II.

De afgesneden ooren.

Het was een smoorheete dag in Augustus. Baker-Street geleek een oven en

de schittering van het zonnelicht op de gele baksteenen muren deed de

oogen pijnlijk aan. Men kon ternauwernood gelooven, dat dit dezelfde

muren waren, die in den grijzen mist van den winter zoo loom en triestig

in vage omtrekken schemerden. De jaloezieën van onze kamer waren ten

halve neergelaten en Holmes lag met gekromde knieën op de canapé, een

brief, dien hij met de ochtendpost had ontvangen, lezende en herlezende.

Wat mij zelf betreft, mijn verblijf in Indië was oorzaak, dat ik beter

tegen de hitte dan tegen de koude kon en een thermometerstand van 90

graden vond ik niets onaangenaams. Maar het ochtendblad behelsde niets,

wat mij belang inboezemde. Het parlement was op reces. Iedereen was uit

de stad en ik snakte naar het bosch of naar het strand van de zee.

Ten gevolge van een schrale kas had ik mijn vertrek uit de stad

uitgesteld. Voor mijn vriend Holmes had het verblijf op het land of aan

de zee niet de minste aantrekkelijkheid. Hij hield er van te midden van

de vijf millioen bewoners van Londen te leven met zijn voelhorens

uitgestrekt, lettende op het minst verdacht gerucht van een ongestraft

gebleven misdaad.

Een oogenblik te voren hadden wij een gesprek gevoerd over de kunst van

iemands gedachten te kunnen lezen. Holmes had mij bewezen, dat deze

kunst onder zijn vele talenten behoorde. Onverwachts stoorde Holmes mij

in mijn mijmering.

[Illustratie: En Holmes lag met gekromde knieën op de canapé, een brief

lezende.]

"Ik heb hier een vraagstuk, dat zal kunnen blijken moeilijker

verstaanbaar te wezen dan de onbeduidende proeve, die ik u van mijn

kunst van gedachten-lezen heb gegeven," zeide hij. "Hebt gij in uw

dagblad het bericht opgemerkt betreffende den merkwaardigen inhoud van

een pakket, over de post gezonden aan Miss Susan Cushing, Cross-Street,

Croydon?"

"Neen, ik zag niets."

"Dan moet gij het over het hoofd hebben gezien; reik mij de krant eens

toe. Hier staat het bericht onder de rubriek financieele berichten. Ge

zult toch wel zoo goed willen zijn, mij het bericht voor te lezen."

Ik nam de krant op, die hij mij had toegeworpen en las het volgende

bericht:

"=Een gruwelijk pakket=. Miss Susan Cushing, wonende in Cross-Street,

Croydon, is het slachtoffer van een daad, die als een afschuwwekkende

grap beschouwd moet worden, tenzij nader aan 't licht mocht komen, dat

daaraan een treuriger bedoeling ten grondslag ligt. Gisteren namiddag om

twee uur werd haar door een postbeambte een in bruin papier gewikkeld

pakket overhandigd. Binnen in zat een doos met grof zout. Bij het

ledigen hiervan vond Miss Cushing tot haar schrik twee menschenooren,

die oogenschijnlijk eerst pas geleden waren afgesneden. De doos was den

vorigen morgen van Belfast verzonden. Men heeft niet de minste

aanwijzing, om den afzender te ontdekken en de zaak lijkt te

geheimzinniger, daar Miss Cushing, die een ongehuwde dame van vijftig

jaar is, een zeer afgezonderd leven heeft geleid, zoo weinig kennissen

heeft en zoo weinig briefwisseling houdt, dat het voor haar een

buitengewone gebeurtenis is, iets over de post te ontvangen. Eenige

jaren geleden evenwel, toen zij te Penge woonde, verhuurde zij kamers

aan drie jonge studenten in de medicijnen, wien zij de huur opzegde

wegens hun luidruchtig en ongeregeld leven. De politie is van meening,

dat deze jongelieden, die een hekel aan Miss Cushing hadden, haar de

genoemde beleediging kunnen hebben aangedaan, in de hoop haar schrik aan

te jagen door de toezending van deze reliquieën uit de ontleedkamer. Er

is eenige grond voor deze meening, omdat een der studenten uit het

noorden van Ierland kwam en naar Miss Cushing gelooft, uit Belfast.

Intusschen is een ijverig onderzoek in deze zaak in gang en is Mr.

Lestrade, een van de knapste detectives, het onderzoek in dezen

opgedragen."

"Tot zoover de _Daily Chronicle_," zeide Holmes, toen ik met lezen

ophield, "doch nu iets van onzen vriend Lestrade. Ik ontving dezen

morgen van hem een briefje, waarin hij zegt: "Ik denk, dat dit geval

iets voor u is. Wij hebben alle hoop de zaak tot klaarheid te brengen,

maar hebben eenige moeilijkheid iets te vinden als uitgangspunt voor ons

handelen. Natuurlijk verzonden wij een telegram naar het postkantoor te

Belfast om nadere inlichtingen te vragen; maar dien dag werden een groot

aantal pakjes ter verzending aangeboden en de beambten kunnen zich den

afzender van het bewuste pakket niet herinneren. De van karton gemaakte

doos heeft gediend voor een half pond tabak en kan ons geenerlei

aanwijzing verstrekken. De onderstelling, dat de afzender een student in

de medicijnen is, komt mij nog altijd het waarschijnlijkst voor. Als gij

een paar uurtjes den tijd hebt, zou ik u zeer gaarne spreken. Ik ben den

geheelen dag tot uw dienst, thuis of op het politiebureau."

"Nu, wat zegt ge er van, Watson? Ziet ge niet tegen de hitte op, om met

mij naar Croydon te gaan en de kans te hebben, nog een spannend verhaal

voor uw kroniek op te doen?" vroeg Holmes, na de voorlezing van dat

briefje.

"Ik verlangde er naar iets te doen."

"Dan zult gij het hebben; schel om onze laarzen en bestel een rijtuig.

Ik ben terug, zoodra ik mij gekleed en mijn sigarenkoker gevuld heb."

Terwijl wij in den trein zaten, regende het en de hitte was in Croydon

veel minder drukkend dan in de stad. Holmes had een telegram gezonden,

zoodat Lestrade, als altijd bij de hand en op onderzoek belust, ons

reeds aan het station wachtte. Na een minuut of vijf wandelens kwamen

wij in Cross-Street, waar Miss Cushing woonde.

Het was een zeer lange straat met huizen van gebakken steen, twee étages

hoog, netjes en stijf, met witgeschuurde steenen stoepen en hier en daar

een groepje vrouwen uit den werkmansstand, pratende aan de deuren. Toen

wij de straat ongeveer half ten einde hadden geloopen, bleef Lestrade

staan en klopte tegen een deur, die onmiddellijk door een klein

dienstmeisje werd geopend. Miss Cushing zat in de voorkamer, waarin wij

werden binnengelaten. Zij was een vrouw met een zachtzinnig gelaat en

vriendelijke oogen, grijzend haar, dat in zachte golvingen over haar

slapen was gekamd. Op haar schoot lag een antimacasser, waaraan zij

bezig was te werken, en op een tabouret naast haar stond een mandje met

gekleurde zijden garens.

"Die vreeselijke dingen zijn in het tuinhuis," zeide zij, zoodra

Lestrade binnentrad. "Ik wou maar, dat gij ze medenaamt."

"Dat zal ik ook, Miss Cushing. Ik liet ze daar enkel, opdat mijn vriend

Sherlock Holmes ze in uw tegenwoordigheid zou kunnen zien."

"Waarom in mijn tegenwoordigheid, mijnheer?"

"Omdat het mogelijk is, dat hij u iets zou wenschen te vragen."

"Waartoe zou het dienen, mij iets te vragen, als ik u zeg, dat ik er

niets van weet?"

"Ge hebt gelijk, mevrouw," zei Holmes, op gewonen toegevend

vriendelijken toon. "Zonder twijfel heeft deze geschiedenis u al meer

gehinderd dan u lief is."

"Zoo is het inderdaad, mijnheer. Ik ben een stille vrouw en leef

eenzaam. Het is voor mij iets ongewoons, mijn naam in de kranten vermeld

en politie bij mij aan huis te zien. Ik wilde die dingen hier niet

hebben, mijnheer Lestrade; als gij ze wilt zien, moet gij in het

tuinhuis gaan."

Het was een kleine loods in den niet grooten tuin achter het huis.

Lestrade ging er binnen en kwam een oogenblik later naar buiten met een

bordpapieren doos in een stuk papier gewikkeld en met koord

dichtgebonden. Aan den kant van het tuinpad stond een bank en daarop

gingen wij een poosje zitten, en bekeek Holmes een voor een de

voorwerpen, die Lestrade hem had overhandigd.

"Het koord boezemt mij veel belang in," zeide hij, het tegen het licht

houdende en er aan ruikende. "Wat denkt gij van dit koord, Lestrade?"

"Het is geteerd."

"Juist. Het is een stuk geteerd touw. Gij hebt eveneens zonder twijfel

opgemerkt, dat Miss Cushing het met een schaar heeft doorgeknipt, zooals

aan de uitrafeling aan beide einden gezien kan worden. Dit is van

belang."

"Ik zie hier het belang niet van in," zei Lestrade.

"Het gewicht zit in het feit, dat de knoop onaangeroerd is gebleven en

dat die knoop van een bijzonder soort is."

"Het is zeer netjes gebonden. Ik had dit reeds opgeteekend," antwoordde

Lestrade.

"Tot zoover wat het koord betreft," zei Holmes glimlachend, "en nu het

papier, dat om de doos zit. Bruin papier met een duidelijken geur van

koffie. Het adres geschreven in iets onregelmatig staande letters:

[Illustratie: Bekeek ze nauwkeurig.]

"Miss S. Cushing, Cross-Street, Croydon." Geschreven met een breed

gepunte pen, waarschijnlijk een J-pen en met zeer slechten inkt. Het

woord Croydon is oorspronkelijk gespeld met i, die weer veranderd is in

y. Het pakje is dus verzonden door een man--het schrift is bepaald dat

van een man--van geringe opvoeding, die de stad Croydon niet kende. De

doos is een gele halfponds tabaksdoos met niets bijzonders dan twee

duimen als handelsmerk in den linkerhoek van den bodem. De doos is

gevuld met grof zout, zooals men bezigt voor het bewaren van huiden. En

daaronder verborgen liggen deze zonderlinge dingen."

Bij de laatste woorden nam hij er beide ooren uit, en een plank op zijn

knie leggende, bekeek hij ze nauwkeurig, terwijl Lestrade en ik naast

hem gezeten naar het denkende, scherpe gelaat van Holmes keken. Ten

slotte deed hij ze weer in de doos en zat een tijd in gedachten.

"Gij hebt natuurlijk opgemerkt," zeide hij ten slotte, "dat de ooren

geen paar zijn."

"Ja, dat is mij niet ontgaan. Maar zoo dit een grap is van de studenten

uit de ontleedkamer, moest het hun even gemakkelijk vallen, twee niet

bij elkaar passende als een paar ooren te zenden."

"Zoo is het. Maar we hebben hier _niet_ met een grap te doen."

"Zijt ge daar zeker van?"

"Het komt mij zeer onwaarschijnlijk voor. De lijken in de ontleedzaal

worden bespoten met een vloeistof om ze voor bederf te bewaren. We

kunnen niet zien, dat dit ook met deze ooren het geval is geweest.

Daarbij zijn zij nog versch. Zij zijn met een stomp instrument

afgesneden, dat zou niet gebeurd zijn, als een student het had gedaan.

Bovendien, een student zou sterkwater of een ander voor bederf bewarende

vloeistof en geen grof zout voor het verzenden gebezigd hebben. Ik

herhaal, dat we hier niet met een grap te doen hebben, maar met een

ernstige misdaad."

Ik huiverde, toen ik deze woorden van mijn vriend hoorde en den grooten

ernst op zijn gelaat zag. Deze voorafgaande brutale handeling scheen een

afschuwelijke en onverklaarbare misdaad aan te kondigen. Lestrade

schudde evenwel zijn hoofd als iemand, die nog maar half overtuigd is.

"Er is zonder twijfel iets in te brengen tegen de onderstelling, dat het

hier slechts een grap geldt, maar tegen uw vermoedens is nog meer te

zeggen," sprak hij. "Wij weten, dat deze vrouw hier te Penge de laatste

twintig jaar zeer teruggetrokken en fatsoenlijk heeft geleefd. Zij is al

dien tijd hoogstens een dag van huis geweest. Wat in 's hemels naam zou

iemand dan bewegen haar de bewijzen van zijn misdaad te zenden; vooral

in aanmerking genomen--tenzij zij een volleerde tooneelspeelster is--dat

zij even weinig van de zaak begrijpt als wij."

"Dat is de zaak, die wij tot opheldering moeten brengen," antwoordde

Holmes, "en wat mij aangaat, ik zal mijn onderzoek beginnen met de

onderstelling, dat mijn vermoeden juist is en dat er een dubbele moord

is gepleegd. Een van deze ooren is dat van een vrouw, klein, fijn

gevormd en voor een oorring doorboord. Het ander is dat van een man, met

een door de zon gebruind gelaat; het is eveneens doorboord voor een

oorring; deze twee menschen zijn vermoedelijk dood; anders zouden wij

wel iets van hen vernomen hebben. Vandaag is het Vrijdag, het pakje is

Donderdagmorgen op de post gedaan. Het treurspel is dus afgespeeld op

Woensdag of Dinsdag l.l., misschien vroeger. Indien de beide menschen

vermoord zijn, met welk doel zou de moordenaar dit bewijs van zijn

misdadigen arbeid aan Miss Cushing gezonden hebben? Hij moet daarvoor

zijn geldige reden gehad hebben. Doch welke reden? Hij moet het gedaan

hebben, om haar te vertellen, dat de daad verricht is of misschien om

haar te kwellen. Maar in dit geval weet zij, wie het is. Weet zij het?

Ik betwijfel het. Indien zij het wist, waarom zou zij de hulp der

politie inroepen? Zij kon de ooren hebben begraven en geen haan zou er

naar gekraaid hebben. Zoo zou zij hebben gehandeld, indien het haar

wensch was, de misdaad verborgen te houden. Maar als zij dit niet

wenscht, zou zij haar naam noemen. Er is hier een raadsel, dat dient

opgelost te worden."

Holmes had dit alles luide en vlug gezegd, met vagen blik naar het

tuinhek starende. Doch nu sprong hij vlug overeind en wandelde naar het

huis.

"Ik heb Miss Cushing een paar dingen te vragen," zeide hij.

"In dat geval moet ik u hier verlaten," zei Lestrade, "want ik heb een

ander zaakje aan de hand. Ik geloof, dat ik verder niets van Miss

Cushing behoef te vernemen. Ge zult me op het politiebureau vinden."

"Als wij naar den trein gaan, zullen wij even bij u aankomen," zei

Holmes. Een oogenblik later waren wij terug in de kamer, waar de dame

nog rustig aan haar antimacasser werkte. Toen wij binnentraden, legde

zij haar handwerk op haar schoot en zag ons aan met haar openhartige,

onderzoekende blauwe oogen.

"Ik ben overtuigd, mijnheer," zeide zij, "dat er hier een vergissing

plaats had en dat het pakje niet voor mij was bestemd. Ik heb dit

verscheiden keer aan dien heer van Scotland Yard gezegd, maar hij lachte

om mijn opmerking. Zoover ik weet, heb ik geen enkelen vijand op de

wereld, en waarom zou mij dan iemand die poets spelen?"

"Ik kom bijna tot dezelfde meening, Miss Cushing," zeide Holmes, naast

haar plaats nemende. "Ik denk zelfs, dat wat gij zegt meer dan

waarschijnlijk is--" hij zweeg even, en het was of hij met bijzonder

veel belangstelling haar profiel beschouwde. Verbazing en voldoening

waren voor een paar seconden op zijn gelaat te lezen, doch toen zij

opzag, om de oorzaak van zijn zwijgen te kennen, waren zijn trekken

effen als altijd. Ik zelf keek met aandacht naar haar plat liggend

grijzend haar, mooie muts, kleine gouden ringen in haar ooren en naar

haar kalm gelaat, doch ik zag niets, wat mij de verwondering van mijn

vriend kon verklaren.

"Er doen zich hier twee vragen voor."

"O, ik ben al vermoeid van al dat vragen!" riep Miss Cushing ongeduldig.

"Gij hebt twee zusters, geloof ik."

"Hoe kunt gij dat weten?"

"Dadelijk, toen ik binnentrad, zag ik op den schoorsteenmantel een

portretgroep van drie dames, waarvan een ongetwijfeld u zelf voorstelt,

terwijl de beide anderen zoo op u gelijken, dat ik geen oogenblik

twijfelde aan een nauwe verwantschap."

"Ja, uw gissing is juist. Het zijn mijn zusters Sarah en Mary."

"En hier naast mij staat een ander portret, te Liverpool genomen van een

jongere zuster, in gezelschap van een man, die, naar zijn uniform te

oordeelen, een hofmeester schijnt. Ik zie, dat zij destijds nog

ongehuwd was."

"Gij zijt een vlugge opmerker."

"Dat is mijn beroep."

"Ook deze gissing is juist. Doch een paar jaren geleden trouwde zij met

Mr. Browner. Hij diende op de Zuid-Amerikaansche Stoomvaartlijn, toen

dit portret werd genomen, maar hij hield zooveel van zijn jonge vrouw,

dat hij er niet toe kon komen haar voor zoo langen tijd te verlaten en

hij zocht daarom een betrekking op een boot tusschen Londen en Liverpool

varende."

"Op de _Conqueror_ misschien?"

"Neen, op _May Day_, zooals ik onlangs vernam. Jim heeft mij hier één

keer een bezoek gebracht. Dat was voor hij zijn belofte, om niet weer te

drinken, verbrak: maar later dronk hij altijd te veel, als hij aan wal

was en dan was hij half krankzinnig. Och, het was wel een ongelukkige

dag, toen hij weer een glas in de hand nam. Eerst verbrak hij de

vriendschap met mij; toen kreeg hij twist met Sarah en nu Mary heeft

opgehouden met schrijven, weten wij niet, hoe het tegenwoordig met hen

gaat."

Het was duidelijk, dat Miss Cushing een onderwerp had aangeroerd, dat

haar zeer ter harte ging. Als alle menschen, die een eenzaam leven

leiden, was zij eerst terughoudend, maar toen het ijs eenmaal gebroken

was, zeer mededeelzaam. Zij vertelde ons vele bijzonderheden aangaande

haar schoonbroeder, den hofmeester, en sprak eveneens over haar vroegere

bewoners, de studenten in de geneeskunde, van wier doen en laten zij een

lang verhaal opdischte. Holmes luisterde aandachtig, er nu en dan een

vraag tusschen werpende:

"Het verwondert mij, daar uw zuster Sarah ook nog ongetrouwd is, dat gij

beiden niet samenwoont."

"Als u Sarah's temperament kende, zou u dat niet meer verwonderen. Ik

beproefde het, toen ik te Croydon kwam, en wij hielden het ongeveer twee

maanden vol; daarna scheidden wij van elkaar. Ik wil geen woord ten

nadeele van mijn eigen zuster zeggen; maar zij was altijd zeer

bemoeiziek en moeilijk te voldoen."

"Ge zeidet zooeven, dat zij ook twist had met uw familie te Liverpool."

"Ja, en vroeger waren zij de beste vrienden. Zij ging zelfs in Liverpool

wonen om dichter bij hen te wezen. En nu kan zij geen woord vinden, hard

genoeg voor Jim Browner. Toen zij hier een maand of zes geleden voor het

laatst was, sprak zij over niets anders dan over zijn drinken en zijn

slecht gedrag. Hij had haar zeker laten merken, dat haar bemoeizucht hem

niet beviel en dat was het begin."

"Dank u, Miss Cushing," zeide Holmes opstaande en beleefd buigende, "uw

zuster woont, als ik u goed verstaan heb, te Wallington, niet waar? Het

spijt mij, dat ik u zooveel moeite heb moeten berokkenen over een zaak,

waarmede gij, zooals gij zegt, niets te maken hebt. Ik wensch u goeden

morgen."

Toen wij buiten waren, kwam er juist een cab voorbij. Holmes riep den

koetsier.

"Hoever is het naar Wallington?" vroeg hij.

"Slechts ongeveer een mijl, mijnheer."

"Zeer goed. Stap in, Watson. Men moet het ijzer smeden zoolang het heet

is. Wij moeten regelrecht naar een telegraafkantoor, koetsier!"

Holmes verzond een kort telegram, en gedurende het verdere van den rit

lag hij achterover in het rijtuig met den hoed over den neus gezonken.

Ons rijtuig hield stil voor een huis, dat veel overeenkomst had met dat,

hetwelk wij zooeven hadden verlaten. Mijn vriend gelastte den koetsier,

op ons te wachten en had zijn hand op den klopper, toen de deur openging

en een deftige jonge man met een erg glinsterenden hoed op 't hoofd op

de stoep verscheen.

"Is Miss Sarah Cushing te huis?" vroeg Holmes.

"Miss Sarah Cushing is ernstig ongesteld," was 't antwoord. "Sedert

gisteren deden zich ernstige verschijnselen van een hersenziekte bij

haar voor. Daar ik haar geneesheer ben, kan ik onmogelijk iemand tot

haar toelaten en zou u daarom aanraden over een dag of tien terug te

komen."

Hij trok zijn handschoenen aan, deed de deur achter zich dicht en ging

de straat op.

"Nu, als het niet kan, dan kan het niet," zeide Holmes, goed gehumeurd.

"Misschien ook had ze u niet veel kunnen of willen vertellen."

"Het was mijn verlangen niet, dat zij mij iets zou vertellen; ik

wenschte haar alleen te zien. Mijns inziens weet ik nu alles, wat ik

noodig heb te weten. Rijd ons naar een fatsoenlijk hotel, koetsier, waar

wij een lunch kunnen gebruiken; daarna zullen wij vriend Lestrade aan

zijn politiebureau opzoeken."

[Illustratie: Hoever is het naar Wallington?]

Wij gebruikten een eenvoudig doch smakelijk maal; Holmes praatte

onderwijl over niets anders dan over violen en vertelde met groote

levendigheid, hoe hij zijn eigen stradivarius, die op zijn minst

vijfhonderd pond waard was, aan een Joodschen handelaar voor vijf en

vijftig shillings had verkocht. Dit bracht ons gesprek op Paganini en

wij zaten een tijdlang gezellig onder een flesch wijn bij elkaar,

terwijl hij mij de eene anecdote na de andere van dezen buitengewonen

man vertelde. De namiddag was al voor een groot deel verstreken en de

hitte had plaats gemaakt voor een meer aangename warmte, toen wij aan

het politiebureau kwamen. Lestrade wachtte ons aan de deur.

"Er is een telegram voor u, mijnheer Holmes," zeide hij.

"Ha, dat is het antwoord!" Hij scheurde de enveloppe open, zag het

telegram door en stak het verkreukeld in zijn zak. "'t Is in orde,"

zeide hij.

"Zijt gij al iets te weten gekomen?"

"Ik weet alles."

"Wat! gij schertst!" sprak Lestrade, hem verbaasd aanziende.

"Ik spreek in vollen ernst. Er is een verschrikkelijke misdaad gepleegd

en ik geloof, dat ik nu met alle bijzonderheden bekend ben."

"En de misdadiger?"

Holmes schreef een paar woorden op den achterkant van zijn naamkaartje

en reikte het toen aan Lestrade over.

"Die is het," zeide hij. "Gij kunt niet voor morgen avond op zijn

vroegst een arrestatie bewerkstelligen. Het zou mij lief zijn, dat gij

mijn naam niet in verband met deze zaak noemt, daar ik er de voorkeur

aan geef alleen bij misdaden genoemd te worden, aan wier ontdekking

eenige moeilijkheid is verbonden. Kom, Watson!"

Wij wandelden naar het station, terwijl Lestrade achterbleef en met een

verrukt gezicht op het kaartje bleef staren, dat Holmes hem had gegeven.

"Deze zaak," zeide Holmes, toen wij dien avond in onze woning in

Baker-Street een sigaar zaten te rooken, "is er een, die, om ze goed te

verklaren, ons noodzaakt uit de gevolgen tot de oorzaken te komen. Ik

heb Lestrade verzocht ons de bijzonderheden mede te deelen, die ons nu

nog ontbreken en die hij eerst te weten zal komen, als hij den

misdadiger in hechtenis heeft genomen. Dat kan hem veilig worden

toevertrouwd, want ofschoon hij weinig schranderheid bezit, is hij zoo

vasthoudend als een bulhond, als hij eenmaal weet, wat hij doen moet, en

het is inderdaad deze taaie volharding, die hem tot de eerste en de

beste van Scotland Yard heeft gemaakt."

[Illustratie: Jim Browner.]

"Gij zijt dus niet volkomen op de hoogte?" vroeg ik.

"Wat het wezenlijke der zaak betreft, wel. Wij weten, wie de bedrijver

van de afkeerwekkende misdaad is, ofschoon een van de slachtoffers ons

nog niet bekend is. Natuurlijk hebt gij uw eigen gevolgtrekking

gemaakt."

"Ik vermoed, dat het die Jim Browner is, de hofmeester van een

Liverpoolsche boot, dien gij verdenkt."

"O, 't is meer dan verdenken."

"En toch zie ik slechts enkele vage aanwijzingen."

"Voor mij integendeel is alles volkomen helder. Laat mij u een overzicht

geven van de hoofdfeiten. Zooals gij weet, hebben wij geheel

onbevooroordeeld het onderzoek begonnen. Bij ons bestond nog niets, dat

op een vooraf gevormde meening geleek en dit is in zulke gevallen altijd

een voordeel. Wij kwamen eenvoudig om waar te nemen en uit onze

waarnemingen gevolgtrekkingen te maken. Wat zagen wij het eerst? Een

zeer zachtzinnige en deftige dame, die geheel onschuldig aan eenig

geheim was; een portret, dat zij mij liet zien, leerde mij, dat zij twee

zusters had. Het kwam mij onmiddellijk in de gedachte, dat de doos voor

een van deze beiden bestemd was geweest. Toen gingen wij in den tuin,

zooals gij u herinnert, en wij zagen den zonderlingen inhoud van de

kleine gele doos.

Het koord was er een, zooals wordt gebezigd door de zeilmakers aan boord

van een schip en ik begreep terstond, dat onze nasporingen zich ook tot

de zee moesten uitstrekken. Toen ik zag, dat het koord was vastgemaakt

met een zeemansknoop, dat het in een havenstad op de post was bezorgd en

dat het mannenoor was doorboord voor een oorring, iets dat veel meer bij

zeelieden voorkomt dan bij andere menschen, was ik zeker, dat al de

personen uit het treurspel onder den zeemansstand te zoeken waren.

Toen ik het adres van het pakje nauwkeurig bekeek, zag ik, dat het was

afgezonden aan Miss. S. Cushing. Ofschoon nu de voornaam van de oudste

zuster met een S. begon, kon het pakje evengoed aan een van de andere

zusters zijn afgezonden. In dat geval moesten wij onze nasporingen van

een geheel nieuwe basis beginnen. Daarom ging ik in huis om dit punt tot

klaarheid te brengen. Juist had ik Miss Cushing verzekerd, overtuigd te

zijn dat er een vergissing had plaats gehad, toen ik, zooals gij u

herinnert, plotseling ophield. Ik had onverwachts iets opgemerkt, dat

mij in de hoogste mate verraste en het veld van ons onderzoek

aanzienlijk beperkte.

Als medicus weet gij, Watson, dat er geen lichaamsdeel is, dat bij de

veschillende menschen zooveel verscheidenheid aanbiedt als het

menschelijk oor. Van geen twee menschen zijn de ooren precies gelijk. In

het _Anthropological Journal_ van het laatste jaar vindt gij over dit

onderwerp twee korte opstellen van mijn hand. Ik had daarom de beide

ooren in de doos met den blik van een deskundige bezien en hun

anatomische bijzonderheden nauwkeurig opgeteekend. Stel u dus mijn

verrassing voor, toen ik, Miss Cushing aanziende, opmerkte, dat haar oor

nauwkeurig overeenkwam met het vrouwenoor, dat ik zooeven had

bezichtigd. Daar was dezelfde kortheid van de pinna, dezelfde breedte

van de bovenoorlel, dezelfde ronding van het binnenkraakbeen. In alle

kenmerkende onderdeelen kwamen de ooren volkomen overeen.

Natuurlijk zag ik terstond het gewicht van deze waarneming in. Het

slachtoffer is klaarblijkelijk en waarschijnlijk zelfs een zeer naaste

bloedverwant. Ik begon met haar over haar familie te praten en gij zult

u herinneren, dat zij ons opeens eenige zeer te waardeeren

bijzonderheden meedeelde.

In de eerste plaats was de naam van haar zuster Sarah en was haar adres

voor korten tijd hetzelfde geweest als het hare, zoodat het zeer goed te

verklaren is, hoe de vergissing kon plaats hebben, en voor wie het

pakket bestemd was. Vervolgens sprak zij over dien hofmeester, gehuwd

met de derde zuster, en daarna vernamen wij, dat hij een tijdlang zoo

goed bevriend met Sarah was geweest, dat deze zelfs naar Liverpool was

gaan wonen, om meer in de nabijheid der Browners te wezen, doch later

had een twist verwijdering tusschen hen doen ontstaan. Deze twist had

zelfs voor eenige maanden alle briefwisseling doen ophouden, zoodat

ingeval Browner een pakje aan Miss Sarah wilde afzenden, het zeer

natuurlijk is, dat dit aan haar oude adres geschiedde.

En nu is de zaak zich vrijwel begonnen te ontwarren. Wij hoorden, dat

Miss Cushing een hofmeester tot schoonbroeder heeft, een ondernemend,

hartstochtelijk man. Wij hadden reden te gelooven, dat zijn vrouw

vermoord is geworden en dat een man--vermoedelijk een

zeeman--tegelijkertijd met haar is vermoord. Natuurlijk kwam

onmiddellijk de gedachte bij mij op, dat jaloezie de beweegreden tot de

misdaad was. En waarom zouden deze bewijzen van de daad aan Miss Sarah

Cushing zijn gezonden? Waarschijnlijk omdat zij tijdens haar verblijf te

Liverpool de feiten aanbracht, die tot het treurspel de aanleiding

waren. Gij weet misschien, dat de stoomboot, waarop Browner vaart,

Belfast, Dublin en Waterford aandoet, zoodat, aangenomen dat de

hofmeester den moord heeft bedreven en dadelijk daarna met zijn boot, de

_May Day_, is vertrokken, Belfast de eerste plaats zoude zijn, waar hij

zijn gruwelijk pakket op de post kon doen.

Tot zoover in mijn gevolgtrekkingen gekomen, was nog een tweede

oplossing mogelijk, en ofschoon ik die voor onwaarschijnlijk hield, was

ik besloten, mij dienaangaande zekerheid te verschaffen, alvorens verder

te gaan. Een ongelukkig minnaar kon Mr. en Mrs. Browner vermoord hebben

en in dit geval zou het mannenoor dat van den hofmeester Browner zijn.

Waarschijnlijk was dit niet: maar het bleef mogelijk. Daarom zond ik een

telegram aan mijn vriend Algar van de Liverpoolsche politie, waarin ik

hem verzocht te onderzoeken, of Mrs. Browner te huis was en of Browner

met de _May Day_ was vertrokken. Toen gingen wij naar Wallington om Miss

Sarah te bezoeken.

Ik was in de eerste plaats nieuwsgierig te zien, in hoever zich de

familietrek ook in haar ooren vertoonde. Verder zou zij ons natuurlijk

zeer belangrijke inlichtingen kunnen verstrekken, doch ik maakte mij

hiervan geen illusie. Zij moest den vorigen dag gehoord hebben van de

vreeselijke geschiedenis, waar geheel Croydon over sprak en zij alleen

kon weten, voor wie het pakket bestemd was. Ware zij van plan geweest de

justitie op het spoor te helpen, dan zou zij zich reeds tot de politie

gewend hebben. Het was evenwel onze plicht haar op te zoeken. Wij

bevonden, dat het bericht van de ontvangst van het pakket--want haar

ziekte dateerde van dat oogenblik--zulk een indruk op haar had gemaakt,

dat een hersenziekte er het gevolg van was. Het was volkomen duidelijk,

dat zij ten volle begreep, wat dat pakket beteekende, maar even

duidelijk was het, dat wij eenigen tijd zouden moeten wachten, aleer zij

ons bij onze nasporingen van dienst kon zijn.

Wij konden echter haar hulp geheel ontberen. Toen wij aan het

politiebureau kwamen, lag daar reeds het antwoord van Algar. Niets kon

meer beslissend zijn. Mrs. Browner's woning was al meer dan drie dagen

gesloten; haar buren waren van meening, dat zij op reis was naar haar

familie. Een verder onderzoek bracht aan 't licht, dat Browner aan boord

van de _May Day_ was vertrokken; morgen avond verwacht ik, dat de boot

de Theems binnenkomt. Bij zijn aankomst wordt Browner opgewacht door den

dommen maar vastberaden Lestrade en ik twijfel niet, of wij zullen dan

bekend worden met alle bijzonderheden van deze afgrijselijke

geschiedenis."

* * * * *

Sherlock Holmes werd in zijn verwachtingen niet teleurgesteld. Twee

dagen later ontving hij een groote enveloppe, die een kort briefje van

den detective en een met een type-writer beschreven document van

verscheidene bladzijden inhield.

"Lestrade heeft hem goed en wel gearresteerd," zeide Holmes, mij

aanziende. "Misschien stelt gij er belang in, te hooren wat hij mij

schrijft."

[Illustratie: En strekte zijn handen uit voor de boeien.]

"Waarde Mr. Holmes. Overeenkomstig het plan, dat wij ontworpen hadden om

de proef op onze onderstellingen te nemen--dat "wij" is nog al fijn,

vindt ge niet, Watson?--ging ik gisteren morgen om zes uur naar het

Albert-dok aan boord van de _May Day_ van de Liverpool, Dublin en Londen

Stoom-Pakketvaart-Maatschappij. Bij mijn onderzoek vond ik, dat zich een

hofmeester met name James Browner aan boord bevond en dat deze zich

gedurende de reis zoo zonderling had gedragen, dat de kapitein

genoodzaakt was geweest hem van zijn werk te ontheffen. In zijn hut

gekomen, vond ik hem op een kist zitten, het hoofd op de handen

steunende en herhaaldelijk heen en weer schuddende. 't Is een groote,

sterke man, glad geschoren en zeer donker. Toen hij hoorde, wat mijn

beroep was, sprong hij overeind en ik bracht mijn fluitje aan de lippen,

om een paar agenten van de rivier-politie te hulp te roepen; maar hij

scheen geheel versuft en strekte zijn handen uit voor de boeien. Wij

brachten hem naar de gevangenis en evenzoo zijn koffer, want wij

dachten, dat zich daarin wel iets zou bevinden, dat op de misdaad

betrekking had, maar behalve een groot scherp mes, zooals de meeste

zeelieden hebben, vonden wij niets bijzonders. Wij gelooven evenwel geen

bewijzen meer noodig te hebben, want toen hij voor den inspecteur op het

politiebureau was gebracht, vroeg hij verlof een verklaring af te

leggen, die natuurlijk onmiddellijk door een stenograaf werd

opgeteekend. Wij lieten met de type-writer drie afschriften maken,

waarvan ik u er een zend. De uitkomst bewijst, dat de zaak, zooals ik

wel dacht, zeer eenvoudig was, maar ik ben u intusschen zeer dankbaar

voor uw hulp bij mijn nasporing. Na vriendelijke groeten, uw toegenegen

De dood van Sherlock Holmes — De terugkeer van Sherlock Holmes · 第 6 / 26 题