Maakt de onbeleefdheid van een vroeger hoofdstuk weder goed, waarin een
dame zonder eenige plichtpleging aan haar lot werd overgelaten.
Daar het een nederig schrijver volstrekt niet betaamt, zulk een
gewichtig personage als een gemeentebode met zijn rug naar het vuur en
de slippen van zijn jas onder zijn armen, zóó lang te laten wachten tot
het hem behagen zal, den man de vrijheid te hergeven en daar het nog
minder bij zijn positie of zijn gevoel voor galanterie past, op dezelfde
wijze een dame te veronachtzamen, die door den bode met blikken vol
teedere genegenheid was aangezien en in wier oor hij zoete woordjes had
gefluisterd, die, nu ze uit dezen mond kwamen, het hart van welke maagd
of vrouw ook in trilling zouden brengen, haast de geschiedschrijver,
wiens pen deze woorden neerschrijft, zich--vertrouwend dat hij zijn
plaats weet en dat hij met gepasten eerbied opziet naar diegenen op
aarde aan wie een hooge en gewichtige waardigheid is toevertrouwd--haast
hij zich, hun dien eerbied te betoonen, die hun positie vraagt en hen
te behandelen met al de beleefdheid waarop hun verheven rang en (bij
gevolg) hun verheven deugden, ongetwijfeld van zijn kant aanspraak
maken. Tot dit doel lag het in zijn plan, hier een verhandeling in
te lasschen over het goddelijk recht van gemeenteboden, en daarin
onomstootbare bewijzen te leveren voor de stelling, dat een gemeentebode
geen kwaad kan doen; ongetwijfeld zou zulk een verhandeling voor den
welgeaarden lezer zoowel nuttig als aangenaam zijn geweest, doch bij
gebrek aan tijd en plaatsruimte is de kroniekschrijver gedwongen, haar
tot een meer geschikte gelegenheid uit te stellen. Komt die gelegenheid
eenmaal, dan zal de kroniekschrijver zich er toe zetten, aan te toonen,
dat een ware bode,--dat wil zeggen een Gemeentebode, verbonden aan een
Gemeentelijk Armhuis en die door den aard van zijn ambt zijn zorgen
ook tot de Gemeentelijke Kerk uitstrekt--dat zulk een man alleen
al tengevolge van zijn ambt, gerekend kan worden alle uitstekende
hoedanigheden en beste eigenschappen der menschheid te bezitten en dat
geen bode van een of ander genootschap, of van een gerechtshof of zelfs
van een hulpkerk (de laatste is mogelijk, maar dan in heel kleinen en
minderwaardigen graad) ook maar de geringste aanspraak kan maken op één
van deze uitstekende eigenschappen.
Mr. Bumble had de theelepeltjes overgeteld, opnieuw het gewicht van
de suikertang bepaald, de melkkan aan een nauwkeuriger onderzoek
onderworpen en tot in de kleinste bijzonderheden den juisten toestand
van de meubelen nagegaan, zelfs de paardenharen zittingen van de
stoelen, en hij had dit proces wel zesmaal herhaald eer hij er over
begon te denken, dat het tijd werd voor juffrouw Corney om terug
te komen. Denken wekt gedachten op en daar niets juffrouw Corney's
terugkomst aankondigde, kwam het in Mr. Bumble op, dat het een
onschuldig en deugdzaam tijdverdrijf zou zijn, zijn nieuwsgierigheid
verder te bevredigen door een onderzoekenden blik te werpen op den
inhoud van juffrouw Corney's lâtafel.
Na eerst aan het sleutelgat geluisterd te hebben om zich ervan te
overtuigen, dat er niemand aan kwam, begon Mr. Bumble zich op de
hoogte te stellen van den inhoud der drie breede laden; hij begon
met de onderste. Deze laden lagen vol kleeren van goede stof en snit,
zorgvuldig tusschen twee lagen courantenpapier en lavendel weggeborgen;
't onderzoek voldeed hem bijzonder. Toen hij na verloop van tijd aan
de rechterhoeklade (waarin een sleutel stak) was gekomen en daarin
een kistje, met een hangslot gesloten, ontdekte, dat, toen hij er aan
schudde, een aangenaam geluid van klinkende munt gaf, keerde Mr. Bumble
met statigen pas naar den haard terug; hier nam hij zijn vroegere
houding weer aan en zeide ernstig en vastbesloten: »Ik doe het!«
Na deze merkwaardige verklaring bleef hij tien minuten lang op een
schalksche manier met zijn hoofd schudden alsof hij zichzelf ervan wilde
overtuigen, dat hij nog een knappe kerel was en ten slotte beschouwde
hij van ter zijde zijn beenen, klaarblijkelijk met veel belangstelling
en voldoening.
Hij was nog rustig verdiept in deze laatste bezigheid, toen juffrouw
Corney de kamer kwam binnenstuiven en ademloos op een stoel bij den
haard neerviel; ze bedekte haar oogen met de ééne hand, legde de andere
op haar hart en hijgde naar adem.
»Juffrouw Corney,« zei Mr. Bumble, terwijl hij zich over de armmoeder
heenboog, »wat is er, juffrouw? Is er iets gebeurd? Toe, geef antwoord;
ik sta op.... op....« Mr. Bumble kon in zijn verwarring niet zoo gauw op
het woord »heete kolen« komen, dus zei hij »op gebroken flesschen.«
»O, Mr. Bumble!« schreide de Moeder, »ik ben zoo vreeselijk geschrikt!«
»Geschrikt juffrouw!« riep Mr. Bumble, »wie heeft 't gewaagd, u.... Ik
weet 't al!« viel Mr. Bumble zichzelf met zijn aangeboren waardigheid in
de rede, »die gemeene schooiers hebben 't gedaan!«
»'t Is vreeselijk om aan te denken,« zei de dame huiverend.
»Denk er dan _niet_ aan, juffrouw,« zei Mr. Bumble.
»Ik kan 't niet laten!« teemde de dame.
»Neem dan eens iets, juffrouw,« raadde Mr. Bumble bedarend. »Een beetje
van die wijn?«
»Voor niets ter wereld!« weerde juffrouw Corney af. »Ik zou niet
kunnen.... o! Op de bovenste plank rechts.... o!«
Terwijl zij deze woorden uitstootte, scheen de goede vrouw
klaarblijkelijk aan inwendige krampen ten prooi; met een vage
handbeweging wees zij naar de kast.
Mr. Bumble snelde naar de kast, greep een groen glazen flesch van de
plank, die zij hem zoo vaag had aangeduid, schonk een theekopje vol met
den inhoud van de flesch en hield het aan de lippen van de dame.
»Dat doet goed,« zei juffrouw Corney; zij leunde terug in haar stoel en
dronk de helft van het kopje leeg.
Mr. Bumble sloeg zijn oogen met een vroom dankgebed naar de zoldering,
toen sloeg hij ze weer neer in de richting van het kopje en hield het
aan zijn neus.
»Pepermunt,« riep juffrouw Corney met zwakke stem en lachte onder het
spreken den bode vriendelijk toe. »Proeft u eens! Er is nog een
bewijsje.... een bewijsje van iets anders in ook.«
Aarzelend proefde Mr. Bumble van den medicijn, smakte met de lippen, nam
nog een slokje en zette het kopje leeg neer.
»'t Is zeer versterkend,« zei juffrouw Corney.
»Dat geloof ik ook, juffrouw,« zei de bode.
Onder het spreken schoof hij een stoel naast de Moeder en vroeg op
teederen toon, wat haar toch zoo had doen ontstellen.
»Niets,« antwoordde juffrouw Corney. »Ik ben een mal, gevoelig, zwak
schepsel.«
»Zwak niet, juffrouw,« wierp Mr. Bumble tegen en schoof zijn stoel nog
een beetje dichter bij. »Bent u een zwak schepsel, juffrouw Corney?«
»We zijn allemaal zwakke schepsels,« zei juffrouw Corney, een algemeene
waarheid uitsprekend.
»Dat zijn we,« zei de bode.
Gedurende een paar minuten werd door geen van beiden iets gezegd. Na
verloop van dien tijd had Mr. Bumble de waarheid van deze gedachte
gedemonstreerd door zijn linkerarm, die tot nu toe op de leuning van
juffrouw Corney's stoel had gerust, naar juffrouw Corney's schorteband
te brengen en hem langzamerhand dezelfde richting van dien band om haar
middel te doen nemen.
»We zijn allemaal zwakke schepsels,« zei Mr. Bumble. Juffrouw Corney
zuchtte.
»Zucht niet, juffrouw Corney,« zei Mr. Bumble.
»Ik kan er niets aan doen,« zei juffrouw Corney. En zuchtte opnieuw.
»'t Is hier een heel prettige kamer, juffrouw,« zei Mr. Bumble, om zich
heen kijkend. »Nog één kamer er bij, juffrouw, dat was alles wat men
zich wenschen kon.«
»Dat zou te veel zijn voor één mensch,« murmelde de dame.
»Maar niet voor twee, juffrouw,« viel Mr. Bumble op teederen toon in.
»Wel, juffrouw Corney?«
Toen de bode dit zeide, liet juffrouw Corney haar hoofd hangen en de
bode liet het zijne hangen om juffrouw Corney in 't gezicht te kunnen
zien. Juffrouw Corney wendde met groote zedigheid haar gezicht af en
trok haar hand terug om haar zakdoek te krijgen, maar onwillekeurig
legde zij haar opnieuw in die van Mr. Bumble.
»U krijgt kolen van de Regenten, niet waar juffrouw Corney?« vroeg de
bode met een teederen handdruk.
»En kaarsen,« antwoordde juffrouw Corney, terwijl zij den druk zachtjes
teruggaf.
»Kolen, kaarsen en vrij wonen,« zei Mr. Bumble. »O, juffrouw Corney, wat
bent u een engel!«
Tegen deze gevoelsuitbarsting was de dame niet bestand. Zij zonk Mr.
Bumble in de armen en in zijn ontroering drukte deze een
hartstochtelijken zoen op haar kuische neusje.
»Het heerlijkste wat de Gemeente heeft!« riep Mr. Bumble in vervoering
uit. »Je weet toch, mijn engel, dat meneer Slout vanavond weer erger
is?«
»Ja,« antwoordde juffrouw Corney schuchter.
»Hij heeft geen week meer te leven, zegt de dokter,« ging Mr. Bumble
voort. »Hij is de Vader van het Armhuis; door zijn dood komt die plaats
open; daar moet iemand anders in komen. O! juffrouw Corney, wat een
vooruitzicht! Wat een schoone gelegenheid om twee harten en twee
huishoudens te vereenigen!«
Juffrouw Corney snikte.
»Het kleine woordje?« vroeg Mr. Bumble, terwijl hij zich over de
schuchtere schoone heenboog. »Het ééne kleine, kleine, kleine woordje,
lieve Corney?«
»Ja-a-a....« zuchtte de matrone.
»Nog één,« ging de bode voort, »laat je teederheid me nog één ding
zeggen.... Wanneer kan het gebeuren?«
Tweemaal trachtte juffrouw Corney te spreken en tweemaal mislukte het.
Eindelijk vatte zij al haar moed bij elkaar, sloeg haar armen om Mr.
Bumble's hals en zei, dat het zoo gauw kon gebeuren, als hij maar wou,
en dat hij een »onweerstaanbare schat« was.
Toen de zaak aldus vriendschappelijk en tot beider genoegen geregeld
was, werd het verbond plechtig bezegeld door een tweede kopje van
de pepermunt-likeur; dat werd te meer noodzakelijk gemaakt door de
ontroering van juffrouw Corney. Terwijl zij van den drank genoten,
vertelde juffrouw Corney dat de oude vrouw gestorven was.
»Heel goed,« zei Mr. Bumble, zijn pepermunt-borreltje slurpend, »als ik
naar huis ga, zal ik bij Sowerberry aanloopen en zeggen, dat hij morgen
komt. Ben je daar zoo van geschrikt, lieverd?«
»'t Was niets bijzonders, schat,« zei de dame ontwijkend.
»Er moet toch iets geweest zijn, lieverd,« hield Mr. Bumble aan. »Wil je
't je eigen B. niet vertellen?«
»Nu niet,« antwoordde de dame. »Op een anderen dag. Als we getrouwd
zijn, schat.«
»Als we getrouwd zijn!« riep Mr. Bumble uit. »Eén van die
schooier-kerels heeft 't toch niet gewaagd....«
»Nee, nee, schat!« viel de dame haastig in.
»Als ik dàt moest denken,« ging Mr. Bumble voort, »als ik moest denken,
dat één van hen zijn gemeene oogen had durven opslaan naar dat lieve
gezicht....«
»Dat zouden ze niet durven, schat....« viel de dame in.
»'t Is ze ook geraden!« zei Mr. Bumble, zijn vuist ballend. »Laat mij
den man eens zien, uit onze Gemeente of er buiten, die dat zou durven
wagen; ik kan hem verzekeren dat hij 't geen tweede keer zal doen!«
Wanneer dat gezegde niet opgeluisterd was geworden door heftige
gebaren, zou het juist niet geklonken hebben als een compliment aan
de bekoorlijkheden van de dame in kwestie; doch daar Mr. Bumble de
bedreiging vergezeld deed gaan van allerlei krijgshaftige gebaren, was
zij zeer ontroerd door dit bewijs van zijn gehechtheid en betuigde, met
groote bewondering, dat hij »een lieve duif« was.
De duif trok zijn jas aan en zette zijn steek op en na een lange, innige
omhelzing met zijn toekomstige levensgezellin gewisseld te hebben,
trotseerde hij opnieuw den kouden nachtwind; hij hield zich alleen een
paar minuten in de mannenzaal op, om een beetje tegen de armen dáár te
keer te gaan en zich er op die manier van te overtuigen, dat hij de post
van Armhuisvader met de noodige strengheid zou weten te vervullen.
In het volle bewustzijn van zijn waardigheid, verliet Mr. Bumble het
Armhuis met een vroolijk hart en lichte visioenen van zijn toekomstige
promotie; zijn geest hield zich hiermee bezig, tot hij het huis van den
lijkbezorger bereikte.
Daar de heer en mejuffrouw Sowerberry uit theedrinken waren en Noah
Claypole nooit of te nimmer geneigd was tot meer lichamelijke
inspanning, dan noodig is om de beide functies van eten en drinken naar
behooren te vervullen, was de winkel niet gesloten, ofschoon het gewone
sluitingsuur voorbij was. Mr. Bumble klopte verscheidene malen met zijn
stok op de toonbank, doch daar niemand antwoordde en hij licht zag
schijnen door de ruit van het kleine kamertje achter den winkel, waagde
hij het, daardoor naar binnen te gluren om te zien wat in de kamer
voorviel en toen hij dit zag, was hij niet weinig verbaasd.
Er was gedekt voor het avondeten; op tafel stonden boterhammen, borden
en glazen, een bierkruik en een wijnflesch. Aan het boveneinde van de
tafel lag Noah Claypole achteloos uitgestrekt in een leuningstoel, zijn
beenen over één van de leuningen, een open knipmes in zijn ééne hand en
een homp gesmeerd brood in de andere.
Vlak naast hem stond Charlotte uit een vaatje oesters open te maken;
Mr. Claypole sloeg ze met verwonderlijke gulzigheid naar binnen. Een
meer dan gewone roodheid in de streek van zijn neus en een soort
starende blik van zijn rechteroog wezen er op, dat hij een klein beetje
aangeschoten was; dit vermoeden werd versterkt door het groote genot
waarmee hij blijkbaar de oesters tot zich nam en dat zijn oorzaak moest
vinden in hun verkoelende werking bij inwendige verhitting.
»Hier is nog een heerlijke vette, Noah, schat!« zei Charlotte, »proef
eres; toe, deze ééne nog.«
»'n Heerlijk ding, zoo'n oester!« merkte Mr. Claypole op, toen hij de
oester verslonden had. »Jammer, dat je, als je er al te veel van eet,
zoo'n bezwaard gevoel krijgt, hè Charlotte?«
»Ja, dat is zonde en jammer,« zei Charlotte.
»Dat is 't,« stemde Mr. Claypole toe. »Houd jij niet van oesters!«
»Niet bijzonder,« antwoordde Charlotte. »Ik zie ze liever jou eten,
Noah, dan dat ik ze zelf eet.«
»Och!« zei Noah peinzend, »wat gek!«
»Neem er nog één,« zei Charlotte. »Hier is er een met 'n prachtige,
fijne baard!«
»Ik kan er geen meer naar binnen krijgen,« zei Noah. »'t Spijt me
genoeg. Kom hier Charlotte, dan krijg je een zoen.«
»Wat!« riep Mr. Bumble, de kamer binnenstuivend. »Zeg dat nog eens!«
Charlotte stootte een kreet uit en verborg haar gezicht in haar schort.
Claypole, die niet verder van houding veranderde dan door zijn beenen op
den grond te zetten, keek den bode in dronkenmansschrik aan.
»Zeg dat nog eens, gemeene, brutale slungel!« zei Mr. Bumble. »Hoe durf
je zoo iets te noemen? En hoe durf jij hem aan te moedigen, slechte
deern die je bent? Zoenen!« riep Mr. Bumble in hevige verontwaardiging.
»Foei! schaam je!«
»Ik wou 't niet doen,« zei Noah op huilerigen toon. »Zij zoent mij
altijd of ik 't wil of niet.«
»O Noah!« riep Charlotte verwijtend.
»Je doet 't, dat weet je ook wel!« herhaalde Noah. »Ze doet altijd van
die dingen, meneer Bumble; dan strijkt ze me onder m'n kin, gerust
meneer en haalt me op allerlei manieren an.«
»Stilte!« riep Mr. Bumble streng. »Ga naar beneden, meisje. Noah, jij
gaat de winkel sluiten; pas op als je nog één woord zegt, eer je baas
thuis komt en als hij thuiskomt, zeg dan dat meneer Bumble morgenochtend
na 't ontbijt een doodkist voor een oude vrouw in 't Huis wil gezonden
hebben. Hoor je? Zoenen!« riep Mr. Bumble, met zijn handen in de hoogte.
»De zonde en slechtheid van de lagere klassen in deze gemeente is
verschrikkelijk. Wanneer het Parlement geen aandacht schenkt aan hun
verschrikkelijke achteruitgang is ons land geruïneerd en gaat het volk
geheel te gronde!«
Met deze woorden stapte de bode, trotsch en somber het huis van den
lijkbezorger uit.
En nu wij hem zoover op zijn weg naar huis vergezeld en alle
noodzakelijke voorbereidingen voor de begrafenis van de oude vrouw
gemaakt hebben, laat ons nu eenige navraag beginnen naar Oliver Twist en
ons er van overtuigen, of hij nog in de greppel ligt, waar Toby Crackit
hem achterliet.