Wat de leeuw voor viervoeters beteekent in de heraldiek is de adelaar

voor de vogels: beide koningen in hun rijk, door moed en kracht

uitmuntend. De adelaar is, meer nog dan de leeuw, geheel verworden tot

ornament, zoodat alleen de conventie hier nog direct den adelaar in doet

herkennen. Het lichaam van voren gezien (buikzijde) draagt een kop en

profil naar rechts gewend, met geopenden krommen snavel, uitgestoken

gekrulde tong en woest blikkende oogen. De vleugels zijn uitgespreid

zóó, dat de uiteinden der afwisselend smalle en breede, licht gebogen

veeren met de punten op een boog liggen; deze veeren van iederen

vleugel zijn 3-12 in getal, (in de oudste tijden het kleinste aantal)

en symmetrisch geplaatst; ze worden naar onderen langer, dus juist

omgekeerd als bij het levende dier. De gekrulde staart, uit weinig

symmetrisch geplaatste gekrulde veeren bestaand, eindigt in een punt,

soms in een lelie.

De pooten worden zeer krachtig en buiten verhouding groot voorgesteld en

zijn zijdelings gericht; soms omknellen ze voorwerpen, b.v. een bol en

een scepter. Het aantal teenen is drie naar buiten en één naar binnen

gericht.

De adelaars in de oude heraldiek hebben aan weerszijden twee gekrulde

veeren aan den hals; in de latere heraldiek vermeerdert dit aantal. De

veeren, die het lichaam bedekken, zijn als spitse punten geteekend, met

een ribbe.

De adelaar met één kop heet _koninklijk_. De adelaar met twee van elkaar

gewende koppen wordt _keizerlijk_ genaamd, doch behoort onder de rubriek

fantastische beelden.

Ook deelen van het dier worden toegepast, b.v. een klauw (grijpend) of

twee vleugels, met de ruggen naar elkaar gewend (_vlucht_ genaamd). De

adelaar wordt _arendsvogel_ genoemd, als hij van bek en pooten beroofd

is. De kleur is meestal zwart, soms rood of zilver.

Fig. 209. _Adelaar_, naar Michaël Ostendorfer. Houtsnede uit 1540.

Fig. 210. _Dubbele adelaar_, naar een Duitsch meester. Houtsnede uit

1507 (fantastisch beeld).

Fig. 211. _15e eeuwsche adelaar_ van het Sebaldusgraf te Neurenberg.

Fig. 212 en 213. Als fig. 211, door Peter Vischer.

Fig. 214. _Drie afgerukte adelaarskoppen._

Fig. 215. _Arendsvogels_, steeds meer dan één in aantal, zonder pooten

en snavel.

Fig. 216. _Lijnschema voor een Gothischen adelaar._

Fig. 217. _Lijnschema voor een Renaissanceadelaar._

Fig. 218. _Romaansche adelaar._

Fig. 219. _Streng gestyleerde adelaar_ uit de 13e eeuw.

Fig. 220. _Tweekoppige adelaar_, naar een Duitsch meester (fantastisch

beeld). Titelblad uit Zwaben.

G. Andere dieren.

Veelvuldig komen verder voor:

_Tijger_ en _panter_, producten van de fantasie; de _beer_, meestal

zwart met wapens van rood of goud; de _ever_, zwart; de _wolf_, kleur

rood met neerhangenden staart en naar voren gerichte ooren; de _vos_,

kleur zwart, rood of zilver meestal, en met opgerichten pluimvormigen

staart; het _hert_, springend of trotsch voortschrijdend, dragend een

gewei met zes takken, drie aan elken hoorn; de _bok_, meestal steenbok

met naar achter omgebogen gegroefde hoorns; de _ram_, met bijna

cirkelvormig gebogen hoorns; het _schaap_; het _Paaschlam_, vaak met

nimbus en kruis voorzien; de _stier_, stootend of klimmend (woedend);

de _os_; de _koe_; het _paard_ (hengst) met vliegenden staart en manen

en zonder teugels, zadel of stijgbeugels; de _hond_, meestal zwart of

zilver en van de soort hazewind; de _brak_, een hond met hangende ooren

en dikwijls voorzien van een met scherpe punten gewapenden halsband; het

_stekelvarken_; de _ezel_; de _olifant_; de _haan_, in gevechtshouding,

met sprekenden kam en weinig gestyleerde staartveeren; de _uil_; de

_raaf_; de _valk_, met kap en belletjes en kruk; de _meeuw_, de _eend_;

de _zwaan_; de _zwaluw_; de _ooievaar_, staand op één poot en in den

anderen b.v. een steen houdend; de _reiger_, met ingetrokken hals en

een gekrulde veer achter aan den kop; de _pauw_, pronkend; de _duif_;

de _papegaai_; de _merels_, vogeltjes zonder pooten en snavel, vooral in

Frankrijk; de _dolfijn_, evenals de _bot_, de _zalm_ en andere visschen,

die gebogen, zwemmend, gepaard, stijgend, gevind, geschubd etc. kunnen

zijn; de _kreeft_, rood, dus _gekookt_; de _hagedis_; de _slang_, blauw,

groen of zilver; de _zeester_; de _schelp_; en minder veelvuldig

voorkomend nog tal van andere dieren.

[Illustratie: 232 233 234 235 236 237 238 239 240]

Fig. 221. _Hert._

Fig. 222. _Brak._

Fig. 223. _Beer._

Fig. 224. _Brakskop._

Fig. 225. _Paaschlam._

Fig. 226. _Ever_, wild zwijn.

Fig. 227. _Wolf._

Fig. 228. _Paard_, links gewend op Duitsch cartoucheschild. Naar Jost

Amman.

Fig. 229. _Bok._

Fig. 230. _Haas._

Fig. 231. _Koe._

Fig. 232. _Vlucht._

Fig. 233. _Arendsklauw._

Fig. 234. _Haan._

Fig. 235. _Zwaan._

Fig. 236. _Raaf._

Fig. 237. _Maarlen_, zonder pooten of bek en steeds en profil.

Fig. 238. _Uilen._

Fig. 239. _Pauw._

Fig. 240. _Halve vlucht._

Fig. 241. _Adelaars._

Fig. 242. _Phoenix of Phenix_, een fabelachtige vogel, die,

onsterfelijk, uit een brandenden stapel takken verrijst.

Fig. 243. _Duif_, naar rechts gewend. Teeken van vrede.

Fig. 244. _Olifant_, stappend; dragend een toren met 4 kanteelen en twee

boogschutters.

Fig. 245. _Mercurius- of aesculaapstaf._

Fig. 246. _Slang_, tweemaal geknoopt.

Fig. 247. _Visschen._

Fig. 248. _Kreeft._

Fig. 249. _Drie bijen._

Fig. 250. _Gekwartilleerd_; in blauw drie gouden leliën in het eerste en

vierde kwartier en in het tweede en derde van blauw een dolfijn in goud.

Fig. 251. _Schelpen._ Boven buiten-, beneden binnenaanzicht.

Fig. 252. _Dolfijn_, rechts gewend.

H. De Plant en hare onderdeelen.

Reeds in de oude heraldiek leverde het plantenrijk een groot aantal der

benoodigde heraldische beelden; boomen, takken, bloemen, bladeren en

vruchten werden veelvuldig gebruikt.

De _boom_ staat meestal òf met de wortels in een berg (schildvoet),

of is uitgerukt; de stam staat paalswijs en is voorzien van weinig

symmetrisch geplaatste takken met naar verhouding buiten proportie

groote bladeren, die, de soort kenmerkend, zijn gestyleerd. Soms ook

komt een boom zonder bladeren voor. De kleur van de bladeren is groen;

de stam is gewoonlijk zwart of bruin.

Het meest komen voor de _eik_; de _linde_; de _denneboom_; de

_pijnboom_; de _cypres_; de _palm_; de _berk_. De linde heeft

hartvormige bladeren, de den wordt voorgesteld als een kegel op

een stam en de berk heeft een zilveren stam met groen loof.

[Illustratie: 241 242 243 244 245 246 247 248 249 250 251 252]

Ook _takken_ komen voor, soms meerdere op een schild en voorzien van

bladeren; bovengenoemde boomsoorten leveren de voorbeelden, terwijl ook

nog veelvuldig _klaverbladeren_ en _laurierbladeren_ worden toegepast.

Het klaverblad heeft steeds een steel; zonder dezen heet het drieblad.

Van de bloemen zijn de roos en de lelie de meest in de heraldiek

gewilde.

De _roos_, van boven gezien, is de wilde roos, met 5 hartvormige of

slechts even aan den rand ingebogen bloembladeren, van rood, goud of

zilver, en waartusschen 5 spitse groene kelkbladeren. Het hart is van

goud. _Gevulde rozen_ hebben meer dan één bladlaag.

[Illustratie: 253 254 255 256 257 258 259 260 261]

De _lelie_ is gestyleerd in den bekenden Franschen lelievorm (fleur de

lis).

Reeds in 1179 komt ze voor in het Fransche wapen (vanwaar de naam

Francica). Van de 3 bladeren, die in 't midden door een band worden

saamgehouden, is het middenste onder en boven toegepunt; de beide

buitenste boven en onder naar buiten omgebogen. Het deel onder den

band is een verkleinde herhaling van het deel boven den band, terwijl

het eerstgenoemde deel somwijlen ook alleen, zonder het tweede deel,

voorkomt. Een afwijkende vorm is de _ontloken lelie_.

Andere vaak voorkomende bloemen zijn nog: _de zonnebloem_, de _papaver_,

de _distel_, het _viooltje_, de _korenbloem_ etc.

Ten slotte zijn nog te noemen de vruchten, meestal hangend aan een

tak met bladeren, als daar zijn: _appel_, _pijn-_ en _denneappel_;

_granaatappel_, _eikel_, _druif_, _korenaar_, _korenschoof_.

[Illustratie: 262 263 264 265 266 267 268 269 270 271 272]

Fig. 253, 254, 255 en 256. _Verschillende heraldische rozen._

Fig. 257, 258. _Leliën met gevulden voet._

Fig. 259. _Lelie zonder voet._

Fig. 260. _Ontloken lelie._

Fig. 261. _Rozetak._

Fig. 262. _Laurier_, uitgerukt (wortels zichtbaar). Meest van groen.

Fig. 263. _Wijndruif_; _klaverblad_; _hulst_.

Fig. 264. _Peer_; _eikel_; _denappel_.

Fig. 265. _Bloem en granaatappel._

Fig. 266. _Eikel met bladerentak._

Fig. 267. _Drie denappels._

Fig. 268. _Eiketakken._

Fig. 269. _Denappel_, wapen van Augsburg, door Jost Amman.

Fig. 270. _Lindeboom_, op ruitschild.

Fig. 271. _Uitgerukte eikeboom._ Italiaansch, 1479.

Fig. 272. _Lelie_, van een relief uit Beieren.

I. Fantastische beelden.

Deze worden gevormd door samenstellingen van mensch en dier of van

dieren onderling, en ontstonden uit sagen en overlevering, en

grootendeels ook door de kruistochten.

De _dubbele adelaar_ heeft twee van elkaar afgewende koppen.

Reeds in de oud-Egyptische en Assyrische kunst, dus lang voor Christus'

geboorte, kwam dit fantastische dier voor; in de heraldiek echter sedert

de 13e en 14e eeuw. Als het Duitsche Rijkswapen dateert het uit het

begin van de 15e eeuw, tijdens keizer Sigmund. In later tijd werd de

dubbele adelaar gekroond, en werden de klauwen voorzien van scepter en

zwaard, en rijksappel.

De _gevleugelde leeuw_, een leeuw met vleugels.

De _griffioen_ of grijpvogel, het bovendeel van een adelaar gezet op een

onderlichaam van een leeuw, gevleugeld, met een opgerichten staart of

den staart tusschen de achterpooten door onder de buik.

De _centaur_, half paard, half mensch.

De _draak_, een reptiel met vleermuizenvleugels, vuur spuwend uit

den grooten geopenden muil en neusgaten, met twee adelaars- of

leeuwenklauwen en een gekamden, in weerhaken eindigenden staart.

De _weerwolf_; de _salamander_; de _zeeleeuw_.

De _meermin_, een naakte vrouw met vischstaart; de _meerman_.

De _melusine_, een gekleede, gekroonde vrouw, wier lichaam onder de

borst overgaat in 2 vischstaarten, die ze met beide handen vasthoudt.

(12e eeuw, wapen van Palermo).

[Illustratie: 273 274 275 276 277 278 279 280 281 282 283]

De _Eenhoorn_. Een springend paard met gespleten hoeven, leeuwenstaart

en rechten, doch gedraaiden hoorn voor het voorhoofd.

De _Harpy_, een adelaar met vrouwenbuste, (hoofd, hals en borst).

Fig. 273. _Meermin of Melusine_, met twee staarten; zie ook fig. 281.

Fig. 274. _Zeeleeuw_, combinatie van leeuw en visch.

Fig. 275. _Eenhoorn._

Fig. 276. _Grijpvogel_, klimmend. Kop en vleugels van een adelaar.

Fig. 277. _Draak_; oude houtsnede.

Fig. 278. _Draak_, twee adelaarsklauwen. Gevleugeld reptiel.

[Illustratie: 284 285 286 287 288 289 290 291 292 293 294 295 296 297

298 299 300 301]

Fig. 279. _Eenhoorn_, in twee kleuren; fragment van een Italiaansch

wapen.

Fig. 280. _Wapen van Neurenberg_; combinatie van jonkvrouw en adelaar,

Harpij.

Fig. 281. _Sirene_; eindigt in vischstaart.

Fig. 282. _Lintworm_; drakenkop, slangenlichaam en vischstaart.

Fig. 283. _Panter._ Zonder vleugels, lijkend op grijpvogel.

J. Hemellichamen en elementen.

De _zon_ wordt voorgesteld als een zestienstralige schijf met een gelaat

»en face«. Deze zijn vaak afwisselend recht en vlammend gebogen. De

kleur is goud. In de oude heraldiek heet de zon in den rechterbovenhoek

opgaand, in den linkerbovenhoek ondergaand.

De _maan_ is een zilveren, naar links of rechts gekeerde sikkel; ook

kunnen de punten naar boven of naar beneden wijzen. Voorzien van een

gelaat, is dit in profiel en van goud.

De _sterren_ zijn 5-puntig (Fransch, Italiaansch en Engelsch) of

6-puntig en 8-puntig (Duitsch, Nederlandsch). Steeds wijst de punt naar

boven. Als _komeet_ heeft de staart een andere tinktuur.

Verder komt de _aarde_ voor als wereldbol met equator (niet in de oude

heraldiek); de _regenboog_, een gebogen balk van rood, goud en blauw;

de _wolken_, zie fig. 56, zijn blauw of zilver; de _bliksem_, nooit

zigzagvormig maar als een van boven komende bundel stralen of vlammen;

voorts _golven_ (blauw en zilver); _bergen_, drie- en zesberg;

_grasveld_, _zee_ of _rivier_.

Fig. 284, 298. _Zon._

Fig. 285. _Maan_ en _sterren_.

Fig. 286. _Golven._

K. Gebouwen, gebruiksvoorwerpen etc.

Onder deze rubriek worden heel veel voorwerpen gerangschikt, waarvan men

nu naam nòch beteekenis meer kent. Toch heeft men zich te beperken bij

toepassing van producten uit de moderne industrie, daar heraldische

beelden uit deze rubriek een bepaald karakter behooren te dragen;

terwijl toch geen bepaalde regels voor die vormgeving zijn vast te

stellen.

Bij de bestudeering van de oude heraldiekprenten merken we op, dat vele

voorwerpen, die niet direct herkenbaar zijn, verband houden met den naam

van den schilddrager.

De voorwerpen zijn te verdeelen in een aantal rubrieken, b.v.

_a._ gebouwen, schepen.

_b._ wapens en oorlogswerktuigen.

_c._ werktuigen en voorwerpen, betrekking hebbend op jacht, vischvangst,

landbouw en veeteelt.

_d._ kleeding.

_e._ muziekinstrumenten, huisraad, religieuse voorwerpen etc.

Alle te geven is ondoenlijk. Bepalen we ons tot beschrijving van enkele.

[Illustratie: 302 303 304 305 306 307 308 309 310 311 312 313 314 315

316]

Fig. 287. _Handschoen._

Fig. 288. _Hoed of muts._

Fig. 289. _Vuurslag._

Fig. 290. _Eg._

Fig. 291. _Gesp en ring._

Fig. 292. _Weerhaken._

Fig. 293. _Zwaard._

Fig. 294. _Voetangel._

Fig. 295. _Sleutels_ (zie fig. 303).

Fig. 296. _Wiel of rad._

Fig. 297. _Letter._

Fig. 298. Zie onder _J_.

Fig. 299. _Schaats_, _viool_.

Fig. 300. _Molenijzer._

Fig. 301. _Monogrammen._

Fig. 302. _Toren._

Fig. 303. _Sleutels._

Fig. 304. _Standaard._

Fig. 305. _Schaar._

Fig. 306. _Jachthoorn._

Fig. 307. _Wolfshaken._

Fig. 308. _Ketelhaak._

Fig. 309. _Schaakstuk._

Fig. 310. _Poort._

Fig. 311. _Hakmes._

Fig. 312. _Karbonkel._

Fig. 313. _Kan._

Fig. 314. _Lansen._

Fig. 315. _Wereldbol._

Fig. 316. _Paalswijs in blauwe en zilveren degen_, dragend op de punt

een gouden kroon en vergezeld van twee leliën van hetzelfde. Wapen

van Jeanne d'Arc.

Verder komen veelvuldig voor:

Kasteel, met tinnen en torens; poort of valdeur; kerk, in zij- of

vooraanzicht met 2 tot 4 torens en hooge vensters; molen; schip-brug;

palissade; piek; knots; dolk; stormram; vaandel; weerhaak; pijl en boog;

strijdbijl; schild; vuurwapen; stompe vogelpijl; molensteen; zeis;

sikkel; ploegijzer; hoefijzer; gordel; kroon; harnas; harp; luit; hamer;

bijl; stoel; anker; ballen en ringen; schakel (onderdeel van de ketting

van de guldenvlies orde); muuranker; herdersstaf; altaar; bisschopsstaf;

bijbel; wierookvat; kandelaber; etc., te veel om op te noemen of af te

beelden. Voorwerpen uit de moderne techniek en kunstnijverheid zijn

zooveel mogelijk te vermijden en te vervangen door oude symbolen.

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

VII. STAND EN PLAATSING VAN DE BEELDEN.

Somtijds worden er verscheidene van dezelfde figuren op één schild

geplaatst. Is 't aantal onbepaald groot, dan luidt de term _bestrooid_

of _bezaaid_. De beelden, b.v. kruizen, adelaars, leeuwen, lelies zijn

dan even groot. _Geordineerd_ heeten de beelden, als het aantal bepaald

is; in dit geval is ook de plaats bepaald.

Staat er één beeld op het veld, dan is de plaats in 't midden; de eigen

vorm van het beeld geeft dan de richting paalswijs of faaswijs aan. Dus

een zwaard staat b.v. in 't midden, paalswijs. Twee beelden staan naast

elkaar [..], in bijzondere gevallen boven elkaar [:]. Drie beelden staan

[·¸·], geschreven 2-1; in bijzondere gevallen [¸·¸] of [...] of [÷].

Vier beelden staan [::]; zijn er 5 dan is de rangschikking [:¸:],

geschreven 2-2-1. Soms ook [·÷·] (1-3-1) of [:·:] (2-1-2) in den

vorm van het Andreaskruis. Zes beelden staan ['·:·'] en zeven [:÷:].

De plaatsing is dus geordineerd door den schildvorm.

_Vergezeld_ noemt men een groot beeld, waaromheen kleinere zijn

gerangschikt. Zie b.v. fig. 153 en 313. _Belegd_ is b.v. een paal,

waarop sterren zijn aangebracht. Verder kunnen de beelden, indien

er meer dan één is geplaatst op het veld, zijn o. a. afgewend,

tegengekeerd, gelijkgewend, etc.

[Decoratieve illustratie]

VIII. DE HELM.

_Helmkroon_, _kussen_, _helmkleed_, _wrong_ en _penning_.

Reeds in de grijze oudheid beschermden de strijders zich het hoofd tegen

zwaardslagen door een helm. Sedert de 12e eeuw dient de helm ook tot

aanbrenging van heraldische versierselen. De helm leent zich uit den

aard der zaak minder goed tot versiering van wapens van steden en

vereenigingen en van vrouwen. Toch komt de helm ook op deze wapens voor.

Behalve de pothelm kan iedere helm tot heraldische versiering dienen;

voornamelijk echter de tornooi- en de steekhelm, die dan nog met het

kleinood worden verfraaid.

De oudste helm is de _pothelm_ (fig. 318), bijna cylindervormig, alleen

aan den gezichtskant flauw uitgebogen en van een neus voorzien. De

helmtop is plat, later kegelvormig verhoogd; op oogshoogte zit een gleuf

en op mondhoogte zijn gaatjes voor ademhaling aangebracht. Onder den

helm is een _bassinet_ aangebracht, met afhangende maliën (weefwerk als

't ware van metalen schakeltjes); op het bassinet of bekkeneel lagen

kussentjes, om de slagen op den zeer zwaren helm te breken. De helm

rust op de schouders, weegt gewoonlijk meer dan 5 K.G. en is zwart, met

verguld of verzilverd beslag. Deze helmvorm wordt in de heraldiek _zeer

zelden_ gebruikt.

[Illustratie: 317 318 319 320 321 322 323 324 325 326 327 328 329 330

331]

In de 15e eeuw wordt de _salade_ of _renhoed_ (fig. 330) gebruikt,

met een lang staartstuk in den nek. Deze komt in de heraldiek niet

voor, daar hij diende voor oorlogsgebruik. Op tornooien werd de in de

heraldiek gebruikte _steekhelm_ (fig. 325) sedert de 15e en 16e eeuw

gebruikt. Deze weegt ± 20 K.G., maar rust op schouders, borst en rug,

daar hij bevestigd is aan borst- en schouderplaten van het harnas. De

kijksleuf sprong ver naar voren uit, en leverde daardoor minder gevaar

op voor de oogen. Nog sierlijker is de _tornooihelm_ (fig. 331). De

kijksleuf hiervan was aanmerkelijk verwijd en werd beschermd door

vertikaal uitgebogen stangen. Deze constructie was mogelijk, omdat deze

helmvorm diende in den strijd met het stompe zwaard, en niet in een

lansgevecht. In de 2e helft van de 15e eeuw wordt tusschen de vertikale

stangen een horizontale aangebracht ter versterking, zoodat een

traliënrooster ontstond. Inwendig werd de helm donkerrood gevoerd (fig.

332-342).

De _Bourgondische helm_ (fig. 329) heeft geen staartstuk, een beweegbaar

vizier en vast kinstuk. Deze helm sluit van terzijde, terwijl men

bovengenoemde helmen allen over het hoofd liet zakken.

Slechts de pothelm (13e en 14e eeuw), de steekhelm (15e en 16e eeuw) en

de tornooihelm (2e helft 15e eeuw) worden in de heraldiek gebruikt.

De helm van regeerende vorsten is van goud, van prinsen dito, maar met

minder traliën. Hertogen hebben zilveren helmen met goud versierd.

Verder kunnen helmen nog zijn van zilver en van gepolijst staal. Ook

helmen duiden dus een rang aan.

De helm staat steeds vertikaal op het schild; helt dit laatste, dan

staat de helm op den bovenhoek. Het schild is steeds iets hooger dan de

helm, die »en face« of gedeeltelijk gedraaid kan staan. Het helmteeken

draait met den helm mede; de onderrand rust steeds op den bovenrand van

het schild. Helmen kunnen _in aantal_ op het schild voorkomen. Hoe meer

helmen hoe kleiner ze worden.

Vrouwenwapens vertoonen uit den aard der zaak geen helm; evenmin als

die der geestelijken, die den helm vervangen door mijter en kromstaf.

Soms echter, om aan te toonen dat ze het geloof verdedigen, voeren ze

bovendien een helm en een zwaard. Zie fig. 344 en 350.

Fig. 317. }

Fig. 318. } _Pothelmen._

Fig. 319. }

Fig. 320. } _Voor en zijaanzicht van een pothelm._

Fig. 321. _Bassinet._

Fig. 322. _Bourgondische helm._

Fig. 323. _Overgangsvorm van pothelm en steekhelm._

Fig. 324. _Fransche salade._

Fig. 325. _Steekhelm._

Fig. 326. _Steekhelm van boven gezien._

Fig. 327. _Vizierhelm._

Fig. 328. _Steekhelm._

Fig. 329. _Bourgondische helm._

Fig. 330. _Salade of renhoed._

Fig. 331. _Tornooihelm._

De overgang van helm naar helmteeken wordt gevormd door een _helmkroon_

(fig. 335), die steeds zeer eenvoudig is, en waarvan de punten

eindigen in Gothische bladvormen, leliën of klaverbladeren. Ze diende

oorspronkelijk om de verbinding van helm en helmteeken onzichtbaar

te maken en bestond aanvankelijk uit een geel geschilderden rand.

De helmkroon duidt in geen geval eenigen rang of stand aan, zooals de

rangkroon.

Een _kussen_ vindt soms plaats onder een wapenbord; het is steeds

vierkant en van kwasten op de hoeken voorzien.

De _wrong_ (fig. 368) is een ringvormig kussen, omwonden met een lint

in de kleuren van het schild, welk lint aan de achterzijde eindigt in

een strik met wapperende einden. Ze vervangt de helmkroon en diende om

slagen te breken. Het _helmkleed_ (fig. 332-342) was een lap stof, die,

over den helm gelegd, diende tot wering van de zonnestralen, die den

metalen helm gloeiend zouden maken; het hangt naar de achterzijde en aan

de zijden naar beneden af en behoort bij het wapen. Oorspronkelijk een

rechte lap stof, werd het helmkleed, dat uitsluitend op tornooien werd

gebruikt, spoedig uitgesneden in bladvormige lobben, om vernieling en

gehavendheid in den strijd te verbergen; bovendien waren binnen- en

buitenzijde verschillend van kleur; nooit evenwel was de kleur metaal

en steeds zijn de bladuiteinden gestyleerd in strakke lijnen, nooit

slap neerhangend. Het helmkleed ontspringt onder de wrong. De oudste

helmkleeden zijn het minst uitgesneden (fig. 70, 149 en 183).

De _penning_ behoort niet bij den helm en kan worden toegepast of worden

weggelaten. Het is een munt, die aan een koord om den hals van den helm

is gehangen en sedert de 15e eeuw is toegepast.

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

IX. HELMTEEKENS.

Het helmteeken is een heraldisch sieraad, even hoog of hooger

dan de helm zelf (in verband met het gewicht); het is erfelijk en

onafscheidelijk aan den helm verbonden, zoodat een enkele helm geen

wapenhelm is. De voorstelling houdt meestal verband met het wapenbeeld,

ook wat kleur betreft. Het eerst wordt het helmteeken toegepast op den

pothelm; ter bevestiging dienden gaatjes, zooals fig. 326 aantoont.

_Hoorns_ komen veel als sieraad voor; ze zijn eenvoudig als een

halve maan gebogen, of dubbel gebogen. Zie fig. 339 en fig. 342; de

eerste vorm is de oudste. Hoorns met open ringvormige einden noemt men

trompen (deze naam houd echter geen verband met een olifantsslurf);

ze komen sedert de 15e eeuw voor. Hoorns worden versierd met bladeren,

schelletjes, vlaggetjes of platte stukjes blik, die bij 't bewegen een

rinkelend geluid geven; bovendien zijn ze gekleurd als het schild; dus

b.v. geschaakt.

Ook hertenhoorns of geweien (fig. 336) komen voor, maar zeldzaam. Een

voorbeeld is het wapen van Oranje, met gouden gewei. Tusschen de hoorns

is vaak een dier geplaatst, b.v. een griffioen, een leeuw, etc.

_Vluchten_ zijn niet-naturalistische kunstmatige adelaarsvluchten, van

leer of dun hout of blik vervaardigd; òf evenwijdig aan de schouders

van den helm afstaand, òf als een kam loodrecht op de richting van

de schouders over den helm afloopend (zie fig. 338, 348). Steeds

paarsgewijs komen ze voor en heeten open of gesloten vlucht.

[Illustratie: 332 333 334 335 336 337 338 339 340 341 342]

_Wapenborden_ dienden voor beschildering met herautsstukken, die niet

plastisch af te beelden zijn. Het waren beschilderde planken, met

versieringen aan de kanten en op de hoeken, rustend meestal op een op

den helm liggend kussen.

[Illustratie: 343 344 345 346 347 348 349 350 351]

_Vederbossen_ zijn bundels ganze-, hane-, pauwe- of struisveeren. Ze

zijn meestal in beschilderde kokers vereenigd (fig. 351) of komen direct

uit een wapenkroon (fig. 335). Pauweveeren wijzen oorspronkelijk op

hooge geboorte; struisveeren zijn uit lateren tijd.

Heraldiek · 第 2 / 3 段