HOOFDSTUK XXVIII.

Houdt zich bezig met Oliver en verhaalt van zijn verdere avonturen.

»Dat de wolven jullie bij je keel hadden,« mompelde Sikes knarsetandend.

»Ik wou, dat ik een paar van jullie tusschen m'n knuisten had, dan zou

je nog harder schreeuwen!«

Terwijl Sikes deze verwensching uitgromde met de beestachtigste

woestheid, waartoe zijn woeste natuur in staat was, liet hij het lichaam

van den gewonden jongen op zijn gebogen knie rusten en keerde een

oogenblik zijn hoofd om, om naar zijn vervolgers te zien.

Door mist en duisternis was er weinig te onderscheiden, maar het luide

geschreeuw van mannen trilde door de lucht en het geblaf van de honden

uit de buurt, wakker geroepen door het gelui van de alarmklok,

weerklonk in alle richtingen.

»Sta! hond met je hazenhart!« schreeuwde de roover Toby Crackit na, die

zijn lange beenen zoo goed mogelijk gebruikte en al een eind vooruit

was. »Sta!«

De herhaling van het woord bracht Toby tot doodelijken stilstand. Want

hij was er niet heelemaal zeker van, dat hij buiten bereik van het

pistoolschot was en Sikes was in een stemming, die niet met zich spotten

liet.

»Help een handje met den jongen,« riep Sikes, met een woedenden wenk aan

zijn kameraad. »Kom terug!«

Toby deed alsof hij omkeerde; maar terwijl hij langzaam nader kwam,

waagde hij met zachte stem, en hijgend naar adem, te kennen te geven,

dat hij 't met grooten tegenzin deed.

»Gauwer!« riep Sikes, terwijl hij den jongen in een droge sloot aan zijn

voeten legde en een pistool uit zijn zak haalde. »Hou me niet voor de

gek!«

Op dit oogenblik groeide het rumoer aan. Toen Sikes opnieuw rondkeek,

kon hij onderscheiden, dat de mannen, die hen achtervolgden, reeds over

het hek klommen van het weiland, waar hij stond en dat twee honden de

mannen een eindje vóór waren.

»'t Is uit, Bill!« riep Toby, »laat 't schaap liggen en maak je uit de

voeten!« Met deze laatste raadgeving maakte Toby Crackit, die liever

kans liep misschien door zijn vriend neergeschoten te worden dan zeker

in handen van zijn vijanden te vallen, rechtsomkeer en snelde weg zoo

hard hij kon.

Sikes knarsetandde; nog eens keek hij om zich heen, gooide de cape,

waarin hij Oliver haastig gewikkeld had, nog verder over het roerlooze

lichaam van den jongen heen, liep--als om de aandacht van zijn

vervolgers af te leiden van de plaats waar de jongen lag, vóór langs de

heg langs, bleef een seconde staan vóór een andere heg, die rechthoekig

op de eerste stond, gooide zijn pistool hoog in de lucht, sprong over de

heg heen en was verdwenen.

»Hé! hé daar!« riep een bevende stem hem na. »Pincher! Neptune! Hier!

Hier!«

De honden, die evenmin als hun meesters met bijzonder veel animo aan de

jacht schenen deel te nemen, gaven dadelijk gehoor aan het bevel. Drie

mannen, die een eindje het weiland op geloopen waren, stonden stil om te

beraadslagen.

»Mijn raad, of liever, mijn bevel is,« zei de dikste van de drie, »dat

wij onmiddellijk weer naar huis gaan.«

»Ik vind alles goed wat Mr. Giles goed vindt,« zei een kleinere man, die

men evenmin slank kon noemen en die heel bleek was in zijn gezicht en

heel beleefd, zooals angstige menschen dikwijls zijn.

»Ik zou niet graag ongemanierd schijnen, heeren,« zei de derde, die de

honden terug had geroepen, »dat weet meneer Giles wel.«

»Zeker,« zei de kleinere, »en wat meneer Giles ook moge zeggen, 't ligt

niet op onzen weg, hem tegen te spreken. Nee, nee, ik ken m'n plaats.

Dank zij mijn gesternte, ik ken m'n plaats.«

Eerlijk gezegd, de man scheen werkelijk zijn plaats te kennen en heel

goed te weten, dat het geen benijdbare was, want onder het spreken

klapperden zijn tanden in zijn mond.

»Je bent bang, Brittles,« zei Mr. Giles.

»Dat's niet waar,« zei Brittles.

»'t Is wel waar,« zei Giles.

»Je bent 'n valschaard, Mr. Giles,« zei Brittles.

»Je bent 'n leugenaar, Brittles,« zei Mr. Giles.

Deze woorden en wederwoorden vonden hun oorsprong in 't verwijt van Mr.

Giles en dit verwijt ontstond uit zijn verontwaardiging, nu de

verantwoordelijkheid voor hun naar huis gaan, hem, onder den dekmantel

van een complimentje, op de schouders werd gelegd. De derde man maakte

op de meest wijsgeerige wijze een einde aan de twist.

»Ik zal jullie zeggen wat 't is, heeren,« zeide hij, »we zijn allemaal

bang.«

»Spreek voor jezelf,« zei Giles, die de bleekste van de drie was.

»Dat doe ik,« antwoordde de ander. »'t Is natuurlijk en fatsoenlijk,

bang te zijn onder zulke omstandigheden. _Ik_ ben bang.«

»Ik ook,« zei Brittles; »alleen is 't niet noodig, 't iemand zoo maar in

zijn gezicht te zeggen.«

Deze gulle bekentenissen stemden Mr. Giles zachter en hij gaf dadelijk

toe, dat hij ook bang was; hierop maakten zij alle drie rechtsomkeer en

holden terug, totdat Mr. Giles, (die 't eerst van de drie buiten adem

raakte en bovendien beladen was met een hooivork), er op stond, even te

rusten en uit te leggen, waarom hij straks zoo haastig gesproken had.

»Maar 't is een wonder,« zei Mr. Giles, toen hij zijn verklaring gegeven

had, »wat een man doen kan als hij driftig is. Ik zou een moord begaan

hebben--waarachtig--als we één van die schavuiten te pakken hadden

gekregen.«

Daar de twee anderen dit gevoelen deelden en daar hun drift, evenals die

van Mr. Giles, nu weer gansch bedaard was, verdiepten zij zich in

vermoedens naar de oorzaak van deze plotselinge verandering in hun

stemming.

»Ik weet waardoor het kwam,« zei Mr. Giles. »'t kwam door het hek.«

»Ja, dat kan wel,« riep Brittles uit, het denkbeeld terstond

aangrijpend.

»Je kunt er van op aan,« zei Giles, »dat dat hek den stroom van onze

drift tegenhield. Terwijl ik er over klom, voelde ik mijn drift

letterlijk zakken.«

Door een merkwaardig toeval hadden de beide anderen op precies hetzelfde

oogenblik het zelfde onaangename gevoel gehad. Er viel daarom niet aan

te twijfelen, dat het door het hek kwam, vooral omdat geen twijfel

mogelijk was aangaande het tijdstip waarop de verandering plaats had:

alle drie toch herinnerden zich, dat zij op datzelfde oogenblik de

dieven in 't oog hadden gekregen.

Dit gesprek werd gevoerd door de twee mannen, die de inbrekers

overvallen hadden en een reizende koperslager, die in een schuurtje

lag te slapen en met zijn twee straathonden opgeroepen was om aan de

vervolging deel te nemen. Mr. Giles vervulde bij de oude dame, die

het huis bewoonde, de dubbele betrekking van bottelier en huisknecht;

Brittles was een duivelstoejager, die, daar hij als kind in zijn

betrekking was gekomen, nog altijd als een veelbelovende jongen werd

behandeld, ofschoon hij de dertig al gepasseerd was.

Elkaar met dergelijke gesprekken bemoedigend, liepen de drie mannen

niettemin heel dicht naast elkander voort en keken angstig om zich heen,

zoo dikwijls een nieuwe windvlaag door de struiken blies; ze haastten

zich naar een boom, waar ze hun lantaren achtergelaten hadden, uit

angst, dat het licht de dieven zou wijzen, in welke richting ze schieten

moesten. Ze grepen het licht en liepen op een flinken draf naar huis;

lang nadat hun schimachtige gestalten niet meer te onderscheiden waren,

kon men het licht zien flikkeren en dansen in de verte, als werd het

voortgebracht door de nevelige sombere atmosfeer, waarin het zich

bewoog.

Terwijl de dag langzaam aanbrak, werd de lucht kouder en de mist rolde

als een dichte rookwolk langs den grond. Het gras was nat; de paden en

laaggelegen plekken waren vol slijk en water en de vochtige adem van

een ongezonden wind trok langzaam, met hol geluid over het land. Nog

altijd lag Oliver roerloos en zonder bewustzijn op de plaats, waar Sikes

hem had achtergelaten.

De morgen kwam nader. De lucht werd scherper en doordringender, toen

de eerste flauwe schijn--'t scheen meer de dood van den nacht dan de

geboorte van een nieuwen dag--zwakjes glom in de lucht. De voorwerpen,

die er in de duisternis somber en angstwekkend hadden uitgezien, werden

al duidelijker zichtbaar en namen langzamerhand hun gewone vormen aan.

Een hevige, dichte regen begon te vallen en kletterde met luid gerucht

op de bladerlooze struiken. Maar Oliver voelde er niets van, dat de

regen op hem neersloeg; hulpeloos en zonder bewustzijn lag hij

uitgestrekt op zijn bed van klei.

Eindelijk werd de heerschende stilte verbroken door een zachten kreet

van pijn; terwijl hij dien kreet uitte, kwam de jongen tot bewustzijn.

Zijn linkerarm, ruwweg in een doek gewikkeld, hing zwaar en onbruikbaar

neer; het verband was doortrokken van bloed. Hij was zoo zwak, dat hij

zich ternauwernood in een zittende houding kon werken; toen het hem

gelukt was, keek hij met flauwe oogen om zich heen om hulp en kreunde

van pijn. Door kou en uitputting over al zijn leden bevend, deed hij een

poging op te staan, maar trillend van het hoofd tot de voeten, viel hij

opnieuw neer.

Nadat hij korten tijd opnieuw in de bewusteloosheid vervallen was,

waarin hij te voren zoo lang verkeerd had, wist Oliver, aangespoord

door een wee gevoel in zijn binnenste, dat hem scheen te waarschuwen,

hoe hij, door hier te blijven liggen, zeker sterven zou, op zijn voeten

te komen en trachtte hij te loopen. Zijn hoofd was duizelig en hij

slingerde heen en weer als een beschonkene. Ondanks dat, wist hij zich

op de been te houden, en strompelde voort, 't hoofd op de borst gebogen

en zonder te weten waarheen.

In zijn geest kwamen allerlei verwarde, beangstigende visioenen op. 't

Was hem, of hij nog tusschen Sikes en Crackit in liep, die op woedenden

toon aan het twisten waren, want de woorden, die zij gesproken hadden,

klonken hem nog in de ooren en op 't oogenblik, dat hij als 't ware

tot zichzelf kwam, omdat hij een krachtige poging moest doen, niet te

vallen, ontdekte hij, hoe hij tot hen had gesproken. Dan weer liep hij

alleen met Sikes, zooals den vorigen dag en als hij zich verbeeldde,

menschen voorbij te zien gaan, voelde hij des roovers greep om zijn

pols. Plotseling schrikte hij terug voor het knallen van vuurwapens;

luide kreten en schreeuwen klonken door de lucht; lichten flikkerden

voor zijn oogen; alles was leven en rumoer, terwijl een onzichtbare

hand hem haastig wegvoerde. In al deze vluchtige visioenen bleef een

onbepaald, kwellend besef van pijn hem onophoudelijk plagen.

Zoo strompelde hij voort, kroop half werktuigelijk onder hekken door of

door een opening in een heg, als hij die toevallig voor zich zag, tot

hij op den straatweg kwam. Hier begon de regen in zulke stroomen te

vallen, dat hij er door uit zijn halve versuffing wakker schrikte. Hij

keek om zich heen en zag op niet te grooten afstand een huis, dat hij

misschien bereiken kon. Als ze zijn ongelukkigen toestand zagen, zouden

de bewoners misschien medelijden met hem hebben en al was dit niet zoo,

dan scheen 't hem toch beter toe, in de buurt van menschelijke wezens te

sterven dan in het eenzame, open veld. Hij verzamelde al zijn krachten

tot een laatste inspanning en richtte zijn wankele schreden naar het

huis.

Terwijl hij nader kwam, kreeg hij 't gevoel, alsof hij dit huis al meer

had gezien. Hij herinnerde zich geen bijzonderheden, maar vorm en

uitzicht van het gebouw kwamen hem bekend voor.

Die tuinmuur! Daarachter was het grasveld, waar hij in dienzelfden nacht

op zijn knieën was gevallen en de genade van de beide mannen had

ingeroepen. Het was hetzelfde huis, waar zij gepoogd hadden in te

breken.

Toen Oliver de plaats herkende, kwam zulk een angst over hem, dat hij

voor 't oogenblik de pijn van zijn wond vergat en er alleen aan dacht

te vluchten. Vluchten! Hij kon nauwelijks staan, en al was hij in 't

volle bezit geweest van al de kracht, die zijn jonge tengere lichaam

borg, waarheen kon hij vluchten? Hij drukte tegen het tuinhek; het was

niet gesloten en zwaaide open. Hij wankelde over het grasveld, klom de

stoeptreden op, klopte zacht aan de deur; toen ontzonken hem zijn

laatste krachten en hij zakte in elkaar tegen één der pilaren van de

portiek.

Op dit oogenblik zaten Mr. Giles, Brittles en de ketellapper in de

keuken, om na de verschrikkingen en vermoeienissen van den nacht door

thee en wat er verder bij behoort, weer op hun verhaal te komen. Niet

dat het de gewoonte was van Mr. Giles, op al te familiaren voet met

het mindere dienstpersoneel te verkeeren; gewoonlijk gedroeg hij zich

tegenover deze met hooghartige vriendelijkheid, die aangenaam aandeed en

toch de anderen herinnerde aan zijn hoogere positie in de maatschappij.

Maar dood, brand en inbraak maken alle menschen gelijk; dus zat Mr.

Giles met languitgestrekte beenen voor den keukenhaard, zijn linkerarm

op tafel geleund, terwijl hij met den rechter een omstandig en

nauwkeurig verhaal van de inbraak begeleidde, waarnaar zijn hoorders,

(vooral de keuken- en de werkmeid, die ook van de partij waren) met

ademlooze belangstelling luisterden.

»'t Was zoowat half drie,« zei Mr. Giles »of ik wil er geen eed op doen,

dat 't niet naar drieën liep, toen ik wakker werd, en terwijl ik mij

omdraaide in bed, zooals een mensch wel eens doet, (hier draaide Mr.

Giles zich om in zijn stoel en trok de punt van het tafelkleed over zich

heen om de dekens voor te stellen) een geluid meende te hooren.«

Bij dit punt van het verhaal werd de keukenmeid bleek en vroeg de

werkmeid om de deur dicht te doen; deze vroeg het aan Brittles, deze aan

den ketellapper en deze deed of hij 't niet gehoord had.

»Een geluid meende te hooren,« ging Mr. Giles voort. »Eerst zeg ik: 't

is verbeelding, en zou net weer in slaap vallen, maar toen hoorde ik het

geluid weer en duidelijker.«

»Wat voor geluid?« vroeg de keukenmeid.

»Een inbrekerig geluid,« antwoordde Mr. Giles, om zich heen ziende.

»Meer een geluid alsof een ijzeren roe over een rasp werd gewreven,«

meende Brittles.

»Zoo klonk het, toen _jij_ het hoorde,« viel Mr. Giles in, »maar op 't

oogenblik, waar ik van spreek, klonk het inbrekerig. Ik gooide de dekens

van mij af,« ging Giles voort, het tafelkleed wegduwend, »ging rechtop

in bed zitten en luisterde.«

»Gut!« riepen de keukenmeid en de werkmeid uit één mond en schoven haar

stoelen dichter bij elkaar.

»Ik hoorde 't toen heel duidelijk,« hernam Mr. Giles.

»Er is iemand bezig, zeg ik tot mezelf, een deur of een raam te

forceeren; wat moet ik doen? Ik zal die arme jongen, Brittles, wakker

maken, dan wordt hij ten minste niet in zijn bed vermoord; anders, zeg

ik in mezelf, kan, vóór hij 't weet, zijn keel wel doorgesneden worden

van zijn ééne oor tot zijn andere.«

Hier wendden aller oogen zich naar Brittles, die de zijne op den spreker

richtte en hem aanstaarde met open mond en ongeveinsde ontzetting op

heel zijn gezicht.

»Ik gooide de dekens van mij af,« zei Giles, terwijl hij 't tafelkleed

teruggooide en de keuken- en de werkmeid strak aankeek, »stapte zachtjes

uit bed, schoot mijn....«

»Er zijn dames bij, Mr. Giles,« mompelde de ketellapper.

»Mijn _schoenen_ aan,« zei Giles, terwijl hij zich tot hem keerde en

grooten nadruk op het woord legde, »greep het geladen pistool, dat

altijd gelijk met het zilvermandje boven komt en liep op mijn teenen

naar zijn kamer. Brittles, zeg ik, toen ik hem wakker had gemaakt, je

moet niet schrikken.«

»Dat zei je,« merkte Brittles met zachte stem op.

»We zijn zoo goed als dood, Brittles, zeg ik,« ging Giles voort; »maar

je moet niet bang zijn.«

»Was hij bang?« vroeg de keukenmeid.

»Heelemaal niet«, antwoordde Mr. Giles. »Hij was zoo flink--ja! haast

zoo flink als ik zelf.«

»Als ik in zijn plaats geweest was, zou ik 't bestorven hebben,« merkte

de werkmeid op.

»Jij bent een vrouw,« zei Brittles en ging een beetje rechter op zitten.

»Brittles heeft gelijk,« zei Mr. Giles met een goedkeurend knikje, »van

een vrouw kan men niet anders verwachten. Wij mannen, namen een

dievenlantaarn, die bij Brittles op den schoorsteen stond en zochten in

't stikdonker onzen weg naar beneden--zóó....«

Mr. Giles was opgestaan van zijn stoel en had met zijn oogen dicht twee

stappen vooruitgedaan om zijn verhaal met de handeling te illustreeren,

toen hij en heel het overige gezelschap hevig schrikte en hij naar zijn

stoel terugstoof. De keukenmeid en de werkmeid gaven een gil.

»Er werd geklopt,« zei Mr. Giles, met vertoon van kalmte, »doe één van

allen open.«

Niemand verroerde zich.

»'t Is vreemd, dat er zoo vroeg in den ochtend geklopt wordt,« zei Mr.

Giles en liet zijn oogen langs de bleeke gezichten om hem heen gaan; hij

zag zelf ook doodsbleek. »Maar er moet worden opengedaan. Heeft niemand

me verstaan?«

Mr. Giles keek onder het spreken Brittles aan, maar deze jonge man, die

bescheiden was van aard, beschouwde zichzelf blijkbaar als niemand en

deed dus of de vraag volstrekt niet tot hem gericht kon zijn; in elk

geval deed hij geen poging om te antwoorden. Mr. Giles wierp een

vragenden blik op den ketellapper, doch deze was plotseling in slaap

gevallen. De vrouwen kwamen niet in aanmerking.

»Als Brittles liever opendoet in tegenwoordigheid van getuigen,« zei Mr.

Giles na een korte stilte, »dan ben ik bereid, die getuige te zijn.«

»Ik ook,« zei de ketellapper, even plotseling weer wakker geworden, als

hij in slaap was gevallen.

Op deze voorwaarde gaf Brittles toe; en toen het gezelschap eenigszins

gerustgesteld was door de ontdekking, (die zij deden bij het opengooien

der luiken) dat het helder dag was, gingen ze naar boven, de honden

voorop en de twee vrouwen, die bang waren om alleen beneden te blijven,

in de achterhoede. Op raad van Mr. Giles, praatten allen luid om een of

andere kwaadwillige buitenstaander te waarschuwen, dat zij sterk in

getal waren, en door een meesterlijk staaltje van politiek overleg, in

het brein van denzelfden vernuftigen heer opgekomen, trokken zij in de

hal de honden flink aan hun staart, zoodat ze wild begonnen te blaffen.

Nadat deze voorzorgen genomen waren, greep Mr. Giles den arm van den

ketellapper stevig beet, (anders mocht deze eens wegloopen zooals hij

schertsend opmerkte) en gaf bevel, de deur open te doen. Brittles

gehoorzaamde; de groep, angstig over elkaars schouders glurend, zag geen

ander verschrikkelijk ding dan den armen Oliver Twist, sprakeloos en

uitgeput, die met moeite zijn oogen opsloeg en zonder woorden hun

medelijden inriep.

[Illustratie: OLIVER ZAKTE IN ELKAAR TEGEN EEN DER PILAREN VAN DE

PORTIEK.]

»Een jongen!« riep Mr. Giles en duwde dapper den ketellapper naar den

achtergrond. »Wat mankeert die--Hè? Kijk, Brittles, zie je,--herken je

'm niet?«

Brittles, die achter de deur stond, kreeg nauwelijks Oliver in 't oog of

hij uitte een luiden kreet. Mr. Giles greep den jongen bij één arm en

één been (gelukkig niet den gebroken arm) sleepte hem in de hal en legde

hem languit op den vloer.

»Hier is hij!« schreeuwde Giles in groote opgewondenheid naar boven,

»hier is één van de dieven, mevrouw! Hier is een dief, juffrouw! Gewond,

juffrouw! Ik heb hem geraakt, juffrouw en Brittles lichtte me bij!«

»Met een lantaren, juffrouw!« riep Brittles, en hield, om zijn stem

verder te doen dragen, zijn ééne hand op zij tegen zijn mond.

De twee vrouwelijke dienstboden vlogen naar boven om het nieuws te

vertellen, dat Mr. Giles een dief had gevangen en de ketellapper

beijverde zich door te trachten Oliver bij te brengen; anders zou hij

nog dood gaan eer hij werd opgehangen. Te midden van al dit tumult liet

zich een zachte vrouwenstem hooren, die het rumoer in een oogenblik deed

bedaren.

»Giles!« fluisterde de stem boven aan de trap.

»Ik ben hier, juffrouw,« antwoordde Mr. Giles. »Wees maar niet bang,

juffrouw; ik heb me niet erg bezeerd. Hij bood geen wanhopigen

tegenstand, juffrouw! Ik was hem gauw de baas.«

»St!« antwoordde de jonge dame. »Je maakt tante weer net zoo aan 't

schrikken als de dieven zelf. Is de arme man erg gewond?«

»Hopeloos juffrouw,« antwoordde Giles met onbeschrijflijke trots.

»Hij ziet er uit, of 't op z'n end loopt, juffrouw,« schreeuwde

Brittles op dezelfde manier als te voren. »Komt u niet even naar hem

kijken, juffrouw, eer hij soms doodgaat?«

»Toe, stil asjeblieft, dan ben je een beste jongen!« riep de jonge dame

terug. »Wacht nu rustig een oogenblikje, terwijl ik met tante ga

praten.«

Met een voetstap, even zacht en liefelijk als haar stem, trippelde de

spreekster weg. Ze kwam na een oogenblik terug met de boodschap, dat de

gewonde voorzichtig naar boven gedragen moest worden, in de kamer van

Mr. Giles en dat Brittles de poney moest zadelen en dadelijk naar

Chertsey rijden; vandaar moest hij in allerijl een gerechtsdienaar en

een dokter meebrengen.

»Maar zou u hem niet eerst eventjes willen zien, juffrouw?« vroeg Mr.

Giles, zóó trotsch alsof Oliver een of andere vogel van zeldzame

pluimage was, die hij behendig gevangen had. »Heel eventjes maar,

juffrouw?«

»Nu niet! voor alles ter wereld niet,« antwoordde de jonge dame. »De

arme man! Toe Giles, ga voorzichtig met hem om, om mij plezier te doen.«

Terwijl zij heenging, keek de oude knecht haar na met zóóveel trots en

bewondering in zijn oogen, alsof zij zijn eigen kind was. Toen boog hij

zich over Oliver heen en hielp hem, met de omzichtigheid en zorg van een

vrouw, naar boven dragen.

De avonturen van Oliver Twist · 第 88 / 118 题