Oliver blijft weerbarstig.
Noah Claypole holde zoo hard hij kon door de straten, hij bleef geen
oogenblik staan om adem te scheppen, eer hij bij de poort van het
armhuis was. Nadat hij hier een paar minuten rust had genomen om zich
voor te bereiden tot een indrukwekkende vertooning van tranen en snikken
en ontdaanheid, klopte hij hard op de poort; de oude verpleegde, die
opendeed, zag zulk een ongelukkig gezicht vóór zich, dat zelfs hij, die
ten allen tijde ongelukkige gezichten om zich heen zag, verwonderd
opkeek.
»Wat is er met den jongen?« vroeg de oude man.
»Meneer Bumble! Meneer Bumble!« riep Noah, met goedgespeelde ontroering
en op zoo luiden, angstigen toon, dat deze niet alleen het oor van
Mr. Bumble, die toevallig in de buurt was, bereikte, doch den man
zóó deed ontstellen, dat hij den tuin inliep zonder zijn steek.--Dit
buitengewone, opmerkelijke voorval toont aan, dat zelfs een bode,
voortgedreven door een plotselingen, machtigen impuls, overvallen kan
worden door een tijdelijk verlies van zelfbeheersching en het vergeten
van zijn persoonlijke waardigheid.
»O meneer Bumble, o meneer!« zei Noah. »Oliver.... meneer.... Oliver
is....«
»Wat? Wat?« viel Mr. Bumble in, met een glans van genoegen in zijn koude
oogen. »Hij is toch niet weggeloopen, hij is toch niet weggeloopen,
Noah?«
»Nee meneer, nee. Niet weggeloopen, maar hij is gek geworden,«
antwoordde Noah. »Hij wou me vermoorden, meneer; en toen wou hij
Charlotte vermoorden en toen de juffrouw. O, wat doet 't 'n pijn! Om van
dood te gaan, meneer!«
Hier wrong en draaide Noah zijn lichaam in uitgezochte, aalachtige
bewegingen, waarmee hij Mr. Bumble te verstaan wilde geven, dat hij uit
Oliver's hevigen, ontzettenden aanval verschillende inwendige kneuzingen
en verwondingen had behouden, die hem op dit oogenblik de
verschrikkelijkste folteringen deden uitstaan.
Toen Noah zag, dat zijn mededeeling Mr. Bumble met stomheid sloeg,
trachtte hij de uitwerking te versterken door nog tienmaal luider dan te
voren te klagen over zijn verwondingen, en toen hij een heer met een wit
vest over de plaats zag loopen, werden zijn klaagliederen droever dan
ooit; hij begreep instinctmatig, dat het zeer doeltreffend zou zijn, de
aandacht te trekken van genoemden heer en zijn verontwaardiging op te
wekken.
De opmerkzaamheid van den heer met het witte vest was spoedig opgewekt,
want hij had nog geen drie passen gedaan of hij keerde zich geërgerd om
en vroeg waarom die jongen daar zoo stond te janken, en waarom Mr.
Bumble hem niet iets toediende, dat zijn vrijwillige noodkreten in
onvrijwillige zou veranderen.
»'t Is een arme jongen van de armenschool, meneer,« antwoordde Mr.
Bumble, »die bijna vermoord is--heusch, meneer, bijna vermoord--door
Oliver Twist.«
»Wel heb ik ooit!« riep de heer met het witte vest uit, terwijl hij
staan bleef. »Dat heb ik wel gedacht! Ik had van 't begin af een duister
voorgevoel, dat die onbeschaamde jonge woesteling nog eens aan de galg
zou komen!«
»En hij heeft ook geprobeerd de dienstbode te vermoorden,« zei Mr.
Bumble met aschgrauw gelaat.
»En zijn juffrouw,« viel Claypole in.
»En zijn baas ook; zei je dat niet, Noah?« vroeg Mr. Bumble.
»Nee, die is uit, anders zou hij hem vermoord hebben,« antwoordde Noah.
»Hij zei dat hij 't zou doen.«
»Wat? Zei hij, dat hij 't doen zou?« vroeg de heer met het witte vest.
»Ja meneer,« antwoordde Noah. »En meneer, de juffrouw vraagt, of meneer
Bumble dadelijk mee zou kunnen gaan om hem een pak slaag te geven. Want
de baas is uit.«
»Zeker, beste jongen, zeker,« zei de heer met het witte vest; hij
glimlachte genadig en streelde Noah over zijn hoofd, dat zoowat drie
duim boven het zijne uitstak.
»Je bent een goede jongen, een heel goede jongen. Hier heb je een penny.
Bumble, ga naar Sowerberry en neem je stok mee en kijk wat er gedaan kan
worden. Ontzie hem niet, Bumble.«
»Dat zal ik zeker niet, meneer,« antwoordde de bode, en maakte het
pikdraad los, dat om het ondereind van zijn stok was gewonden om bij
openlijke strafoefeningen gebruikt te worden.
»Zeg aan Sowerberry, dat hij hem ook niet ontzien moet. Zonder ranselen
maken ze nooit iets van hem,« zei de heer met het witte vest.
»Ik zal er voor zorgen, meneer,« antwoordde de bode.
Daar steek en wandelstok nu naar den zin van hun eigenaar waren
uitgerust, begaven Mr. Bumble en Noah Claypole zich met allen spoed naar
de werkplaats van den lijkbezorger.
Hier was niet de minste verbetering in den toestand gekomen. Sowerberry
was nog niet thuis en Oliver schopte met onverminderde woede tegen de
deur van het kolenhok. De verhalen van zijn razernij, verteld door
juffrouw Sowerberry en Charlotte, waren zoo verbijsterend, dat Mr.
Bumble het voorzichtig oordeelde, te onderhandelen, eer hij de deur
opendeed. Met dit doel gaf hij bij wijze van inleiding een schop tegen
den buitenkant, toen bracht hij zijn mond voor het sleutelgat en zeide
op lagen, indrukwekkenden toon:
»Oliver!«
»Toe, laat mij er uit!« antwoordde Oliver aan den binnenkant.
»Ken je deze stem, Oliver?« vroeg Mr. Bumble.
»Ja,« antwoordde Oliver.
»Ben je er niet bang voor? Beef je niet, terwijl ik spreek?« vroeg Mr.
Bumble.
»Nee!« antwoordde Oliver driest.
Dit antwoord, zoo verschillend van wat hij verwacht had te zullen
uitlokken en gewend was te hooren, deed Mr. Bumble niet weinig versteld
staan. Hij deed een stap terug van het sleutelgat, richtte zich in zijn
volle lengte op en keek in stomme verbazing van den één der drie
toehoorders naar den ander.
»Ziet u, meneer Bumble, hij moet gek zijn,« zei juffrouw Sowerberry.
»Een jongen, die maar half zijn verstand bij elkaar had, zou zoo niet
tegen u durven spreken.«
»'t Is geen waanzin, juffrouw,« hernam Mr. Bumble na een oogenblik van
diep nadenken. »'t Is het vleesch.«
»Wat?« riep juffrouw Sowerberry.
»Het vleesch, juffrouw, het vleesch,« herhaalde Bumble met ernstigen
nadruk. »U heeft hem overvoerd, juffrouw. U heeft kunstmatig de ziel en
den geest in hem wakker geroepen, en dat past niet voor een mensch in
zijn omstandigheden; de Regenten, die philosofen van het praktische
leven zijn, zullen u dat wel verklaren. Wat hebben armen met ziel of
geest te maken? 't Is meer dan genoeg, dat wij hun lichamen in het leven
houden. Als u die jongen bij de pap had gehouden, zou dit nooit gebeurd
zijn.«
»Och lieve hemel!« riep juffrouw Sowerberry uit en hief met vroom gebaar
haar oogen naar de keukenzoldering, »dat komt er van als je royaal
bent!«
De royaliteit van juffrouw Sowerberry jegens Oliver had daarin bestaan,
dat alle kliekjes en afval, die niemand anders wilde eten, hem met milde
hand toegestopt werden; dus lag er heel wat deemoed en zelf-vernedering
in, dat zij zich vrijwillig boog onder Bumble's zware beschuldiging,
waaraan zij, om haar recht te doen, geheel onschuldig was in gedachte,
woord of daad.
»Ja!« zei Mr. Bumble, toen de dame haar oogen weer naar de aarde wendde,
»het eenige wat naar mijn idee gedaan kan worden, is hem een dagje in
dat hok te laten, tot de honger hem een beetje kalmer heeft gemaakt en
hem er dan uit te halen en hem gedurende zijn leertijd niets anders dan
waterpap te geven. Hij komt uit een slechte familie. De baker en de
dokter zeiden allebei, dat die moeder van hem op den weg naar het huis
pijn en narigheid had uitgestaan, waar elke fatsoenlijke vrouw al weken
te voren aan gestorven zou zijn.«
Toen Mr. Bumble zoover gekomen was, begon Oliver, die juist genoeg
verstond om te weten, dat er weer een of andere toespeling op zijn
moeder werd gemaakt, opnieuw tegen de deur te schoppen met een woede,
die elk ander geluid onhoorbaar maakte. Op dit oogenblik kwam Sowerberry
thuis. Toen Oliver's misdaad hem verteld was, met zooveel overdrijving
als de vrouwen noodig oordeelden om zijn gramschap op te wekken, deed
hij met een ruk de deur van het hok open en sleepte zijn opstandigen
leerjongen bij zijn kraag er uit.
Oliver's kleeren waren gescheurd bij de kloppartij, zijn gezicht was vol
krabben en striemen en zijn haar hing over zijn voorhoofd. Doch de
woede-uitdrukking was niet verdwenen en terwijl hij uit zijn gevangenis
werd gehaald, keek hij Noah driest en donker aan en toonde niet den
minsten angst.
»Nou, jij bent 'n mooie jongen, dat moet ik zeggen,« zei Sowerberry,
schudde Oliver door elkaar en gaf hem een oorvijg.
»Hij schold mijn moeder uit,« zei Oliver.
»Nou, en al deed hij dat, kleine ondankbare rekel,« zei juffrouw
Sowerberry. »Zij verdiende 't en meer nog.«
»Dat is niet waar!« zei Oliver.
»'t Is wel waar!« zei juffrouw Sowerberry.
»'t Is een leugen!« zei Oliver.
Juffrouw Sowerberry barstte in een vloed van tranen uit. Deze
tranenvloed liet Mr. Sowerberry geen keus. Als hij nog één oogenblik
geaarzeld had om Oliver ten strengste te straffen, zou hij--dit moet
elken lezer met eenige ervaring, in verband met alle voorafgaande
huiselijke twisten duidelijk zijn--een onmensch wezen, een onnatuurlijke
echtgenoot, een kwelgeest, een laaghartige man en verschillende andere
liefelijke dingen meer, te veel om in dit hoofdstuk op te noemen. Om
hem recht te doen, moeten wij erkennen, dat hij, zoover als zijn macht
ging--en dat was niet heel ver--den jongen goed gezind was, misschien
omdat dit in zijn eigen belang was, misschien omdat zijn vrouw een hekel
aan Oliver had. Doch de tranenvloed liet hem geen uitweg; dus gaf hij
den jongen maar dadelijk een rammeling, waardoor zelfs juffrouw
Sowerberry tevredengesteld was en die het eigenlijk onnoodig maakte, dat
Mr. Bumble daarna zijn stok nog in werking stelde. Den verderen dag
werd Oliver in de achterkeuken opgesloten in gezelschap van een pomp
en een snee brood. 's Avonds maakte juffrouw Sowerberry eerst buiten
de deur verschillende opmerkingen, die allesbehalve vriendelijk waren
jegens de nagedachtenis van Oliver's moeder; toen keek zij naar binnen
en beval hem, onder scheldwoorden en plagerijen van Noah en Charlotte,
zijn armzalige slaapplaats op te zoeken.
Eerst toen Oliver alleen was gelaten in de stille, sombere werkplaats
van den doodkistenmaker, gaf hij zich over aan de gevoelens, die, zooals
te begrijpen is, door de behandeling van dien dag in hem--kind als
hij nog was--waren opgewekt. Hij had hun hoon aangehoord met een
minachtenden blik; hij had de slagen ondergaan zonder een schreeuw te
geven, want in zijn hart groeide de trots, die, al hadden ze hem levend
geroosterd, elken kreet--ook den laatste--terugdrong. Maar nu, nu
niemand hem kon hooren of zien, nu viel hij op zijn knieën op den grond
en terwijl hij 't gezicht in de handen verborg, schreide hij; mogen zeer
weinigen van ons zóó jong reeds zulke tranen schreien voor het oog van
God! dit verhoede Hij tot eer van het menschelijk geslacht! Een lange
poos bleef Oliver onbewegelijk in deze houding. Toen hij oprees, brandde
de kaars laag in den kandelaar. Nadat hij aandachtig om zich heen had
gekeken en scherp geluisterd, schoof hij zachtjes de grendels van de
deur en keek naar buiten.
Het was een koude, donkere nacht. De sterren schenen, in Oliver's oogen,
verder van de aarde af te zijn, dan hij ze ooit gezien had; er was geen
wind en de sombere schaduwen, door de boomen op den grond geworpen,
schenen doodsch en griezelig in hun roerloosheid. Zachtjes sloot hij de
deur weer. Van het doovende kaarslicht maakte hij gebruik om de enkele
kleedingstukken, die hij had, in een zakdoek te pakken; toen ging hij
op een schaafbank zitten om den morgen af te wachten.
Bij den eersten lichtstraal, die door de openingen in de luiken
binnenviel, stond Oliver op en ontgrendelde opnieuw de deur. Nog één
schuchteren blik in 't rond--één oogenblik van aarzeling--toen had hij
de deur achter zich gesloten en stond op straat.
Hij keek naar rechts en links, onzeker waarheen te vluchten. Hij
herinnerde zich, dat de wagens, als zij de stad uitgingen, den heuvel
opreden. Hij nam denzelfden weg en toen hij bij een voetpad kwam, dat
zooals hij wist eerst door de akkers voerde en dan verder weer op den
grooten weg uitkwam, sloeg hij dit in en stapte flink door.
Oliver herinnerde zich, hoe hij langs datzelfde pad naast Mr. Bumble had
geloopen, toen deze hem 't eerst van het Buitenhuis naar het armhuis
bracht. Zijn weg leidde recht op het Buitenhuis aan. Zijn hart bonsde
toen hij dit bedacht en hij was al half besloten, terug te keeren. Maar
hij had al een heel eind afgelegd en zou veel tijd verliezen als hij 't
deed. Bovendien was het nog zoo vroeg, dat hij weinig gevaar liep gezien
te worden en liep dus door.
Nu was hij bij het Huis. Niemand van de bewoners scheen nog op te zijn.
Oliver bleef staan en keek in den tuin. Een jongen was bezig één van de
perkjes te wieden; toen Oliver stilstond, keek de andere jongen op en
Oliver herkende één van zijn vroegere kameraadjes. Oliver was blij hem
te zien vóór hij wegging, want ofschoon de ander jonger was, was hij
toch zijn vriendje en speelmakkertje geweest. Ze hadden samen slaag
gehad en honger geleden en waren samen opgesloten, vele, vele malen.
»Pst, Dick!« zei Oliver, toen de jongen naar het hek holde en zijn arm
door de tralies stak om hem te begroeten. »Is er al iemand op?«
»Niemand als ik,« antwoordde het kind.
»Je moet niet vertellen, dat je me gezien hebt, Dick,« zei Oliver. »Ik
loop weg. Ze slaan me en mishandelen me, Dick, en ik ga mijn fortuin
zoeken, ergens ver weg. Ik weet niet waar. Wat zie je bleek!«
»Ik heb den dokter hooren zeggen, dat ik gauw dood ga,« antwoordde het
kind met een flauwen glimlach. »Ik ben blij, dat ik je zie, maar blijf
hier niet staan!«
»Jawel, ik wil je even goedendag zeggen,« hernam Oliver. »Ik zie je weer
Dick, dat weet ik zeker. Je zult gezond zijn en gelukkig!«
»Dat hoop ik,« antwoordde het kind. »Als ik dood ben, eerder niet. Ik
weet, dat de dokter gelijk heeft, Oliver, want ik droom zoo dikwijls van
den hemel en van engelen en van lieve gezichten, die ik nooit zie als ik
wakker ben. Geef me een zoen.« De jongen klom op het hekje en sloeg zijn
armpjes om Oliver's hals. »Dag! God zegen je!«
De zegenwensch kwam van de lippen van een kind, doch het was de eerste,
dien Oliver ooit over zijn hoofd had hooren uitspreken; en hij vergat
die nooit, in al den strijd en de smart en de moeiten en lotswisselingen
van zijn volgend leven.