HOOFDSTUK XXVII.

Maakt de onbeleefdheid van een vroeger hoofdstuk weder goed, waarin een

dame zonder eenige plichtpleging aan haar lot werd overgelaten.

Daar het een nederig schrijver volstrekt niet betaamt, zulk een

gewichtig personage als een gemeentebode met zijn rug naar het vuur en

de slippen van zijn jas onder zijn armen, zóó lang te laten wachten tot

het hem behagen zal, den man de vrijheid te hergeven en daar het nog

minder bij zijn positie of zijn gevoel voor galanterie past, op dezelfde

wijze een dame te veronachtzamen, die door den bode met blikken vol

teedere genegenheid was aangezien en in wier oor hij zoete woordjes had

gefluisterd, die, nu ze uit dezen mond kwamen, het hart van welke maagd

of vrouw ook in trilling zouden brengen, haast de geschiedschrijver,

wiens pen deze woorden neerschrijft, zich--vertrouwend dat hij zijn

plaats weet en dat hij met gepasten eerbied opziet naar diegenen op

aarde aan wie een hooge en gewichtige waardigheid is toevertrouwd--haast

hij zich, hun dien eerbied te betoonen, die hun positie vraagt en hen

te behandelen met al de beleefdheid waarop hun verheven rang en (bij

gevolg) hun verheven deugden, ongetwijfeld van zijn kant aanspraak

maken. Tot dit doel lag het in zijn plan, hier een verhandeling in

te lasschen over het goddelijk recht van gemeenteboden, en daarin

onomstootbare bewijzen te leveren voor de stelling, dat een gemeentebode

geen kwaad kan doen; ongetwijfeld zou zulk een verhandeling voor den

welgeaarden lezer zoowel nuttig als aangenaam zijn geweest, doch bij

gebrek aan tijd en plaatsruimte is de kroniekschrijver gedwongen, haar

tot een meer geschikte gelegenheid uit te stellen. Komt die gelegenheid

eenmaal, dan zal de kroniekschrijver zich er toe zetten, aan te toonen,

dat een ware bode,--dat wil zeggen een Gemeentebode, verbonden aan een

Gemeentelijk Armhuis en die door den aard van zijn ambt zijn zorgen

ook tot de Gemeentelijke Kerk uitstrekt--dat zulk een man alleen

al tengevolge van zijn ambt, gerekend kan worden alle uitstekende

hoedanigheden en beste eigenschappen der menschheid te bezitten en dat

geen bode van een of ander genootschap, of van een gerechtshof of zelfs

van een hulpkerk (de laatste is mogelijk, maar dan in heel kleinen en

minderwaardigen graad) ook maar de geringste aanspraak kan maken op één

van deze uitstekende eigenschappen.

Mr. Bumble had de theelepeltjes overgeteld, opnieuw het gewicht van

de suikertang bepaald, de melkkan aan een nauwkeuriger onderzoek

onderworpen en tot in de kleinste bijzonderheden den juisten toestand

van de meubelen nagegaan, zelfs de paardenharen zittingen van de

stoelen, en hij had dit proces wel zesmaal herhaald eer hij er over

begon te denken, dat het tijd werd voor juffrouw Corney om terug

te komen. Denken wekt gedachten op en daar niets juffrouw Corney's

terugkomst aankondigde, kwam het in Mr. Bumble op, dat het een

onschuldig en deugdzaam tijdverdrijf zou zijn, zijn nieuwsgierigheid

verder te bevredigen door een onderzoekenden blik te werpen op den

inhoud van juffrouw Corney's lâtafel.

Na eerst aan het sleutelgat geluisterd te hebben om zich ervan te

overtuigen, dat er niemand aan kwam, begon Mr. Bumble zich op de

hoogte te stellen van den inhoud der drie breede laden; hij begon

met de onderste. Deze laden lagen vol kleeren van goede stof en snit,

zorgvuldig tusschen twee lagen courantenpapier en lavendel weggeborgen;

't onderzoek voldeed hem bijzonder. Toen hij na verloop van tijd aan

de rechterhoeklade (waarin een sleutel stak) was gekomen en daarin

een kistje, met een hangslot gesloten, ontdekte, dat, toen hij er aan

schudde, een aangenaam geluid van klinkende munt gaf, keerde Mr. Bumble

met statigen pas naar den haard terug; hier nam hij zijn vroegere

houding weer aan en zeide ernstig en vastbesloten: »Ik doe het!«

Na deze merkwaardige verklaring bleef hij tien minuten lang op een

schalksche manier met zijn hoofd schudden alsof hij zichzelf ervan wilde

overtuigen, dat hij nog een knappe kerel was en ten slotte beschouwde

hij van ter zijde zijn beenen, klaarblijkelijk met veel belangstelling

en voldoening.

Hij was nog rustig verdiept in deze laatste bezigheid, toen juffrouw

Corney de kamer kwam binnenstuiven en ademloos op een stoel bij den

haard neerviel; ze bedekte haar oogen met de ééne hand, legde de andere

op haar hart en hijgde naar adem.

»Juffrouw Corney,« zei Mr. Bumble, terwijl hij zich over de armmoeder

heenboog, »wat is er, juffrouw? Is er iets gebeurd? Toe, geef antwoord;

ik sta op.... op....« Mr. Bumble kon in zijn verwarring niet zoo gauw op

het woord »heete kolen« komen, dus zei hij »op gebroken flesschen.«

»O, Mr. Bumble!« schreide de Moeder, »ik ben zoo vreeselijk geschrikt!«

»Geschrikt juffrouw!« riep Mr. Bumble, »wie heeft 't gewaagd, u.... Ik

weet 't al!« viel Mr. Bumble zichzelf met zijn aangeboren waardigheid in

de rede, »die gemeene schooiers hebben 't gedaan!«

»'t Is vreeselijk om aan te denken,« zei de dame huiverend.

»Denk er dan _niet_ aan, juffrouw,« zei Mr. Bumble.

»Ik kan 't niet laten!« teemde de dame.

»Neem dan eens iets, juffrouw,« raadde Mr. Bumble bedarend. »Een beetje

van die wijn?«

»Voor niets ter wereld!« weerde juffrouw Corney af. »Ik zou niet

kunnen.... o! Op de bovenste plank rechts.... o!«

Terwijl zij deze woorden uitstootte, scheen de goede vrouw

klaarblijkelijk aan inwendige krampen ten prooi; met een vage

handbeweging wees zij naar de kast.

Mr. Bumble snelde naar de kast, greep een groen glazen flesch van de

plank, die zij hem zoo vaag had aangeduid, schonk een theekopje vol met

den inhoud van de flesch en hield het aan de lippen van de dame.

»Dat doet goed,« zei juffrouw Corney; zij leunde terug in haar stoel en

dronk de helft van het kopje leeg.

Mr. Bumble sloeg zijn oogen met een vroom dankgebed naar de zoldering,

toen sloeg hij ze weer neer in de richting van het kopje en hield het

aan zijn neus.

»Pepermunt,« riep juffrouw Corney met zwakke stem en lachte onder het

spreken den bode vriendelijk toe. »Proeft u eens! Er is nog een

bewijsje.... een bewijsje van iets anders in ook.«

Aarzelend proefde Mr. Bumble van den medicijn, smakte met de lippen, nam

nog een slokje en zette het kopje leeg neer.

»'t Is zeer versterkend,« zei juffrouw Corney.

»Dat geloof ik ook, juffrouw,« zei de bode.

Onder het spreken schoof hij een stoel naast de Moeder en vroeg op

teederen toon, wat haar toch zoo had doen ontstellen.

»Niets,« antwoordde juffrouw Corney. »Ik ben een mal, gevoelig, zwak

schepsel.«

»Zwak niet, juffrouw,« wierp Mr. Bumble tegen en schoof zijn stoel nog

een beetje dichter bij. »Bent u een zwak schepsel, juffrouw Corney?«

»We zijn allemaal zwakke schepsels,« zei juffrouw Corney, een algemeene

waarheid uitsprekend.

»Dat zijn we,« zei de bode.

Gedurende een paar minuten werd door geen van beiden iets gezegd. Na

verloop van dien tijd had Mr. Bumble de waarheid van deze gedachte

gedemonstreerd door zijn linkerarm, die tot nu toe op de leuning van

juffrouw Corney's stoel had gerust, naar juffrouw Corney's schorteband

te brengen en hem langzamerhand dezelfde richting van dien band om haar

middel te doen nemen.

»We zijn allemaal zwakke schepsels,« zei Mr. Bumble. Juffrouw Corney

zuchtte.

»Zucht niet, juffrouw Corney,« zei Mr. Bumble.

»Ik kan er niets aan doen,« zei juffrouw Corney. En zuchtte opnieuw.

»'t Is hier een heel prettige kamer, juffrouw,« zei Mr. Bumble, om zich

heen kijkend. »Nog één kamer er bij, juffrouw, dat was alles wat men

zich wenschen kon.«

»Dat zou te veel zijn voor één mensch,« murmelde de dame.

»Maar niet voor twee, juffrouw,« viel Mr. Bumble op teederen toon in.

»Wel, juffrouw Corney?«

Toen de bode dit zeide, liet juffrouw Corney haar hoofd hangen en de

bode liet het zijne hangen om juffrouw Corney in 't gezicht te kunnen

zien. Juffrouw Corney wendde met groote zedigheid haar gezicht af en

trok haar hand terug om haar zakdoek te krijgen, maar onwillekeurig

legde zij haar opnieuw in die van Mr. Bumble.

»U krijgt kolen van de Regenten, niet waar juffrouw Corney?« vroeg de

bode met een teederen handdruk.

»En kaarsen,« antwoordde juffrouw Corney, terwijl zij den druk zachtjes

teruggaf.

»Kolen, kaarsen en vrij wonen,« zei Mr. Bumble. »O, juffrouw Corney, wat

bent u een engel!«

Tegen deze gevoelsuitbarsting was de dame niet bestand. Zij zonk Mr.

Bumble in de armen en in zijn ontroering drukte deze een

hartstochtelijken zoen op haar kuische neusje.

»Het heerlijkste wat de Gemeente heeft!« riep Mr. Bumble in vervoering

uit. »Je weet toch, mijn engel, dat meneer Slout vanavond weer erger

is?«

»Ja,« antwoordde juffrouw Corney schuchter.

»Hij heeft geen week meer te leven, zegt de dokter,« ging Mr. Bumble

voort. »Hij is de Vader van het Armhuis; door zijn dood komt die plaats

open; daar moet iemand anders in komen. O! juffrouw Corney, wat een

vooruitzicht! Wat een schoone gelegenheid om twee harten en twee

huishoudens te vereenigen!«

Juffrouw Corney snikte.

»Het kleine woordje?« vroeg Mr. Bumble, terwijl hij zich over de

schuchtere schoone heenboog. »Het ééne kleine, kleine, kleine woordje,

lieve Corney?«

»Ja-a-a....« zuchtte de matrone.

»Nog één,« ging de bode voort, »laat je teederheid me nog één ding

zeggen.... Wanneer kan het gebeuren?«

Tweemaal trachtte juffrouw Corney te spreken en tweemaal mislukte het.

Eindelijk vatte zij al haar moed bij elkaar, sloeg haar armen om Mr.

Bumble's hals en zei, dat het zoo gauw kon gebeuren, als hij maar wou,

en dat hij een »onweerstaanbare schat« was.

Toen de zaak aldus vriendschappelijk en tot beider genoegen geregeld

was, werd het verbond plechtig bezegeld door een tweede kopje van

de pepermunt-likeur; dat werd te meer noodzakelijk gemaakt door de

ontroering van juffrouw Corney. Terwijl zij van den drank genoten,

vertelde juffrouw Corney dat de oude vrouw gestorven was.

»Heel goed,« zei Mr. Bumble, zijn pepermunt-borreltje slurpend, »als ik

naar huis ga, zal ik bij Sowerberry aanloopen en zeggen, dat hij morgen

komt. Ben je daar zoo van geschrikt, lieverd?«

»'t Was niets bijzonders, schat,« zei de dame ontwijkend.

»Er moet toch iets geweest zijn, lieverd,« hield Mr. Bumble aan. »Wil je

't je eigen B. niet vertellen?«

»Nu niet,« antwoordde de dame. »Op een anderen dag. Als we getrouwd

zijn, schat.«

»Als we getrouwd zijn!« riep Mr. Bumble uit. »Eén van die

schooier-kerels heeft 't toch niet gewaagd....«

»Nee, nee, schat!« viel de dame haastig in.

»Als ik dàt moest denken,« ging Mr. Bumble voort, »als ik moest denken,

dat één van hen zijn gemeene oogen had durven opslaan naar dat lieve

gezicht....«

»Dat zouden ze niet durven, schat....« viel de dame in.

»'t Is ze ook geraden!« zei Mr. Bumble, zijn vuist ballend. »Laat mij

den man eens zien, uit onze Gemeente of er buiten, die dat zou durven

wagen; ik kan hem verzekeren dat hij 't geen tweede keer zal doen!«

Wanneer dat gezegde niet opgeluisterd was geworden door heftige

gebaren, zou het juist niet geklonken hebben als een compliment aan

de bekoorlijkheden van de dame in kwestie; doch daar Mr. Bumble de

bedreiging vergezeld deed gaan van allerlei krijgshaftige gebaren, was

zij zeer ontroerd door dit bewijs van zijn gehechtheid en betuigde, met

groote bewondering, dat hij »een lieve duif« was.

De duif trok zijn jas aan en zette zijn steek op en na een lange, innige

omhelzing met zijn toekomstige levensgezellin gewisseld te hebben,

trotseerde hij opnieuw den kouden nachtwind; hij hield zich alleen een

paar minuten in de mannenzaal op, om een beetje tegen de armen dáár te

keer te gaan en zich er op die manier van te overtuigen, dat hij de post

van Armhuisvader met de noodige strengheid zou weten te vervullen.

In het volle bewustzijn van zijn waardigheid, verliet Mr. Bumble het

Armhuis met een vroolijk hart en lichte visioenen van zijn toekomstige

promotie; zijn geest hield zich hiermee bezig, tot hij het huis van den

lijkbezorger bereikte.

Daar de heer en mejuffrouw Sowerberry uit theedrinken waren en Noah

Claypole nooit of te nimmer geneigd was tot meer lichamelijke

inspanning, dan noodig is om de beide functies van eten en drinken naar

behooren te vervullen, was de winkel niet gesloten, ofschoon het gewone

sluitingsuur voorbij was. Mr. Bumble klopte verscheidene malen met zijn

stok op de toonbank, doch daar niemand antwoordde en hij licht zag

schijnen door de ruit van het kleine kamertje achter den winkel, waagde

hij het, daardoor naar binnen te gluren om te zien wat in de kamer

voorviel en toen hij dit zag, was hij niet weinig verbaasd.

Er was gedekt voor het avondeten; op tafel stonden boterhammen, borden

en glazen, een bierkruik en een wijnflesch. Aan het boveneinde van de

tafel lag Noah Claypole achteloos uitgestrekt in een leuningstoel, zijn

beenen over één van de leuningen, een open knipmes in zijn ééne hand en

een homp gesmeerd brood in de andere.

Vlak naast hem stond Charlotte uit een vaatje oesters open te maken;

Mr. Claypole sloeg ze met verwonderlijke gulzigheid naar binnen. Een

meer dan gewone roodheid in de streek van zijn neus en een soort

starende blik van zijn rechteroog wezen er op, dat hij een klein beetje

aangeschoten was; dit vermoeden werd versterkt door het groote genot

waarmee hij blijkbaar de oesters tot zich nam en dat zijn oorzaak moest

vinden in hun verkoelende werking bij inwendige verhitting.

»Hier is nog een heerlijke vette, Noah, schat!« zei Charlotte, »proef

eres; toe, deze ééne nog.«

»'n Heerlijk ding, zoo'n oester!« merkte Mr. Claypole op, toen hij de

oester verslonden had. »Jammer, dat je, als je er al te veel van eet,

zoo'n bezwaard gevoel krijgt, hè Charlotte?«

»Ja, dat is zonde en jammer,« zei Charlotte.

»Dat is 't,« stemde Mr. Claypole toe. »Houd jij niet van oesters!«

»Niet bijzonder,« antwoordde Charlotte. »Ik zie ze liever jou eten,

Noah, dan dat ik ze zelf eet.«

»Och!« zei Noah peinzend, »wat gek!«

»Neem er nog één,« zei Charlotte. »Hier is er een met 'n prachtige,

fijne baard!«

»Ik kan er geen meer naar binnen krijgen,« zei Noah. »'t Spijt me

genoeg. Kom hier Charlotte, dan krijg je een zoen.«

»Wat!« riep Mr. Bumble, de kamer binnenstuivend. »Zeg dat nog eens!«

Charlotte stootte een kreet uit en verborg haar gezicht in haar schort.

Claypole, die niet verder van houding veranderde dan door zijn beenen op

den grond te zetten, keek den bode in dronkenmansschrik aan.

»Zeg dat nog eens, gemeene, brutale slungel!« zei Mr. Bumble. »Hoe durf

je zoo iets te noemen? En hoe durf jij hem aan te moedigen, slechte

deern die je bent? Zoenen!« riep Mr. Bumble in hevige verontwaardiging.

»Foei! schaam je!«

»Ik wou 't niet doen,« zei Noah op huilerigen toon. »Zij zoent mij

altijd of ik 't wil of niet.«

»O Noah!« riep Charlotte verwijtend.

»Je doet 't, dat weet je ook wel!« herhaalde Noah. »Ze doet altijd van

die dingen, meneer Bumble; dan strijkt ze me onder m'n kin, gerust

meneer en haalt me op allerlei manieren an.«

»Stilte!« riep Mr. Bumble streng. »Ga naar beneden, meisje. Noah, jij

gaat de winkel sluiten; pas op als je nog één woord zegt, eer je baas

thuis komt en als hij thuiskomt, zeg dan dat meneer Bumble morgenochtend

na 't ontbijt een doodkist voor een oude vrouw in 't Huis wil gezonden

hebben. Hoor je? Zoenen!« riep Mr. Bumble, met zijn handen in de hoogte.

»De zonde en slechtheid van de lagere klassen in deze gemeente is

verschrikkelijk. Wanneer het Parlement geen aandacht schenkt aan hun

verschrikkelijke achteruitgang is ons land geruïneerd en gaat het volk

geheel te gronde!«

Met deze woorden stapte de bode, trotsch en somber het huis van den

lijkbezorger uit.

En nu wij hem zoover op zijn weg naar huis vergezeld en alle

noodzakelijke voorbereidingen voor de begrafenis van de oude vrouw

gemaakt hebben, laat ons nu eenige navraag beginnen naar Oliver Twist en

ons er van overtuigen, of hij nog in de greppel ligt, waar Toby Crackit

hem achterliet.

De avonturen van Oliver Twist · 第 87 / 118 题