Oliver loopt naar Londen--hij ontmoet onderweg een zonderling
jongmensch.
Oliver kwam bij den slagboom, waar het zijpad eindigde en was opnieuw
op den straatweg. Het was nu acht uur. Ofschoon hij bijna vijf mijlen
van de stad verwijderd was, kroop hij nu eens weg achter de boschjes
en holde dan weer voort, uit angst dat hij vervolgd en ingehaald zou
worden. Tegen twaalf uur ging hij eindelijk bij een mijlpaal zitten om
uit te rusten en begon er voor 't eerst over te denken, waar hij heen
zou gaan en waarvan hij zou leven.
Op de paal, waarbij hij zat, stond in groote letters aangeduid, dat
Londen juist zeventig mijlen ver aflag.
De naam riep een nieuwe reeks denkbeelden in den jongen wakker.
Londen!--die groote stad! Daar zou niemand--zelfs Mr. Bumble niet--hem
vinden! Hij had de oude mannetjes in het armhuis ook dikwijls hooren
zeggen, dat geen flinke jongen in Londen gebrek hoefde te lijden en dat
er in die groote stad middelen bestonden om aan den kost te komen, waar
de menschen, die buiten opgegroeid waren, geen denkbeeld van hadden. Dat
was juist de meest geschikte plek voor een dakloozen jongen, die zou
sterven op straat, als niemand hem voorthielp. Toen deze dingen hem door
het hoofd gingen, sprong hij op en liep weer voort.
Hij had den afstand tusschen hem en Londen nog met volle vier mijlen
verminderd, eer hij bedacht, hoeveel hij nog moest afleggen vóór hij
kon hopen, de plaats van zijn bestemming te bereiken. Terwijl deze
overweging zich aan hem opdrong, hield hij zijn stap een weinig in en
dacht na over de middelen om er te komen. Hij had een korst brood, een
grof hemd en twee paar kousen in zijn bundeltje. Ook had hij een penny
in zijn zak, een geschenk van Sowerberry, toen hij zich bij een of
andere begrafenis bijzonder goed van zijn taak gekweten had. »Een schoon
hemd,« dacht Oliver, »is wel heel prettig en twee paar gestopte kousen
ook, en een penny ook; maar ze geven niet veel als je vijf en zestig
mijl af moet leggen in den winter.« Doch ofschoon Oliver's gedachten
heel vlug en juist waren in het wijzen op moeielijkheden, waren
zij--evenals die van de meeste menschen--volkomen buiten staat eenig
uitvoerbaar middel aan te geven om de moeilijkheden te boven te komen;
dus nadat hij geruimen tijd gedacht had zonder tot een besluit te
komen, hing hij zijn bundeltje over den anderen schouder en sjokte
verder.
Oliver liep dien dag twintig mijlen en kreeg in dien tijd niets over
zijn lippen als de korst brood en een paar teugen water, die hij aan de
huizen vroeg langs den weg. Toen het avond werd, liep hij een weiland
op, kroop onder een hooischelf en besloot daar tot den morgen te blijven
liggen. Eerst was hij angstig, want de wind huilde akelig over de
verlaten velden en hij was koud en hongerig en eenzamer dan ooit te
voren. Doch daar hij doodmoe was van zijn tocht, viel hij spoedig in
slaap en vergat zijn verdriet.
Toen hij den volgenden morgen opstond, was hij koud en stijf en zóó
hongerig, dat hij genoodzaakt was in het eerste dorp, waar hij door
kwam, zijn penny in te ruilen voor een broodje. Hij had niet meer dan
twaalf mijlen afgelegd, toen opnieuw de avond viel. Zijn voeten waren
doorgeloopen en zijn beenen zóó zwak, dat zij onder hem trilden. Een
tweede nacht, in de ijzige vochtige buitenlucht verergerde het gevoel
van moeheid; toen hij den morgen daarna verder wilde gaan, moest hij
zich voortsleepen.
Hij wachtte beneden aan een steilen heuvel tot de postwagen aankwam en
bedelde toen bij de reizigers die buitenop zaten, doch er waren er maar
enkelen, die op hem letten en deze zeiden hem nog, te wachten tot ze op
den heuvel waren en eerst eens te laten zien hoe ver hij hard kon loopen
voor een halve penny. De arme Oliver trachtte den postwagen een eindje
bij te houden, doch door zijn moeheid en doorgeloopen voeten gelukte het
niet. Toen de passagiers dat zagen, staken zij hun halve penny weer in
hun zak en verklaarden dat hij een luie rekel was en niets verdiende; de
postwagen ratelde weg en liet niets als een stofwolk achter.
In enkele dorpen stonden groote borden met de waarschuwing, dat
iedereen die bedelde in deze gemeente, in de gevangenis gezet zou
worden. Oliver keek hier verschrikt naar en was blij, zoo gauw mogelijk
dergelijke dorpen weer uit te zijn. In andere dorpen stond hij bij de
herbergen en keek iederen voorbijganger treurig aan; een handelwijze,
die gewoonlijk daarmee eindigde, dat de waardin aan één van de
rondslenterende postjongens beval, dien vreemden jongen weg te jagen,
want ze wist zeker, dat hij een of ander weg kwam kapen. Als hij aan een
boerderij bedelde, was het tien tegen één, dat de boer dreigde den hond
op hem los te laten, en als hij zijn neus in een winkel stak, praatten
ze over den veldwachter--dit deed Oliver het hart in de keel kloppen;
gedurende vele uren was dit dikwijls het eenige wat hij in de keel
kreeg.
Wanneer een goedhartige tolbaas en een wandelende oude dame er niet
geweest waren, zou aan Oliver's lijden een eind zijn gekomen op dezelfde
wijze, waarop dat van zijn moeder eindigde; met andere woorden, hij zou
stellig en zeker dood zijn neergevallen op den koninklijken straatweg.
Maar de tolbaas gaf hem een maal brood met kaas en de oude vrouw, die
een verongelukten kleinzoon zwervende had in een of ander ver oord van
de wereld, had medelijden met het arme weesje en gaf hem het weinige dat
ze missen kon--en meer nog--met zulke teedere, hartelijke woorden en
zooveel tranen van deernis en mededoogen, dat zij dieper indruk maakten
op Oliver's hart, dan al het lijden dat hij had ondergaan.
Vroeg in den zevenden morgen, nadat hij zijn geboorteplaats verlaten
had, strompelde Oliver langzaam het stadje Barnet binnen. De luiken
waren nog overal voor de ramen, de straat was verlaten, geen ziel was
nog wakker voor het dagwerk. De zon verrees in al haar stralende
schoonheid, doch het licht diende alleen om den jongen, die met
bloedende voeten en overdekt met stof op een stoep zat, zijn eigen
hopeloozen toestand en verlatenheid kenbaar te maken.
Langzamerhand gingen de luiken open, de gordijnen werden opgetrokken
en er begonnen menschen voorbij te komen. Enkelen bleven staan om
Oliver een oogenblik aan te kijken, of keerden zich om, om onder het
voorthaasten naar hem te zien, maar niemand hielp hem of nam de moeite,
te vragen hoe hij hier kwam. Hij had den moed niet te bedelen. Dus bleef
hij zitten.
Een tijdlang bleef hij op de stoep gehurkt zitten, zich verwonderend
over het groot aantal herbergen, (in Barnet was om het andere huis een
herberg, groot of klein); lusteloos keek hij naar de postwagens, die
voorbijkwamen en dacht er over, hoe vreemd het was, dat die wagens in
enkele uren met gemak hetzelfde konden doen, waarvoor hij zich een week
lang had ingespannen met een moed en vastberadenheid, die boven zijn
leeftijd uitgingen. Plotseling werd zijn aandacht getrokken door een
jongen, die na hem een oogenblik te voren onverschillig voorbij te
zijn geloopen, omgekeerd was en hem nu aan den overkant van de straat
aandachtig stond op te nemen. Eerst schonk hij er weinig aandacht aan,
maar de jongen bleef hem zoo lang strak aankijken, dat Oliver het hoofd
ophief en hem zijn strakken blik teruggaf. Hierop stak de jongen de
straat over, ging naar Oliver toe en zei:
»Hallo, kuikentje, wat scheelt der an?«
De jongen, die deze vraag tot den zwerveling richtte, was ongeveer van
denzelfden leeftijd, maar hij zag er zoo zonderling uit als Oliver nog
nooit een jongen gezien had. Hij had een gewoon jongensgezicht, met een
stompen neus en een terugwijkend voorhoofd, hij was zoo vuil als men
maar wenschen kan en hij had de manieren en gebaren van een volwassen
man. Hij was klein voor zijn leeftijd, had kromme beenen en kleine,
stekende, leelijke oogjes. Zijn hoed stond op 't topje van zijn hoofd,
alsof hij er ieder oogenblik dreigde af te vallen--en dit zou ook zeker
gebeurd zijn, wanneer de eigenaar niet met een zekere handigheid nu en
dan den hoed een ruk had gegeven, die hem weer op zijn plaats bracht.
Hij had een mannejas aan die hem op de hielen hing. De mouwen had hij
tot halfweg zijn armen opgeslagen, om zijn handen vrij te krijgen,
klaarblijkelijk met geen ander doel dan ze in de zakken van zijn
bombazijnen broek te steken, want daar hield hij ze. Alles met elkaar
zag hij er uit als het meest zwetsende, pocherige heertje van vier voet
zes of nog minder, dat ooit in laarzen stond.
»Hallo kuikentje, wat scheelt der an?« vroeg dit zonderlinge jongmensch
aan Oliver.
»Ik ben zoo moe en ik heb zoo'n honger,« antwoordde Oliver, terwijl
onder het spreken de tranen hem in de oogen kwamen. »Ik heb een heel
eind geloopen. Ik heb zeven dagen geloopen.«
»Zeven dagen geloopen!« herhaalde het jongmensch. »O, ik snap 't al. Je
moest voor de steekneus, niet? Maar,« voegde hij er bij, terwijl hij
Olivers verwonderden blik opmerkte, »ik denk, dat je niet eens weet wat
'n steekneus is, slimmerd, die je bent!«
Oliver antwoordde schuchter, dat hij wel eens met dat woord over een
vogel had hooren spreken.
»Nee maar, wat 'n groene ben jij!« riep de ander uit. »'n Steekneus,
dat is 'n rechter, en als je voor de steekneus loopt, dan kom je niet
vooruit, maar je gaat altijd na de hoogte en nooit niet na benejen. Ben
je al eens in de molen[1] geweest?«
[1] De tredmolen. Vert.
»Welke molen?« vroeg Oliver.
»Welke molen? Wel de molen--_de_ molen, die zoo weinig plaats inneemt,
dat ie in 'n steenen huisje werkt en die altijd 't best draait als het
de menschen niet voor den wind gaat; als de wind draait krijgt de molen
geen werklui. Maar kom,« zei 't jongmensch, »je moet wat te bikken
hebben en je zal 't hebben. Ik zit zelf op zwart zaad, niet meer as een
paar spie, maar, ik zal es putten. Hup! sta op je stelten! Vooruit dan!
Voorwaarts!«
Het jongmensch hielp Oliver opstaan en nam hem mee naar een winkel in de
buurt, waar hij een flink stuk ham en een broodje kocht; de ham werd
voor stof en vuil bewaard door de vernuftige uitvinding, een holte in
het broodje te maken en daar de ham in te stoppen. Met het brood onder
den arm ging het jongmensch een klein kroegje binnen en liep vooruit
naar een vertrekje achter de gelagkamer. Hier werd op verlangen van het
geheimzinnige jongmensch een pot bier gebracht. Uitgenoodigd door zijn
nieuwen vriend, tastte Oliver toe en deed zich een heelen tijd te goed
aan het maal, terwijl de vreemde jongen hem van tijd tot tijd opmerkzaam
aankeek.
»Op weg naar Londen?« vroeg de vreemde jongen, toen Oliver eindelijk
klaar was.
»Ja.«
»Ben je daar thuis?«
»Nee.«
»Geld?«
»Nee.«
De vreemde jongen floot en stopte zijn armen zoo ver in zijn zakken als
de wijde jasmouwen toelieten.
»Woon jij in Londen?« vroeg Oliver.
»Ja. Als ik thuis ben,« antwoordde de jongen. »Je moet vannacht zeker
een slaapplaats hebben, niet?«
»Ja,« antwoordde Oliver. »Ik heb niet onder een dak geslapen, sinds ik
op weg ben.«
»Maak je daar maar niet ongerust over,« zei het jongmensch. »Ik mot
vanavond in Londen zijn, en ik weet 'n knappe ouwe meneer die daar
woont, daar ken je voor niks slapen; die meneer zal je nooit 'n cent
vragen--ten minste als je bij hem wordt gebracht door iemand die hij
kent. En kent hij mij niet? O nee! Heelemaal niet! Volstrekt niet! Wel
nee!«
Het jongemensch glimlachte, als om aan te duiden, dat de laatste zinnen
lichtelijk ironisch bedoeld waren en dronk ondertusschen zijn pot bier
leeg.
Het onverwachte aanbod van een slaapgelegenheid was te verleidelijk om
afgeslagen te worden, vooral toen het onmiddellijk gevolgd werd door de
mededeeling, dat de bewuste oude heer ongetwijfeld in minder dan geen
tijd Oliver aan een betrekking zou helpen. Dit leidde tot een meer
vriendschappelijk en vertrouwelijk gesprek, waarbij Oliver te weten
kwam, dat zijn vriend Jack Dawkins heette en dat hij de bijzondere
lieveling en protégé was van den ouden heer voornoemd.
Het uiterlijk van jongeheer Dawkins legde niet juist een gunstige
getuigenis af omtrent de voordeelen, die de belangstelling van zijn
beschermer opleverde voor hen die hij onder zijn bescherming nam, doch
daar hij er een loszinnige en liederlijke manier van spreken op nahield
en verder bekende hoe hij onder zijn vrienden bekend stond met den
bijnaam van »de Slimme Vos,« kwam Oliver tot het besluit, dat de jongen
een onverschillig en slecht karakter had, zoodat de zedelijke
voorschriften van zijn weldoener tot nu toe aan hem verspild waren.
Onder dezen indruk besloot hij in stilte, te trachten zich zoo spoedig
mogelijk de tevredenheid van den ouden heer te verwerven, en als hij
bevond, dat de Vos onverbeterlijk was, wat hij half en half vermoedde,
voor de eer van zijn verderen omgang te bedanken.
Daar Jack Dawkins er op tegen had, vóór den avond in Londen te komen,
was het bijna elf uur toen zij de tol bij Islington bereikten. Zij
sloegen St. John's Road in, liepen het nauwe straatje door dat bij
Sadler's Wells Theatre eindigt, door Exmouth Street en Coppice Row,
langs het poortje opzij van het armhuis, over de klassieke plaats, die
eens den naam droeg van Hockley-in-the-Hole, vandaar naar Little Saffron
Hill en zoo naar Saffron Hill the Great, waar de Vos met vlugge stappen
doorheen holde, Oliver bevelend vlak achter hem te blijven. Ofschoon
Oliver werk genoeg had om zijn gids in het oog te houden, kon hij niet
nalaten, in het voorbijgaan nu en dan een haastigen blik naar beide
zijden te werpen. Nooit had hij een smeriger, ellendiger oord gezien. De
steeg was nauw en modderig en de lucht bezwangerd met walgelijke geuren.
Er waren verscheidene kleine winkeltjes, maar de eenige winkelvoorraad
scheen in kleine kinderen te bestaan, die zelfs op dit nachtelijk uur in
en uit de deuren kropen of binnen aan het schreeuwen waren. De eenige
huizen, die er te midden van het algemeene verval goed aan toe schenen
te zijn, waren de herbergen en daarbinnen waren Ieren van het minste
slag uit alle macht aan 't ruzie maken. Overdekte poortjes en
binnenplaatsen, die hier en daar op de hoofdstraat uitkwamen, borgen
kleine groepen huizen, waar dronken mannen en vrouwen zich letterlijk
wentelden in vuil, en uit verschillende deuren slopen groote, ongunstig
uitziende kerels, die naar hun uiterlijk te oordeelen niet veel goeds in
hun schild voerden.
Oliver dacht er juist over, of het niet beter was weg te loopen, toen
zij aan 't eind van de steeg waren. Zijn geleider greep hem bij den arm
en duwde de deur open van een huis bij Field Lane; hij trok hem in de
gang en sloot de deur achter hem.
»Wie daar?« riep een stem van achteren, in antwoord op een fluitje van
de Vos.
»Hoog spel,« was het antwoord.
Dit scheen een wachtwoord of teeken te zijn, dat alles goed was, want
aan het eind van de gang verscheen de zwakke glans van een kaars en
waar de leuning van de vroegere keukentrap was weggebroken, kwam het
gezicht van een man te voorschijn.
»Jullie bent met je tweeën,« zei de man, stak zijn kaars meer naar voren
en hield de hand boven zijn oogen. »Wie is de andere?«
»'n Nieuw lid,« antwoordde Jack Dawkins, Oliver vooruit duwend.
»Waar komt hij vandaan?«
»Van Groenland. Is Fagin boven?«
»Ja, hij zoekt de lappen uit. Vooruit maar!«
De kaars werd teruggehaald en het gezicht verdween.
Oliver tastte met zijn ééne hand langs den muur, terwijl de andere
stevig door zijn geleider werd vastgehouden; zoo steeg hij met veel
moeite de donkere, uitgesleten trap op. Zijn geleider ging naar boven
met een gemak en behendigheid, die er op wezen, dat hij hier gewend was.
Hij gooide de deur van een achterkamer open en trok Oliver achter zich
naar binnen. De muren en de zoldering van de kamer waren volkomen zwart
door vuil en ouderdom. Voor het vuur stond een ongeverfde tafel, waarop
een kaars, in den hals van een bierflesch gestoken, twee of drie tinnen
bekers, een broodje, boter en een bord. In een braadpan, die op het vuur
stond en met een touw aan den schoorsteenmantel was vastgemaakt, lagen
eenige worstjes te braden; een stokoude, gerimpelde Jood stond met een
lange vork in zijn hand over de pan heengebogen; zijn schurkachtig,
terugstootend gezicht werd overschaduwd door een dikke bos warrelig rood
haar. Hij had een vettige flanellen kamerjapon aan, die zijn hals bloot
liet, en scheen zijn aandacht te verdeelen tusschen de braadpan en den
kleerenhanger, waarover een menigte zijden zakdoeken hingen.
Op den grond lagen naast elkaar verscheidene slordige slaapplaatsen,
van oude zakken gemaakt. Om de tafel zaten vier of vijf jongens, niet
ouder dan de Vos, die lange pijpen rookten en drank dronken alsof zij
mannen van middelbaren leeftijd waren. Zij drongen allen om hun kameraad
heen, terwijl deze den Jood enkele woorden influisterde; toen keerden
zij zich om en keken grinnikend naar Oliver. De Jood deed het ook, met
zijn vork in zijn hand.
»Dat is hij, Fagin,« zeide Jack Dawkins, »mijn vriend Oliver Twist.«
De Jood grinnikte; hij maakte een diepe buiging voor Oliver, nam zijn
hand en hoopte, dat hij de eer zou hebben, nader met hem kennis te
maken. Hierop kwamen de jongelui met de pijpen om hem heen staan en
schudden heel hard zijn beide handen--vooral die, waarin hij zijn
bundeltje hield. Eén van de jongelui beijverde zich om zijn pet op te
hangen, een ander was zoo vriendelijk, zijn handen in zijn zakken te
steken, om hem, nu hij zoo moe was, de moeite te besparen, ze zelf leeg
te maken als hij naar bed ging. Waarschijnlijk zouden deze beleefdheden
zich nog veel verder uitgestrekt hebben, wanneer de Jood niet met milde
hand zijn vork op de hoofden en schouders der gedienstige jongelui had
laten spelen.
»We zijn heel blij je te zien, Oliver--heel blij,« zei de Jood.
»Vos, neem de worstjes van het vuur en zet er een ton bij, voor Oliver.
O, je kijkt naar de zakdoeken, is 't niet? Dat zijn er heel wat, niet?
We hebben ze net uitgezocht voor de wasch; dat is alles Oliver, dat is
alles. Ha! ha! ha!«
[Illustratie: EEN STOKOUDE, GERIMPELDE JOOD STOND MET EEN LANGE VORK IN
DE HAND BIJ DE PAN.]
Het laatste gedeelte van deze toespraak riep bij al de veelbelovende
leerlingen van den vroolijken heer een schaterende lachuitbarsting te
voorschijn. Zij lachten nog terwijl zij aan het avondeten gingen.
Oliver at zijn deel op en de Jood mengde voor hem een glas heete
jenevergroc, met de bijvoeging dat hij het dadelijk op moest drinken,
omdat een van de andere heeren het glas moest hebben. Oliver deed zooals
hem werd bevolen. Dadelijk daarop voelde hij hoe hij zachtjes werd
opgetild en op één van de zakken neergelegd, en toen zonk hij in diepen
slaap.