HOOFDSTUK LIII.

Het laatste.

De lotgevallen van hen, die in dit verhaal een plaats hebben ingenomen,

loopen ten einde. Het weinige dat den geschiedschrijver te boeken

overblijft, kan in enkele eenvoudige woorden verteld worden.

Eer het drie maanden verder was, waren Rose Fleming en Harry Maylie

getrouwd in de dorpskerk, waarin de jonge geestelijke voortaan zijn

arbeidsveld zou vinden; denzelfden dag betrokken zij hun nieuw, gelukkig

tehuis.

Mevrouw Maylie nam haar intrek bij haar zoon en haar schoondochter, om

gedurende de kalme dagen die haar nog restten, het grootste geluk te

genieten dat een waardigen ouderdom geschonken kan worden--het bijwonen

van het geluk van hen aan wie in een welbesteed leven de warmste liefde

en teederheid zonder ophouden werden gegeven.

Na nauwkeurig onderzoek bleek, dat wanneer het overschot van het

vermogen dat op Monks' naam stond, (en dat noch in zijn handen, noch

in die van zijn moeder was aangegroeid) gelijkelijk verdeeld werd

tusschen hem en Oliver, aan ieder niet veel meer dan drieduizend pond

zou toebedeeld worden. Als de voorwaarden van zijn vaders testament

uitgevoerd waren, zou Oliver het geheel hebben gekregen, maar de heer

Brownlow, die niet gaarne den oudsten zoon de gelegenheid wilde ontnemen

afstand te doen van zijn vroegere ondeugden en een eerlijk leven te

beginnen, stelde deze wijze van verdeeling voor, waarmee zijn jonge

beschermeling gaarne instemde.

Monks, die zijn aangenomen naam bleef dragen, vertrok met zijn deel

naar een afgelegen oord van de Nieuwe Wereld; nadat zijn geld spoedig

verteerd was, verviel hij weer in zijn oude praktijken, onderging

tengevolge van een nieuwe oplichterij en schurkerij een langdurige

gevangenisstraf, kreeg ten slotte een hevigen aanval van zijn oude kwaal

en stierf in de gevangenis. Even ver van huis stierven de voornaamste

leden der bende van zijn vriend Fagin.

De heer Brownlow nam Oliver als zijn zoon aan. Met hem en de oude

huishoudster ging hij binnen een mijl van de pastorie wonen, de

verblijfplaats van zijn liefste vrienden; hiermee vervulde hij den

vurigsten wensch van Oliver's warm oprecht hart en droeg het zijne er

toe bij, een kleinen kring te stichten, waarin iedereen zoo dicht bij 't

volmaakte geluk was als in deze wisselvallige wereld maar mogelijk is.

Spoedig na het huwelijk van de jongelui, keerde de goede oude dokter

naar Chertsey terug; nu hij beroofd was van het gezelschap zijner beste

vrienden, zou hij zeker ontevreden zijn geweest, wanneer zijn aard voor

zulk een gevoel open stond; en hij zou mopperig zijn geworden, als hij

geweten had _hoe_. Gedurende twee of drie maanden stelde hij er zich

tevreden mede, toespelingen te maken op zijn angst, dat hij de lucht

niet goed meer kon verdragen; toen ontdekte hij, dat de streek werkelijk

niet meer zoo goed voor hem was als vroeger, droeg zijn practijk aan

zijn assistent over, huurde een landhuisje bij het dorp, waar zijn jonge

vriend predikant was en was dadelijk weer de oude. Hier legde hij zich

toe op tuinieren, planten, visschen, timmeren en verschillende andere

soortgelijke bezigheden, waarop hij met zijn gewone voortvarendheid

aanviel; in elk daarvan is hij sedert dien tijd in den omtrek als een

groote autoriteit beroemd geworden.

Vóór zijn verhuizing had hij innige vriendschap opgevat voor Mr.

Grimwig, vriendschap, die door dien excentrieken heer beantwoord werd.

Dientengevolge wordt hij vele keeren in het jaar door Mr. Grimwig

bezocht. Bij al die gelegenheden gaat Mr. Grimwig ook met vurigen ijver

planten, visschen en timmeren; hij doet alles op een zonderlinge,

origineele manier, maar houdt steeds zijn geliefkoosde verzekering vol,

dat zijn methode de rechte is.--Zondags laat hij nooit na, de preek

van den jongen geestelijke in diens gezicht te becritiseeren, om later

aan dokter Losberne in diep vertrouwen te zeggen, dat hij de preek

uitstekend vond, maar het beter oordeelde, dit niet te zeggen. Het

is een vaste en zeer geliefkoosde grap van den heer Brownlow, hem te

bespotten om zijn vroegere voorspelling aangaande Oliver en hem te

herinneren aan den avond, toen zij met het horloge tusschen hen in zijn

terugkomst zaten af te wachten; maar Mr. Grimwig houdt vol, dat hij in

de hoofdzaak toch gelijk had en merkt ten bewijze daarvan op, dat Oliver

ten slotte _niet terugkwam_, waarop altijd een lach van zijn kant volgt,

die hem in het beste humeur ter wereld brengt.

Mr. Noah Claypole, door de kroon begenadigd, omdat hij als getuige

tegen Fagin was toegelaten, vond zijn vak toch niet zoo veilig als

hij wel wenschte en zocht eenigen tijd naar een bestaan, dat niet te

veel werk meebracht. Na eenige beraadslaging koos hij het beroep van

stillen verklikker, in welk vak hij zich een aardig bestaan weet te

verzekeren. Zijn wijze van werken is, eens per week gedurende kerktijd

met Charlotte, beiden zeer fatsoenlijk gekleed, uit te gaan. De dame

valt flauw voor de deur van een menschlievenden herbergier, de mijnheer

krijgt voor drie pence brandewijn om haar bij te brengen, geeft den

herbergier den volgenden dag aan en steekt de helft van de boete in zijn

zak. Soms valt Mr. Claypole zelf flauw, maar het resultaat is hetzelfde.

Mr. Bumble en zijn vrouw, uit hun betrekking ontslagen, verzonken

langzamerhand tot groote armoede en ellende en werden eindelijk in

hetzelfde armhuis opgenomen, waar zij eenmaal over anderen gebaasd

hadden. Men heeft Mr. Bumble hooren zeggen, dat hij in zijn tegenspoed

en vernedering zelfs niet blij kon zijn, van zijn vrouw te zijn

gescheiden.

Wat Mr. Giles en Brittles betreft, zij blijven nog in hun oude

betrekking, ofschoon de eerste kaal is geworden en de laatste heelemaal

grijs. Zij slapen in de pastorie, maar verdeelen hun diensten zóó

gelijkelijk onder de bewoners hier en Oliver en Mr. Brownlow en dokter

Losberne, dat de dorpsbewoners tot op den huidigen dag nog niet hebben

kunnen ontdekken, in welk huis zij nu eigenlijk behooren.

Charles Bates, ontzet over de misdaad van Sikes, begon er over na te

denken, of een eerlijk bestaan ten slotte toch niet het beste was. Toen

hij tot de conclusie kwam, dat dit werkelijk het geval was, keerde hij

het verleden den rug toe, besloten het door nieuwe werkzaamheid uit te

wisschen.

Hij streed eerlijk en had veel te verduren den eersten tijd, doch daar

hij een opgewekten aard bezat en een goed doel najoeg, slaagde hij ten

slotte; nadat hij boerenknecht en voermansjongen was geweest, is hij nu

de vroolijkste jonge veefokker in heel Northamptonshire.

De hand, die deze woorden neerschreef, beeft, nu het einde van haar taak

nadert; gaarne zou zij den draad van deze avonturen nog wat verder

spinnen.

Zoo gaarne zou ik nog wat vertoeven bij enkelen van hen, onder wie ik

mij zoo langen tijd heb bewogen en in hun geluk deelen door te trachten

het af te malen.

Ik zou Rose Maylie willen schetsen als bloeiende, bekoorlijke jonge

vrouw, zacht en vriendelijk licht verspreidend op haar stille levenspad,

licht, dat afstraalde op allen, die met haar dat pad bewandelden en hun

tot in het hart scheen. Ik zou het leven en de vreugd willen schilderen

van den kring om den haard en van de vroolijke zomergroep; ik zou haar

in den middag willen volgen door de warme velden en den zachten klank

van haar lieve stem beluisteren op de avondwandeling in den maneschijn;

ik zou haar willen zien bij al de goedheid en liefdadigheid buitenshuis

en de glimlachende, onvermoeide vervulling der huiselijke plichten

binnenshuis; ik zou haar en den zoon van haar gestorven zuster willen

teekenen, gelukkig in hun liefde voor elkander en heele uren bezig, zich

de bloedverwanten voor te stellen, die zij op zoo droeve wijze verloren

hadden; ik zou mij nog eens de vroolijke gezichtjes voor den geest

willen halen, die om haar knieën drongen en luisteren naar hun blij

gebabbel; ik zou de tonen van dien helderen lach in mijn geheugen

willen roepen en de traan van medegevoel, die in zachte blauwe oogen

glinsterde, vast willen houden. Deze en duizend blikken en glimlachjes

en gedachten en woorden--ik zou ze gaarne alle weergeven.

Hoe de heer Brownlow dagelijks voortging, den geest van zijn aangenomen

zoon met kennis te verrijken en meer en meer aan hem gehecht raakte,

terwijl zijn karakter zich ontwikkelde en toonde hoe het zaad, dat

hij in hem gezaaid had, wortel schoot--hoe hij in hem telkens nieuwe

trekken ontdekte van zijn vroegeren vriend, die in zijn eigen hart

oude herinneringen wekten, droeve en toch liefelijke, troostende

herinneringen--hoe de beide weezen, door tegenspoed beproefd, de lessen

van dien tegenspoed herdenken door barmhartigheid jegens anderen en

onderlinge liefde en vurigen dank aan Hem, die hen had beschermd en

behouden,--dit alles zijn zaken, die niet verteld behoeven te worden. Ik

heb al gezegd, dat zij waarlijk gelukkig waren; en zonder innige liefde,

menschlievendheid en dankbaarheid aan dat Wezen, wiens weg Genade is en

wiens eerste eigenschap is Barmhartigheid jegens alles wat ademhaalt,

kan geen geluk bestaan.

Bij het altaar van de oude dorpskerk is een wit marmeren gedenksteen

aangebracht, waarop tot nog toe slechts één woord: »Agnes.« In dat graf

rust geen kist en mogen het vele, vele jaren duren, eer er een andere

naam op wordt gegrift! Doch, als de geesten der gestorvenen ooit op de

aarde terugkeeren om de plaatsen te bezoeken, gewijd door de liefde van

hen, die zij in het leven liefhadden--door liefde, die verder reikt dan

het graf--dan geloof ik, dat de schim van Agnes soms om dat stille

hoekje heendwaalt. En ik geloof het niet minder, nu dat hoekje in een

kerk is en zij een zwakke was die gedoold heeft.

De avonturen van Oliver Twist · 第 113 / 118 题