"Hum! Het onderzoek was inderdaad zeer eenvoudig, maar zoo dacht hij er
niet over, toen hij onze hulp vroeg," zei Holmes. "Laten wij evenwel
eens zien, wat Jim Browner zelf heeft te zeggen. Dit is zijn verklaring,
zooals die is afgelegd voor den inspecteur Monthomery aan het
Shadwell-politiebureau en het heeft het voordeel woordelijk te zijn.
"Heb ik iets te zeggen? Ja, ik heb veel te zeggen. Ik moet mijn gemoed
volkomen uitstorten. Gij moogt mij ophangen of mij gevangen zetten. Het
kan mij niemendal schelen, wat gij met mij doet. Ik zeg u, dat ik nog
geen minuut geslapen heb sinds ik het deed, en ik geloof niet, dat ik
ooit weer slapen zal, tot ik sterf. Soms is het zijn gezicht, maar
meesttijds is het dat van haar. Ik heb altijd een van beiden voor mij.
Hij ziet mij aan met gefronste wenkbrauwen en donkere gelaatstrekken;
maar zij heeft een soort verbazing op haar gelaat. Ach, het witte lam
mocht wel verbaasd kijken, toen zij haar dood las op een gelaat, dat
haar nooit anders dan met liefde had aangezien.
Maar het was de schuld van Sarah en moge de vloek van een gebroken man
ongeluk over haar brengen en haar het bloed in de aderen doen verdrogen!
Niet dat ik mij zelf wensch schoon te wasschen. Ik weet, dat ik weer aan
mijn drankzucht begon toe te geven, beest dat ik was. Doch _zij_ zou het
mij vergeven hebben; zij zou mij op mijn weg hebben gestuit, als een
touw een hijschblok, als die andere vrouw nooit onzen drempel had
betreden. Want Sarah Cushing beminde mij--dat is de oorzaak van de
geschiedenis;--zij beminde mij, tot haar liefde in giftigen haat
verkeerde, toen zij wist, dat ik meer dacht aan den voetstap van mijn
vrouw in het slijk, dan aan haar geheele lichaam en ziel.
Ze waren drie zusters. De oudste was een goedhartige oude vrouw, de
tweede een duivelin en de derde een engel. Sarah was drie en dertig jaar
en Mary negen en twintig, toen ik trouwde. Wij, Mary en ik, waren, toen
wij onze huishouding opzetten, gelukkig met elkaar van den morgen tot
den avond en in gansch Liverpool was er geen betere vrouw dan mijn Mary.
En toen verzochten wij Sarah een week bij ons te komen; en die week werd
een maand en zij bleef nog langer, totdat het scheen, alsof zij tot ons
gezin behoorde.
Ik was in dien tijd vlijtig en oppassend en wij legden wat geld over en
alles liet zich zoo mooi aanzien als een nieuwe munt. Mijn God, wie zou
gedacht hebben, dat het zoover zou komen? Wie zou het hebben kunnen
droomen?
Ik was dikwijls op 't eind van de week te huis en soms, als de boot wat
lang moest blijven liggen, om lading in te nemen, was ik wel eens een
geheele week te huis en zoo zag ik mijn schoonzuster Sarah ook veel. Zij
was een mooie, groote vrouw, donker, vlug en hartstochtelijk, met
trotsche houding en een schittering in haar oog als de vonk uit een
vuursteen. Doch als de kleine Mary er was, dacht ik nooit aan haar, dat
is zoo waar als ik op Gods genade hoop.
Het heeft mij soms toegeschenen, dat zij alleen met mij wenschte te
zijn, of dat zij mij wenschte over te halen, een wandeling met haar te
doen, maar het kwam mij nooit in de gedachte, zoo iets te doen. Doch op
zekeren avond gingen mij de oogen open. Toen ik van de boot kwam, was
mijn vrouw uit, maar Sarah te huis. "Waar is Mary?" vroeg ik. "O, die is
uitgegaan, om eenige rekeningen te betalen." Ik was onrustig en liep de
kamer op en neer. "Kan je geen vijf minuten zonder Mary gelukkig zijn,
Jim?" zeide zij. "Het is geen compliment voor mij, dat gij zelfs zoo'n
korten tijd niet met mijn gezelschap tevreden kunt wezen."
"Ik heb niets op je tegen, kindjelief," zeide ik, haar vriendelijk mijn
hand toestekende. Zij greep ze dadelijk met beide handen, die brandden,
alsof zij de koorts had. Ik zag haar in de oogen en daarin las ik alles.
Geen van ons beiden zei een woord. Ik fronste de wenkbrauwen en trok
mijn hand terug. Toen stond zij zwijgend naast mij, stak haar hand
omhoog en klopte mij op den schouder. "Standvastige, oude Jim!" zeide
zij; en lachend, met een klank van teleurstelling, liep zij de kamer
uit.
[Illustratie: Zij greep ze dadelijk met beide handen.]
Van dat oogenblik haatte Sarah mij met haar gansche hart en ziel, en zij
is een vrouw, die kan haten. Ik was een dwaas, dat ik toestond dat zij
bij ons bleef, een groote dwaas; maar ik zei nooit iets tegen Mary, want
ik wist, dat het haar zou grieven. De zaken gingen weer haar gewonen
gang, maar na eenigen tijd begon ik op te merken, dat er bij Mary zelf
een verandering plaats vond. Zij was altijd zoo vertrouwelijk en zoo
vriendelijk-onschuldig geweest, maar nu werd zij argwanend en gedroeg
zich vreemd tegenover mij; zij wilde telkens weten, waar ik was geweest
en wat ik had gedaan en van wie ik brieven ontving en wat ik in mijn
zakken had en meer van die dwaasheden. Zij werd bij den dag zonderlinger
en driftiger en we hadden zonder oorzaak twist over de nietigste zaken.
Ik werd er geheel door verbijsterd, Sarah meed mij nu, maar zij en Mary
waren in dezen tijd onafscheidelijk. Nu eerst zie ik, hoe zij
samenspande en mijn vrouw tegen mij opzette, maar destijds was ik zoo'n
blinde tor, dat ik daar niets van begreep. Toen verbrak ik mijn belofte
om niet meer te drinken en gaf mij weer aan misbruik van sterken drank
over, doch ik geloof niet, dat ik dit gedaan zou hebben, als Mary
dezelfde van vroeger voor mij was geweest. Zij had nu reden om boos op
mij te wezen, en de klove werd met den dag wijder. En toen kwam Alex
Fairbaim in het spel en werden de zaken duizendmaal erger.
Eerst bezocht hij ons alleen om Sarah te spreken, maar spoedig kwam hij
om ons. Het was een innemend man, die zich vrienden verwierf, overal
waar hij kwam. Hij was een snoever, schrander, iemand die de halve
wereld had gezien. Het was een aangenaam man in gezelschap, dat wil ik
niet ontkennen en voor een zeeman had hij wonderlijk beschaafde
manieren, zoodat ik geloof, dat er een tijd was, dat hij meer van de
kajuit dan van den bak wist. Een maand liep hij bij mij in en uit, en
nooit kwam het mij in de gedachte, dat er uit zijn bezoeken iets kwaads
kon voortkomen. Op 't laatst werd ik wantrouwend en van dat oogenblik
was mijn rust verdwenen.
Het was evenwel slechts een nietige zaak. Ik kwam onverwacht de
voorkamer binnen en in de deur komende zag ik een glans van tevredenheid
op mijn vrouws gelaat. Doch toen zij zag, dat ik het was, die
binnenkwam, verdween die glans en maakte plaats voor een blik van
teleurstelling. Dat was mij genoeg. Niemand dan Alex Fairbaim was het,
wiens stap zij gemeend had te hooren. Als ik hem toen had gezien, zou ik
hem vermoord hebben, want ik was altijd een dolleman, als mijn drift was
opgewekt. Mary zag het onheilspellend licht in mijn oogen en zij kwam op
mij toe en legde haar hand op mijn arm:
"Niet doen, Jim," zeide zij, "niet doen!"--"Waar is Sarah?" vroeg
ik.--"In de keuken," was het antwoord.--"Sarah," zeide ik binnenkomende,
"deze Fairbaim moet bij mij nooit weer over den drempel komen."--"Waarom
niet?" vroeg zij.--"Omdat ik het zoo wil."--"Och, als mijn vrienden niet
goed genoeg voor dit huis zijn, dan ben ik er ook niet goed genoeg
voor," zeide zij.--"Ge kunt doen wat ge verkiest," gaf ik ten antwoord,
"maar als Fairbaim zich hier weer vertoont, zal ik u een van zijn ooren
als een aandenken zenden." Mijn gezicht joeg haar, geloof ik, schrik
aan, want zij gaf mij geen antwoord en nog dienzelfden avond verliet zij
mijn huis.
Was het een duivelachtige trek in het karakter van deze vrouw of wilde
zij mij tegen Mary opzetten, door haar tot een slecht gedrag te
verleiden; wat hiervan moge zijn, zij huurde twee straten verder een
huis en verhuurde daarvan kamers aan zeelieden. Fairbaim placht bij haar
te vertoeven, als hij van zijn reizen terugkwam en Mary ging er heen om
met haar zuster en hem te drinken. Hoe dikwijls zij er heen ging, weet
ik niet, doch op zekeren dag volgde ik haar, en juist toen ik
binnenkwam, ontsnapte Fairbaim over den tuinmuur, lafbek die hij was. Ik
zwoer mijn vrouw, haar te zullen vermoorden, als ik haar weer in zijn
gezelschap aantrof en nam haar mee naar huis, snikkende en bevende en
wit als een stuk papier. Van dit oogenblik af was er geen zweem van
liefde meer tusschen ons. Ik zag, dat zij mij haatte en vreesde en als
de gedachte daaraan mij tot drinken dreef, verachtte zij mij.
Sarah vond het leven te Liverpool niet aangenaam meer en zij vertrok,
naar ik dacht, om weer met haar zuster te Croydon samen te wonen en te
huis sukkelden de zaken voort, als in den laatsten tijd. En toen kwam
deze laatste week met al haar ellende en ongeluk.
Het gebeurde zoo. Wij waren met de _May Day_ vertrokken voor een reis
van zeven dagen, maar de boot had averij bekomen, zoodat wij in de haven
moesten terugkeeren. Ik ging van boord naar huis, denkende, dat het voor
mijn vrouw een heele verrassing zoude zijn en zij nog blijde zou wezen,
nu ik zoo spoedig terugkwam; doch juist toen ik de straat insloeg, waar
ik woonde, kwam daar een cab voorbij en daarin zat mijn vrouw naast
Fairbaim en de twee praatten en lachten zonder een enkele gedachte aan
mij en daar stond ik nu op den weg te kijken.
Van dat oogenblik was ik mij zelf geen meester meer en het komt mij
alles als een verwarde droom voor, als ik er aan denk. Ik had ook kort
geleden veel gedronken en deze beide zaken te zamen brachten mij geheel
van streek. Ik voel nu een kloppen in mijn hoofd als van een smidshamer,
maar op dien morgen was het een razen en bruisen in mijn hersenen als
van de Niagara.
Een oogenblik stond ik besluiteloos; toen snelde ik de cab achterna. Ik
had een zwaren eikenhouten stok in de hand. Zij stapten weldra uit aan
het spoorwegstation. Daar stonden veel menschen voor het loket en zoo
kon ik hen dicht naderen zonder door hen gezien te worden. Zij namen
kaartjes voor New-Brighton. Ik deed eveneens en stapte in een
spoorweg-coupé drie rijtuigen achter de hunne. Toen zij het doel van hun
tocht hadden bereikt, wandelden zij langs de parade, en ik zorgde er
voor nooit meer dan een honderd el van hen af te wezen. Ten laatste zag
ik hen een boot huren om een roeitochtje te maken; want het was een zeer
warme dag en zij dachten ongetwijfeld, dat het op het water koeler zou
wezen.
Het was of zij in mijn handen waren overgeleverd. Er hing een lichte
mist over het water, zoodat men maar een paar honderd el ver kon zien.
Ik huurde een boot voor mij alleen en roeide hen achterna. Ik kon het
zog van hun vaartuigje zien; maar zij voeren bijna even snel als ik en
zij waren zeker wel een mijl van de kust, toen ik hen inhaalde. De mist
was als een gordijn rondom ons en wij drieën bevonden ons in de ruimte
door dat gordijn ingesloten. Mijn God, zal ik ooit de uitdrukking op hun
gezicht vergeten, toen zij zagen wie er in de boot was, die op hen
invoer?
[Illustratie: bracht ik hem met een zwaren stok een slag toe.]
Zij gaf een luiden gil. Hij vloekte als een dolle en stiet met een riem
naar mij; hij las zijn doodvonnis in mijn oogen. Met mijn linkerhand
greep ik den riem vast en met de andere hand bracht ik hem met mijn
zwaren stok een slag op zijn hoofd toe, dat zijn schedel vermorzeld werd
als een ei. Ik zou haar misschien gespaard hebben niettegenstaande mijn
vreeselijke woede; maar zij sloeg haar armen rond zijn hals onder het
luide uitroepen van zijn naam: Alex. Ik sloeg nog eens en zij lag dood
naast hem. Toen was ik als een wild dier, dat bloed geproefd heeft. Was
Sarah daar geweest, zij zou hetzelfde lot hebben ondergaan. Ik haalde
mijn mes voor den dag en... ik heb genoeg gezegd, het gaf mij een woest
genot, toen ik dacht, hoe Sarah, als zij zulke bewijzen van mijn daad
ontving, zou gevoelen wat haar bemoeizucht had teweeggebracht. Toen bond
ik de lijken in de boot, stiet een plank los en liet zoo de boei met de
lijken er in zinken. Ik wist wel, dat de eigenaar van de boot zou
denken, dat zij uit den koers geraakt en naar zee zouden zijn gedreven.
Ik knapte mij wat op, ging weer aan land en kwam weer aan boord, zonder
dat iemand ter wereld kon vermoeden, wat er had plaats gevonden. Dien
nacht maakte ik het postpakket voor Sarah Cushing klaar en den volgenden
dag verzond ik het van Belfast.
Daar hebt ge nu de geheele waarheid. Ge moogt mij ophangen of met mij
doen, wat u goeddunkt, doch gij kunt me niet zoo zwaar straffen, als ik
reeds gestraft ben. Ik kan mijn oogen niet sluiten of ik zie de twee
gezichten mij aanstaren, zooals op het oogenblik, toen mijn boot op hen
aanvoer. Ik vermoordde hen vlug, maar zij vermoorden mij nu langzaam en
zoo ik nog den nacht beleef, zal ik toch voor morgen dood of krankzinnig
zijn. Ge zult me toch niet alleen in een cel opsluiten, mijnheer? Doe
het niet als ik u om medelijden mag smeeken, en moogt gij op den dag van
uw doodsstrijd behandeld worden, zooals gij mij nu behandelt."
"Wat zegt gij er van, Watson?" zei Holmes, toen hij het papier uit de
hand legde. "Waartoe dient nu al deze ellende, dat geweld en die angst?
De Voorzienigheid zal daarmee een doel willen bereiken, of anders zou de
wereld geregeerd worden door een noodlot en dat mogen we niet aannemen.
Maar welk doel? Hier staan we nu voor een raadsel, van welks oplossing
het menschelijk verstand nog even ver verwijderd is als ooit te voren,
en dat ons misschien nooit opgelost zal worden."