De laatste nacht van Fagin's leven.
Het gerechtshof was van boven tot beneden met menschengezichten als
geplaveid. Vragende, nieuwsgierige oogen gluurden uit elke duim ruimte.
Vanaf het hekje vóór de kooi der beschuldigden, tot in het verste punt
van het kleinste hoekje der galerijen, waren aller blikken gericht op
één man--Fagin. Voor en achter hem--boven, beneden, rechts en links,
scheen hij omgeven te zijn door een firmament, dat aan alle kanten
schitterde van heldere oogen.
In dien glans van levend licht stond hij met de ééne hand op de houten
balustrade vóór hem, de andere aan zijn oor en zijn hoofd naar voren
gebogen, om beter elk woord op te vangen, dat door den voorzitter der
rechtbank, die zijn aanklacht voor de jury indiende, werd gesproken. Van
tijd tot tijd wendde hij zijn oogen met scherpen blik naar de jury om
het kleinste vederlichte gunstige teeken waar te nemen; toen de punten
der beschuldiging met verschrikkelijke duidelijkheid werden vastgesteld,
keek hij naar zijn advocaat, met de stomme bede, dat deze tenminste iets
ten zijnen gunste zou zeggen. Behalve deze teekenen van vrees, bewoog
hij hand noch voet. Sedert de zitting begon, had hij nauwelijks eenige
beweging gemaakt en nu de rechter ophield met spreken, bleef hij nog in
dezelfde strakke houding van gespannen aandacht met zijn starenden blik
op hem gericht, alsof hij nog luisterde.
Een licht gedruisch in het hof bracht hem tot zichzelf.
Toen hij om zich heen keek, zag hij, hoe de juryleden de hoofden bijeen
staken om over hun uitspraak te beraadslagen. Toen zijn oogen naar de
galerijen dwaalden, kon hij de menschen zich over elkaar heen zien
buigen om zijn gezicht te zien--sommigen richtten haastig hun kijkers
op hem--en anderen fluisterden met een uitdrukking van afschuw op hun
gezicht hunne buren iets in. Enkelen schenen niet op hem te letten en
keken alleen naar de juryleden, in ongeduldige verwondering, hoe zij
nog konden aarzelen. Maar op geen enkel gezicht--zelfs niet onder de
vrouwen, die er in grooten getale waren--kon hij ook maar het geringste
medegevoel voor hemzelf lezen, of eenig ander gevoel dan een alles
overheerschend verlangen hem te zien veroordeelen.
Terwijl hij dat alles in één verbijsterenden blik opnam, werd het
opnieuw doodelijk stil en toen hij omkeek, zag hij, dat de juryleden
zich tot den rechter hadden gewend. Stil!
Zij vroegen alleen verlof zich terug te trekken.
Toen zij voorbijgingen om heen te gaan, keek hij hen één voor één strak
in het gezicht, als om te zien tot welk oordeel het meerendeel neigde;
maar tevergeefs. De gevangenbewaarder tikte hem op den schouder. Hij
volgde werktuigelijk naar den hoek van de kooi en ging op een stoel
zitten. De man wees hem dien aan; anders zou hij hem niet gezien hebben.
Weer keek hij op naar de galerij. Sommigen van de toehoorders zaten te
eten, anderen wuifden zich koelte toe met hunne zakdoeken, want het was
stikheet in de menschenvolte. Een jonge man schetste het gezicht van den
beschuldigde in een opschrijfboekje. Fagin dacht er over of het lijken
zou, en keek er naar hoe de teekenaar de punt van zijn potlood afbrak
en met zijn mes een nieuwe maakte, zooals een toeschouwer, die er niets
mee te maken had, zou kunnen doen.
Op dezelfde wijze begon zijn geest, toen hij zijn oogen opnieuw naar
den rechter wendde, zich bezig te houden met de snit van diens jas en
hoeveel die gekost zou hebben en hoe hij die moest aantrekken. Bij de
rechtbank was een oude dikke heer, die een half uur te voren weg was
gegaan en nu terugkwam. Fagin vroeg zich af, of deze man misschien
was gaan eten, wat hij gegeten had en waar; hij vervolgde deze
onverschillige gedachten, tot dat een nieuw voorwerp zijn aandacht trok
en weer nieuwe dergelijke gedachten wekte.
Niet dat zijn geest al dezen tijd ook maar een oogenblik bevrijd was van
het drukkende, overweldigende besef, dat het graf zich voor zijn voeten
had geopend; dit bewustzijn bleef hem voortdurend bij als een vaag
algemeen iets, waarop hij zijn gedachten niet kon vestigen. Zoo kwam hij
er toe, terwijl hij beefde en gloeide bij het idee van den naderenden
dood, de ijzeren spijlen vóór hem te gaan tellen en zich af te vragen,
hoe de punt van die ééne afgebroken zou zijn en of die gemaakt zou
worden of zoo maar gelaten. Toen dacht hij aan al de verschrikkingen
van de galg en het schavot--en keek naar een man, die water op den
vloer sprenkelde tegen de hitte--en ging toen weer door met denken.
Eindelijk werd er om stilte geroepen en allen keken ademloos naar
de deur. De jury kwam weer binnen en ging vlak langs hem heen.
Hij kon niets op hunne gezichten lezen; ze konden evengoed van
steen zijn geweest. Doodsche stilte heerschte--geen gerucht--geen
ademtocht--Schuldig.
Het gebouw daverde door een geweldigen kreet en nog één en nog één,
buiten antwoordde een diep gegrom dat aangroeide en wegstierf als
rollende donder.
Dit was een vreugdekreet van het volk buiten, waarmee de tijding
begroet werd, dat Fagin den volgenden maandag zou sterven.
Het rumoer bedaarde en men vroeg Fagin of hij iets te zeggen had, dat
het doodvonnis zou kunnen opschorten.
Hij had zijn luisterende houding weer aangenomen en keek den ondervrager
strak aan, terwijl deze de vraag deed; maar ze werd tweemaal herhaald
eer hij ze scheen te verstaan, en toen mompelde hij slechts, dat hij een
oud man was--een oud man--een oud man--en ging van gefluister tot stilte
over.
De rechter zette de zwarte kap op en de gevangene stond nog in dezelfde
houding. De verschrikkelijke plechtigheid van het oogenblik deed een
vrouw op de galerij een kreet uiten; Fagin keek haastig op als geërgerd
door de stoornis en boog zich nog oplettender voorover. De toespraak was
plechtig en aangrijpend, het vonnis vreeselijk om te hooren. Maar hij
stond daar als een marmeren beeld, zonder één spier te vertrekken. Zijn
ingevallen gezicht was steeds voorovergebogen, zijn onderkaak hing naar
beneden en zijn oogen staarden voor zich uit, toen de gevangenbewaarder
de hand op zijn arm legde om hem weg te brengen. Hij staarde hem een
oogenblik als versuft aan en gehoorzaamde.
Zij brachten hem door een gepleisterd vertrek onder de gerechtszaal,
waar eenige gevangenen zaten te wachten tot hun beurt kwam en anderen
spraken met de bezoekers, die samenhoopten vóór een hek, dat op de
binnenplaats uitzag. Er was niemand om met _hem_ te spreken; maar toen
hij voorbijging, gingen de gevangenen achteruit om hem beter te doen
zien door de menschen, die zich tegen het hek aandrukten; zij ontvingen
hem met scheldwoorden, geschreeuw en gesis. Hij balde zijn vuist en
wilde naar hen spuwen, maar zijn geleiders trokken hem voort door een
sombere gang, met enkele flauwe lampen verlicht, naar het
middengedeelte van de gevangenis.
[Illustratie: HIJ GING OP EEN STEENEN BANK ZITTEN, IN DE CEL.]
Hier werd hij gefouilleerd, om zeker te zijn dat hij niets bij zich had
dat de werking van het gerecht kon voorkomen; nadat dit afgeloopen was,
brachten zij hem naar een der cellen voor veroordeelden en lieten hem
daar alleen.
Hij ging tegenover de deur op een steenen bank zitten, die tot zit- en
slaapplaats diende; hij sloeg zijn met bloed beloopen oogen naar den
grond en trachtte zijn gedachten te verzamelen. Na een poosje begon hij
zich enkele onsamenhangende gedeelten van wat de rechter gezegd had, te
herinneren, ofschoon het hem in de rechtzaal had toegeschenen, dat hij
geen woord verstond. Deze fragmenten namen langzamerhand hun juiste
plaats in en riepen allengs andere op, zoodat hij na eenigen tijd het
geheel, zooals het was uitgesproken, in zijn hoofd had. Opgehangen te
worden aan den hals tot de dood er op volgde--dat was het einde.
Opgehangen tot hij dood was.
Terwijl het donkerder werd, begon hij te denken aan alle mannen die hij
gekend had en die op het schavot waren gestorven: sommigen door zijn
toedoen. Zij rezen op voor zijn geest, zoo snel achter elkaar, dat hij
ze nauwelijks tellen kon. Hij had enkelen van hen zien sterven en had
nog grappen gemaakt, omdat zij stierven met een gebed op hunne lippen.
Met wat een ratelend geluid viel het luik onder hen neer en hoe
plotseling veranderden zij van sterke kloeke mannen in een schommelenden
hoop kleeren.
Sommigen van hen hadden misschien dezelfde cel bewoond--hadden op
dezelfde plek gezeten. Het was stikdonker; waarom werd er geen licht
gebracht? De cel was vele jaren tevoren gebouwd. Honderden menschen
moesten hier hun laatste uren doorgebracht hebben. Het was alsof hij in
een grafgewelf zat met lijken om hem heen--de kap, de strop, de gebonden
armen, de gezichten, die hij kende, zelfs onder dien afschuwelijken
sluier.--Licht, licht!
Eindelijk, toen hij zijn handen wond had geslagen tegen de zware deur
en de muren, kwamen twee mannen binnen, de één met een kaars, die hij in
een ijzeren houder tegen den muur zette, de ander een matras achter zich
aan sleepend om den nacht op door te brengen; want de gevangene mocht
niet meer alleen worden gelaten.
Toen kwam de nacht--donkere, sombere, stille nacht. Anderen, die waken,
zijn verheugd, wanneer zij de kerkklok hooren slaan, want elk uur brengt
den dag nader. Aan Fagin brachten de klokken niets dan wanhoop. De
slag van elke ijzeren klok was geladen met dien éénen diepen, hollen
klank--Dood. Wat baatten hem de drukte en het rumoer van den blijden
morgen, dat zelfs tot hier doordrong? Het was doodsgelui in een anderen
vorm, dat hoon voegde bij de waarschuwing.
De dag ging voorbij. Dag! Er was geen dag; hij was even gauw verdwenen
als verschenen--en weer werd het nacht; de nacht, zoo lang en toch zoo
kort; lang door zijn vreeselijke stilte en kort door het vluchtige der
uren. Het ééne oogenblik tierde en vloekte hij, het volgende huilde hij
en trok zich de haren uit het hoofd. Eerbiedwaardige mannen van zijn
eigen geloof waren bij hem gekomen om met hem te bidden, maar hij had ze
met vloeken weggejaagd. Zij hernieuwden hun menschlievende pogingen, en
hij sloeg hen weg.
Zaterdagnacht. Hij had nog maar één nacht te leven. En terwijl hij hier
aan dacht, brak de dag aan--Zondag.
Eerst in den avond van dezen laatsten verschrikkelijken dag kwam het
pijnigende bewustzijn van zijn hulpeloozen, wanhopigen toestand met
volle kracht over zijn verdorven ziel; niet dat hij ooit eenige bepaalde
of vaste hoop op begenadiging had behouden, maar hij was tot nu toe
niet in staat geweest, zijn nabijen dood anders dan als een vage
waarschijnlijkheid te beschouwen. Hij had weinig gesproken met de beide
mannen, die elkander aflosten bij zijn bewaking, en zij, van hun kant,
deden geen moeite zijn aandacht te trekken. Hij had daar gezeten,
wakker, maar droomend. Nu sprong hij elke minuut op en holde met
wijdgesperden mond en brandende huid heen en weer in zulk een paroxisme
van angst en woede, dat zelfs zij, die aan zulke schouwspelen gewend
waren, ontzet voor hem terugweken.
Eindelijk werd hij zóó verschrikkelijk door de folteringen van zijn
slechte geweten, dat één man alleen het niet kon uithouden, hier te
zitten en het aan te zien; dus bleven de twee te zamen waken.
Hij hurkte neer op zijn steenen leger en dacht aan het verleden. Op
den dag van zijn gevangenneming was hij gewond door steenworpen uit de
menigte en zijn hoofd was nog met een linnen doek omwonden. Zijn roode
haar hing om zijn bloedeloos gezicht, zijn baard was half uitgerukt en
in knoopen verward, in zijn oogen blonk een verschrikkelijk vuur, zijn
ongewasschen huid kraakte door den koortsgloed, die hem innerlijk
verteerde. Acht--negen--tien. Als het geen valstrik was om hem schrik
aan te jagen en de uren kwamen werkelijk zoo dicht achter elkander aan,
waar zou hij dan zijn, als zij weer rond waren geweest! Elf. Eer nog de
klank van het vorige uur was gestorven, sloeg reeds een nieuw.
Om acht uur zou hij de eenige rouwdrager zijn bij zijn eigen begrafenis;
om elf uur--
De vreeselijke muren van Newgate, waarbinnen zich zooveel ellende en
zooveel onuitsprekelijke angst hadden verborgen, niet alleen voor de
oogen, doch maar al te dikwijls en al te lang voor de gedachten der
menschen daarbuiten, hadden nooit zulk een verschrikkelijk schouwspel
gezien als dit. De weinigen die onder het voorbijgaan bleven toeven en
zich afvroegen, wat de man deed, die morgen opgehangen zou worden,
zouden dien nacht slecht geslapen hebben, als zij hem hadden kunnen
zien.
Van vroeg in den morgen af tot bijna middernacht toe, kwamen kleine
groepjes van twee of drie menschen bij den concierge en vroegen met
spanning op hunne gezichten, of er eenig uitstel was verleend. Het
ontkennende antwoord werd als welkome tijding aan de troepen menschen
op de straat overgebracht; men wees elkaar de deur, waardoor hij naar
buiten moest komen, en de plek waar het schavot opgericht zou worden en
na met aarzelende stappen heen te zijn gegaan, keerde men weer terug om
zich het tooneel van de terechtstelling voor te stellen. Langzamerhand
gingen zij één voor één heen; en een uur lang was de straat in het
midden van den nacht overgelaten aan stilte en duisternis.
Het plein vóór de gevangenis was leeggeruimd en eenige sterke
zwartgeverfde slagboomen waren reeds over de straat geworpen om de
opdringende menigte tegen te houden, toen de heer Brownlow en Oliver
voor de poort verschenen en een bewijs vertoonden om tot den gevangene
te worden toegelaten, geteekend door één der sheriffs. Zij werden
dadelijk bij den concierge toegelaten.
»Moet de jongeheer ook mee, meneer?« vroeg de man, wiens taak het was,
hen te geleiden. »'t Is geen geschikt schouwspel voor kinderen, meneer.«
»Dat is 't ook niet, goeie vriend,« gaf de heer Brownlow toe, »maar de
zaak, die ik met den gevangene heb te bespreken, staat met dezen jongen
in het nauwste verband, en daar het kind hem gezien heeft midden in zijn
geluk en zijn schurkerij, oordeel ik het goed--al kost het wat pijn en
angst--dat hij hem nu ook ziet.«
Deze woorden werden ter zijde gesproken, zoodat Oliver ze niet
kon hooren. De man tikte tegen zijn hoed, keek Oliver met eenige
nieuwsgierigheid aan en ontsloot een deur tegenover die, waardoor zij
binnen waren gekomen; door donkere kronkelende gangen bracht hij hen
naar de cellen.
»Hier,« zei de man en bleef staan in een donkere gang, waar twee
werklieden in diepe stilte bezig waren--»hier komt hij langs. Als u
dezen kant uitgaat, kunt u de deur zien, waardoor hij naar buiten komt.«
Hij bracht hen in een steenen keuken, waar allerlei koperen gereedschap
stond om 't voedsel voor de gevangenen te bereiden en wees naar
een deur. Er boven was een open traliewerk, waardoor de klank van
mannenstemmen naar buiten kwam, vermengd met het geluid van gehamer en
het gooien van balken. Ze waren bezig het schavot op te richten.
Van hier kwamen zij door verscheidene sterke deuren, die van binnen door
andere cipiers geopend werden; na over een open binnenplaats gegaan te
zijn beklommen zij een nauw trapje en kwamen in een gang met aan den
linkerkant een rij sterke deuren. De cipier wenkte hen te blijven staan,
waar zij waren en klopte met een sleutelbos op één der deuren. De twee
wachters kwamen, na een oogenblik gefluisterd te hebben, in de gang,
rekten zich uit, alsof ze blij waren met het oogenblik van vrijheid en
wenkten de bezoekers, den cipier in de cel te volgen. Dit deden zij.
De veroordeelde zat op zijn bank en wiegde zich heen en weer met een
gezicht, dat meer geleek op dat van een opgesloten dier dan van een
mensch. Blijkbaar vertoefde zijn geest bij zijn oude leven, want hij
ging voort te mompelen, zonder zich van hun komst anders bewust te
worden dan als deel van zijn verbeeldingsspel.
»Goed Charley--goed gedaan,« murmelde hij.
»Oliver ook, ha! ha! ha! Oliver ook--je bent nou een
jongeheer--een--Breng de jongen naar bed!«
De cipier nam Oliver's vrije hand, fluisterde hem in, niet bang te zijn
en bleef Fagin zwijgend aankijken.
»Breng hem naar bed!« riep Fagin. »Hooren jullie niet? Hij is
de--de--ja, hij is de schuld van alles. 't Is het geld wel waard, hem er
toe te krijgen--Bolter's strot, Bill; laat de meid met rust--Bolter's
strot zoo diep als je kan. Zaag zijn hoofd af!«
»Fagin,« zei de cipier.
»Die ben ik!« riep Fagin en verviel terstond weer in de luisterende
houding, die hij voor de rechtbank had aangenomen. »Een oude man, mijne
heeren; een heel oude, oude man!«
»Hier,« zei de cipier en legde hem de hand op de borst om hem neer te
houden. »Hier is iemand, die je spreken wil, en je een paar vragen wil
doen, denk ik. Fagin, Fagin! Ben jij een man?«
»Ik zal er niet lang meer één zijn,« antwoordde hij en keek op met een
gezicht, waarop geen andere menschelijke gevoelens te lezen waren dan
woede en schrik. »Sla ze allemaal dood! Wat voor recht hebben ze, mij te
slachten?«
Onder het spreken kreeg hij Oliver en Mr. Brownlow in 't oog. Naar den
versten hoek van de bank terugwijkend, vroeg hij, wat zij hier kwamen
doen.
»Kalm,« zei de cipier, hem neerdrukkend. »Nu mijnheer, zeg hem wat u
verlangt. En wilt u alsjeblieft voortmaken, want hij wordt hoe langer
hoe erger.«
»U hebt eenige papieren,« zei de heer Brownlow, naar voren komend, »die
u voor veiligheid in handen werden gegeven door een zekeren Monks.«
»'t Is alles gelogen,« antwoordde Fagin. »Ik heb er geen één--geen één.«
»In den naam van God,« zei de heer Brownlow op plechtigen toon, »zeg
dat niet, nu ge op den rand van het graf staat, maar zeg me waar ze
zijn. Je weet, dat Sikes dood is, dat Monks bekend heeft, dat er geen
hoop meer is iets te winnen. Waar zijn die papieren?«
»Oliver,« riep Fagin, tot hem gewend. »Hier! Laat mij het jou
influisteren.«
»Ik ben niet bang,« zeide Oliver zacht, terwijl hij de hand van Mr.
Brownlow losliet.
»De papieren,« zei Fagin, terwijl hij Oliver naar zich toe trok, »zitten
in een linnen zak in een gat van den schoorsteen op de bovenste
voorkamer. Ik wil je spreken, jongenlief. Ik wil je spreken.«
»Ja, ja,« zei Oliver. »Laat mij een gebed doen. Toe! Laat mij één gebed
doen. Bid maar één keer met me op uw knieën en dan praten wij tot aan
den morgen.«
»Naar buiten! Naar buiten!« antwoordde Fagin, duwde den jongen naar de
deur en keek met vagen blik over zijn hoofd heen. »Zeg, dat ik in slaap
ben gevallen--_jou_ zullen ze gelooven. Je kan me naar buiten krijgen,
als je mij zoo meeneemt. Toe dan, toe dan!«
»O! God vergeve dezen ongelukkigen man!« riep de jongen, in tranen
uitbarstend.
»Goed zoo, goed zoo,« zei Fagin. »Zoo komen we er. Eerst deze deur. Ik
zal wel beven als we voorbij de galg komen, daar moet je niet op letten,
maar doorloopen. Nou! nou! nou!«
»Heeft u hem niets anders te vragen, mijnheer?« vroeg de cipier.
»Te vragen niet,« antwoordde de heer Brownlow. »Als ik mocht hopen, hem
tot het besef van zijn toestand te brengen--«
»Dat lukt toch niet, mijnheer,« hernam de man hoofdschuddend. »U moest
nu maar liever heengaan.«
De celdeur ging open en de wachters kwamen terug.
»Vooruit, vooruit!« riep Fagin. »Zachtjes, maar niet zoo langzaam.
Vlugger! Vlugger!«
De mannen grepen hem, bevrijdden Oliver uit zijn greep en hielden hem
terug. Een oogenblik worstelde hij met de kracht der wanhoop en stootte
toen kreten uit, die zelfs door de dikke gevangenismuren heendrongen en
hun in de ooren bleven klinken, tot zij op de binnenplaats waren.
Het duurde eenigen tijd eer zij buiten de gevangenis waren. Oliver viel
bijna flauw na dit verschrikkelijke tooneel en was zoo zwak, dat hij wel
een uur lang geen kracht had om te loopen.
Toen zij buiten kwamen, brak de dag aan; reeds had zich een groote
menigte verzameld; de ramen waren vol menschen, die rookten en kaart
speelden om zich den tijd te korten; de menigte drong, kibbelde, lachte.
Alles sprak van leven en bezigheid, behalve een donkere groep van
voorwerpen in het midden--de zwarte stellage, de dwarsbalk, het koord en
al de ontzettende teekenen des doods.