Het laatste.
De lotgevallen van hen, die in dit verhaal een plaats hebben ingenomen,
loopen ten einde. Het weinige dat den geschiedschrijver te boeken
overblijft, kan in enkele eenvoudige woorden verteld worden.
Eer het drie maanden verder was, waren Rose Fleming en Harry Maylie
getrouwd in de dorpskerk, waarin de jonge geestelijke voortaan zijn
arbeidsveld zou vinden; denzelfden dag betrokken zij hun nieuw, gelukkig
tehuis.
Mevrouw Maylie nam haar intrek bij haar zoon en haar schoondochter, om
gedurende de kalme dagen die haar nog restten, het grootste geluk te
genieten dat een waardigen ouderdom geschonken kan worden--het bijwonen
van het geluk van hen aan wie in een welbesteed leven de warmste liefde
en teederheid zonder ophouden werden gegeven.
Na nauwkeurig onderzoek bleek, dat wanneer het overschot van het
vermogen dat op Monks' naam stond, (en dat noch in zijn handen, noch
in die van zijn moeder was aangegroeid) gelijkelijk verdeeld werd
tusschen hem en Oliver, aan ieder niet veel meer dan drieduizend pond
zou toebedeeld worden. Als de voorwaarden van zijn vaders testament
uitgevoerd waren, zou Oliver het geheel hebben gekregen, maar de heer
Brownlow, die niet gaarne den oudsten zoon de gelegenheid wilde ontnemen
afstand te doen van zijn vroegere ondeugden en een eerlijk leven te
beginnen, stelde deze wijze van verdeeling voor, waarmee zijn jonge
beschermeling gaarne instemde.
Monks, die zijn aangenomen naam bleef dragen, vertrok met zijn deel
naar een afgelegen oord van de Nieuwe Wereld; nadat zijn geld spoedig
verteerd was, verviel hij weer in zijn oude praktijken, onderging
tengevolge van een nieuwe oplichterij en schurkerij een langdurige
gevangenisstraf, kreeg ten slotte een hevigen aanval van zijn oude kwaal
en stierf in de gevangenis. Even ver van huis stierven de voornaamste
leden der bende van zijn vriend Fagin.
De heer Brownlow nam Oliver als zijn zoon aan. Met hem en de oude
huishoudster ging hij binnen een mijl van de pastorie wonen, de
verblijfplaats van zijn liefste vrienden; hiermee vervulde hij den
vurigsten wensch van Oliver's warm oprecht hart en droeg het zijne er
toe bij, een kleinen kring te stichten, waarin iedereen zoo dicht bij 't
volmaakte geluk was als in deze wisselvallige wereld maar mogelijk is.
Spoedig na het huwelijk van de jongelui, keerde de goede oude dokter
naar Chertsey terug; nu hij beroofd was van het gezelschap zijner beste
vrienden, zou hij zeker ontevreden zijn geweest, wanneer zijn aard voor
zulk een gevoel open stond; en hij zou mopperig zijn geworden, als hij
geweten had _hoe_. Gedurende twee of drie maanden stelde hij er zich
tevreden mede, toespelingen te maken op zijn angst, dat hij de lucht
niet goed meer kon verdragen; toen ontdekte hij, dat de streek werkelijk
niet meer zoo goed voor hem was als vroeger, droeg zijn practijk aan
zijn assistent over, huurde een landhuisje bij het dorp, waar zijn jonge
vriend predikant was en was dadelijk weer de oude. Hier legde hij zich
toe op tuinieren, planten, visschen, timmeren en verschillende andere
soortgelijke bezigheden, waarop hij met zijn gewone voortvarendheid
aanviel; in elk daarvan is hij sedert dien tijd in den omtrek als een
groote autoriteit beroemd geworden.
Vóór zijn verhuizing had hij innige vriendschap opgevat voor Mr.
Grimwig, vriendschap, die door dien excentrieken heer beantwoord werd.
Dientengevolge wordt hij vele keeren in het jaar door Mr. Grimwig
bezocht. Bij al die gelegenheden gaat Mr. Grimwig ook met vurigen ijver
planten, visschen en timmeren; hij doet alles op een zonderlinge,
origineele manier, maar houdt steeds zijn geliefkoosde verzekering vol,
dat zijn methode de rechte is.--Zondags laat hij nooit na, de preek
van den jongen geestelijke in diens gezicht te becritiseeren, om later
aan dokter Losberne in diep vertrouwen te zeggen, dat hij de preek
uitstekend vond, maar het beter oordeelde, dit niet te zeggen. Het
is een vaste en zeer geliefkoosde grap van den heer Brownlow, hem te
bespotten om zijn vroegere voorspelling aangaande Oliver en hem te
herinneren aan den avond, toen zij met het horloge tusschen hen in zijn
terugkomst zaten af te wachten; maar Mr. Grimwig houdt vol, dat hij in
de hoofdzaak toch gelijk had en merkt ten bewijze daarvan op, dat Oliver
ten slotte _niet terugkwam_, waarop altijd een lach van zijn kant volgt,
die hem in het beste humeur ter wereld brengt.
Mr. Noah Claypole, door de kroon begenadigd, omdat hij als getuige
tegen Fagin was toegelaten, vond zijn vak toch niet zoo veilig als
hij wel wenschte en zocht eenigen tijd naar een bestaan, dat niet te
veel werk meebracht. Na eenige beraadslaging koos hij het beroep van
stillen verklikker, in welk vak hij zich een aardig bestaan weet te
verzekeren. Zijn wijze van werken is, eens per week gedurende kerktijd
met Charlotte, beiden zeer fatsoenlijk gekleed, uit te gaan. De dame
valt flauw voor de deur van een menschlievenden herbergier, de mijnheer
krijgt voor drie pence brandewijn om haar bij te brengen, geeft den
herbergier den volgenden dag aan en steekt de helft van de boete in zijn
zak. Soms valt Mr. Claypole zelf flauw, maar het resultaat is hetzelfde.
Mr. Bumble en zijn vrouw, uit hun betrekking ontslagen, verzonken
langzamerhand tot groote armoede en ellende en werden eindelijk in
hetzelfde armhuis opgenomen, waar zij eenmaal over anderen gebaasd
hadden. Men heeft Mr. Bumble hooren zeggen, dat hij in zijn tegenspoed
en vernedering zelfs niet blij kon zijn, van zijn vrouw te zijn
gescheiden.
Wat Mr. Giles en Brittles betreft, zij blijven nog in hun oude
betrekking, ofschoon de eerste kaal is geworden en de laatste heelemaal
grijs. Zij slapen in de pastorie, maar verdeelen hun diensten zóó
gelijkelijk onder de bewoners hier en Oliver en Mr. Brownlow en dokter
Losberne, dat de dorpsbewoners tot op den huidigen dag nog niet hebben
kunnen ontdekken, in welk huis zij nu eigenlijk behooren.
Charles Bates, ontzet over de misdaad van Sikes, begon er over na te
denken, of een eerlijk bestaan ten slotte toch niet het beste was. Toen
hij tot de conclusie kwam, dat dit werkelijk het geval was, keerde hij
het verleden den rug toe, besloten het door nieuwe werkzaamheid uit te
wisschen.
Hij streed eerlijk en had veel te verduren den eersten tijd, doch daar
hij een opgewekten aard bezat en een goed doel najoeg, slaagde hij ten
slotte; nadat hij boerenknecht en voermansjongen was geweest, is hij nu
de vroolijkste jonge veefokker in heel Northamptonshire.
De hand, die deze woorden neerschreef, beeft, nu het einde van haar taak
nadert; gaarne zou zij den draad van deze avonturen nog wat verder
spinnen.
Zoo gaarne zou ik nog wat vertoeven bij enkelen van hen, onder wie ik
mij zoo langen tijd heb bewogen en in hun geluk deelen door te trachten
het af te malen.
Ik zou Rose Maylie willen schetsen als bloeiende, bekoorlijke jonge
vrouw, zacht en vriendelijk licht verspreidend op haar stille levenspad,
licht, dat afstraalde op allen, die met haar dat pad bewandelden en hun
tot in het hart scheen. Ik zou het leven en de vreugd willen schilderen
van den kring om den haard en van de vroolijke zomergroep; ik zou haar
in den middag willen volgen door de warme velden en den zachten klank
van haar lieve stem beluisteren op de avondwandeling in den maneschijn;
ik zou haar willen zien bij al de goedheid en liefdadigheid buitenshuis
en de glimlachende, onvermoeide vervulling der huiselijke plichten
binnenshuis; ik zou haar en den zoon van haar gestorven zuster willen
teekenen, gelukkig in hun liefde voor elkander en heele uren bezig, zich
de bloedverwanten voor te stellen, die zij op zoo droeve wijze verloren
hadden; ik zou mij nog eens de vroolijke gezichtjes voor den geest
willen halen, die om haar knieën drongen en luisteren naar hun blij
gebabbel; ik zou de tonen van dien helderen lach in mijn geheugen
willen roepen en de traan van medegevoel, die in zachte blauwe oogen
glinsterde, vast willen houden. Deze en duizend blikken en glimlachjes
en gedachten en woorden--ik zou ze gaarne alle weergeven.
Hoe de heer Brownlow dagelijks voortging, den geest van zijn aangenomen
zoon met kennis te verrijken en meer en meer aan hem gehecht raakte,
terwijl zijn karakter zich ontwikkelde en toonde hoe het zaad, dat
hij in hem gezaaid had, wortel schoot--hoe hij in hem telkens nieuwe
trekken ontdekte van zijn vroegeren vriend, die in zijn eigen hart
oude herinneringen wekten, droeve en toch liefelijke, troostende
herinneringen--hoe de beide weezen, door tegenspoed beproefd, de lessen
van dien tegenspoed herdenken door barmhartigheid jegens anderen en
onderlinge liefde en vurigen dank aan Hem, die hen had beschermd en
behouden,--dit alles zijn zaken, die niet verteld behoeven te worden. Ik
heb al gezegd, dat zij waarlijk gelukkig waren; en zonder innige liefde,
menschlievendheid en dankbaarheid aan dat Wezen, wiens weg Genade is en
wiens eerste eigenschap is Barmhartigheid jegens alles wat ademhaalt,
kan geen geluk bestaan.
Bij het altaar van de oude dorpskerk is een wit marmeren gedenksteen
aangebracht, waarop tot nog toe slechts één woord: »Agnes.« In dat graf
rust geen kist en mogen het vele, vele jaren duren, eer er een andere
naam op wordt gegrift! Doch, als de geesten der gestorvenen ooit op de
aarde terugkeeren om de plaatsen te bezoeken, gewijd door de liefde van
hen, die zij in het leven liefhadden--door liefde, die verder reikt dan
het graf--dan geloof ik, dat de schim van Agnes soms om dat stille
hoekje heendwaalt. En ik geloof het niet minder, nu dat hoekje in een
kerk is en zij een zwakke was die gedoold heeft.