Paul Verlaine.
Holland heeft steeds ten allen tijde voor de Fransche litteratuur groote
belangstelling aan den dag gelegd. Toen de dichter #Paul Verlaine# in
zijn geboorteland nog slechts door een intiemen kring van bewonderaars
gewaardeerd werd, werd hij bij het verschijnen van zijn eersten
dichtbundel hier te lande reeds door velen naar waarde geschat en
begrepen. Men las en genoot zijn gevoelvolle verzen en toen Mr. #van
Hall# en enkele bekende literatoren van ons land een comité wilden
vormen om den dichter naar Amsterdam te doen over komen en hem hier te
huldigen, toonde men zich terstond bereid daaraan gevolg te geven.
Men noodigde den dichter daarop uit voor een uitgelezen gehoor eenige
van zijn laatste gedichten te komen voordragen, doch Paul Verlaine liet
weten, dat door een kortgeleden ziekte zijn middelen hem dit niet
veroorloofden. Terstond werd hem toen zes honderd francs toegezonden met
verzoek den dag en het uur van zijn komst te willen opgeven. Het comité
bestaande uit zes heeren had zich naar het station begeven om den
dichter plechtstatig te ontvangen, terwijl twee open landauers aan den
uitgang de komst van Paul Verlaine verbeidden.
De trein arriveert, de zes heeren snellen naar de wagon eerste
klasse.... Niemand!.... Men zoekt de volgende wagons af, alweer zonder
resultaat. Men maakt zich reeds vol spijt gereed maar weer heen te gaan.
Een slordig uitziend man, in een grijs colbertje met slappen hoed, in
zijn rooden zakdoek wat hemden en boorden geknoopt, loopt zoekende het
perron af en na zich het zweet van zijn ontblooten schedel geveegd te
hebben, roept hij met schorre stem uit.
--Waar zijn die bliksemsche kerels nou, die me zouden opwachten?...
Geheel uit het veld geslagen door de verschijning van dezen ongeschoren,
als een zwerver uitzienden man, besluiten enkelen van het comité er stil
van door te gaan. Een van de heeren offert zich op, daar hij begrijpt
dat men Verlaine, die onze taal natuurlijk niet machtig is, niet aan
zijn lot kan overlaten. Hij schiet zijn overjas aan, slaat snel zijn
kraag op om zijn witte das te verbergen, neemt Verlaine bij den arm en
stopt hem in den hôtelomnibus, terwijl de overige heeren in de gala
rijtuigen plaats nemen. Op deze wijze maakte Paul Verlaine zijn
entrée te Amsterdam.
Maurice Barrès.
Een Hollander was mij in mijn woning te Parijs aan den Boulevard
Hausmann komen opzoeken en na onze zaken beeindigd te hebben, maakten
wij een wandeling in de buurt. Telkens wanneer iemand mij groette of ik
door iemand aangesproken werd, wenschte hij den naam van dien persoon te
weten, zeker om bij zijn terugkeer in Holland te kunnen vertellen, dat
hij aan verschillende beroemdheden te Parijs was voorgesteld.
Toevallig kwamen wij dien middag bij Café de la Paix #Tristan Bernard#
tegen en hoe ik er bij kwam, weet ik zelf niet, bij zijn vraag wie deze
heer met zijn gitzwarten vollen baard was, antwoordde ik: #Maurice
Barrès#.
--Maurice Barrès, van de Académie, kent U die ook al! Ik heb veel van
hem gelezen, zou ik hier ergens zijn portret kunnen koopen?
--Dat denk ik wel.
We slaan de Avenue de l'Opéra in, ik breng hem tot voor het magazijn van
Hautecoeur, waar verschillende photo's van Parijsche beroemdheden
uitgestald liggen en nam toen onder één of ander voorwendsel afscheid
van mijn vraagzieken bezoeker.
Den volgenden dag kwam hij bij mij afscheid nemen.
--Die Parijzenaars denken met vreemdelingen toch maar alles uit te
kunnen halen!.... Verbeeld je, bij mijn vraag naar een portret van
Maurice Barrès biedt men mij een photo van een geheel gladgeschoren heer
aan. Ik zeg natuurlijk, dat ik het portret van Maurice Barrès moet
hebben, dien ik persoonlijk ken en dat ze zich vergissen. De
winkelbediende houdt vol, dat het portret het goede is, waarop ik zoo
nijdig word, dat ik hem toesnauw: "Het geeft geen pas iemand in wien men
den vreemdeling herkent maar wat in de handen te willen stoppen!...."
Woedend verlaat ik het magazijn, terwijl ik zie, dat dat heerschap me
nog uitlacht op den koop toe.
Ik heb mijn Hollandschen vriend nooit meer te Parijs ontmoet, doch mocht
ik hem nog eens tegenkomen, ik denk, dat ik dan beter doe, hem maar
stil te laten doorloopen.
Mme Segond-Wéber.
Deze beroemde Sociétaire van het Théater Français heb ik meerdere malen
met een tooneel-ensemble rondgeleid. Overal speelde zij met het grootste
succes haar lijfrollen "Phèdre", "Andromaque", "Pauline" (Polyeucte) en
"Chimène" (Le Cid). Ook in ons land werd haar komst steeds met verlangen
tegemoet gezien. Daarom verzochten verscheidene directeuren uit de
provincie, die anders niet door mij bezocht werden, ook in hun
schouwburgen een voorstelling te komen geven. Het meest dringend verzoek
ontving ik van den schouwburgdirecteur te Haarlem.
Ik antwoordde hem dat ik wel daartoe te vinden was, mits mij een vast
bedrag gegarandeerd werd, hetgeen hij terstond aannam. Ik zond hem
daarop de text van het affiche, waarop ik omgaand het volgend briefje
ontving:
Meneer Schürmann.
Ik heb niets afgedongen op het bedrag, dat U van mij verlangde voor
de voorstelling van Mme Wéber van de Comédie Française. Ik wil dus
ook niet bedrogen worden. Ik heb U voor Mme Wéber betaald en
vergenoeg mij niet met een tweede Mme Wéber!... (J'ai payé pour
avoir la première, je ne veux pas de la seconde.)
Sacha Guitry.
#Sacha#, de thans reeds zoo beroemde zoon van #Lucien Guitry# is op reis
al even charmant en geestig als hij zich in zijn blijspelen en op de
planken toont.
Ik was zoo onverstandig te meenen dat zijn eigenaardig Parijsch
repertoire ook in het buitenland zou geapprecieerd worden. Ik ondervond
helaas het tegendeel, want het publiek scheen zijn geestigheden niet te
snappen en verliet meermalen reeds den schouwburg vóór z'n stukken
geeindigd waren.
Sacha scheen zich hier weinig van aan te trekken en bleef er doodkalm
bij. Waar hij zich meer ongerust over maakte, dat was over zijn
gezondheid. Hij, die in lichaamsomvang veel van een reus heeft, toonde
zich vaak nog bezorgder dan Molière's "Malade Imaginaire". Hij was dan
ook zoo benauwd zeeziek te worden, dat hij weigerde zich in te schepen,
toen wij van Odessa naar Konstantinopel moesten oversteken. Niets kon
deze dwaze angst wegnemen en ik was verplicht de "tournée" door Turkije
op te geven, die mij misschien schadeloos zou hebben gesteld voor de
verliezen, die ik in Rusland met hem had geleden.
Ik had hem, te Parijs teruggekeerd, een proces kunnen aandoen en
vergoeding kunnen eischen, hetgeen ik evenwel nagelaten heb, omdat ik,
eerlijk gezegd, te veel op zijn vriendschap gesteld was.
Dat wist hij en daarom schreef hij op het titelblad van zijn
tooneelstukken, die hij mij later aanbood:
A. J. J. Schürmann qui m'a fait tourner en Orient et que j'ai
tourné en bourrique, mais amicalement.
_Sacha Guitry._
Hetgeen vrij vertaald met verlies van de geestige woordspeling wil
zeggen: Ter herinnering aan onze reis door het Oosten, waarbij ik je
leelijk den voet heb dwars gezet zonder het te willen.
_S. G._
Maurice Maeterlinck.
Eén mijner belangrijkste en meest succesvolle tournée's is wel die met
#Georgette Leblanc# geweest in de bekende stukken van haar beroemden
echtgenoot.
#Maurice Maeterlinck# vergezelde ons geregeld en overal waar wij
optraden, organiseerde men feesten en soupers hem ter eere. Hij weigerde
echter steeds daaraan deel te nemen behalve te Berlijn en te Praag. Hij
ontving dagelijks stapels brieven van jonge meisjes, die hem om zijn
handteekening of om een korte autografie verzochten en die zich
voorstelden, dat de auteur van "Pelléas en Mélisande" een jong, teer
uitziend, en vooral dichterlijk personage was. Groot was dan ook haar
teleurstelling, toen zij een luidruchtig, zwaarlijvig en ietwat
burgerlijk type te zien kregen, wiens eerste woorden steeds luidden,
wanneer hij in een vreemd hôtel afstapte met zijn geprononceerd Gentsch
accent: "Wat kan ik hier te eten krijgen en wat voor bier wordt hier
geschonken?"
Nimmer heb ik een schrijver onverschilliger voor zijn werk gezien,
wanneer hij eenmaal de laatste hand er aan gelegd had. Op de repetities
zag men hem nooit. Hij stoorde zich evenmin om de "coupures", die men
noodig achtte aan te brengen en stelde ook weinig belang in de
aankleeding van zijn stukken.
Toen in den Gymnase schouwburg door mijn toedoen het eerst "Joyzelle"
werd opgevoerd, is hij het stuk eerst bij de zevende voorstelling komen
bijwonen en toen bleef hij zelfs niet eens tot het einde.
--Na tienen is men nergens zoo goed als in bed!..
Wij speelden "Monna Vanna" te Lodz in Polen. De schouwburg bevindt zich
op de binnenplaats van een complex gebouwen en vlak tegenover is een
badinrichting.
Een heer begeeft zich naar het loket en vraagt "Vanna". De bureaulist
ziet aan zijn kleeding dat hij geen bezoeker voor de fauteuils is en
geeft hem een galerijplaats.
--Hoeveel?
--Een roebel.
--Dat is duur!
--Goedkooper heb ik ze niet.
Na eenige minuten komt deze heer woedend terug.
--Zeg, ben je mal!... Laat je mij een roebel betalen voor een plaats in
een zaal, waar ik een man en vrouw hoor schreeuwen in een taal, waar ik
geen woord van versta, terwijl ik nergens gelegenheid zie om een bad te
nemen, niettegenstaande ik duidelijk om "Vanna" gevraagd heb!..
Mijn bureaulist had gemeend, dat hij "Vanna" wilde zien en vermoedde
niet dat "vanna" op zijn Poolsch "bad" beteekent.
Eens vroeg ik Maeterlinck of hij alleen werkte, wanneer hij zich
geïnspireerd gevoelde?
--Geïnspireerd!.. Als ik daarop moest wachten, kwam er geen woord op
papier!
Björnsterne Björnson.
In samenwerking met #Etienne de la Neuville#, wiens "nom de plume"
#Jacques Lemaire# luidt, had ik een Fransche vertaling van #Bjoernson#'s
"Faillissement" het licht doen zien. #Antoine# besloot het drama in
studie te nemen, nadat wij de vijf bedrijven tot vier ingekort hadden.
Toen de repetities reeds aangevangen waren, schreef Bjoernson.
--Ik zie door deze willekeurige inkorting van mijn stuk, waarover men
mij niet geraadpleegd heeft van mijn auteursrecht af en wil ook niet op
de affiches genoemd worden.
Het drama heeft veel succes. Prachtige verslagen verschijnen in de
dagbladen, terwijl #Antoine# en #Gémier# om strijd geprezen worden.
Terstond telegrafeert Bjoernson.
--Laat mijn naam aankondigen en zend mij omgaand exemplaar der
bewerking.
Sindsdien liet Bjoernson het stuk overal in de nieuwe bewerking
opvoeren, die hij eerst afgekeurd had en nog steeds wordt
"Faillissement" in vier bedrijven vertoond.
Ibsen.
"Hedda Gabler", "Nora" en "Spoken", hetzij door #Duse#, #Agnes Sorma#,
#Suzanne Desprès# of #Antoine# gedurende mijn "tournées" gespeeld,
hadden steeds het grootste succes. Geen wonder, dat toen ik mij in 1903
te Christiana bevond, ik van verlangen brandde met den auteur dier
beroemde stukken kennis te maken. Ik had vernomen, dat #Ibsen# eertijds
gewoon was tegen half drie in het Grand-Hotel zijn middagmaal te
gebruiken, temidden der vele stamgasten en vreemdelingen, niet weinig
trotsch den schrijver van zooveel meesterwerken in hun midden te hebben,
wiens bronzen konterfeitsel op het plein van het "National Teatret"
tegenover dat van Björnsterne Björnson prijkt.
Ik trof het echter slecht. Ibsen kwam al lang niet meer in het
Grand-Hotel, omdat de groote schrijver aan het sukkelen was geraakt en
zijn kamer moest houden. Nog steeds waren zijn hersenen even gezond als
in vroeger dagen, doch zijn gedachten in woorden omzetten scheen hij
verleerd en hij sprak geheel andere woorden, dan hij wilde bezigen.
Wanneer hij bijvoorbeeld iemand een stoel aanbood, zei hij: "neem een
sigaar".
Eerst hadden deze vergissingen hem woedend gemaakt, zeer tot nadeel van
zijn gezondheid. Daarom had zijn familie besloten hem zoo weinig
mogelijk uit te laten gaan en verboden dat hij bezoekers ontving. Deze
afzondering van de wereld had den bejaarden schrijver melancholiek
gestemd. Hij, die gewoon was door de menigte toegejuicht te worden, kon
zich niet goed aan deze kalmte wennen.
Als bewijs hoezeer hij op publieke hulde gesteld was, diene volgende
bijzonderheid.
Zoodra Ibsen een stuk geëindigd had, meldden alle kranten van Christiana
met vette letters: "Hendrik Ibsen heeft een nieuw stuk voltooid. Morgen
tegen tien uur zal hij het manuscript naar den schouwburg brengen."
Wanneer dan de schrijver den volgenden dag op het vastgestelde uur
deftig en met afgemeten passen zijn manuscript opgerold in de
rechterhand zich naar den schouwburg begaf, stond het publiek aan
weerszijden van den weg "en haie" opgesteld. Zoodra Ibsen zijn stuk
afgegeven had en huiswaarts keerde, begonnen de toeschouwers, die tot
nog toe zich kalm hadden gehouden luidkeels te juichen. Ibsen wuifde hen
met de hand toe en glimlachte zelfbewust zijn roemvollen taak van
apostel volbracht te hebben.
Zijn familie had nu het volgende verzonnen om hem van de hulde te laten
genieten waaraan hij zoozeer gewoon was. Daar hij zich niet meer in het
publiek bewoog, dekte men de tafel vlak vóór het venster van de eerste
étage zijner woning, die links van het paleis van koning Oscar II aan
den wandelweg gelegen was.
Zoodoende konden de inwoners van Christiania hun afgod aan het
middagmaal zien zitten en hiervan was ik op mijn beurt eveneens getuige.
De oude meester zag er nog kranig uit. Zijn hoogrood gelaat werd door
zijn sneeuwwitte haren en baard waardig omlijst en men kon hem niet
aanzien, dat hij lijdende was. Zijn dochter naderde hem en fluisterde
hem iets in het oor: Ibsen stond toen op, wuifde met zijn servet naar
het publiek, waarna de gordijnen werden neergelaten. De voorstelling was
afgeloopen...
Gabriele d'Annunzio.
d'Annunzio is een trouw bezoeker van Parijs en men weet, dat hij zijn
laatste tooneelstuk in het Fransch heeft geschreven. Hij is op en top
een "charmeur" en wie hem heeft leeren kennen of onder zijn gehoor is
geweest, moet toegeven, zelfs al is men geen vriend van zijn werk, dat
er een bijzondere bekoring van hem uitgaat, terwijl men verbaasd staat
over zijn uitgebreide kennis en artistieken smaak.
Meermalen ben ik met verschillende gezelschappen in Athene geweest en
heb bij die gelegenheid den Acropolis en het Parthenon bezocht, zonder
evenwel sterk onder den indruk der schoonheden van het oude Griekenland
te komen. Die grauwe bergen, de onverdraaglijke stof, de vele kopieën
van standbeelden,--de echte bevinden zich grootendeels te Londen in het
Britsch-Museum--lieten mij vrijwel koud, zoodat ik mij veel liever naar
Phalera aan zee begaf, waar ik tenminste van de frissche lucht kon
genieten.
Tijdens onze omzwervingen met #Eleonora Duse# en haar gezelschap door
Europa, vergezelde de schrijver van "La Gioconda", "la Gloria" en "Il
Sogno" zijn beroemde en geliefde ster. Toen wij te Athene kwamen vroeg
Annunzio mij hem naar den Acropolis te vergezellen. Veel lust toonde ik
om bovengenoemde redenen nu juist niet.
--Als het je niet interesseert, dan heb je er ook niets van begrepen en
gezien. Ik wil niet dat je Athene met zoo'n oordeel weer den rug
toekeert. Ga met me mee en je zult je tocht niet berouwen.
Daar viel niet veel tegen in te brengen en samen bestegen we het
Parthenon.
Dien dag zal ik niet licht vergeten, al ontbreekt mij het talent mijn
gevoelens in schoone woorden om te zetten. Gedurende vier uur luisterde
ik met één en al verrukking naar zijn woorden, toen hij het roemrijke
verleden van Hellas uit het stof wist te doen herrijzen. Ik leefde
wederom de heldendaden der oude Grieken mee en door zijn dichterlijke
verklaringen kwam het mij voor als of ik naast den ouden, blinden
#Homerus# liep, dien onuitputtelijken verteller van Grieksche sagen, nu
een tweede dichter als #Gabriele d'Annunzio# opnieuw aan mijn verrukte
oogen deze wonderen uit het grijze verleden wist te verklaren.
Osman Pacha.
Toen =Abdul-Hamid= over Turkije nog den scepter zwaaide, werden de
buitenlandsche gezelschappen, die Konstantinopel aandeden, vaak op hoog
bevel uitgenoodigd te Yildiz Kiosk op te treden.
Een voordeel was dit overigens niet, hetgeen uit het volgende blijken
zal.
De sultan had voor deze privé-voorstellingen naar gelang van haar
beteekenis veel over, alleen gingen zijn "cachets" door zooveel handen,
dat de belanghebbende directie er hoogstens een vierde van ontving.
Toen Osman Pacha, de held van Plewna, mij dan ook verzocht in het Paleis
van den Sultan een voorstelling te komen geven met het
vaudeville-gezelschap, waarvan #Valentine Joissant# de ster was, had ik
daar ternauwernood ooren na, omdat ik in den Winterschouwburg "des
Petits-Champs" van de hoofdstad meer kon verdienen. De beroemde
generaal begreep niets van mijn terughoudendheid en drong er op aan de
reden te vernemen.
Ik deelde hem mee, dat ik door mijn vroegere ervaringen steeds geld bij
zoo'n voorstelling ten paleize had moeten bijpassen, waarop hij mij
verzekerde, dat hij er borg voor bleef, dat ik het volle bedrag, door
den sultan vastgesteld zonder één enkele korting zou ontvangen.
Hieromtrent dus gerustgesteld, besloot ik de "Dame van Maxim" voor deze
gelegenheid te kiezen en de affiches werden met strooken beplakt,
vermeldend, dat de avondvoorstelling eerst om elf uur zou aanvangen,
omdat het gezelschap in het paleis van den sultan dien dag optrad.
De zaal van het paleis bood den gewonen aanblik. De haremdames in de
loges waren aan het oog van de artiesten onttrokken door breede gazen
gordijnen die van den éénen hoek van het balcon naar den anderen waren
gespannen, terwijl neger-eunuchen de toegangen bewaarden, gekleed in
lange zwarte overjassen. Alleen de sultan en Osman Pacha zaten in de
zaal. Natuurlijk hadden de artiesten alle moeite van de wereld om in
zoo'n ongezellige omgeving behoorlijk hun rollen te vertolken en wat
méér zegt, de noodige "entrain" aan den dag te leggen. Het eerste
bedrijf loopt ongestoord af te midden van een doodsche stilte. In het
tweede bedrijf weerklinkt nu en dan het gelach der haremdames, alleen de
sultan verroert zich niet.
Ontmoedigd door zoo weinig bijval, gaf ik onzen regisseur last de pauze
zoo kort mogelijk te maken en terstond met het derde bedrijf aan te
vangen, doch aleer dit gebeurt, komt men mij waarschuwen, dat Osman
Pacha mij wenscht te spreken.
Ik ga naar hem toe.
--Zijne Majesteit is zeer in zijn schik. Het tweede bedrijf staat hem
bijzonder aan. Laat dus het derde weg en laat het tweede nogmaals
opvoeren.
Ik moest dit vreemde verzoek wel opvolgen en had er geen spijt van, want
terwijl ik achter de schermen de zaal inkijk, zie ik een bijna
onmerkbaren lach om de lippen van den heerscher der geloovigen zweven,
den eenigen man ter wereld, die nooit lacht.
Na afloop word ik voor de tweede maal geroepen en ben reeds bezorgd, dat
men mij opnieuw dit bedrijf zal laten spelen. Gelukkig was deze angst
ongegrond.
Een hooge beambte overhandigt mij een zijden beurs vol goud, voorzien
van het keizerlijk zegel.
--Laat het scherm rijzen, zei hij tot mij, en groet zijne Majesteit.
Draag daarbij zorg dat zijne Majesteit zich overtuigen kan, dat men u de
beurs ter hand gesteld heeft en de zegel nog ongeschonden is.
Ik verschijn ten tooneele, buig en toon de zijden beurs.
De sultan staat op, richt zijn kijker naar mij en wenkt mij, dat hij
tevreden is.
Ik open de beurs op mijn bureau. Er zaten vier honderd Turksche ponden
in, de eerste en eenige maal, dat ik in Turkije bij een voorstelling ten
paleize het volle bedrag ontving.
Anna Judic.
Bij een tournée met deze beroemde operette-ster waren wij te Napels
aangekomen en besloten wij de bouwvallen van Pompeï eens van nabij te
aanschouwen. We troffen het echter heel slecht, de doodenstad was
gedurende vier dagen voor bezoekers gesloten, juist zoolang als wij te
Napels zouden vertoeven.
Wat te doen?....
Na een tijdlang ons bedacht te hebben, verzon ik er het volgende op. Ik
bestelde een zeer elegant open rijtuig, waar #Anna Judic#, #Henri
Emmanuel# en #Edouard Georges# in plaats namen, terwijl ik als vierde
met hen mee reed. Als hoofddeksel had ik een echt Turksche "fez"
opgezet.
Voor de poort van Pompeï aangekomen, stapt Emmanuel uit en vraagt den
directeur der opgravingen te spreken.
--De zwager van den Sultan bevindt zich in ons rijtuig en wenscht Pompeï
te bezoeken. We hebben zoo juist vernomen, dat de toegang voor het
publiek gedurende eenige dagen verboden is.
Moet Zijne Keizerlijke Hoogheid naar Napels terug keeren om de
Italiaansche regeering verlof aan te vragen de belangrijke opgravingen
in oogenschouw te nemen en zijn bezoek een dag uitstellen?
--Is die meneer met zijn fez op de zwager van den sultan?
--Juist.
--Spreekt hij Fransch of Italiaansch?
--Geen van beide.
--Laat dan zijn Keizerlijke Hoogheid onder een of ander voorwendsel
eenige minuten geduld hebben, opdat ik mij even kan aankleeden en ik zal
Zijne Hoogheid zelf rondgeleiden.
--Afgesproken, doch laat zijn Hoogheid niet lang wachten.
Binnen enkele minuten kwam de geleerde ingenieur terug, onberispelijk
gekleed, met een hoogen zijden hoed. Hij liet ons alles zien, doch deed
geen mond open. Alleen bij het afscheid nemen, wees hij op zijn
knoopsgat om mij te toonen, dat hij nog nimmer gedecoreerd was.
Ik glimlachte veelbeteekenend en bij het afscheid nemen drukte de
directeur met groot ontzag een kus op mijn hand.
Den volgenden dag vertelden de Napolitaansche bladen van het keizerlijk
bezoek te Pompeï, tot groote verwondering van de Turksche ambassade, die
natuurlijk van niets afwist.
Wat de directeur betreft, hij wacht nog steeds op het lintje van zijn
zwijgenden vorstelijken gast.
Amerikaansche Indrukken.
Mijn tournée door de Vereenigde Staten met #Eleonora Duse# in 1896 is in
alle opzichten voorspoedig geweest, zoowel artistiek als financieel met
uitzondering alleen gedurende ons verblijf te Chicago, waar de groote
actrice niet verkoos op te treden.
Ik had met Mme Duse gecontracteerd voor zestig voorstellingen verdeeld
over New-York, Washington, Boston, Philadelphia, Chicago, Brooklyn,
St.-Louis en Quibec. Den 10en Januari was ik te Hâvre met de "Bretagne"
van de Trans-Atlantische Maatschappij scheep gegaan, terwijl Mme Duse
twee weken later te Liverpool aan boord stapte van de "Majestic". Haar
gezelschap vertrok van Genua met den "Bismarck". 27 April bevonden wij
ons wederom te Parijs, nadat wij den 18en New-York hadden verlaten.
Reeds op de heenreis deed mijn goed gesternte mij kennis maken met den
heer #Malcolm Turner#, chef van de douane, die uit respect voor de
groote kunstenares haar zeven en twintig koffers ongemoeid liet. De heer
#Davis#, vertegenwoordiger van Mr. #Miner#, den directeur van het "Fifth
Avenue Theater", wachtte mij te New-York op en van hem ontving ik een
vingerwijzing, die mij de Amerikaansche manier van optreden en zaken
doen duidelijk verklaarde.
Het was bij mijn aankomst een echt hondenweer geworden. De regen gudste
met stroomen van den hemel, vandaar, dat Mr. Davis een rijtuig aanhield
en den koetsier vroeg:
--Hoeveel van hier naar het Fifth Avenue Theater?
--Drie dollars.
--All right!
In tien minuten waren wij aan onze bestemming aangekomen.
--Hoe nu! riep ik verwonderd uit. U betaalt drie dollar voor zoo'n
kleinen afstand?
--Zeker. Ik heb twee dollar te veel betaald, doch U moet niet vergeten
"time is money". Als ik was gaan afdingen en op mijn stuk was blijven
staan om niet meer dan één dollar te geven, zou de goeie man
geprotesteerd hebben en hoogst waarschijnlijk stonden wij er nog. Nu
zijn we voor den regen geborgen, de man rijdt extra hard. Had ik hem
niet betaald, wat hij mij vroeg, dan zou hij zich niet haasten, zoo
mogelijk iemand aanrijden en hiermee mijn tijd in beslag nemen, dien ik
inderdaad beter kan besteden. Iedereen wil hier veel geld verdienen. In
plaats van ons woedend te maken op hem, die van de omstandigheden
profiteert, bewonderen wij hem integendeel en spitsen wij ons op onze
beurt nog meer te verdienen, zoodra wij in de gelegenheid zijn.
Te Washington--het Versailles van de Vereenigde Staten--maakte ik voor
het eerst kennis met den president #Grover Cleveland#, die Mme Duse en
mij uitgenoodigd had, hem in "La Maison Blanche" te komen bezoeken.
Zijn residentie staat trouwens voor iedereen open, zooals het onder een
waar democratisch bestuur betaamt. Geen schildwacht, geen consigne, die
U den toegang beletten. Wil men den president over de een of andere zaak
persoonlijk spreken, men heeft zich slechts met zijn particulieren
secretaris te verstaan en het onderhoud wordt verleend. Buiten deze
privé audiëntie is de president driemaal per week gedurende een uur
voor iedereen te spreken. Hij staat elkeen zonder onderscheid te woord
en bij het afscheid nemen, reikt hij U de hand.
Groot liefhebber van tooneel had hij met zijn echtgenoote de vijf
voorstellingen van Mme Duse te Washington alle bijgewoond en telkens het
teeken tot applaus gegeven. Bovendien was hij zoo attent geweest, de
loge van onze ster met chrysantemums en witte rozen te laten versieren.
Bij het afscheid nemen bood hij Mme Duse zijn portret met opschrift aan
en bedankte ook mij voor de genotvolle oogenblikken, die haar kunst hem
en zijn eega hadden verschaft.
Een tweede kennismaking, waarop ik niet weinig trotsch ben, was die met
#Thomas Alva Edison#.
Hoewel stokdoof bezocht de geniale uitvinder trouw alle voorstellingen
van Mme Duse en tusschen de koulissen zag ik hoe deze "naieve reus"
geheel in haar spel opging, terwijl zijn droomerige blauwe oogen elk van
haar bewegingen met gespannen aandacht volgden.
Na afloop der voorstelling zond ik hem een portret van La Duse en reeds
den volgenden morgen ontving ik onderstaand schrijven.
Orange, N. Y. March 20, 1896.
Dear Sir.
I beg to advise you that the Photograph of Madame Duse came safely
to hand for which I am very thankful. I enclose you herewith my
photograph for your self and will be very glad to have you come out
and see me. I am very glad to hear that Mme Duse is going to visit
my laboratory.
Yours truly,
_Thos. A. Edison._
Orange Park ligt aan de overzijde van den Hudson. Daar te midden van de
eeuwenoude boomen, die zijn groote werkplaats beschaduwen, zijn die
wonderen gewrocht, die ons dagelijksch leven als het ware hebben
herschapen.
Edison ontving ons hartelijk, eenvoudig. Hij liet ons zijn instrumenten
zien, als gold het de kennismaking met een simpel stuk speelgoed, zonder
den minsten ophef of vertoon. Als groote gunst verzocht hij Mme Duse
haar verliefde smartkreten uit het vijfde bedrijf van "la Dame aux
Camélias" aan één zijner phonograafplaten toe te vertrouwen.
Een handdruk vóór zij heenging, aldus namen die twee geniale
kunstenaars voor goed afscheid van elkander om zich met nieuwen moed te
wijden aan de verheffing van het menschdom.
* * * * *
Niettegenstaande de onderlinge naijver tusschen New-York, Boston en
Philadelphia zijn deze steden het eens in haar verachting voor Chicago.
Een klassieke anecdote is hier het bewijs van.
--Eigenaardig toch, merkte een inwoner van Chicago op. Bij ons worden de
kamers der hoogste verdiepingen steeds het eerst verhuurd.
--Verwondert U dat, luidde het antwoord van iemand uit New-York. Mij
niet, want het is bekend genoeg, dat jullie altijd zoover mogelijk van
elkaar verwijderd trachten te blijven.
Daar elke groote stad in de Vereenigde Staten haar eigenaardig cachet
draagt, valt het den bezoeker van Boston steeds op, hoe vormelijk en
correct de inwoners van Boston zich gedragen. Boston is dan ook de meest
aristocratische stad van het vaste land, het middelpunt van kunsten en
wetenschappen. De inwoners gaan prat er op af te stammen van de helden
der onafhankelijkheid. Zag #Benjamin Franklin# in dit Athene van het
Noorden niet het levenslicht? Toch zijn de straten van Boston verre van
fraai, en twee vergeten begraafplaatsen ontsieren de voornaamste wijk,
de Fremont Street.
* * * * *
Niettegenstaande de grootste artiesten, aangelokt door de hooge
"cachets" den Amerikanen van hun kunst hebben laten genieten, ondanks
het feit, dat de Vereenigde Staten zeer groote kunstenaars hebben
voortgebracht, staat de vertolking der diverse kunstwerken daar steeds
op een zeer laag peil.
New-York heeft twee vaste gezelschappen, waarvan die van #Daly# de
bekendste is, welke troep te Parijs in den Vaudeville-Schouwburg eenige
voorstellingen van #Shakespeare's# "Getemde Feeks" is komen geven. De
overige tooneel-, opera- en concert-combinaties missen elke
homogeniteit. Geen spoor van een duurzaam ensemble, van een hecht
samenspel valt er, in welke hoofdstad ook, aan te wijzen. Alles is
gebaseerd op het z.g. "stersysteem", het donkere punt in het tooneel- en
muziekleven van de Vereenigde Staten.
De grootste instelling te New-York, het "Metropolitan Opera House", dat
terecht een wereldreputatie geniet en waar men voor een stalles plaats
minstens een pond te betalen heeft, geeft tweemaal per week een gala
voorstelling met een "ster", waarbij het entree dan verdubbeld wordt.
Zoo'n "ster", hoe schitterend ook bij stem, kan moeilijk alleen een
voorstelling dragen. Steeds heeft men met hetzelfde euvel te kampen. Er
is geen éénheid. Of de andere solisten zijn minderwaardig, òf de koren
zijn te zwak en zingen valsch. De "mise en scène" lijkt eenvoudig op
niets. (Dit is tegenwoordig heel wat verbeterd) en wat het orkest
betreft, men merkt aan het spel der solisten dat zij hun vak verstaan,
doch zelden wordt er voldoende gerepeteerd en de totaal indruk is al
even bedroevend.
Wie en wat men in Amerika mist? Een man van smaak, één met een ijzeren
wil, een regisseur, die van "wanten" weet, in het kort: een artistieke
leiding.
Louis Bouwmeester.
Mijn vriend #Boucher#, de bekende "sociétaire" der Comédie Française
voelde zich na een 15-jarigen tooneeldienst te vermoeid om langer aan
het Huis van Molière verbonden te blijven. Reeds lang te voren had hij
met mij over zijn afscheidsvoorstelling zitten spreken en naar een
nummer, "clou" gezocht, die aan het programma een bijzonder "cachet" zou
geven.
Daar ik bij een vorig bezoek te Amsterdam in gesprek met Holland's
grootsten tooneelspeler te weten was gekomen, hoe begeerig #Louis
Bouwmeester# was het oordeel van een Parijsch publiek over zijn machtige
kunst te vernemen, viel mij op eens in, dat dit een schitterende
gelegenheid zou zijn om mijn grooten landgenoot een dienst te bewijzen
en tegelijkertijd Boucher aan een trekpleister te helpen, zooals nog
nimmer te Parijs vertoond was. Een Hollandsch acteur in het "Théâter
Français", optredende in zijn eigen taal.
Boucher, geheel meester over het programma, hoewel zelden buitenlandsche
elementen bij zoo'n gelegenheid hun medewerking verleenen, had daar
eerst wel ooren naar. Hij kende Bouwmeester persoonlijk niet, had van
#Got-# en #Mounet-Sully# echter met grooten lof over hem hooren spreken,
doch oordeelde het optreden van een Hollandsch acteur, hoe beroemd in
eigen land, van weinig aantrekkingskracht voor het Parijsche publiek,
vooral wanneer hij een of ander dramatisch gedicht of monoloog in een
vreemde taal zou voordragen.
Natuurlijk gaf ik mijn plan niet terstond op en daar ik in ieder geval
moest weten of Bouwmeester midden in het seizoen van het "Nederlandsch
Tooneel" vrijaf zou kunnen krijgen, de afscheidsvoorstelling zou nl.
kort na de Kerstdagen van 1900 plaats vinden, stelde ik mij schriftelijk
in verbinding met den directeur-gérant van den Stadsschouwburg, den heer
#van Korlaar#. Plotseling kwam ik op het idée Bouwmeester in z'n
schitterrol "Shylock" bij de Parijzenaars te introduceeren, omgeven door
de artiesten van zijn eigen troep, die in brokstukken van
#Shakespeare's# meesterwerk dus als 't ware een afgesloten geheel konden
vertoonen.
Dit denkbeeld liet mij niet meer los. Boucher wist ik thans geheel voor
mijn plan te winnen, vooral toen ik hem meedeelde, dat de geheele
Hollandsche kolonie te Parijs zou kunnen opdagen en daar het Nederl.
Tooneel het praedicaat "Koninklijk" voert, zouden wij aan de pers
volgend "communiqué" kunnen zenden:
"Les comédiens de la Reine de Hollande prêteront leurs secours dans
"Shylock, le Marchand de Venise", tragédie de W. Shakespeare," en dan
"en vedette" de naam van Louis Bouwmeester!...
Toen ik daarop naar Amsterdam kon seinen, dat de Nederl. gezant te
Parijs, Jhr. Ridder #de Stuers# zich eveneens voor dit kunstevenement
interesseerde en den Raad van Beheer met de Hollandsche artiesten in
zijn salon aan de Fransche collega's hoopte te kunnen voorstellen, waren
alle bezwaren als met een tooverslag uit den weg geruimd en begaven zich
de Hollandsche tooneelspelers op Vrijdag 27 Dec. op reis. Reeds hadden
de Parijzenaars kennis kunnen maken met den "Shylock" van #Novelli#, den
grooten Italiaanschen acteur, geen wonder dat de belangstelling hoog
gespannen was en er voor niet minder dan 22.000 francs aan plaatsen
waren genomen.
De voorstelling, die schitterend slaagde werd bijgewoond door den
Minister van Schoone Kunsten, den heer #Leygues#, die na afloop den
Nederlandschen gezant verzocht Louis Bouwmeester mee te deelen, dat hij
hem de palmen van "Officier d'Académie" verleende. Voorwaar een
onderscheiding op het slagveld gewonnen!
Reisherinnering aan Havana.
Niets is interessanter dan een groote sigarenfabriek te Havana te
bezoeken.
In Europa meent men algemeen dat elk bekend merk het eigendom is van den
fabrikant. Toch is dat niet zoo. "Henry Clay", "Bock", "Corona",
"Cubanas" en een twintigtal andere merken behooren aan één groote
Amerikaansche tabaktrust. De benaming en hun handelswaarde verschillen,
de tabak is echter steeds dezelfde. Alleen de firma's #Upmann# en
#Rodriguez Arguêlles# ("Romeo y Julietta") en nog drie of vier andere
maken geen deel van deze trust uit, werken voor eigen rekening en hebben
een eigen plantage.
Het salaris der werklieden dat door de trust uitbetaald wordt, varieert
tusschen de 10 à 200 dollar per 1000 sigaren, dit verschil zit hem
voornamelijk in vorm, grootte en kwaliteit der sigaren. De trust levert
dagelijksch 4 à 5 honderd duizend sigaren, waarvan zij jaarlijks niet
minder dan 120 à 150 millioen exporteert.
De minimale verkoopprijs is 180, de maximale 7500 frs. per mil. Het huis
Rodriguez Arguêlles alleen exporteert reeds 20 à 24 millioen sigaren,
merk "Romeo y Julietta". Het exportcijfer van Upmann stemt daarmee
overeen.
Het fabriceeren dezer sigaren is een ongezond bedrijf en de tuberculose
is dan ook epidemisch zoowel onder de arbeiders als arbeidsters. De
vrouwen doen niets dan de bladen bereiden, sorteeren en emballeeren, de
mannen maken uitsluitend de sigaren. Zij zitten per 200, soms wel 300 in
groote ruime lokalen, waar lucht en licht vrij binnenstroomen. Midden in
elke zaal staat hoog verheven een leuningstoel voor den voorlezer. Deze
wordt door de kameraden hiervoor betaald en leest hardop 's morgens de
kranten, 's middags één of anderen roman of novelle.
Toen ik de fabriek van Upmann bezocht, was men bezig den roman van
#Pierre Decourcelle# "Les deux Gosses" voor te lezen.
Deze manier van hardop voorlezen belet het spreken onderling, waardoor
de werklieden hun geheele aandacht aan hun bezigheden kunnen wijden.
De misvormde sigaren, dat zijn de slecht gerolde, de te groote of te
kleine worden onder de werklui verdeeld, die ze voor een kleinigheid aan
de bezoekers afstaan. Ook de patroons zijn zeer scheutig met het
schenken van de uitstekende "puros" aan iedereen, die hun magazijnen
komt bezoeken, alleen de inboorlingen worden terecht geweerd. Zoo worden
jaarlijks aan de vreemdelingen gratis in elke fabriek duizenden
rondgedeeld, natuurlijk met het oog op de reclame van het merk.
Toen mijn vrouw, mijn zoontje en ik met de Albingia van de "Nord
Deutsche Lloyd" van Cuba weer naar Europa stoomden, waren wij de eenige
passagiers, die te Hâvre aan wal stapten, alle anderen gingen door naar
Hamburg.
Men bracht onze koffers in de douaneloods, waar zij ingeklaard moesten
worden. Dit vooruitzicht bezorgde mij een angstig oogenblik, want ik had
niet minder dan duizend Havanna's meegebracht.
Het beste was nog maar ze openlijk aan te geven, toen mij het volgende
inviel.
Op de vraag van den chef of ik sigaren bij mij had, antwoordde ik kalm:
Jawel en dat is heel dom van mij.
--Hoezoo?
--Ze zijn niet voor mij, want ik rook niet.
Ze zijn bestemd als geschenk voor den minister en nu had ik veel beter
gedaan Zijn Excellentie ze direkt van uit Havana aan het Ministerie te
zenden.
--Zeker, want dat zou u niets gekost hebben.
--Daarom juist.
--Kent u den minister goed?
--Heel goed. Hij is een vriend van me.
De chef aarzelt een oogenblik, dan haalt hij zijn naamkaartje te
voorschijn, geeft het mij en zegt:
--Hier is mijn kaartje. U wilt wel bij gelegenheid aan mij denken. Wat
uw sigaren betreft, u kunt beschouwen, dat u ze inderdaad direkt langs
den diplomatieken weg verzonden hebt.
Zonder mijn koffers te openen, teekende de chef ze met een kruis en ik
kon ongemoeid de reis naar Parijs voortzetten.
Nog steeds denk ik aan dezen goedgeloovigen chef, maar of het hem baten
zal, betwijfel ik sterk.
Charles Lebargy.
Van dezen beroemden ex-sociétaire van de Comédie Française te Parijs,
wel het meest bekend om de steeds wisselende keur en vorm van zijn
fraaie dassen, die hij gewoon was te lanceeren, wordt de volgende
anecdote verteld.
Op een goeden dag komt een acteur uit de provincie, voorzien van de
beste aanbevelingen zich aan het woonhuis van Lebargy in de Rue du
Cirque aanmelden, met het verzoek om zijn voorspraak voor een engagement
aan het Theater Français.
--Reken niet op mij, waarde vriend, want ik zou je al terstond moeten
teleurstellen. Er is bij ons zelfs geen plaats voor de "premiers prix"
van het Conservatoire, wier engagement verplicht is. Er zijn er bij ons
te veel. U hebt eerste rollen in de provincie gespeeld en nu wilt U
daarmee ook te Parijs succes hebben, dat zou bij ons, gesteld dat u
aangenomen werd, immers niet gaan.
Probeert u het liever eens bij #Sarah Bernhardt#, bij #Hertz# en
#Coquelin# met aanbeveling van den schrijver, in wiens stukken u in de
provincies met succes optrad, dat is het eenige wat ik er op weet.
--Dan rest mij niets anders dan afscheid te nemen!
--Inderdaad, doch à propos, wat draagt u daar voor een vreemd soort das!
--Dat is een gloednieuwe, die ik te Montpellier gekocht heb, vóór ik op
reis ging.
--Dacht ik het niet! U moet die das zoo spoedig mogelijk afdoen, daarmee
zult u nergens hier slagen.
Metéén opent Lebargy een kast, haalt er een doos uit en na eenig zoeken
toont hij den verbaasden acteur een felkleurige bonte das.
--La cravate c'est l'homme, le noeud c'est l'artiste! Aan mijn dassen
dank ik een groot deel van mijn succes. De keuze van een das is het
criterium van den goeden smaak hier te Parijs, denk daar wèl om.
Hierop knoopt Lebargy hem de das om, trekt en plooit net zoo lang, tot
hij over zijn werk tevreden is en houdt hem tenslotte een spiegel voor.
De overgelukkige acteur weet niet hoe hij Lebargy bedanken moet.
--U bent me volstrekt geen dank schuldig, onder confraters zijn we dat
niet gewoon, maar wel twaalf francs vijftig, want dat is de prijs.
Niettegenstaande onze vriend met zijn das van drie francs vijftig wel
zoo ingenomen was, dorst hij uit vrees Lebargy te beleedigen niets tegen
zeggen en betaalde gelaten voor een oude das het vierdubbele van wat hij
te Montpellier voor een gloednieuwe had moeten besteden.
* * * * *
Als bewijs dat Lebargy zijn waren aard niet verloochende, dient volgende
anecdote.
Mijn secretaris #Simonot# maakte in den winter van 1896 met Lebargy en
Mlle #Dorziat# een tournée door Oostenrijk en Roemenië. Ik zelf kon het
gezelschap van Mme #Duse# niet in den steek laten, zoodat de leiding
geheel op Simonet berustte. Telkens moest ik van hem hooren, dat hij
niet uitkwam en dat de kosten door hem beraamd niet toereikend waren.
Wat was het geval.
Elken avond na afloop der voorstelling riep Lebargy mijn secretaris bij
zich en noodigde hem dan uit plaats in zijn rijtuig te nemen, doch
zoodra het op betalen aankwam, scheen hij niet voldoende bij zich te
hebben en was Simonot genoodzaakt met den koetsier af te rekenen. Ook
gebeurde het vaak dat Simonot vroegtijdig bij de kassa aanwezig moest
zijn vóór het openen van den schouwburg en geen tijd had te dineeren.
Hij haalde zijn schade dan na afloop der voorstelling in en gewoonlijk
vergezelde Lebargy hem naar het restaurant.
Met de noodige variaties speelden zich dan de volgende tooneeltjes af.
Nadat de "ober" de spijskaart had gebracht en zijn boekje te voorschijn
haalde om de "plats" te noteeren, antwoordde Lebargy geregeld:
--Ik houd meneer maar wat gezelschap, want ik ben niet gewoon 's avonds
laat zooveel te eten.
Een omelet wordt opgebracht. Nauwelijks heeft Simonot zijn mes er in
gezet of Lebargy roept den kelner.
--Zeg, vriend, breng me eens vlug een couvert.
--Wenscht meneer dan toch te soupeeren?
--Dank je, doe echter wat ik je vraag.
Zoodra hij zijn bord en servies ontvangen heeft.
--Je permitteert, die omelet ziet er zoo smakelijk uit, ik wil er wel
een stukje van mee eten.
Na de omelet komt de beurt aan de lamscôtelet met gebakken
aardappeltjes.
--Het is gek, honger heb ik niet, maar die côtelet ruikt zoo lekker....
Bij elk gerecht, de zelfde geschiedenis. Zelfs van de kaas en de
vruchten ligt weldra de helft op Lebargy's bord.
Zeg, Simonot, nu we zoo heerlijk gegeten hebben, kan je me wel een
sigaar en een kop koffie offreeren. Ik heb je nu al zoo lang gezelschap
gehouden!... Je weet, zoodra ik een avond vrij ben, inviteer ik je te
dineeren.
Dat dit diner lang op zich liet wachten, behoeft na het bovenstaande wel
geen betoog.