeling door het oude Bakoe is in meer dan een opzicht

belangwekkend. Men behoeft bijna niet naar Perzië te gaan, om zich

althans in het algemeen eene voorstelling te maken van de perzische

architectuur. De verovering van oostelijk Transkaukasië door de Russen

is nog niet zoo lang geleden, dat de voormalige hoofdstad reeds haar

oostersch karakter zou hebben verloren. Die nauwe, bochtige en vuile

straten en stegen, omzoomd door wit gepleisterde huizen met platte

daken, waarvan de deuren meestal gesloten en de bewoners onzichtbaar

zijn, hebben zeker in de laatste honderd jaar geene verandering van

eenige beteekenis ondergaan; het zijn nog altijd dezelfde minarets,

dezelfde koepeltjes boven de badkamers: dit alles van leem en klei

gemaakt en met kalk overpleisterd. Dan heeft men den bazar, minder

opmerkelijk door zijn geringen omvang, dan door de doodsche stilte

die er heerscht; in ellendige, armoedige winkeltjes neergehurkt,

bieden de perzische kooplieden u met onverstoorbare kalmte eenen rijken

overvloed van valsche steenen te koop, vooral van turkoizen. De turkois

is hier inheemsch; ge moet dus, even als te Tiflis, bij inkoop dubbel

op uwe hoede zijn. Gij kunt hier ook fraaie perzische tapijten koopen,

maar ze zijn duurder dan te Askhabad.

De eenige eenigszins bezienswaardige monumenten van deze oude, ten

doode gedoemde stad zijn de zoogenoemde Maagdetoren en de citadel of

het paleis der khans. De dertig el hooge Maagdetoren is uit zee zoo

goed zichtbaar, dat de Russen er een kusttelegraaf en een havenlicht

op hebben geplaatst. De legende verhaalt dat een zekere khan van Bakoe

zijne wonderbaar schoone dochter wilde dwingen tot het huwelijk met

een man, dien zij verfoeide; op aandrang van haar vader, stemde zij

eindelijk in de echtverbindtenis toe, onder voorwaarde, dat hij een

hoogen toren zou laten bouwen. Toen de toren voltooid was, klom het

jonge meisje naar het plat en wierp zich van daar naar beneden.

Het merkwaardigste van de citadel is eene zeer fraaie en goed

geconserveerde poort in moorschen stijl. De zware steenen muren zijn

zeer hoog en van geduchte schietgaten voorzien, waaruit kanonnen

dreigend te voorschijn kwamen. Maar het waren er dan ook kanonnen

naar! of liever, de artilleristen, die ze bedienen moesten, wisten

er niet mede om te gaan. In de vorige eeuw namen de turkmeensche

ruiters Bakoe in en sabelden de kanonniers neer bij hunne stukken. Ge

kunt u voorstellen, dat de vermeestering der stad den Russen niet

moeilijk viel; het eenige ernstige verlies dat zij leden was dat

van hun generaal, die bij de overgave van de sleutels der citadel,

door een zoo genoemden dweeper, lafhartig werd vermoord. Men heeft

te zijner gedachtenis een monument opgericht.

Aan den voet der voormalige citadel bevindt zich tegenwoordig een

vrij groot park, waarvan de bestoven bosschages en de verschrompelde

dwergachtige boomen eene armzalige figuur maken; ik kan u verzekeren

dat ze niet alle dagen begoten worden. Dit is het Michaëlpark. De

paden zijn, evenals gewone trottoirs, met asphalt belegd, hetgeen

een vreemden en zelfs onaangenamen indruk maakt, maar toch zeer

verklaarbaar is. Zonder deze bedekking, zou het hier, bij eenigszins

sterken wind, niet zijn uit te houden door de wolken zand en stof. Alle

paden loopen, met zachte glooiing, op een ruim terras uit, van waar men

een prachtig gezicht heeft. Daar staat de sociëteit, de _Kroujok_, een

prachtig gebouw, waar nog op de onmogelijkste uren gegeten en gedronken

wordt. De Russen zijn, zoo als men weet, onverbeterlijke nachtbrakers.

Wij keeren naar het hotel terug, en volgen de breede kaaien die

zich langs de nieuwe stad uitstrekken. De kabbelende golven vloeien

murmelend weg over de groote steenblokken, welke den voet der naar alle

regelen van de kunst gebouwde trotsche kaaien moeten verdedigen. Het is

druk en levendig genoeg; de zon zinkt weg achter de heuvelen, waarop

zich de perzische begraafplaatsen bevinden; de wandelaars komen naar

buiten om de frissche zeelucht in te ademen. Wij zien vele uniformen

en niet minder smaakvolle toiletten. Maar om die te zien, behoeft

men toch waarlijk niet naar de oevers van de Kaspische-zee te reizen;

en is men dan zelfs daar nog niet veilig voor onze onzinnige mode en

onze niet minder onzinnige zucht naar eenvormigheid? Gelukkig bieden

zij althans eenige afwisseling, die tartaarsche vrouwen, die in haar

nationale kleederdracht, aan den voet der kaaimuren op de steenen

neergehurkt, haar linnengoed wasschen.

Ik heb kennis gemaakt met den heer T., een der beambten van het

huis Nobel; morgen zal ik met hem een uitstapje in den omtrek gaan

maken. Het is een zonderling land, dat wij zullen bezoeken. De

keten van den Kaukasus loopt aan beide zijden uit in vulkanische

terreinen, waaronder de onderaardsche krachten nog voortdurend werkzaam

zijn. Bovenal is dit het geval op het schiereiland Apsjeron, ten oosten

van den Kaukasus. Op een aantal plaatsen is de grond haast bedekt met

werkzame slijkvulkanen; uit spleten in de aardkorst komt ontvlambaar

gas te voorschijn, en een enkele vonk is voldoende om een geweldigen

brand te ontsteken. Beklim in een stillen donkeren nacht, het plat van

den Maagdetoren, en zeer vermoedelijk zult gij het gansche schiereiland

overstraald zien met een phosphorischen gloed. Nog in den loop van

dit jaar 1886 heeft een der slijkvulkanen, tot op eene hoogte van

driehonderd voet, een gaskolom opgeworpen, die 's nachts ontvlamde;

de gansche hemel was door een fantastischen rooden gloed verlicht;

na verloop van een uur doofde de brand even plotseling uit als hij

was ontstaan, tot groote vreugde der doodelijk verschrikte inwoners.

Dergelijke verschijnselen kunnen zelfs in onze sceptische, geblaseerde

eeuw niet nalaten, de aandacht en verwondering te wekken: het is

dus inderdaad niet vreemd, dat vroegere geslachten daarin iets

bovennatuurlijks meenden te zien. Sedert overoude tijden tot op

den dag van heden is Bakoe, in de oogen der vuuraanbidders, eene

bij uitstek heilige plaats, waarheen zij weleer uit alle landen van

Centraal-Azië ter bedevaart togen. De edicten van Keizer Heraclius,

die het heilige vuur, dat door de priesters zorgvuldig onderhouden

werd, liet uitdooven, vermochten al evenmin deze oude eeredienst te

vernietigen, als de vervolgingen, waaraan de volgelingen van Zoroaster

bloot stonden nadat de Arabieren Perzië hadden veroverd en de leer

van den Islam met het zwaard invoerden. De Parsis weken voor een deel

naar Indië uit, waar nog heden hunne nakomelingen worden aangetroffen;

de tempel van het heilige vuur staat nog altijd, en telken jare komen

nog ettelijke pelgrims uit Hindostan om te dezer plaatse de godheid

onder haar schitterend symbool te aanbidden. Morgen zullen wij tot

op zekere hoogte hun voorbeeld volgen.

Doch waar komen die vuren van daan, die sedert duizenden van jaren

branden? Zij worden veroorzaakt door de naphta- of petroleumdampen,

welke door de geweldige drukking van de in onderaardsche holten en

kloven opgesloten gassen naar de oppervlakte der aardkorst worden

geperst. En de petroleum zelf, waarvan het gebruik in onzen tijd zoo

algemeen is geworden, wat is die eigenlijk en van waar komt die?

Wees gerust, vriendelijke lezer, ik ben niet van plan, een

wetenschappelijk betoog te gaan houden: en dat te minder, daar

de wetenschap zelve op de zoo even gestelde vragen geen stellig

antwoord kan geven. Ik behoef er dan ook niet bij te voegen, dat de

gevoelens der geleerden op dit als op zoo menig ander punt tamelijk

uiteen loopen: wij zullen ons dus in de verschillende theorieën maar

niet verdiepen.

Reeds sedert overoude tijden is het gebruik van petroleum of aardolie

bekend. Herodotus, Aristoteles, Plinius, Plutarchus, geven ons meer of

min uitvoerige beschrijvingen van oliebronnen of naphtabeddingen, die

in hun tijd geëxploiteerd werden; Strabo verhaalt dat de Egyptenaren

eene soort van naphta of asphalt gebruikten bij het balsemen hunner

dooden; bij den bouw van Babel en Ninive bezigde men eene soort

van asphalt, dat door verdamping van aardolie uit de bronnen in de

nabijheid van den Euphraat verkregen werd. Ook in China en Japan

is de aardolie sedert onheugelijke tijden bekend; zelfs werd zij

reeds in de oudheid voor het branden van lampen gebruikt. Al heeft

de wetenschap dan tot dusverre nog niet het raadsel kunnen oplossen,

hoe en waardoor de aardolie eigenlijk ontstaat, voor ons is het genoeg

dat de kostbare brandstof voorhanden is en wel, naar het schijnt,

in onuitputtelijke hoeveelheid.

21 September.--Wij gaan met den ochtendtrein van tien minuten

voor achten; een afzonderlijke spoorweg verbindt Bakoe met de in

exploitatie zijnde petroleumbronnen. In Bakoe zelf vindt men niets

dan distilleerderijen; de putten zelven liggen acht mijlen meer

noordelijk, op het plateau van Balakhani-Saboentsji, dat tweehonderd

voet boven de zee verheven is. Stel u een circus voor van drie tot

vier kilometers in doorsnede, omgord door lage kalkachtige heuvels;

in den bodem van dien circus, die afwisselend uit zand en harde mergel

bestaat, heeft men ruim vierhonderd putten gegraven, die bijna allen

eene goede winst hebben opgeleverd. Daar staan, vlak naast elkander,

de verschillende inrichtingen, die deels aan maatschappijen, deels

aan partikulieren behooren; en wel, acht-en-veertig in het district

Balakhani en een-en-dertig in Saboentsji.

De rit duurt acht-en-dertig minuten. Als ge uit den trein stapt,

treft een eigenaardig schouwspel uw oog: tusschen de honderd-vijftig

en tweehonderd zwarte houten stellages, vrij wel overeenkomende

met reusachtige fabrieksschoorsteenen, verrijzen voor u; op een

afstand van omstreeks tien kilometers zoudt ge ze voor groote

bladerlooze boomen kunnen aanzien, die eene soort van oase te midden

der woestijn vormen. Elk van deze houten stellages, in het russisch

_vichka_ genoemd, verrijst boven een mijnschacht of artesischen put,

waarmede men de aardolie, uit zeer verschillende diepte, naar boven

voert. De boring geschiedt volgens amerikaansche manier: men gebruikt

daarvoor een stevig touw, aan welks uiteinde eene lange zware aard-

of steenboor met stalen punt is bevestigd. Het touw loopt over eene

katrol, die boven op de omstreeks vijftien meter hooge stellage is

geplaatst, en wordt in beweging gebracht door eene stoommachine,

die de boor opheft en weer vallen laat.

Het is de gulden tijd niet meer, toen men slechts even den grond

had om te spitten om de kostbare vloeistof aan het licht te

brengen. Tegenwoordig moet men honderd, tweehonderd el en soms

nog dieper in de aarde afdalen om de olie te vinden: en meermalen

zoekt men ook dan te vergeefs. De putten in Pennsylvanië bereiken

wel is waar eene diepte van tweeduizend voet, maar men moet toch

erkennen dat ook te Balakhani de boringen diep en kostbaar zijn. Mijn

geleider wijst mij een put van driehonderd meter, waaraan men een

vol jaar heeft gearbeid en dertigduizend roebels ten koste gelegd,

en die nog niets heeft opgeleverd. Hij brengt mij bij eene andere

schacht, waar men sedert drie maanden te vergeefs poogt, door eene

aardlaag heen te boren. Dit schijnbaar ongeloofelijke feit vindt

zijne verklaring in de geweldige drukking van de gassen, die in het

petroleumhoudend zand zijn opgesloten; aan een manometer gemeten,

bedraagt die drukking honderdvijftig atmospheren. Onder zulk eene

persing is het niet zoo vreemd, dat het geboorde gat zich aanstonds

weer vult; de ontvlambare gassen drijven het zand in de buizen:--het

is een echte Penelope-arbeid.

Heeft men eenige gegevens om de keus te bepalen voor de plaats der

nieuwe putten; is men eenigszins op de hoogte van de vermoedelijke

ligging en diepte der oliebeddingen? In geenen deele. Alles

is aan het toeval overgelaten; ieder graaft en boort waar hij

wil. Sedert twintig jaren heeft men geene aanteekening gehouden van

de boringen, zoo als dat toch in alle mijnen geschiedt; dat toch is

het eenige middel om met zekerheid iets te weten te komen omtrent de

ligging en gesteldheid der beddingen en om noodelooze uitgaven te

vermijden. Maar men baadde in den overvloed, en niemand bekommerde

zich om de toekomst.--Kan dan soms, bij gebrek van waarnemingen en

aanteekeningen, de wetenschap zelve een middel aan de hand doen om

zuinig en doelmatig te werken? Evenmin. Gelijk men met zekerheid niets

weet omtrent den oorsprong van de aardolie, zoo kan men ook slechts

gissingen opperen ten aanzien van de gedaante en de verdeeling der

beddingen in de verschillende geologische aardlagen.

Een punt schijnt vast te staan: namelijk, dat de vroegere hypothese

van eene doorloopende horizontale oliebedding onhoudbaar is. Putten,

op weinige ellen afstands van elkander gegraven, leveren zeer

verschillende uitkomsten op. De eene zal al vrij spoedig naar

een overvloedig reservoir voeren; de anderen zullen volstrekt

niets opleveren of althans tot aanmerkelijke diepte moeten worden

geboord. Mijn geleider sprak mij o. a. van vier putten, om zoo te

zeggen naast elkander gelegen: de eerste was acht-en-zeventig, de

tweede honderd-acht-en-zestig, de derde vijf-en-tachtig, en de vierde

honderd-vijf el diep. Ziehier een ander voorbeeld: vlak bij een ouden

put van twintig meter, die nog altijd olie oplevert, moest men tot

eene diepte van honderd-zes-en-twintig meters boren om eene bedding

te vinden. Om dergelijke verschijnselen te verklaren, heeft men vrij

algemeen de hypothese aangenomen dat de aardolie is opgesloten in

holle ruimten, die onregelmatig van vorm zijn en ook ten aanzien van

diepte en ligging zeer ongelijk verdeeld. De boor kan in die holten

doordringen, maar ook daarlangs heen gaan; twee naburige putten kunnen

gevoed worden uit twee holten, die op zeer verschillende diepte liggen.

Is de boor in een reservoir van aardolie doorgedrongen, dan kan

er tweeërlei gebeuren. Vooreerst kunnen de gassen zich met geweld

een uitweg banen door de schachten van de boor: dan houdt, naarmate

zich het evenwicht herstelt tusschen de onderaardsche spanning en de

atmospherische drukking, de uitbarsting allengs op, en om de petroleum

te verkrijgen, moet men haar oppompen. Maar het kan ook gebeuren dat,

in plaats van gassen, de olie zelve, vermengd met zoutachtig water

en zand, met kracht naar boven wordt gedreven. Is dat het geval, dan

worden de arbeiders in de vichka gewaarschuwd door een oorverdoovend

gebrul, en is het zaak dat zij zich zoo spoedig mogelijk uit de voeten

maken. Somwijlen is de uitbarsting zoo hevig, dat de boor met haar

schacht, ondanks haar gezamenlijk gewicht van omstreeks driehonderd

kilogrammen, in de lucht wordt geslingerd en het bovenste gedeelte

van de stellage geheel wordt vernield. De hoogte van deze fonteinen

is zeer verschillend: men heeft stralen gemeten van meer dan negentig

meter: dat is hooger dan de groote Geijser op IJsland.

Hoe dit te verklaren? Men onderstelt dat de holten, waarvan ik boven

sprak, niet enkel petroleum bevatten, maar ook zoutachtig water

en gassen. Het water en de naphta bevinden zich in het onderste

gedeelte van de holte, van den zak moest ik eigenlijk zeggen; het

bovenste is met saamgeperste gassen gevuld. Naarmate nu de boor in

het eene of het andere gedeelte eene opening maakt, ontsnapt het gas,

of wel de olie wordt, door de geweldige persing der gassen, naar boven

gedreven.--Zoudt ge nu wel willen gelooven, dat die groote springende

fonteinen, die eene massa petroleum van acht millioen liter in de

vier-en-twintig uren opleveren, haar eigenaars niet altijd hebben

rijk gemaakt, maar zelfs meer dan eens geruïneerd? Rondom u is de

grond doorsneden door een netwerk van geulen of kanalen; iedere put

staat met die kanalen in verbinding. Zal de nieuwe put voldoende

opleveren om de kosten te dekken? Zal er misschien een straal van

zestig meters hoogte uit opschieten? Men weet er niets van; en in die

onzekerheid neemt men voorzorgen. Volgt er eene uitbarsting, dan valt

de petroleumregen in de geulen, welke op groote putten uitloopen,

waarin de petroleum eenigen tijd blijft staan om het zand te laten

bezinken; daarna wordt zij door stoommachines in metalen bakken of

reservoirs opgevoerd. In den beginne waren dergelijke verrassingen

volstrekt niet zeldzaam. Maar ook nu nog heeft men geen middel om

den toevoer van zand te verhinderen, dat dikwijls in zoo groote massa

wordt opgeworpen, dat de naburige vichkas daaronder bedolven worden.

De heer Ch. Marvin verhaalt in zijn boek _The Region of the eternal

fire_ (Het land van het eeuwige vuur) de uitbarsting van de fontein

Droejba, waarvan hij getuige was, en die geduchte verwoestingen

aanrichtte. "Het gebrul werd verscheidene mijlen in het rond

gehoord. Het was inderdaad een indrukwekkend schouwspel. De straal

bereikte den top van de vichka (twintig ellen hoog) en, dwars door

de losgeslagen balken heenstuivende, verhief hij zich nog ruim zestig

ellen hooger; toen boog hij zich nederwaarts en daalde als een dichte

donkere regenwolk ter aarde. In de eerste vier-en-twintig uren der

uitbarsting had het uit den put opgeworpen zand zich tot de daken der

magazijnen en schuren opgestapeld; de omringende vichkas waren binnen

een afstand van vijftig meters in het rond, ter hoogte van twee tot

twee-en-een-halve el onder het zand begraven... Bij de opening van

den krater lag het zand zes ellen hoog.

"Hier en daar waren ploegen arbeiders met schoppen gewapend, bezig

met het graven en uitdiepen van de kanalen rondom den put om het vocht

gelegenheid te geven tot wegvloeien; de arbeid was niet zonder gevaar

en nog minder pleizierig; hun hoofd en hunne schouders waren geheel

bedekt met petroleum en zand, en zij moesten uiterst voorzichtig zijn

om niet medegesleept te worden door den geweldigen luchtstroom, die

rondom den voet van den krater loeide... Na door de tallooze geulen en

kanalen te zijn weggevloeid, verzamelde de petroleum zich in kuilen

en diepten, die in vijvers en riviertjes herschapen werden, waarvan

sommigen groot en diep genoeg waren om er in te kunnen varen. Eindelijk

liepen die meertjes over; de naphta groef zich een breed kanaal en

verloor zich in de Kaspische-zee."

Weken achtereen bleef de fontein Droejba met dezelfde kracht aan

het werk, en de overstrooming van petroleum nam zulk een dreigend

karakter aan, dat twee ingenieurs van Petersburg werden gezonden

om de wel te stoppen. Niet alleen behaalde de maatschappij, aan

welke de bron behoorde, geen winst, maar zij werd geruïneerd door de

schadevergoedingen, die zij aan de aangrenzende exploitaties moest

uitbetalen.

Zulke ongevallen komen tegenwoordig niet meer voor. In de eerste plaats

vindt men bijna geene fonteinen meer van die kracht: in den regel

treft men slechts kleine bronnen aan, die in de vier-en-twintig uren

van negenhonderd-duizend tot vijftienhonderd-duizend liter petroleum

opleveren; ten andere zijn de kanalen en vijvers in veel beteren

toestand gebracht; eindelijk hebben de werklieden thans de gewoonte,

om wanneer bij het boren onderaardsche geluiden de nadering van gas

of van vloeistof aankondigen, onmiddellijk aan het boveneinde van

de buis eene soort van stevige ijzeren kap te bevestigen, van eene

kraan voorzien, waarmede men de wegstrooming kan temperen. Heeft

men den tijd, om de opening op die wijze af te sluiten, dan is alle

gevaar verdwenen: er ontstaat geen straal, en men tapt eenvoudig

de olie af als uit een vat. Slechts in zeer zeldzame gevallen is de

opstijging van de naphta zoo snel en tegelijk zoo hevig, dat de kap

niet kan worden geplaatst of wel uiteen wordt geslagen. Zoo kon bij

voorbeeld de groote fontein Nobel niet worden afgesloten. Zij leverde

in vier-en-twintig uren niet minder dan zestien millioen liter naphta,

die zorgvuldig werd verzameld en eene inkomst afwierp van zoowat

anderhalve ton per dag. Ongelukkig bleek die goudmijn na verloop van

een-en-dertig dagen uitgeput. Want de petroleumbronnen duren niet

eeuwig. Doorgaans houdt de fontein het niet langer dan twee maanden

vol: dan is de straal verdwenen, en moet men zijne toevlucht tot de

pomp nemen om de petroleum uit de diepte op te halen. Dit geschiedt

door middel van eene soort van emmer met een zelfwerkende klep, die

ongeveer dertig liter kan bevatten, door een stoommachine in den put

wordt neergelaten en na gevuld te zijn, weer opgehaald.

Wij besluiten onze wandeling met een bezoek aan eene oude fontein,

die in de jaarboeken van Bakoe beroemd zal blijven: tegenwoordig

onderscheidt zij zich wel door niets bijzonders, maar het is toch

altijd iets beroemd te zijn geweest. Deze fontein had de hoogst

merkwaardige eigenschap dat zij met geregelde tusschenpoozen werkte; de

bron, op eene diepte van tweehonderd-tachtig meter ontdekt, heeft eene

maand lang gewerkt, en in dien tijd sprong zij gedurende een minuut,

rustte dan zes minuten, sprong dan weer gedurende eene minuut en

zoo vervolgens. Deze afwisseling was zoo regelmatig, dat men zelfs

met den chronometer geen verschil van eene sekonde heeft kunnen

waarnemen. Mocht ge soms met de reden van dit allerzonderlingste

verschijnsel bekend zijn, dan zult ge den geleerden eene groote

dienst bewijzen, indien gij die hun mededeelt. Het is te begrijpen,

dat de drukking van de onderaardsche gassen vermindert, naarmate de

holte zich ontledigt, en dat dus de kracht, die het vocht naar boven

drijft gaandeweg afneemt en eindelijk ophoudt te werken; maar hoe is

het mogelijk dat zij telkens weer, en dan nog wel met zoo mathematische

regelmatigheid, in werking treedt?

Wij gebruiken het dejeuner met de ingenieurs in dienst van de heeren

Nobel, en hervatten vervolgens onze wandeling door den doolhof

der vichkas, magazijnen, schuren, machines, vijvers en kanalen

vol petroleum. De zon is nog zeer heet: niettemin klauteren wij op

een dier metalen reservoirs, waarin de ongezuiverde naphta wordt

bewaard, alvorens zij naar de distilleerderijen van Bakoe verzonden

wordt. Het is niet mogelijk, deze zuivering op de plaats zelve der

bronnen te bewerkstelligen: dit ware veel te gevaarlijk; men mag hier

zelfs geene sigaar rooken. Maar waartoe dienen die half in den grond

bedolven ijzeren buizen, welke van de reservoirs uitgaan? Ik tel er

zeven met een diameter van vijftien duim. Zij dienen voor het vervoer

van de naphta, welke door middel van een vernuftig toestel door die

pijpen wordt gedreven. Deze inrichting werd voor ongeveer elf jaren

gemaakt; de heeren Nobel hebben daardoor zeker belangrijk voordeel

genoten, maar de invoering van deze nieuwigheid baarde hun ook veel

verdriet. Vroeger werd de ongezuiverde naphta in vaatjes vervoerd,

die met tartaarsche karretjes, _arbas_ genoemd, naar de stad werden

gebracht. Deze lichte, smalle karretjes, die er met hun hooge wielen

zeer wonderlijk uitzagen, maar voor het eigenaardige terrein zeer

geschikt waren, reden onophoudelijk heen en weer tusschen de bronnen

en de stad, en brachten den eigenaars jaarlijks gemiddeld ruim

een millioen gulden op. Het leggen der buizen maakte de karretjes

overbodig; het is dus niet vreemd dat de eigenaars, zich op eens

van hunne inkomsten verstoken ziende, op wraak bedacht waren en bij

herhaling de pijpen vernielden.

De spoorweg van Bakoe naar Balakhani loopt door tot Soerakhani,

weleer het middelpunt der exploitatie, waar nog sommige bronnen in

werking zijn. Maar een enkele buis is voldoende om al de petroleum,

welke hier gewonnen wordt, naar Bakoe af te voeren, en voorwaar niet om

deze bronnen te bezoeken, gaat men naar Soerakhani. Doch hier bevindt

zich de tempel der vuuraanbidders. Te midden van eene ommuurde ruimte

verheft zich een vierkant gebouwtje, met een koepel gedekt, waaruit

een aantal pijpen en buizen te voorschijn komen. Uit al die buizen en

pijpen stroomde weleer het brandende gas: en de scharen der geloovigen

bogen zich ter aarde voor het eeuwige heilige vuur.... Vervlogen

heerlijkheid! Het heiligdom wordt tegenwoordig nog slechts bediend

door twee arme Parsis, die het gas ten geschenke ontvangen van de

eigenaars der naburige bronnen; en sedert jaren zijn hier haast

geen andere pelgrims verschenen, dan de nieuwsgierige, ongeloovige

Westerlingen. Zij exploiteeren het heilige vuur ten eigen bate; ja,

zij spelen er mede. Zij scheppen er een kinderachtig vermaak in,

met een lucifer het gas te doen ontvlammen, dat uit de spleten in

den grond ontsnapt; en dan ontzien zij zich niet om--zij het ook in

onwetendheid--heiligschennis te plegen door de vlam weer uit te blazen!

Den volgenden dag brachten wij een bezoek aan de distilleerderijen

in de zwarte stad te Bakoe. Misschien zou zulk een bezoek den lezer

belangstelling inboezemen, indien hij er zelf bij tegenwoordig was;

eene beschrijving zou hem stellig vervelen: daarom houde ik die

terug.--De kostende prijs der gezuiverde petroleum bedraagt niet meer

dan acht-en-veertig kopeken (ongeveer f 0.60) de honderd liter; de

afval, die als brandstof gebruikt wordt en driemaal meer warmte geeft

dan dezelfde hoeveelheid steenkolen, kost omstreeks vijf-en-twintig

centen de honderd kilo's.

De petroleum wordt tegenwoordig met opzettelijk daarvoor

ingerichte stoombooten naar Astrakhan vervoerd en van daar met

kleinere booten, langs de Wolga naar Tsaritsin gebracht, dat

driehonderd-vier-en-zestig mijlen van de zee verwijderd ligt. Daar

bevindt zich het centraal-depot, dat geheel europeesch Rusland van

petroleum voorziet; de reservoirs kunnen twee-en-twintig millioen

liter bevatten. Daar de Wolga gedurende vier maanden van het jaar met

ijs bezet is, heeft men nog zes-en-dertig andere depots ingericht,

die vóór den winter gevuld worden en te zamen honderd-drie-en-zestig

millioen liter kunnen bevatten.

Er bestaat ook nog een andere weg voor het vervoer der produkten

van Bakoe: namelijk de transkaukasische spoorweg, die Bakoe met

Poti en Batoem verbindt; maar het vervoer langs dien weg komt niet

in vergelijking met dat langs de Wolga. De spoorwegmaatschappij

bezit maar een beperkt aantal wagens, die voor het vervoer van

petroleum geschikt zijn, en kan zelfs niet altijd aan de aanvragen

uit westelijk Europa voldoen. Bovendien schijnen de Russen niet

gezind om den uitvoer te bevorderen van een artikel, dat hun zelven

zoo uitnemend te stade komt. Vrijhandelaars en belanghebbende

industrieelen mogen schreeuwen zoo hard zij willen: de russische

regeering is wijs genoeg, zich daaraan niet te storen. Trouwens, de

waarde der vrijhandelaarstheorieën blijkt ook hier weder. Van 1801

(toen Bakoe bij Rusland werd ingelijfd) tot 1872 was de exploitatie

van de petroleum een monopolie, dat aan een partikulier, den heer

Mirzoef, verleend was. In 1840 bedroeg de opbrengst 3565 ton en in

1872, 24800 ton. In laatstgenoemd jaar werd het monopolie afgeschaft:

iedereen kan nu eene concessie tot ontginning der beddingen krijgen. Te

gelijker tijd werd de amerikaansche petroleum met een inkomend recht

bezwaard, dat verscheidene malen de waarde overtreft en dus met een

verbod gelijk staat. Eensklaps stijgt de opbrengst: in 1873 tot 54.000

ton, in 1876 tot 194,000, in 1886 tot 1.600,000 ton. En de prijs;

is die, na het ophouden van alle concurrentie, gestegen, zoo als

toch volgens de economische wetenschap gebeuren moet? Integendeel:

van dertig gulden per honderd liter is die gedaald tot negen gulden,

zoodat de verlichting in Rusland goedkooper is dan in eenig ander

land! Ook in dit geval bleek de werkelijkheid onbeschaamd genoeg om

zich niet aan de theorie te storen.

Met de zeer moeilijke en ingewikkelde vraag of en wanneer, bij zoo

geweldig stijgende produktie, de voorraad petroleum uitgeput zal raken,

mag ik mij hier niet bezig houden; ook omtrent dit punt loopen de

gevoelens zeer uit een. Ik heb u slechts de merkwaardigheden willen

doen aanschouwen van deze plek, waar wij als tot vroegere geologische

tijdperken worden teruggevoerd. Vergun mij thans mijn taak als afgedaan

te beschouwen.

Reis naar Merw De Aarde en haar Volken, 1887 · 第 6 / 6 题