JOS. J. SCHÜRMANN

VRIJ BEWERKT NAAR HET FRANSCH

door J. H. v. d. HOEVEN

UITGEGEVEN DOOR MEULENHOFF & Co.

IN HET JAAR MCMXV TE AMSTERDAM

Jos. J. Schürmann.

Hoewel uit de bladzijden, die volgen reeds ondubbelzinnig blijkt wie en

wat #Joseph Schürmann# als impresario is en beteekent, wil ik enkele

bijzonderheden hier toch aan toe voegen.

Hij zelf beweert, dat het ras der groote impresarii tegenwoordig aan het

uitsterven is. Van zelf komt de vraag bij ons op: Wat is een groot

impresario? Een zakenman of meer een artistiek mensch? In hoofdzaak

beiden te gelijk, al gaat het geldverdienen steeds vóór. Bovenal moet

hij iemand zijn met den noodigen speurzin, die zijn kracht zoekt in

reclame en weet wat bij het publiek in verschillende landen gewild is,

kortom iemand die van aanpakken en volhouden weet.

Dit alles lijkt veel gemakkelijker op papier dan het in de praktijk

uitkomt. De gebeurtenissen hier vermeld zijn daar het bewijs van, al is

de inhoud door den auteur met de noodige saus toebereid om alles

aantrekkelijk en smakelijk te maken.

Joseph Schürmann heeft thans als impresario reeds een

vijf- en dertigjarige ervaring achter den

rug. Rotterdammer van geboorte, waar hij 2 April 1857 het levenslicht

zag, woont hij, wanneer hij natuurlijk niet "en tournée" is, sedert 1880

te Parijs of daarbuiten, zoodat hij in smaak en manieren zoo goed als

"verfranscht" is. Van jongs af behoorde zijn hart aan het tooneel. In

het kleedermagazijn van zijn vader speelde hij met vriendjes na

schooltijd reeds komedie en toen hij later op kostschool te Velp kwam,

studeerde hij met zijn kameraden een eigen geschreven drama over het

Schrikbewind in, zelf als #Robespierre# optredend, welken bijnaam hij

bij de Velpenaren langen tijd behield.

Toen hij weer te Rotterdam in de zaak van zijn vader terugkwam, zat de

drang naar het avontuurlijke te zeer bij hem in het bloed om een

rechtgeaard lakenkoopman te worden. Uit zijn eigen mond mocht ik

vernemen, hoe hij in den boekhandel van mijn vader, waar hij steeds in

de nieuwste Fransche romans stond te snuffelen, kennis maakte met #Ed.

Douwes Dekker# (Multatuli), met #Domela Nieuwenhuis# en hier vaak #Louis

Bouwmeester# ontmoette, voor wiens gezelschap hij tooneelstukken van het

Fransch in het Nederlandsch omwerkte, waarvoor hij vrijen toegang tot

den schouwburg kreeg.

In die jaren stelde zijn vader hem tot chef aan van een filiaal te

Amsterdam. Hier besteedde hij den meesten tijd wederom aan het schrijven

voor tooneel. In 1878 nam het "Nederl. Tooneel" zelfs een stuk van hem,

getiteld "Gabrielle" aan, dat bij de opvoering echter niet in den smaak

viel. Gelijktijdig vertoonde een Fransch gezelschap van Réné en Chamonin

in het Grand-Théâter in de Amstelstraat zijn tooneelspel in 3 bedrijven

"Josepha", dat Schürmann aan #Alexandre Dumas fils# had opgedragen en

waarvan hij hem een exemplaar had doen toekomen.

Dumas schreef hem toen terug: "J'accepte avec le plus grand plaisir

votre dédicace et je vous souhaite le plus grand succès."

De roep over #Sarah Bernhardt# te Parijs was tot Holland doorgedrongen.

Op voorstel van den heer #Abraham van Lier# zou Joseph Schürmann de

groote ster trachten over te halen eenige voorstellingen in onze

Amstelstad te komen geven. Dit gelukte hem en van nu af was hij voor

den lakenhandel verloren, hij liet Sarah niet meer los. Toen zij dan ook

met den Engelschen impresario #Jarrett# een contract afsloot voor een

"tournée" door de Vereenigde Staten, maakte Schürmann de reis mee als

secretaris-journalist. De grondsteen was gelegd. Schürmann besloot voor

eigen rekening met groote artiesten op reis te gaan en zich als

"impresario" te Parijs te vestigen.

Natuurlijk vergat hij zijn geboorteland niet, want bij het arrangeeren

van zijn "tournées" kreeg Holland steeds een eereplaats, hoewel hij er

financieel bij ons nooit sterk op vooruit ging.

De sterren, die hij o.a. hier te land geintroduceerd heeft zijn behalve

Sarah Bernhardt in 1881 en 82, Mme #Favart#, #Anna Judic#, #Céline

Chaumont#, #Antoine# met zijn "Théâtre Libre" (1892-93.), Mmes

#Segond-Wéber#, #Eleonora Duse#, #Agnes Sorma#, Mlle #Moréno#, het

théâter #Maeterlinck#, het orkest van #Lamoureux# en in de laatste jaren

het thans ontbonden "Neues Schauspielhaus" van Berlijn.

Sterren als #Adelina Patti#, die hem tien duizend francs per

voorstelling kostten, pianisten als #Rubinstein# en #Paderewski# waren

voor Holland te kostbaar en moesten hier uit een financieel oogpunt

fiasco maken. Schürmann, die meestal met kunstenaars en kunstenaressen

van den eersten rang op reis gaat, is van zelf op de groote

wereldkunstcentra aangewezen. Hier heeft hij vele vorsten en

dignitarissen ontmoet, waarvan hij zoo pittig weet te verhalen. De

meeste gegevens zijn door mij dan ook ontleend aan zijn "Les Etoiles en

voyage", "Une Tournée en Amérique", en enkele Fransche kunstbladen,

waaraan Schürmann nu en dan meewerkt. De grootste eer, die hij onze

kunst en ons land heeft aangedaan: Door zijn toedoen heeft #Louis

Bouwmeester# met de leden van het Nederl. Tooneel enkele tooneelen uit

"De Koopman van Venetië" te Parijs in het Théâter Français kunnen

vertoonen, in een taal, die nog nimmer op de planken van het "Huis van

Moliere" weerklonken had.

Het zij Schürmann vergund nog vele celebriteiten aan de reeds

respectabele serie artiesten toe te voegen en over hun wel en wee nog

veel interessants mee te deelen.

Sarah Bernhardt.

In 1881 had iedereen den mond vol over #Sarah Bernhardt#, haar "gouden

stem" en vooral over haar buitenissigheden. Sarah Bernhardt,

luchtreizigster; Sarah Bernhardt, beeldhouwster, Sarah Bernhardt,

schilderes. Haar spreekwoordelijke magerte, haar bloed opgeven, haar

contractbreuk met het Théâter-Français, de doodkist, waarin zij sliep,

leverden stof tot sensatie artikelen aan al de dagbladen van de wereld.

Haar naam had toen reeds een wereldreputatie, iedereen wist over haar

steeds iets nieuws op te disschen.

Chef in één der magazijnen van mijn ouders, een dol liefhebber van

tooneel en Fransche litteratuur, ontkwam ook ik niet aan de algemeene

"rage" en ik kende slechts één verlangen: Sarah te spreken te krijgen!

Ik putte mij uit hoe en op welke manier mij dit zou gelukken en kwam

tenslotte tot de conclusie, dat de eenige praktische oplossing daarin

bestond, haar te Parijs te gaan opzoeken en haar trachten over te halen

eenige voorstellingen te Amsterdam te komen geven.

Op goeden voet verkeerend met den ouden heer #van Lier#, directeur van

het Grand-Théâter, bespraken wij dit plan en ook hij hechtte zijn

goedkeuring er aan, zoodat ik mij terstond gereed maakte naar Parijs te

trekken, waar ik mij verstond met #Boucher#, den sociétaire van de

"Comédie Française" die het monopolie had voor het arrangeeren der

kunstreizen, die de leden van het "Huis van Molière" in den vreemde

hielden.

Zoowel toen als tegenwoordig waren de sterren van de "Comédie" op de

affiches van alle groote schouwburgen in Frankrijk en België te vinden,

behalve op de billetten van hun eigen théâter. Van tijd tot tijd

creëerden zij een rol in een nieuw stuk, speelden in een klassiek werk

of in één of ander repertoire stuk mee, voor de rest traden ze als

"gast" op in de provincie, waar de bijvoeging Sociétaire van de "Comédie

Française" steeds haar toovermacht op het publiek uitoefende en een

grooten toeloop deed verwachten. Onder #Perrin# gebeurde dit al even

vaak als onder de huidige administratie van #Jules Claretie#, en zonder

twijfel zal na het heengaan van dezen eminenten Académicien daar evenmin

verandering in komen.[1]

[1] Men weet allicht dat na Claretie's overlijden in Jan. 1914

#Albert Carré# zijn functie heeft overgenomen (_Noot v. d. vert._).

Boucher en ik werden het spoedig eens. De kosten, het repertoire, de

gage, de artiesten, die met Sarah voor de twee voorstellingen te

Amsterdam zouden meekomen, alles werd per contract besproken en geregeld

en er restte mij toen alleen nog de zorg de overwinning voor te

bereiden, want dat haar komst voor ons beiden een overwinning zou zijn,

daaraan twijfelde ik geen oogenblik.

Eindelijk is de lang verwachte dag der eerste opvoering op komst en 's

morgens om zes uur was ik reeds aan de Belgische grens aanwezig om de

groote actrice en haar gezelschap op te wachten.

Den vorigen avond tegen elf uur uit Parijs vertrokken, kwam Sarah

doodvermoeid uit haar slaapwagen gestapt, sleepte zich naar het

douanelokaal en hield telkens voor haar mond een klein batist zakdoekje,

dat dan een lichtroode kleur vertoonde. Ik meende toen nog in alle

ernst, dat het bloed was en kreeg eerst later de zekerheid, dat die

lichtroode kleur het gevolg was van het wrijven langs haar lippen, die

onder de pommade zaten.

Jaren achtereen heeft het publiek van heel de beschaafde wereld zich

over haar zwakke gezondheid bezorgd gemaakt en vreesde men, dat deze

tengere actrice nog eens op de planken zou sterven. Ruim veertig jaar

heeft Sarah echter reeds de wereld rondgetrokken, een groot gedeelte

daarvan in treinen en op stoombooten doorgebracht, de vermoeiendste

rollen gespeeld, vaak tweemaal op één dag, en haar gezondheid heeft er

niets van te lijden gehad. Een ander artiest zou reeds lang het bijltje

er bij hebben moeten neerleggen, zelfs al deed hij de helft minder dan

deze energieke, onvermoeibare vrouw.

's Middags om half één arriveerden wij aan het Centraal Station in

Hollands hoofdstad. Het geheele perron stond zwart van de menschen, die

getuigen hadden willen zijn van de inkomst van de beroemde Parijsche

ster. Met groote moeite banen de schilder #Jules Clairin#, #Angélo#,

#Boucher# en ik ons een doorgang om Sarah in de gelegenheid te stellen

de wachtkamer te bereiken, die door de zorg van de spoorwegmaatschappij

in een fraai ontvangsalon was herschapen.

De burgemeester met eenige leden van het stadsbestuur en vele

afgevaardigden van artistieke genootschappen, artiesten en journalisten

verdringen zich om Sarah bloemen aan te bieden en hun speechen af te

steken.

Sarah krijgt hierbij een flauwtje en zakt op de canapé inéén... Groote

consternatie... Het gedruisch van stemmen maakt plaats voor een doodsche

stilte. Zij opent de oogen... algemeene herademing... Daarop begeeft men

zich naar den voorhal. Daar wachten een landauer met vier paarden "à la

daumont" bespannen en een voorrijder, witgepruikt haar op, afgestaan

door den heer #Carré#, den welbekenden circusdirecteur van Amsterdam.

Sarah neemt plaats op den achterbank, de heer van Lier en mijn

persoontje tegenover haar, en onder luid gejuich rijden wij heen.

Het Stationsplein is afgezet, de schepen op het Damrak hebben de vlag in

top, tot op de daken der huizen staan de menschen dicht op een gepakt,

terwijl men de plaatsen voor de vensters voor grof geld verhuurd heeft.

Een regeerende vorst zou op geen triomphaler intocht aanspraak hebben

kunnen maken!

Ons rijtuig werd door vele landauers gevolgd en daarachter vereenigingen

met hun banieren, muziek voorop. Van het Station tot vóór den schouwburg

in de Amstelstraat hoorde men overal geestdriftige kreten:

Leve Sarah! Leve Sarah Bernhardt! Sarah!..

Op het balcon van het Grand-Théâter had men een orkest geplaatst en toen

wij aankwamen speelde het de "Marseillaise".

Sarah richtte zich ontroerd op en riep duidelijk verstaanbaar: "Dank u!"

"Dank u!"

Hoewel met Fransch accent klonken deze woorden niettemin Hollandsch. De

groote artieste heeft Hollandsch gesproken! Zij heeft blijk gegeven haar

afkomst niet vergeten te zijn. Het publiek raakt buiten zich zelf, men

dringt op naar ons rijtuig om met de bloemen, waarmee het versierd is,

zich te tooien. Men tracht Sarah bij de hand te pakken om er een kus op

te drukken. In het gedrang kan men niets onderscheiden en zoo gebeurde

het, dat men mijn handen kuste in de meening Sarah hulde te brengen.

Ik zal deze triomphale intocht dan ook nimmer vergeten, te meer omdat

zij mijn debuut als "impresario" werd.

* * * * *

Gedurende de groote tournée van Sarah Bernhardt onder mijn leiding door

Europa, was ik eens genoodzaakt zelf als acteur te figureeren. Gelukkig

is dit malle avontuur bij deze eene maal gebleven.

We zouden te Turijn in het Scribe Théâter voor de zooveelste keer de

"Dame aux Camélias" geven. #Joliet#, de broeder van den "pensionnaire"

van de Comédie Française, die de kleine rol van den dokter in het vijfde

bedrijf had te spelen, was ziek geworden en moest in het hôtel blijven.

Mme Sarah Bernhardt liet mij bij zich komen en sprak:

--Joliet is ongesteld, de geheele troep speelt in het stuk mee, er is

niemand die hem vervangen kan en wij moeten die rol toch bezetten.

--Kunnen we haar niet weglaten, 't zijn maar enkele woorden?...

--Neen, dat wil ik niet, desnoods speelt U haar.

--Ik mevrouw!

--Ja zeker, U, dat blijft zoo afgesproken.

Of ik haar al uitlegde, dat ik nooit voor het publiek gespeeld had, dat

ik bij de contrôle moest blijven, dat ik te veel te doen had, het hielp

allemaal niets. Ze dreigde zelfs, de voorstelling uit te stellen en dien

avond niet te spelen.

Twaalfduizend francs recette teruggeven, dat nooit! Ik trok daarom de

stoute schoenen aan, kleedde mij in een langen jas, zette een hoogen

cylinder op, liet me een peper en zout baardje plakken, zette een gouden

lorgnet op en hield me gereed voor den aanvang.

Vol moed betrad ik het tooneel. Ik nader de stervende Marguérite

Gauthier, vat haar hand in de mijne, zie haar aan en spreek zoo

duidelijk mogelijk de enkele woorden van mijn rol: "Arme Marguérite!"

Reeds wend ik mij om, toen de smeekende stem van Sarah me terug roept.

--Dokter, ga nog niet heen!

Ik keer naar haar ziekbed terug, neem opnieuw haar pols op en roep uit:

"Arme Marguérite!"

Ditmaal meen ik aan mijn plicht voldaan te hebben. Ik zet mijn hoed op,

doch voel plotseling dat ik niet weg kan. Sarah heeft mij bij mijn

jaspand gegrepen en roept met snikkende stem:

--Blijf toch, dokter, ga niet heen, ik smeek U er om, zeg mij alles,

alles!

Wat te doen?

Het zweet staat op mijn voorhoofd, ik voel dat mijn baard zal loslaten

en ik weet niets te zeggen. Toch kan ik deze malle situatie niet langer

rekken uit vrees, dat het publiek zal merken, wat er gaande is.

Nog eenmaal wend ik mij om, neem Sarah's hand voor de derde maal in de

mijne en roep vertwijfeld achtereen: "Arme Marguérite", "arme

Marguérite!"

Den volgenden dag waren alle kranten vol lof over de groote Sarah en

haar uitstekend gezelschap. Men prees echter geenszins den dokter, die

door zijn malle houding het succès van deze prachtige voorstelling bijna

in de waagschaal had gesteld.

* * * * *

Om aan het publiek der Vereenigde Staten van Amerika den inhoud der

stukken te verklaren, die Sarah op haar tournée zou geven, had men

vooruit een uittreksel der meesterwerken van #Racine#, #Corneille#,

#Dumas#, #Augier#, #Meilhac# en #Halévy#, bedrijf per bedrijf in het

Engelsch vertaald. Deze korte inhoudsverklaringen werden bij groote

getale naar de verschillende schouwburgen verzonden en tegelijk met de

plaatsen aan de toeschouwers afgegeven. Voor hen die het Fransch niet

machtig waren, was dit een groot gemak om toch de opvoeringen te kunnen

volgen.

In één dezer plaatsen, waar men voor de zooveelste maal "La Dame aux

Camélias" vertoonde, die in Amerika met Camille wordt aangesproken,

waaròm, weet ik niet, vond het volgende plaats. De secretaris van onze

tournée had zich bij het verzenden van het pakket vergist en in plaats

van de brochures van Dumas' tooneelspel, die van Racine's "Phèdre"

gestuurd. De bureaulist had er evenmin acht op geslagen en ze overal

uitgedeeld.

Het publiek volgde dien avond met gespannen aandacht het stuk, dat

wederom een groot succes had en juichte Sarah onbedaarlijk toe. Hoe

ongelooflijk het ook moge klinken, niemand had van deze vergissing van

de administratie het minste gemerkt en doodkalm het droevige einde van

de schoonmoeder van Hippolytus voor de liefdesroman van Marguérite

Gauthier opgevat.

Mijn betrekkingen tot Gekroonde Hoofden.

In December 1882 tijdens mijn "tournée" met #Constant Coquelin# door

Europa, bevond ik mij te St. Petersburg, toen op een goeden dag generaal

#Richter#, intendant bij Czar #Alexander III# zich aan mijn hôtel

vervoegde met het verzoek hem naar het paleis Gatchina te willen volgen.

De keizer had namelijk zijn verlangen te kennen gegeven zich persoonlijk

met mij te onderhouden over het organiseeren van een voorstelling met

Coquelin in zijn winterresidentie.

Bij aankomst werd ik in een zeer eenvoudig gemeubileerd vertrek gelaten,

waar spoedig daarop een rijzige gestalte met hoog voorhoofd, droomenden

blik, langen baard en met een burgerlijk colbertje aan mij de hand

toestak. Het was de alleenheerscher over meer dan honderd zeventien

millioen onderdanen in eigen persoon!... Hij presenteert mij een cigaret

en ons onderhoud neemt een aanvang. In het kort deel ik hem op zijn

verzoek den korten inhoud mee van de stukken, die Coquelin en zijn

gezelschap op hun repertoire hebben. Tenslotte merkt de keizer op, die

met gekruiste beenen, geheel op zijn gemak naar mij zat te luisteren:

--Meneer Schürmann, ik ben slecht op de hoogte met die verschillenden

tooneelstukken. Ik wil liever eerst de keizerin raadplegen of nog beter,

ik laat het geheel aan u over, omdat u zelf wel het best zult weten in

welke rol Coquelin het meest voldoet en welk stuk ook voor de jeugd

past, want ik ben er op gesteld, dat ook mijn kinderen de vertooning

bijwonen.

Ik koos "Gringoire" en "Les Précieuses Ridicules" benevens enkele

bescheiden monologen. In een gereserveerde loge namen de keizer plaats

met rechts van hem de keizerin en links haar zoontje, de toekomstige

Czar Nicolaas II in een matrozenpakje; hij was toen ongeveer veertien

jaar oud. De zaal bood een schitterenden aanblik, veel uniformen,

diplomaten in ambtsgewaad en de dames allen zonder uitzondering

gedecolleteerd.

Zijn Majesteit betoonde zich na afloop zeer ingenomen met deze

voorstelling en schonk mij een kostbaren ring als herinnering aan dit

voor mij onvergetelijk feest.

* * * * *

Minder aangename herinneringen zijn mij van de voorstellingen te Madrid

in Maart 1883 bij gebleven. Ik had voor de tournée met #Mme Favart# van

de "Comedie Française" het "Apollo Theâter" gepacht, toen ik bij

aankomst vernam, dat de directeur #Rocco# er met niet minder dan twee en

dertig duizend francs van door was gegaan, welk bedrag voor de serie

voorstellingen door de high-life in Madrid aan plaatsen genomen was. Wat

te doen? De opvoeringen moesten plaats vinden, want ik was deze tournée

op eigen risico begonnen. Er schoot mij niets anders over dan vóór den

aanvang het publiek van het gebeurde in kennis te stellen.

--Dames en Heeren. Hoewel het bedrag van de genomen abonnementen mij

ontvreemd is geworden, voel ik mij verplicht de geleden schade niet op u

te verhalen en zullen de aangekondigde voorstellingen gehandhaafd

blijven.

Een luid applaus begroette deze woorden en nauwelijks was het eerste

bedrijf ten einde of er werd mij verzocht in de loge van den koning te

verschijnen. #Alphons XII# betuigde mij zijn leedwezen met het gebeurde

en merkte lachend op, dat dit wel de eerste maal was, dat een impresario

door een directeur bedrogen werd, want meestal had het omgekeerde

plaats. "Tout est perdu fors l'honneur" heeft reeds één uwer koningen

gezegd, laat dit u een troost zijn. Hierop ontdeed zijn Majesteit zich

van zijn roset der orde van Isabella de Katholieke en stak ze in mijn

knoopsgat.

Het stuk, we speelden "Serge Panine", had den koning maar matig voldaan.

Hij beloofde mij echter ook de volgende avonden in den schouwburg te

zullen komen. Door Zijn tegenwoordigheid kwam het publiek in grooten

getale op, zoodat ik gedeeltelijk weer aan mijn kosten kwam.

Het volgende jaar bezocht de koning op zijn terugreis van Berlijn, waar

#Wilhelm I# hem tot kolonel van een Uhlanen regiment had benoemd,

Parijs.

De houding van de Parijzenaars was ditmaal alles behalve vriendelijk.

Bij zijn rit van de Gare du Nord door de Rue Lafayette werd zelfs

gefluit en gesis waargenomen en het was den koning aan te zien, dat hij

zijn politieke verplichtingen verwenschte, die hem ditmaal aan zoo'n

onheusche ontvangst blootstelden. Ook ik bevond mij onder de menigte en

kon mij bij het hooren van dit gefluit en gesis niet weerhouden "Vive le

roi!" te roepen. De koning wendde zich om, scheen mij te herkennen, want

een vluchtige glimlach bedankte mij voor mijn moed.

Dat hier moed toe noodig was, bleek mij uit den geweldigen vuistslag die

mijn hoogen hoed ver over mijn ooren deed zakken en aan mijn gescheurde

en gehavende kleeren.

Toen ik kort daarop #Anna Judic# naar Madrid begeleidde, waar zij in het

Zarzuela-theater als "Mam'zelle Nitouche" optrad, werd ik wederom bij

den koning ontboden, die mij terstond de hand toestak.

--Waarde Schürmann, ik dank u voor uw enthousiasten groet in de Rue

Lafayette.

--Hoezoo Sire, bent u dat nog niet vergeten?

--Dat kon moeilijk, want u waart de eenige, die mij toen dorst

verwelkomen.

* * * * *

Met den voorlaatsten monarch van Portugal beleefde ik een komisch

avontuur. #Don Luiz# was een dol liefhebber van muziek, d.w.z. van zijn

eigen spel. Om mij daar een proef van te geven, noodigde zijn Majesteit

mij ten paleize, na mij eerst gevraagd te hebben of ik een muziekkenner

was.

Op het afgesproken uur liet ik mij aandienen. Hoe groot was evenwel mijn

verwondering en spoedig daarop mijn verveling, toen ik een uur lang

geheel alleen het gekras op een violoncel moest aanhooren, waarop zijn

koninklijke Hoogheid mij meende te vergasten.

--Nu wat zegt u er van, luidde eindelijk zijn vraag.

--Sire, antwoordde ik onomwonden. Als u niet reeds koning van Portugal

waart, engageerde ik U terstond als koning der cellisten en samen zouden

we goud verdienen.

Dit antwoord scheen bij Don Luiz zoo zeer in den smaak te vallen dat hij

mij dadelijk met het officierskruis van den Christus-orde vereerde.

#Humbert I#, de overleden koning van Italië was geen minnaar van

tooneel, waar hij trouwens openlijk voor uit kwam. Toen ik in December

1884 met Mme #Judic# in den Argentina-schouwburg voorstellingen van

"Niniche" gaf, ontving ik een schrijven van den hofintendant, dat zijn

Majesteit één der voorstellingen met zijn tegenwoordigheid zou vereeren.

Kwart voor achten stond ik in de vestibule zijn Hoogheid op te wachten.

Het werd acht, half negen, negen uur, nog steeds kwamen de rijtuigen

niet voor. Eerst om tien minuten na negen verscheen de koning en zijn

gemalin.

--Bent u de impresario, is 's konings eerste vraag. Hoe ver staat het

met het stuk?

--Men wacht nog steeds op uw Majesteit. Ik dorst niet eerder te laten

beginnen.

--Daarmee hebt u verkeerd gedaan. Zoo aangenaam vind ik het niet. In

ieder geval zorgt u maar, dat het spoedig afloopt. De koningin om haars

gemaals uitspraak eenigszins te verzachten, informeerde naar de

verschillende artiesten en gaf dien avond verscheidene malen door

applaus haar ingenomenheid met het vertoonde te kennen.

Ook de keizer van Oostenrijk, die tweemaal een voorstelling onder mijn

leiding bijwoonde, was niet bepaald wat men noemt een tooneelliefhebber.

De eerste maal in 1881 tijdens de voorstellingen van #Sarah Bernhardt#

in het "Ring Théâter" te Weenen, de tweede maal in 1885 in de Weensche

"Musik Verein", toen Mme #Patti# weigerde een vierde nummer te zingen,

voorgevend vermoeid te zijn, niettegenstaande het geestdriftige publiek

er haar als 't ware om smeekte.

#Franz Joseph# had mij bij die gelegenheid opgedragen "la divine

sérinette" uit zijn naam te complimenteeren en op mijn beurt drong ik er

bij de diva op aan nog een extra nummer te geven.

Zou de keizer haar wel gecomplimenteerd hebben, wanneer hij Patti's

antwoord had kunnen hooren?....

--Vraag hem Zaterdag voor mij te zingen, dan zal ik nu voor hem nog iets

ten gehoore brengen.

* * * * *

In 1886 gebeurde mij te Kopenhagen het volgende bij mijn tournée met Mme

#Judic#. Vóórdat de voorstelling aanving--de koning had nog niet in zijn

loge plaats genomen--werd ik op het tooneel door een bejaard heer

aangesproken, die mij allerlei bijzonderheden omtrent het debuut en het

repertoire van onze ster vroeg. Plotseling word ik door Mme Judic

geroepen.

--Schürmann, zou je me even kunnen helpen?

Excuseer en metéén gaf ik den ouden heer m'n claque over. Ik kom

terstond terug.

Haast u maar niet, is zijn lachend antwoord.

Toen ik terugkwam, was hij verdwenen en een veel jongere heer geeft me

met een woedend gezicht mijn hoed terug.

--Ik zou een andermaal eerst informeeren tot wien u spreekt. Weet u wel,

aan wien u uw hoed te bewaren hebt gegeven? Aan den koning, meneer, aan

den koning, die U dit waarschijnlijk zeer kwalijk heeft genomen.

Ik keek leelijk op m'n neus en dorst zijn Majesteit niet meer onder de

oogen komen.

In de pauze kwam #Christiaan IX# wederom op het tooneel. Het eerste wat

ik deed was hem mijn verontschuldiging aan te bieden.

--Het is wel, het is wel. Ik moest er zelf om lachen!

Toen ik in 1896 met #La Duse# Kopenhagen bezocht wist de bejaarde

monarch dit voorval van tien jaar geleden zich nog best te herinneren.

De koning woonde alle voorstellingen van Eleonora Duse bij, de eerste

maal was hij vergezeld van de koningin, den keizer en keizerin van

Rusland, den prins en prinses van Wales, den koning van Griekenland,

prins Waldemar en den troonopvolger van Zweden.

De thans overleden vorst van Denemarken had zijn bijnaam van

"schoonvader van Europa" terdege verdiend. Elk voorjaar kwam de

uitgebreide vorstelijke familie in het kasteel Fredensborg bijeen en

voor de verschillende regeerende hoofden van Europa was deze rustkuur,

vrij van zorg en etiquette aan de familietafel van koning Christiaan

steeds een der aangenaamste perioden uit hun leven.

Men stoorde zich hier letterlijk aan niets. De heeren liepen in een

huisjasje met slappen hoed of stroohoed door de tuinen en waren aan

niets van de Deensche burgerij te onderscheiden, de dames in eenvoudige

robes tailleur deden in de stad hun inkoopen of speelden tennis en golf;

kortom "des bourgeois en villégiature."

Op een goeden dag waren de heeren ter jacht uitgetrokken zonder gevolg,

alleen in gezelschap van hun honden. Het wild bleek nog al schaarsch te

zijn, want de jagers waren al heel ver over de velden voortgeloopen,

zonder een enkelen fazant te hebben neergelegd. Plotseling begon de

lucht te betrekken en brak er een geweldige regenbui los. Nergens in de

buurt bleek een schuilplaats te zijn, toen onverwacht een boer kwam

aanrijden op een breeden overdekten groentekar. Men houdt hem aan en na

eenig praten stemt hij toe de heeren naar de stad te rijden.

Onderweg begint de boer aan het jongmensch dat naast hem op den bok

heeft plaats genomen te vragen, waar die heeren toch wel vandaan kwamen,

omdat hij hun taal--er werd Fransch gesproken--maar niet kon thuis

brengen.

De jonge man--die niemand minder was dan de erfprins van

Denemarken--antwoordde: Ik ben één van je landgenooten.

--Waar woont u dan?

--Te Fredensborg.

--Mag ik vragen, wat u daar voor een beroep uitoefent?

--O, niet veel bijzonders, ik ben maar erfprins.

--Hé, dat is toevallig! En die oude heer, achter u?

--Dat is mijn vader, koning Christiaan.

--Dacht ik het niet! En die twee heeren met hun baard.

--Wel dat zijn mijn zwagers, de keizer van Rusland en de koning van

Engeland.

--Prachtig! Ik reis in fijn gezelschap, merkt het boertje spottend op.

En die twee anderen in den hoek?

--De oudste is mijn broer, de koning van Griekenland en die jongere,

prins Karel.

--En hij, die op de honden past?

--De prins van Zweden.

--Het kan niet mooier! Welnu, laat ik u nu op mijn beurt eens in

vertrouwen nemen, maar u moet me beloven het niet over te vertellen, wat

ik u ga meedeelen.

--Mijn woord er op.

--Nou moet u eens raden, wie ík feitelijk ben.

--Wel, wie weet!

--Ik ben, maar u moet het niet verder vertellen. Ik ben "Onze lieve

Heer."

Eleonora Duse.

"Tijdens de voorstellingen van _Sarah Bernhardt_ in Italië, woonde ik

een opvoering bij te Turijn van een gezelschap, onder leiding van Sg.

_Cesare Rossi_. Ik werd getroffen door het buitengewone talent van een

jeugdige actrice, toen in haar land nog tamelijk onbekend: _Eléonora

Duse-Checci_. Zij stelde dien avond één der heldinnen van den ouden

_Sardou_ voor en speelde zoo natuurlijk en hartstochtelijk, dat men

vergat het bedachte in de tooneelfiguur van den handigen dramaturg en

slechts voor zich zag een lijdende vrouw, met wier lotgevallen men innig

te doen had. In de uitbeelding van haar smart was zij niet te evenaren

en ik durf hier gerust neerschrijven, dat ik nimmer een actrice ontmoet

heb, die met meer gevoel en natuurgetrouw het lijden van anderen wist

uit te beelden.

Ik begreep terstond, dat deze jonge Italiaansche zich weldra een

internationalen naam zou verwerven en dat haar kunst geen

tooneelliefhebber ongeroerd zou laten, zelfs vermoedde ik, dat haar

genie den strijd met de grootste beroemdheden op tooneelgebied zou

kunnen aanbinden en tenslotte als overwinnares uit dezen kamp te

voorschijn zou treden. In mijn verbeelding zag ik reeds de

schitterendste triomfen haar deel worden, waar zij ook optrad, en

berekende ik de fabelachtige recettes, die met zoo'n kunstenares te

maken zouden zijn. Ik moest dus tot elken prijs haar zien te bewegen

haar huisgezin, haar gezelschap te verlaten en haar onder het oog

brengen, dat haar kunst universeel eigendom was, omdat ze iets nieuws,

iets geheel persoonlijks te genieten gaf.

Wat ik haar echter ook voorspiegelde, zij ging er niet op in. Eleonora

Duse had toen nog geen vertrouwen in haar ontluikend genie. Zij was

bevreesd, niet begrepen te worden en wilde liever de ster blijven te

Turijn, in Piemont en Toscana, dan de nationale ijdelheid en eigenliefde

van vreemde toeschouwers trotseeren.

Overtuigd als ik was, dat ze weldra in zou zien, dat Italië voor haar

genie en ambitie te klein was, drong ik niet langer aan en besloot ik

een betere gelegenheid af te wachten want ik bleef bij mijn voornemen,

het kostte wat 't wou, de impresario te worden van deze "tragédienne",

die toen reeds zich aan mij geopenbaard had, als de "Notre Dame de la

Douleur". Mijn vurig verlangen kwam in vervulling.

1 Januari 1895 ontving ik volgend telegram: "Indien nog steeds van plan

met mij een Europeesche tournée te beginnen, kom terstond naar Florence,

waar ik u wacht". Een uur later was ik al op weg naar Italië, om mijn

ster tegemoet te reizen, die gedurende al dien tijd mijn gedachten

zoodanig in beslag had genomen, dat ik mijn koelbloedigheid, zoo hoog

noodig in mijn vak, er bijna bij verloren had.

Zonder de minste moeilijkheid werden wij het over de voorwaarden eens en

wij besloten de veroveringstocht door Europa aan te vangen met een

"tournée" van een maand door Holland, België en Duitschland. Haar

belangeloosheid trof mij wel het meest. Boven alles stond haar kunst,

aan al het overige hechtte zij minder waarde en ik prees mij-zelf reeds

gelukkig, nu eindelijk eens de hand gelegd te hebben op een actrice, die

alleen dacht aan haar rollen en de verdere rompslomp aan mij overliet.

Weldra zou ik inzien in hoeverre ik mijn vreugde had te temperen.

Den 8sten Maart begon onze tournée te Amsterdam met "La Dame aux

Camélias". Een succes, dat mijn verwachting ver overtrof. Het publiek

buiten zichzelf van geestdrift, juichte de ster toe met een warmte, een

uitbundigheid, waaraan ik in Holland niet gewoon was. Ook de bladen

waren één en al lof. Mijn "flair" had zich dus niet bedrogen. Ik had de

phenix ontdekt, die, herboren uit de asch eener kunst van conventie, een

nieuw licht ontstak en droomde van reeksen succesvolle opvoeringen en

bergen gouds.

Ik had echter buiten haar nerveus gestel gerekend en juist die

bezorgdheid voor haar kunst, waarover ik mij eerst zoo verheugd had,

werd later voor mij een onuitputtelijke bron van moeilijkheden, soms

zelfs van zeer ernstigen aard.

Mme Duse heeft zich nooit om tucht, om regelmaat bekommerd. Recette,

directie, engagementen, publiek, pers, alles liet haar onverschillig.

Zij had alleen oog voor haar kunst, daaraan gaf zij zich geheel. De

geringste tegenspoed, een lichte, voorbijgaande ongesteldheid, regen,

sneeuw, de weinig aanlokkelijke aanblik van een haar onbekende stad,

deed zijn invloed op haar inspiratie gelden. Zij meende zich dan niet

geheel en al aan haar rol te kunnen geven en het publiek teleur te

stellen. Op het laatste oogenblik moest dan de voorstelling afgelast

worden en door een andere vervangen, of wat nog vaker gebeurde eenige

dagen uitgesteld. De enorme kosten, door zulk een uitstel veroorzaakt,

rekende zij niet. Of ik zoo'n avond op zijn minst een tienduizend francs

verloor, afgezien nog van de onaangenaamheden met de directie van den

gepachten schouwburg zoowel als de teleurstelling van het publiek, dat

zich tevergeefs gederangeerd had, wanneer Mme Duse zich niet "lekker"

gevoelde, het legde niet het minste gewicht in de schaal. Zij bleef bij

haar voornemen en trad niet op. Ik kreeg alleen van haar dit lakoniek

briefje: "Niets aan te doen. Verzin er maar op, wat je wilt. Ik speel

vanavond niet".

Toch kwam het publiek steeds terug. Wanneer voor andere artiesten een

uitgestelde voorstelling een verloren zaak is, scheen deze regel voor

Mme Duse niet op te gaan. Niettegenstaande haar vaak ongemotiveerde

weigering, om op te treden en de hierdoor geleden verliezen, heb ik

gedurende de zeven jaren, dat ik met haar overal rondtrok niet eenmaal

een proces, of iets van dien aard met de verschillende directies te

voeren gehad.

Na haar triomftocht door Holland en België met "La Dame aux Camélias",

"Magda", "La Femme de Claude", "La Locandiera", "Cavalleria Rusticana",

bezochten wij het eerst Keulen, waar haar 'n succes wachtte, dat

ongehoorden omvang aannam. De directeur van den schouwburg had eerst

geen vertrouwen in haar optreden en weigerde zijn gebouw af te staan,

welke aanlokkelijke voorstellen ik hem ook deed. Tenslotte kreeg ik

alleen verlof om gedurende twee matinée's per week het "Stadt-théâter"

te bespelen, waarbij hij zoo vriendelijk was mij nog toe te voegen, dat

ik geen "sou" zou maken, omdat het publiek niet gewoon was naar

middag-voorstellingen te gaan. Ik stoorde mij echter niet aan zijn

wenken en liet doodkalm mijn eerste middagvoorstelling aanplakken: 19

April, om één uur "La Dame aux Camélias". Dien middag maakten we 9910

mark, dus een goede 12,000 francs.

Vóór het einde der voorstelling waren de plaatsen voor de volgende

"matinée" van "Magda" die eerst drie dagen daarna plaats zou vinden,

reeds verkocht. In den loop van den avond kreeg ik een telegram van de

zuster van den keizer, die te Bonn woonde... "Verzoeke een loge te

reserveeren, waar, komt er niet op aan. Tegen het middaguur, ik was

juist van plan naar den schouwburg te gaan, verzocht La Duse mij haar

even te komen opzoeken.

--Waarde heer Schürmann, u moet de voorstelling uitstellen. Ik kan niet

spelen.

--Bent u ongesteld?

--Dat juist niet.

--Wat dan?

--Ik voel me niet "lekker". Ik zal mijn rol niet naar behooren kunnen

spelen. Stuur het publiek dus maar terug.

--Onmogelijk mevrouw.

--Hoezoo?

--Er is een recette van 12,000 francs.

--12,000 francs!... Dan staat mijn besluit vast. Wanneer het publiek in

zoo'n groote getale opkomt om mij te zien, dan heeft het ook recht op

een vlekkelooze voorstelling. Ik heb u gezegd, dat ik me niet in staat

gevoel "goed spel" te geven. Ik wil 't publiek niet bestelen.

--En de recette? En de kosten?

--Doet er niet toe! Wat zijn uw eigen verdiensten bij zoo'n recette?

--Ongeveer 2500 francs.

--Welnu, die zal ik u betalen. Ik wensch niet, dat u er iets bij

verliest. Alle kosten van 't gezelschap en den schouwburg zijn voor mijn

rekening.

--Het spijt me, mevrouw. Onmogelijk! De zuster van den keizer is

speciaal uit Bonn voor u overgekomen. Men had haar vooruit moeten

waarschuwen niet op reis te gaan.

--Zij behoort tot het publiek als alle anderen. U zult haar dus ook

moeten terugzenden.

--Neen, mevrouw, het is te laat. Als u mij vanmorgen vroeg gewaarschuwd

had, zou ik maatregelen hebben kunnen nemen. Nu is de schouwburg geopend

en het publiek reeds binnen. Ik weet geen enkele geldende reden om de

voorstelling af te kondigen.

--U moet er één vinden.

--Ik zeg u, dat dit niet gaat. U moet spelen en als u weigert, zeg ik

zonder omwegen, dat u met het publiek een loopje neemt.

--Dus u eischt, dat ik speel?

--Ja mevrouw.

--Goed, dan zal ik spelen. Maar ik waarschuw u, dat ik morgen er ziek

van ben en ik in twee weken niet meer optreed.

--Wanneer u heden niet optrad, zou het succes van uw "tournée" voor

goed gecompromitteerd zijn.

--Het zij zoo, ik ga.

La Duse ging naar den schouwburg. Zij speelde verrukkelijk en behaalde

haar gewoon succes. Na afgerekend te hebben, begaf ik mij naar mijn

hotel, waar een briefje van haar reeds op mij wachtte.

--Ik ben ziek. Ik kan in veertien dagen niet optreden. Laat 't

gezelschap naar Straatsburg vertrekken, waar ik 7 Mei eerst zal spelen.

Ik ga voor mijn herstel naar Italië.

_Eleonora Duse._

Inderdaad, zij was vertrokken.

* * * * *

Gedurende de zeven jaar, dat ik met La Duse rondgetrokken ben, heb ik

haar nooit over zaken kunnen spreken. Elken morgen maakte ik bij haar

mijn opwachting. We spraken dan over litteratuur, de laatst verschenen

romans, de Parijsche "premières", over Shakespeare, kortom over alles,

maar nooit over zaken. Zoodra ik dat chapiter aanroerde, stond zij op en

sprak:

--Bederf mij mijn dag niet. Als u mij iets daarover te zeggen of te

vragen hebt, doe dat dan per brief. Ik zal u terstond antwoorden, wat

mij goed dunkt. Wanneer u echter in vriendschap met mij wenscht om te

gaan, dan nimmer een woord over zakelijke belangen of diensten. Ik

onderscheid in u twee personen, de "homme du monde", waarmee ik met

genoegen van gedachten wissel en de "homme d'affaires", waarmee ik ten

mijnent niets te doen wil hebben. Onthoud dit goed en reken het u voor

gezegd.

Nooit is Mme Duse van dit programma afgeweken en welke belangrijke zaak

zich ook mocht voordoen, steeds moest die schriftelijk plaats vinden.

Evenmin heeft La Duse zich met bezoeken of interviews willen inlaten,

wanneer zij eenmaal in den schouwburg was. Te Brussel had zij geweigerd

aan de uitnoodiging van koningin Louise te voldoen, die haar door mij

liet verzoeken in de koninklijke loge te komen, waar zij haar

persoonlijk over haar spel wenschte te complimenteeren.

De teleurgestelde vorstin antwoordde mij: "Het zij zoo. U zegt, dat Mme

Duse niet kan komen. Brengt u haar dan mijn vereering voor haar

buitengewoon talent zelf over en voeg er aan toe, dat zij gerust had

kunnen komen: ik eet de artiesten niet op."

In den koninklijken schouwburg te Stuttgart, liet Zijn Majesteit vragen,

wanneer hij de groote artieste zijn eerbiedige hulde zou kunnen

aanbieden?

--Zeg aan Zijn Majesteit, dat ik zeer gevleid ben over zijn

welwillendheid, maar dat ik hem onmogelijk kan ontvangen. In den

schouwburg behoor ik mijn kunst toe. Bezoeken van welken aard ook,

roepen mij tot de werkelijkheid terug en verbreken de illusie, die ik

noodig heb om mijn rollen naar behooren te vertolken. Ik ben ten zeerste

verheugd, dat mijn kunst Zijn Majesteit behaagd heeft. Bedank hem

hartelijk voor zijn welgemeende gelukwenschen en doe hem tegelijkertijd

inzien, dat dit voldoende is.

Ik wachtte er mij wel voor haar antwoord persoonlijk aan den koning te

gaan overbrengen en belastte hiermee den baron Van Putlitz, intendant

van den koninklijken schouwburg, die 't op zijn beurt aan den

hofmaarschalk meedeelde.

In de eerstvolgende pauze kwam de koning, vergezeld van den intendant en

zijn generaal-adjudant zelf op het tooneel.

--Meneer, wilt u mij aan Mme Duse voorstellen?

--Sire, tot mijn spijt heb ik reeds aan uw intendant gezegd, dat Mme

Duse zeer vermoeid is en onmogelijk in staat is u te ontvangen.

--Wees dan zoo goed mij de deur der loge van uw ster aan te wijzen.

Ik haastte mij dit bevel op te volgen.

De koning klopt aan.

--Wie daar?

--De koning.

--Het spijt me "meneer de koning" niet te kunnen ontvangen, ik kleed me.

--Dat doet er niet toe. Ik zal wachten, tot u gereed zijt.

--Doe dat niet, meneer. Ik heb reeds de directie laten verzoeken Zijn

Majesteit mee te deelen, dat ik niet in staat ben bezoek te ontvangen.

--Mevrouw....

--Onnoodig aan te dringen. Ik zal mijn loge niet verlaten, alvorens men

mij is komen berichten, dat u vertrokken bent.

Woedend verliet de koning het tooneel. Eenige oogenblikken later sprak

Van Putlitz mij aan.

--U zult wel begrepen hebben, meneer Schürmann, dat het "Théâtre-Royal"

voortaan voor u niet meer te krijgen is. Uw verzoek zou in geen geval

meer toegestaan worden.

Men ziet, dat zoo'n tournée den impresario naast veel succes, niet

minder moeilijkheden bracht.

* * * * *

Na voorstellingen te Kopenhagen en Stockholm gegeven te hebben, scheepte

La Duse zich naar Noord-Amerika in. Overal hetzelfde succes. In November

1896 treedt zij te Berlijn op in het Neues Théâter, waar de ook bij ons

bekende #Sigmund Lautenberg# de directie voerde. Vandaar gaat de

kunstreis naar St. Petersburg. De gemiddelde recette van de veertien

voorstellingen bedroeg veertienduizend francs. Te Moskou loopt de

glorievolle tournée mis. Hier wordt de tragédienne ongesteld. De sneeuw,

het gure klimaat schijnen voor haar zwak gestel niet te deugen. Hoewel

er voor haar serie voorstellingen reeds over de honderdtienduizend

francs besproken is, moet zij haar optreden telkens weer uitstellen, tot

zij plotseling, op raad van haar geneesheer, naar Italië terugkeert en

de teleurgestelde impresario genoodzaakt is, het geld terug te geven.

Zelfs de zegelkosten, de z.g. stedelijke belasting, krijgt hij niet eens

vergoed.

Tot nog toe was La Duse nimmer te Parijs opgetreden, hetgeen toch de

droom is van de meeste buitenlandsche artiesten. La Duse had er ook wel

ooren naar, alleen zij zag tegen de noodzakelijke reclame en

"interviews" op. Ik wist haar evenwel te bepraten; beweerde, dat ze daar

geen last van zou hebben en La Duse gaf tenslotte toe, op voorwaarde,

dat zij door #Sarah Bernhardt# uitgenoodigd zou worden en in haar

schouwburg zou optreden (in die jaren "La Renaissance"). Niet als

concurrente, maar als genoodigde wilde zij voor de Parijzenaars spelen,

wat niemand haar kwalijk zou kunnen nemen.

Dit ultimatum bracht mij in groote verlegenheid, doch wie niet waagt,

niet wint. Daar ik met Sarah Bernhardt door vroegere "tournées" op

goeden voet verkeerde, zocht ik haar op, om haar over het bezoek van La

Duse te polsen. Sarah maakte niet de minste bezwaren; zij had juist voor

een serie voorstellingen te Brussel afgesloten, haar schouwburg stond

dus leeg en zij stelde er een groote eer in, dezen zoolang aan haar

Italiaansche kunstzuster af te staan.

Nu deed zich de moeilijkheid voor een stuk uit te kiezen. #Annunzio's#

"Citta morte" was reeds door den auteur aan Sarah verkocht en het ging

dus niet aan, deze noviteit in haar schouwburg op te voeren. Men ried

haar de bekende "Dame aux Camélias" aan, het publiek was met den inhoud

voldoende vertrouwd, het was nog steeds het beste kasstuk, daar Sarah

met de rol van Marguérite de grootste lauweren had geoogst. Voor La Duse

was de proef gewaagd, hoewel aanlokkelijk. In een vreemde wereldstad, in

'n Parijsch stuk, in den schouwburg van Frankrijk's beroemdste actrice

met haar lijfrol op te treden; men kan zoo ongeveer beseffen, wat er bij

La Duse moet zijn omgegaan, toen zij dien avond voor het eerst het

tooneel betrad.

Het succes was overweldigend... Sarah, die de voorstelling in de zaal

had bijgewoond, was zóó verrukt over de uitbeelding van haar groote

collega, dat zij haar in haar loge om den hals vloog! En de pers?...

Een artikel van den thans overleden criticus #Gustave Larroumet#,

getiteld: "La Duse et le public parisien" deelt mee:

La Duse had bij deze gelegenheid dezelfde reserve tegenover de pers in

acht genomen als zij dat gewoon was te doen. Zij legde noch bezoeken af,

noch wilde bezoeken van krantenmenschen ontvangen. De Parijsche koningen

der kritiek, die, als sommige tooneelsterren, hun mannelijke en

vrouwelijke vereerders en beschermelingen er op na houden, waren door

het gedrag van La Duse ten zeerste gebelgd. Het verschil in de ontvangst

van het publiek en van de pers was dan ook teekenend, enkele gunstige

uitzonderingen natuurlijk niet te na gesproken. Het publiek één en al

geestdrift, de verslagen onbillijk en weinig hoffelijk. Sommigen gingen

zelfs zóó ver, om met het enthousiasme van de zaal den spot te drijven

en noemden de pretentie van La Duse, om zich met de eerste Parijsche

actrices gelijk te willen stellen, zelfoverschatting. La Duse trok zich

daar echter niet veel van aan, haar reputatie achtte zij door hen niet

aangetast. Zij meende, dat de Parijzenaars hun artistieke voorlichters

genoeg kenden, om te weten wat zij ervan gelooven moesten, nu de pers

niet op haar hand was.

#Victorien Sardou# kwam spoedig daarop La Duse verzoeken, haar

medewerking te willen verleenen aan een gala-voorstelling, ten bate van

het op te richten standbeeld van #Alex. Dumas fils#. Zij stemde terstond

toe, niet alleen uit bewondering voor den grooten meester doch ook uit

dankbaarheid voor het Parijsche publiek, dat haar zoo allercharmantst

ontvangen had. Er werd tusschen hen overeengekomen, om het vierde

bedrijf van "Marguérite Gautier" te geven. Toen Sarah Bernhardt dit

evenwel hoorde, maakte zij bezwaar, die eer kwam haar toe, en La Duse

was zoo verstandig, dit in te zien. Zij zag, hoewel 't haar natuurlijk

ontzettend speet, dan maar liever van haar voornemen af en schonk het

comité een duizend francs. Ik dacht er anders over. Ik wist mijn ster te

overreden, in een ander stuk van Dumas op te treden en noemde "La Moglie

di Claude". Nu had dit drama te Parijs nooit veel opgang gemaakt en bij

een reprise van "La Femme de Claude" zelfs échec geleden. La Duse was

dan ook bezorgd, of zij haar uitbeelding van Césarine voor het Parijsche

publiek aannemelijk zou weten te maken. Ik hield voet bij stuk en liet

het tweede bedrijf in de "Figaro" aankondigen. De opvoering had plaats,

het pleit werd gewonnen, een daverend applaus viel La Duse te beurt en

het standbeeld van Dumas fils was verzekerd. De opbrengst van dien

kunstavond beliep niet minder dan 31,488 francs.

Na haar succes te Parijs werd de groote actrice in haar eigen land

natuurlijk op de handen gedragen. In Triëst, Milaan, Turijn, Genua,

Napels, Rome en Florence geeft zij series voorstellingen, die alle 't

maximum opbrengen. In deze laatste stad krijg ik een brief van #Suzanne

Reichemberg#, de "doyenne" van de Comédie Française, om La Duse uit te

noodigen, aan haar afscheidsvoorstelling te willen medewerken. La Duse

neemt dit verzoek met geestdrift aan en besluit het laatste bedrijf van

"Adrienne Lecouvreur" te spelen.

Daar dit uitstapje naar Parijs midden in haar tournée de reisroute

dreigt in de war te sturen, neemt La Duse op zich, de kosten voor haar

en haar gezelschap zelf te dragen, zoozeer stelt zij op prijs in het

"Huis van Molière" op te kunnen treden. Den 7en Maart 1898 had deze

gebeurtenis plaats met een recette van frs. 44,502, nog grooter dus dan

de kunstavond voor Dumas. Na afloop der voorstelling kwam president

#Félix Faure# op het tooneel de Italiaansche gast complimenteeren.

Van Parijs vertrekt het gezelschap wederom naar Monte-Carlo en vandaar

naar Cannes, waar koning #Edward VII# verblijf hield. De "Prince de

Galles" was een bekend tooneelvriend, geen wonder dus, dat hij niet één

der voorstellingen van La Duse oversloeg. Over Marseille en Bordeaux

gaat de tournée naar Portugal. 12 April debuteert zij in den

Amelia-schouwburg te Lissabon met de "Dame aux Camélias". Hier worden

een negental opvoeringen gegeven, waarvan de gemiddelde recette 15,400

francs oplevert. De vicomte #San Luiz de Braga#, eigenaar van den

schouwburg, is in de wolken over deze artistieke gebeurtenis. Zulk een

unaniem succes heeft zijn theater nog nooit meegemaakt. Hij besluit dan

ook door een duurzame herinnering dit feit te vereeuwigen. Op een

marmeren plaat laat hij met gouden letters de data van La Duse's

optreden griffen en noodigt hierbij uit al wat Portugal aan artiesten en

letterkundigen bezit. Koningin #Amelie#, die alle voorstellingen met

groote ingenomenheid had bijgewoond, liet zich eveneens

vertegenwoordigen en wonder boven wonder, La Duse is bij het plaatsen

der plaat zelf aanwezig en neemt glimlachend de gelukwenschen van den

vicomte-directeur en der vele aanwezigen in ontvangst.

Van Lissabon trok zij als eindpunt harer tournée naar Oporto, waar een

echt Zuidelijke ovatie haar tebeurt valt met een opbrengst der twee

voorstellingen van niet minder dan 27,200 francs. Zij besloot nu een

welverdiende rust te Florence te gaan nemen, na ongeveer een millioen

francs verdiend te hebben.

André Antoine.

Gedurende mijn gansche impresariaat heb ik nimmer een artiest leeren

kennen, die meer in zijn kunst opging, vasthoudender zijn weg vervolgde

en eigenzinniger was dan #André Antoine#.

Uit eerbied voor zijn pogen heb ik vanaf de oprichting van zijn "Théâtre

Libre" jaren lang zijn artistieke carrière gevolgd en me steeds de

grootste opofferingen getroost om hem in staat te stellen zijn

eerzuchtige plannen, zijn belangrijke hervormingen ten uitvoer brengen.

Buiten mijn oprechte bewondering, gevoel ik nog steeds voor dit "groote

kind", zoo vol idealen, een warme sympathie, want men mòet van hem

houden ondanks zijn gebreken, men kàn hem geen kwaad hart toedragen.

Onvermoeid, door niets van zijn ideëen af te brengen, herrijst hij

telkens als een phenix uit zijn asch. Tegenspoed schijnt op hem geen

vat te hebben. Tien jaar lang heb ik met hem saamgewerkt, vanaf den tijd

dat hij als baanbreker der Fransche tooneelspeelkunst, zich vrijmaakte

van de ingewortelde traditie, tot aan zijn officieele erkenning van één

der eerste Parijsche tooneel leiders.

23 Maart 1892 begonnen wij onze eerste tournée in het Grand-Théâtre te

Luik. Waar wij ook optraden, was het publiek op onze hand. De naam van

"Théâtre Libre" heeft in het buitenland niemand afgeschrikt. Te

Amsterdam, waar wij daarna speelden, was de zaal van het Grand-Théâtre

uitverkocht. Onder de twaalfhonderd personen bevonden zich echter maar

drie dames. De heeren #Van Lier#, directeuren van dien schouwburg,

verbaasden zich hierover en waren niet weinig verontwaardigd. Het

publiek meende zeker een pornografisch schouwspel uit dat verdorven

Parijs te wachten te zijn, waarbij de tegenwoordigheid van het zwakke

geslacht nu eenmaal niet zou passen. Toch hadden we tijdig den naam van

het stuk en van den schrijver geannonceerd: "Blanchette" van #Brieux#.

Bij het eerste bedrijf bleef de zaal tamelijk koel, men verbaasde zich

over den inhoud, bij het tweede hadden wij echter gewonnen spel. Nu men

geen onbehoorlijk gegeven te zien kreeg, waarop de meesten gerekend

hadden, zonder het waarschijnlijk te willen bekennen, boeide weldra de

ernstige uiteenzetting van het drama, dat overigens door Antoine en de

zijnen meesterlijk gespeeld werd. Den volgenden avond werd "L'Ecole des

Veufs" opgevoerd, een satyriek tooneelspel van #Georges Ancey#, dat niet

minder insloeg. Onze grootste triumf werd behaald met "La Dupe", van den

zelfden auteur, die terecht één der meest gevierde schrijvers van het

"Théâtre Libre" is geweest. De scène, waarin Antoine zijn vrouw een paar

oorvijgen uitdeelt, sloeg wel 't meest in. Antoine verwonderde zich

hierover en zei me:

"Het schijnt hier in 't Noorden gewoonte te zijn, een lastige vrouw

hardhandig haar ongelijk aan het verstand te brengen. In Parijs hebben

wij deze scène nooit kunnen spelen dan onder luid protest."

Het vervolg van onze tournée stelde hem echter in 't ongelijk. Overal,

zoowel in Zuid- als Midden-Frankrijk, Zwitserland en Italië hadden we

met dit tooneel een even groot succés als in Holland, Duitschland en

Oostenrijk.

Te Marseille gaven we "Seul", een stuk in drie bedrijven, van #Guinon#.

In het tweede bedrijf komt een kind voor, dat ter gelegenheid van den

jaardag van zijn grootvader een fabel moet opzeggen. Om overal een kind

van zes à acht jaar met den troep mee te nemen, ging natuurlijk niet

aan. Ik had dus aan alle schouwburgdirecties, waar wij dit stuk hoopten

op te voeren, vooruit geschreven om een kind ter plaatse de fabel "Les

deux Pigeons" van #La-fontaine# te laten instudeeren. Tot nog toe was

dit overal goed gegaan.

Te Marseille toont men ons vóór het scherm opgaat een allerliefst

kereltje.

--Ken je de fabel van buiten, vraagt Antoine hem.

--Ja, meneer.

--Goed zoo. Ga dan maar in den foyer zoolang wat spelen tot het je beurt

is, dan laat ik je wel halen.

Het tweede bedrijf is begonnen, het kind komt op en begint.

--Ach, pécaïre!

Nog nooit had men in de omgeving der Canebière zoo'n echt Marseillaansch

accent op de planken gehoord. Bij de eerste woorden begint men in de

fauteuils te lachen, weldra brult de geheele zaal.

"Deux pigeons s'aimaient d'amour tendre.... Antoine omhelst het kind en

zegt:

--Genoeg, ik ben tevreden.

De knaap kijkt zijn grootvader verbaasd aan en begint opnieuw:

"Deux pigeons...."

Antoine hem snel in de rede vallend.

--Het was mooi, houd nu maar op.

Het kind is daarover zeer ontstemd en gaat bedaard voort. De zaal giert

het uit.

Dat is te erg!

Antoine ten einde raad, knijpt hem in de arm en fluistert:

--Als je nu niet gauw je mond houdt, kwajongen!

--Nee, ik hou m'n mond niet, pruilt de kleine. Ik heb de fabel geleerd,

ik zal haar ook opzeggen.

Er viel niets aan te doen! De fabel werd nogmaals tot het eind

voorgedragen tot groot vermaak van het publiek, tot ergernis van

grootvader Antoine.

* * * * *

In de maand Maart 1904 keerden wij naar Marseille terug om daar een

zestal voorstellingen in het "Théâtre des Variétés" te geven. Evenals

twee jaren te voren is alles vooruit besproken.

Nadat wij ons répertoire met "La Fille Elise" en "Boubourouche"

vermeerderd en daarvoor #Lérand#, die nu al jaren een eerste plaats aan

den "Vaudeville"-schouwburg inneemt--geëngageerd hadden, begaven wij ons

naar Brussel om vandaar uit een nieuwe tournée te beginnen.

Den dag voor ons vertrek was de arme #Jeanne Dulac#, die bij een

petroleumlamp haar handschoenen gewasschen had, te dicht bij 't vuur

gekomen. De benzine had vlam gevat en zij bracht het er nauwelijks

levend af. Vreeselijke brandwonden bedekten haar lichaam. Zij moest

maanden lang te bed blijven.

Het was bij twaalven, toen wij 't ongeval vernamen en wij moesten den

volgenden dag om zeven uur verder. Terstond werden maatregelen genomen,

haar plaats door een ander te doen innemen. Het gelukte ons #Eugénie

Nau#, zij, die de rol van "La Fille Elise" gecreëerd had, te bewegen

haar ongelukkige kameraad bij deze tournée te vervangen.

Van de tien verschillende stukken, die wij te spelen hadden, kende zij

slechts die ééne rol. Gedurende de geheele reis moesten wij dus overal

repeteeren, zonder oponthoud. Zoodra wij ons in een trein geïnstalleerd

hadden, begon men in één der wagons met Mlle Nau de rollen door te

nemen. Bij elke halte zocht #Gémier#, die toen regisseur bij den troep

was, van wagen tot wagen de artisten bijeen, die de "wachten" hadden te

geven en zoo wisselden zij elkaar af. Overal werd dus vlijtig

gestudeerd, in hotels, in wachtkamers, in de tusschenbedrijven, in den

foyer en 's avonds na de voorstelling. Geen minuut rust tijdens de twee

weken, die wij in Holland doorbrachten. De tien stukken werden dan ook

gekend. Antoine en zijn artisten konden met welgevallen op hun

reuzenarbeid terugzien, maar aangenaam reizen was het nu direct niet.

* * * * *

Van Konstantinopel naar Italië overstekend, werden wij te Milaan door de

eerste auteurs en artisten verwelkomd. Annunzio, Bracco, Traversi, Duse,

Zacconi, Novelli woonden verschillende voorstellingen bij en beloonden

ons met applaus. Natuurlijk dachten we te Rome prachtige zaken te maken.

Helaas, het mocht niet zijn!

Den eersten avond is de zaal van den schouwburg "Valle" door een

élite-publiek bezet. We geven "Blanchette", het bekende succèsstuk.

Het eerste bedrijf wordt koel ontvangen. Geen nood, dit waren wij reeds

van andere steden gewoon. In het tweede komt echter geen hand op elkaar,

in het derde is de zaal reeds over de helft leeggeloopen.

We informeeren terstond naar de reden van dit gebrek aan belangstelling.

Een misverstand! Men was in de meening Parijsche toiletten te zien te

krijgen en ons stuk speelde in een boerenmilieu. Om bij het publiek te

Rome succès te hebben, hadden wij de medewerking van Paquin of Redfern

noodig gehad.

Hoewel ik hierna geen tournée met Antoine meer ondernomen heb, kan de

oprichter van het "Théâtre Libre" over onze samenwerking tevreden zijn.

Onze voorstellingen in het buitenland hadden te samen, na aftrek der

onkosten, het aanzienlijk bedrag van 314,500 francs opgeleverd, een som,

die Antoine in staat stelde zijn voor het moderne tooneel zoo

interessanten strijd met nieuwe kracht voort te zetten.

Achter de schermen · 第 6 / 11 题