III.

Intocht van Isabella en Ferdinand volgens de kronieken.--San

Juan de los Reyes.--Het hospitaal van Santa Cruz.--De zusters

van Sint Vincentius a Paulo.--De beroemde portretten van de

universiteit.--De engel en de pest.--De heilige Leocadia.

De groote naam van Isabella, de Katholieke, heeft vele malen in de

kathedraal weerklonken, en in den loop van mijn herhaalde bezoeken heb

ik hem door alle echo's hooren herhalen. In dit schoone heiligdom,

vroom juweel aan de kroon van Castilië, kwam de bewonderenswaardige

koningin God danken, toen de overwinning in den slag van Toro haar in

het bezit had gesteld van den schepter, dien zij met zoo grooten roem

zou voeren. De verhalen uit dien tijd hebben een trouwe herinnering

bewaard van dien beroemden intocht. Hij had plaats op 31 Januari 1476.

De straten en het Zocodover waren reeds van zonsopgang af gevuld met

een luidruchtige, zeer opgewonden menigte. De rechters en de wethouders

waren op straat gekomen, dezen in costumes van schitterende kleuren;

genen in lange, prachtige zijden gewaden. Aan de deuren en aan de

weinige buitenopeningen van de huizen had men fijne geweven stoffen

opgehangen, oostersche tapijten, heerlijke stoffen uit Venetië of

geweven door bekwame weefkunstenaren uit Toledo. Langzamerhand was het

in de stad leeg geworden, en de menigte, die de aanwijzingen van de

hoofden der aanzienlijke families volgde, had zich verspreid naar den

kant van de hermitage van Sint Eugenius, waar men reeds jongleurs,

zangers, dichters, muzikanten, en danseressen had bijeengebracht,

die alle rijk gekleed waren.

Weldra verscheen, aangekondigd door fanfares en begroet met gezang,

dat de vereeniging van Castilië met Arragon blij begroette, de

koninklijke stoet; de hoofden gingen omhoog en de halzen rekten zich

uit, om de souvereinen beter te kunnen zien, wier overwinning den vrede

verzekerde aan de twee koninkrijken, en wier glorie op aller lippen

was. Ferdinand, nog zeer jong, met goed figuur, donkere oogen en haren,

intelligent gezicht, bereed al uitstekend een prachtigen klepper. De

koningin was gezeten op een muildier, dat rijk was opgetuigd, en geleid

werd door twee pages uit de edelste geslachten van het land. Zij was

niet groot, maar er sprak uit haar houding en haar trekken een fiere

majesteit. Haar hoogblonde haren waren bijna geheel verborgen onder

de sluiers, die om haar hoofd waren geslagen; haar zeer blanke huid,

de grijsblauwe oogen herinnerden er aan, dat van vaderszijde zij

vermaagschapt was aan het huis van Lancaster. Een uitnemende gratie en

een engelachtige glimlach maakten de strengheid van het voorhoofd en de

vastheid van den blik zachter. Isabella was zes-en-twintig jaar, twee

jaar ouder dan haar echtgenoot, en reeds had ze een rijk onderworpen,

dat haar betwist werd door vreemdelingen en oproerlingen.

Na den eed te hebben afgelegd, dat zij de privileges zouden handhaven,

die aan de stad geschonken waren, en na de wallen overgetrokken te

zijn, begaf het koningspaar zich naar de kathedraal. Zij traden er

binnen door de poort der Vergeving, terwijl jeugdige kinderen, die

engelen voorstelden, hun met muziek welkom heetten. En geknield aan

den voet van het altaar, dankten zij den Eeuwige, die hun had vergund,

den vreemdeling uit Castilië te verdrijven en hem had gedwongen,

zich over de grens terug te trekken naar Portugal. Misschien plantte

de onvergelijkelijke vorstin op dien dag in den tuin van het klooster

den nu veel honderden jaren ouden taxisboom, waarvan elk eenigszins

begunstigd reiziger eenige bladeren ontvangt bij wijze van souvenir.

Onder de regeering van Juan II, den vader der koningin, had de beroemde

gunsteling, Alvaro de Luna, eenige vertrekken van het Alcazar ter

beschikking van zijn heer laten stellen. Daarheen begaven zich de

vorstelijke personen. Er was een eenvoudig ontbijt gereed gezet, want

zij vastten dien dag; maar in spijt van de berooidheid der schatkist

werden de armen niet vergeten.

Den tweeden Februari kwamen de koning en de koningin weer in de

kathedraal met nog grooter luister.

Isabella straalde in verheven schoonheid; men had alleen oogen voor

haar, want alles verbleekte naast de lelie van het koningschap. Op

haar kleed van wit brocaat waren in goudborduursel de kasteelen en

de leeuwen, als symbolen van haar erfelijke rijken aangebracht; een

lange mantel van hermelijn viel neer van haar schouders en vormde

een lange sleep, door twee jonge pages opgehouden. Op haar hoofd,

door lichte sluiers omgeven, schitterde een gouden kroon, bezet met

edelgesteenten; om haar hals hing een prachtige collier van bleeke

robijnen. Het edelgesteente, dat op haar borst fonkelde, trok aller

blikken tot zich, niet enkel om zijn buitengewone grootte, en den

onvergelijkelijken glans, maar omdat het, naar men zeide, toebehoord

had aan Salomo. Het bewijs daarvoor vond men in het hebreeuwsche

opschrift, dat er op was gegraveerd.

Vóór het koningspaar uit wapperden hoog en fier de vlaggen van Leon,

Castilië en Arragon, terwijl de vlaggen van Lusitanië, die door

den vijand achtergelaten waren in de wanorde, die op den slag van

Toro was gevolgd, omgekeerd en in vernedering in den stoet werden

meegedragen. De triumphators, die na een gelukkig ten einde gebrachten

oorlog in de stad van Romulus binnentrokken, boden met geen grooteren

trots de op den vijand buitgemaakte eereteekenen aan het romeinsche

volk aan.

Na de mis te hehben gehoord, en na boven het graf van haar

voorvaderen, wien zoo vaak door de Portugeezen ontzag was ingeboezemd,

de getuigenissen van de zegepraal te hebben laten ophangen, wilde

Isabella in Toledo een duurzamer herinnering van de overwinning

achterlaten. Dat denkbeeld leidde tot de oprichting van het beroemde

klooster van Juan de los Reyes.

Het gebouw, dat aan den rand van het plateau is gelegen boven het

groene, bloeiende dal van de Taag, als de rivier zich van de stad

verwijdert, is aangelegd in den vorm van een latijnsch kruis,

en opgetrokken van witte kalksteen, die zeer fijn en hard is en

daardoor zich uitstekend leent voor de meest grillige fantazieën der

beeldhouwers. Midden tusschen de verschillende onderdeelen verrijst

tot op groote hoogte een zware en mooie koepel. De steunsels der

bogen rusten op twee sierlijke tribunes, die voor het koningshuis

waren gereserveerd, terwijl een gebeeldhouwd fries, rondom de beuken

der kerk loopend, een prachtig opschrift droeg in gothische letters,

verheerlijkend de roemrijke namen der stichters.

Aardige kleine onderdeelen trekken telkens de aandacht, zonder den

indruk van grootschheid en strengheid weg te nemen, die door het geheel

wordt gemaakt. Hier ziet men bloemen, kransen, vogels; ginds een aap,

als monnik gekleed, met een kap over het hoofd, in diepe aandacht

zijn brevier bestudeerend. Welk een zonderlinge oneerbiedigheid,

die men toeliet in die tijden van innige vroomheid!

Toen Isabella aan de Franciscaners het klooster en de kerk San

Juan de los Reyes gaf, waar zij haar laatsten slaap wilde slapen,

begiftigde ze hen tevens met een inkomen van 7000 maravedi's,

(een koperen spaansche munt van nog geen nederlandsche cent waarde)

die genomen moesten worden uit de koninklijke schatkist, zonder dat

de inkomsten in geld en in natuurproducten, die van het land geheven

werden, ervoor behoefden te verminderen. Buitendien verrijkte zij hen

met kunstwerken, met miniaturen, juweelen en kostbare manuscripten, in

Duitschland gekocht en in Italië. Inderdaad meende de groote koningin

van Castilië, dat zulk een mildheid haar volk ten goede kwam. Met

het doel, haar volk te beschaven, wist zij de oprichting van twee

leerstoelen voor de theologie door te zetten voor de studenten, en

voor kinderen uit de provincie werden scholen gebouwd; zij stond erop,

dat men er de christelijke leer duidelijk uiteenzette op een wijze,

die deze leer begrijpelijk en bemind maakte. Nu was geen enkele orde

van geestelijken aard meer het vertrouwen van Isabella waardig dan

die der Franciscaners; geen godsdienstig genootschap verdiende zoozeer

om zijn talenten en deugden te worden uitverkoren door de vorstin.

Na de verovering van het koninkrijk Granada wijzigden zich Isabella's

denkbeelden, en in haar testament, een voorbeeld van wijsheid en

voorzichtigheid, beval zij, dat men haar stoffelijk overschot zou

bijzetten in de stad, die met zooveel opofferingen was vermeesterd.

De gunst, waarin zich het klooster van Toledo mocht verheugen,

verminderde niet onder de volgende regeeringen; Karel V voltooide het

werk van zijn bloedverwante; Filips II schonk er groote giften aan,

en deed het de verheven eer aan, het kapittel-generaal van alle groote

militaire orden van Spanje te mogen bewaren, en eindelijk bedekte

Filips III er de wanden met schilderijen en logeerde bij voorkeur in

het Alcazar bij de verkiezing van den Generaal der Franciscanen, bij

welke gelegenheid de vorst er feesten gaf en luisterrijke maaltijden.

Toen Mevrouw d'Aulnoy Spanje bezocht, was zij zeer getroffen door de

pracht van de kerk. "Zij is groot en schoon," schreef zij, "en staat

vol met oranjeboomen, granaatboomen, jasmijn en zeer hooge myrten,

die in hun bakken heele lanen vormen tot aan het hoofdaltaar, dat

met een zeer rijke versiering is getooid. Zoodat met al die groene

bladeren en al die bloemen van verschillende kleuren, en als men er

het goud en het zilver ziet fonkelen tusschen de borduurwerken en de

aangestoken waskaarsen, waarmee het altaar is overdekt, het is, of men

de zonnestralen zelve ziet. Er zijn ook kooien, mooi geschilderd en

verguld, waarin nachtegalen, sijsjes en andere vogels een bekoorlijk

concert geven."

De kerk en vooral het klooster hebben verschrikkelijk geleden van den

oorlog en van den brand, die in 1809 veel onheil stichtte en een deel

van het altaar, de geschilderde glazen, de bibliotheek en de helft

van het klooster verwoestte. In 1835, ten tijde van de Revolutie en

van de afschaffing der godsdienstige orden, werd het gebouw in een

kruitmagazijn veranderd.

Het zou geheel ten onder zijn gegaan, indien niet in 1844 de

Commissie voor de historische Monumenten er de beschermende hand

over had uitgebreid, door de gemeente van San Martino erheen over te

brengen. Aan den dienst teruggegeven, en voor de bedelaars gesloten

zoowel als voor de plunderaars, is de kerk bewaard gebleven voor de

verwoesting, waarmee ze werd bedreigd.

Wat het klooster betreft, dat heeft sinds 1858 een restauratie

ondergaan, die even talentvol wordt uitgevoerd als ze langzaam tot

stand komt, en het is tegenwoordig het kostbaarste en schitterendste

voorbeeld van den gothischen bouwtrant in Spanje. De bogen, die een

lengte van 26 meter innemen aan elk der vier zijden, zijn versierd met

een menigte beelden, sieraden, vogels, vruchten en bloemen, uitgelezen

kunstig bewerkt. Op den binnenmuur, die ook met beelden is versierd,

gedragen door elegante caryatiden, onder de fijne kroonlijst, ziet

men een lang opschrift in de castiliaansche taal. De mooie gothische

letters, die het vormen, zijn gelijk aan die, welke binnen in de kerk

zijn gebruikt, al zijn ze minder groot. Ferdinand en vooral Isabella

worden er uitbundig maar niet overdreven geprezen.

Dit klooster en de kerk werden opgericht op bevel van de katholieke

en zeer uitnemende vorsten Ferdinand en Donna Isabella, koningen van

Castilië, Arragon en Jeruzalem, vanaf de eerste fondamenten, voor

de eer en de glorie van den Koning der Hemelen en zijn gelukzalige

Moeder en tevens van den H. Johannes den Dooper en den H. Franciscus,

hun ijverige bemiddelaars. En na den bouw van dit huis veroverden zij

het koninkrijk Granada, roeiden de ketterij uit en verdreven alle

ongeloovigen, verkregen alle rijken in Spanje en Indië, en voerden

hervormingen in bij alle kerken en gemeenten van monniken en nonnen,

die in hun gebied hervorming van noode hadden; en na zoo groote

en voortreffelijke werken stierf de koningin te Medina del Campo,

gekleed in het gewaad van den H. Franciscus, den 5den November van

het jaar 1503.

Evenals de kerk is het klooster gebouwd naar de plannen van een der

beroemdste bouwmeesters van de kathedraal, Juan Guaz, een Vlaming,

naar men meent, en wiens trekken voor ons bewaard zijn gebleven op

een fresco, dat behoort in San Justo y Pastor. Om tusschen de beide

verdiepingen van het klooster een verbinding tot stand te brengen,

die het gebouw waardig was, beval Karel V later aan Covarrubias,

een prachtige trap te maken, die overdekt is met een koepel in den

vorm van een schelp, waarop het wapen van den grooten keizer voorkomt

naast dat van zijn voorvaderen. Op de bovenste galerij komt ook uit de

cel van Ximenes, die er met eerbied wordt vertoond. De latere groote

staatsman was de eerste nieuweling, die te San Juan het kleed der

Franciscanen aannam.

Nog in de allerlaatste jaren is San Juan de los Reyes bedreigd geworden

met een groot verlies. Na de inneming van Malaga had Isabella als

krijgstrofeeën de ketenen van de door haar in vrijheid gestelde

christelijke gevangenen erheen gezonden en had bevolen, ze te hangen

aan de buitenmuren der kerk. Sinds vier eeuwen beschreven die donkere

ringen hun kringen op het witte gesteente, toen een alcade met veel

practischen zin ze liet loshaken en bevel gaf ze om te smeden tot

deelen van banken en tot een slot voor den openbaren tuin. Gelukkig

had men den tijd, de volvoering van zulk een heiligschennend plan te

voorkomen, en de ketenen hernamen de zoo lang ingenomen plaats.

In een der lage zalen van het klooster, misschien een ruime sacristie,

heeft men een massa ongelijksoortige voorwerpen bijeengebracht,

die meer of minder droevige of merkwaardige gebeurtenissen in de

herinnering terugroepen, zooals schilderijen, stukken gebeeldhouwden

steen of houtsnijwerk, émails en eerwaardig ijzerwerk. Te zamen heet

het min of meer pompeus het Provinciaal Museum. Men kan er een bezoek

brengen, als de portier zoo vriendelijk is op het schellen aan de deur

te letten. Indien zijn bezigheden hem in zijn vertrekken vasthouden,

mag men wachten; maar als men niet wordt binnen gelaten, behoeft men

daar niet al te rouwig om te zijn; alle voorwerpen, die werkelijk

eenige waarde hadden, zijn naar Madrid gebracht.

Isabella liet het niet bij die vrijgevigheid jegens de oude hoofdkerk

van Castilië. In de laatste jaren van haar leven begiftigde zij haar

nog met het toevluchtsoord van Santa Cruz voor vondelingen. Toen zij

den bouw van dit schoone gebouw ondernam, trad zij op als uitvoerster

van den uitersten wil van haar getrouwen minister, kardinaal Mendoza,

denzelfden staatsman, wien zij met geweld een laatste rustplaats

schonk in de Capilla Mayor van de kathedraal.

De kardinaal was gestorven in 1495, vóór de eerste steen was gelegd. De

koningin kwam dadelijk tusschen beide, hief de moeilijkheden op,

die rezen naar aanleiding van de verwerving van terreinen, in handen

van kloosterorden, en toen zij op haar beurt stierf, in 1503, waren

alle schikkingen zoo goed getroffen, dat de bouwmeester Enrique de

Egas op geen enkelen hinderpaal stuitte. Tien jaren later was het

gesticht gereed. Het is gebouwd in den vorm van een grieksch kruis of

het kruis van Jeruzalem. De kerk bevond zich vroeger bij het snijpunt

van de armen van het kruis; de gebruiksverandering tot Kadettenschool

heeft ertoe geleid, dat het altaar verplaatst werd naar het uiteinde

van een der armen.

Ofschoon het vondelingenhuis van Santa Cruz zeer weinige jaren na San

Juan de los Reyes gebouwd is, lijken de stijlen niets op elkaar. De

velerlei aanraking met Italië had Spanje de oogen geopend voor nieuwe

richtingen. Dadelijk had het die met geestdrift aanvaard, vergetend

zijn eigen verleden en de overleveringen, die uit Bourgondië en

Vlaanderen in vroeger eeuwen waren overgekomen. Alleen de prachtige

houtbetimmeringen met de houtmozaïeken in de vier zijbeuken zijn van

die mozarabische kunst, waarvan Toledo zooveel kostelijke voorbeelden

bezit.

Rechts van de ruimte, die tegenwoordig tot ingang dient, is een

kloostergang met zuilen in klassieken stijl. Men komt op de

bovenverdieping langs een zeer fraaie trap, die begint onder

een portiek, gevormd door drie zuilen met verrukkelijk fijn

snijwerk. Groote treden uit één stuk fijn, wit marmer voeren naar

galerijen, waar bedelaars en plunderaars de houtbekleeding van hebben

weggeroofd, zoodat men nu van balk op balk moet springen op gevaar

af in de spleten te vallen en door het dunne plafond terecht te komen

op de steenen van de lager gelegen gang.

Deze gang staat in verbinding met een andere kleinere, die zware

zuilen en kapiteelen heeft, afkomstig uit de antieke kapel van

de H. Leocadia. Uit de weinige vensters, die een paar cellen van

die kloostergangen verlichten, ziet men neer in de kloof, waar de

Taag door stroomt, op de brug van Alcantara en het kasteel van San

Cervantes, dien mooien, strengen toegang tot Toledo. Men kan zich zeer

goed voorstellen, dat de overlevering op de terreinen, nu door het

hospitium ingenomen, het oude Alcazar heeft geplaatst, dat zich in 1085

aan koning Alfonsus VI overgaf, gedwongen door een hongersnood, dien

een streng en langdurig beleg had veroorzaakt. Op geen enkele plaats

kon men een betere positie innemen ter verdediging van de rivier. Wat

is er van die vesting overgebleven? Niets dan een vervallen en half

ingestorte toevlucht, die er uitziet of ze een beleg heeft doorstaan,

en dan de diepe melancholie van de dingen die niet worden gebruikt.

Het werk van Karel V is niet enkel vertegenwoordigd door de

Visagrapoort, Toledo is ook aan hem verschuldigd het mooie binnenplein

van het Alcazar, en bovendien dateert uit zijn regeering het hospitaal

van San Juan a Fuera, gebouwd door den kardinaal-aartsbisschop Dom

Juan Tavera. In 1541 begonnen, werd het eerst in 1624 voltooid. De

indrukwekkende gevel van uitstekenden smaak strekt zich uit over

een lengte van ongeveer honderd meter. Uit de kerkpoort zagen wij de

zusters van Sint Vincentius a Paulo komen met haar witte mutsjes, die

alleen al door haar tegenwoordigheid den indruk van orde en netheid

geven, die ieder moet treffen zoodra hij den drempel overschrijdt.

Welk een verrassing is het, de steenen van de gangen zonder vlekken te

zien, de hoeken zonder vuil en de oude mannen gewasschen en gekamd,

terwijl er geen bewakers rondloopen, die bedelen met een dreigement

in den blik! Men gevoelt, dat Frankrijks goede engelen over de bergen

zijn gevlogen, en dat voor haar goede werken de wereld nooit groot

genoeg zal zijn.

Bij de kruising van het schip der kerk met de armen van het kruispand

welft zich een zeer hooge en wijde koepel over het graf van den

stichter van het liefdehuis. Dat is het laatste werk van Alonso

Berruguete. Mogelijk is de koepel zelfs wel afgemaakt door zijn zoon,

in 1561. De jaren hadden de hooge vlucht van den kunstenaar wat

getemperd, want hij heeft nooit beter de zachte kalmte van den dood

van den rechtvaardige weergegeven. De versieringen van de sarcofaag

zijn van een lateren tijd dan het beeld van den doode, en hoewel

in goeden italiaanschen stijl, zijn ze veel minder waard. Zij zijn

het werk van een inlandschen kunstenaar; maar in dien tijd, en als

ze zich aan het marmer waagden, waren de spaansche beeldhouwers zoo

gewend aan de italiaansche manier, dat het moeielijk wordt, hun werk

te onderscheiden van wat uit de werkplaatsen in Genua en Florence kwam.

De burgers van Toledo mogen graag hun stad vergelijken bij de hoofdstad

der Christenheid. De parallel valt dan geheel in hun voordeel uit. Men

oordeele:

Toledo en Rome hebben zeven heuvels, Toledo en Rome hebben een

tarpeïsche rots; Toledo en Rome zijn beide vol kloosters; Toledo

en Rome hebben beroemde prelaten zien geboren worden; maar het Rome

van Italië heeft ernstige fouten begaan en dwaasheden, waarvoor het

Rome van Spanje zich heeft weten te behoeden. En eindelijk steekt

Toledo haar mededingster de loef af door de algemeene vermaardheid,

die haar marsepein heeft verkregen, het marsepein met amandels; op

dat gebied behoeft niet te worden gestreden, daar komt de eerepalm

toe aan het Roma del Marzapan.

Ik geloof, dat geen vreemdeling Toledo beter heeft gezien dan ik onder

het geleide van mijn uitstekenden vriend, professor Ventura y Reyes. Er

is geen stukje van de oude stad, of hij heeft het onderzocht met een

talent, dat alleen te vergelijken is met zijn bescheidenheid. Daar

vandaag, Zondag, het provinciaal museum gesloten was, had de doctor

mij ten zijnent geïnviteerd, om dan samen een wandeling buiten de

stad te doen.

"Wij hebben daar," had hij tot mij gezegd met een zekere

geheimzinnigheid, "twee vrouweportretten, die u zeer zullen

interesseeren".

"Uit welken tijd?"

"Uit den tijd van Filips IV."

"Een Velasquez, een Greco?"

"Wie weet?"

Ik ging heen in groote spanning. Wat een rijkdommen heeft toch dat

Spanje, dat zoo geheimzinnig is en zoo bescheiden! De ontroering

deed mijn hart sneller kloppen, toen wij in de bibliotheek binnen

gingen. Achter in de zaal, in een soort van afgesloten hoekje bij den

katheder van den professor, hingen twee doeken van vrij groote afmeting

tegenover elkander. Ik liep er snel op toe; mijn oogen doorboorden de

duisternis, en ik zie een prachtige vrouw met een baard, omringd door

haar man en kinderen. Een roode sluier bedekte het gelaat, terwijl

het laag uitgesneden corsage de borst van de kleur van leliën en

rozen liet zien.

Natuurlijk heeft Velasquez niets met dit portret uit te staan.

"Wat zegt u ervan?" vraagt mij lachend mijn gids.

"Dat moet een reclame wezen van een fabrikant van schoonheidsmiddelen

of van een middel voor den haargroei."

"U vergist zich; het is het authentieke portret van een dochter van

het blonde Germanië. Geboren in Duitschland, in 1620, kwam zij in 1664

in Spanje, en zoowel om haar baard als om haar talent als organist

wist zij belangstelling te wekken. Dit portret en het uitvoerige

opschrift dat het draagt, zijn er de onmiskenbare blijken van. En nu,

keer u eens om."

't Is, of het om een weddenschap te doen is! Daar sta ik weer tegenover

een vrouw met een baard!

"Meent u dan, dat Spanje bij Duitschland achter heeft willen blijven?"

De eerste vrouw was hoogblond en zag er vroolijk uit; deze tweede

met witten baard heeft een zeer streng uiterlijk. Hier geen laag

uitgesneden kleed; een hooge guipure en een stijve kraag omsluiten hals

en borst en het gezicht kon dat zijn van een uit China teruggekeerden

zendeling. Onder dit beeld zocht ik te vergeefs naar een opschrift,

en ik vond er slechts een cijfer. Deze tijdgenoote van Filips IV was

vijf-en-vijftig jaar, toen men haar weinig aantrekkelijk uiterlijk

vereeuwigde.

Neen, de jeugdige leerlingen van het provinciale lyceum worden niet

op de proef gesteld door wat men hun te zien geeft!

Maar wat is de aanleiding geweest tot de dwaasheid, dat deze dochteren

Eva's er zoo op gesteld waren, aan de wereld den rijkdom van haar

baard te vertoonen? De methodische exploitatie en het winstgevend

bedrijf om phenomenen te laten zien, was nog niet in de zeden

doorgedrongen.... Een paar eeuwen later zou Barnum haar fortuin en

het zijne hebben gemaakt.

De dag, die onder zoo gelukkige voorteekenen was begonnen, was als

een vergoeding voor de ernstige studiën van de vorige week. Sedert

mijn aankomst had ik vertoefd in de geheimzinnige schaduw der kerken,

onder kloostergewelven, bij graven en tot ruïnen vervallen paleizen;

had ik dan niet verdiend, ook eens naar buiten te gaan?

Zoodra we de stad hadden verlaten, was het alles een schittering van

licht en vreugde; de herfstzon glimlachte met haar vriendelijkste

gezicht. Toch keerde ik mij even om, en keek naar de versterkte

poort, die ik was doorgegaan. Een engel stond daar met een zwaard

in de hand, streng en toornig tusschen twee zware torens. En de

bewoners van Toledo, de jongen en de ouden hebben zich afgevraagd,

waarom die godsgezant hun een zoo donker gezicht liet zien. Er moest

een verklaring wezen, en er is een legende ontstaan.

De engel des Heeren waakt over Toledo en verbiedt de rampen en

ellenden de stad te naderen; zij, die zooveel leed over de arme

menschheid brengen.

Eens verscheen de afschuwelijke pest en vroeg om te worden toegelaten.

"Wat komt gij hier doen?" vroeg de engel in woede ontstoken.

"Ik ben een gezant van God, gij hebt niet het recht mij te weren."

"Mijn volk is vroom; als God in zijn ontevredenheid enkele armzalige

visschers wil tuchtigen, dat hij er ten minste rekening mee houde,

dat Toledo trouw de Heilige Maagd heeft gediend. Beloof mij, dat gij

u met twintig slachtoffers zult tevreden stellen."

De engel bad en smeekte; maar de pest vond dat niet genoeg en wilde

niet met minder dan tweehonderd tevreden zijn.

Toen moest de vreeselijke schatting, die gevraagd werd, worden

toegestaan. De pest ging binnen, en gedurende drie maanden richtte

zij vreeselijke verwoestingen aan en deed de bewoners van Toledo bij

duizenden sterven.

"Ellendeling, leugenaarster, meineedige!" schreeuwde de engel, toen

de ziekte eindelijk vertrok. "Ik zal u bij den hemel aanklagen."

"Waarom die woede? Gij hadt mij de levens van tweehonderd slachtoffers

afgestaan. Die heb ik genomen. De anderen zijn allen van vrees

gestorven. Daar heb ik geen schuld aan!"

Van de vlakte, waarop men uitkomt, als men de wallen achter zich heeft

gelaten, rust het oog eerst op de meer dan middelmatige beelden van

eenige koningen van Spanje, om daarna in het dal af te dalen naar

de ruïnen van een romeinsch circus, dat systematisch verwoest werd,

toen Abd el Rahman, gouverneur van Tolestane, zich onafhankelijk

trachtte te maken.

Langzaam dalend, komt men bij het heiligdom van Cristo de la Vega. Het

kerkgebouw is opgericht op de plek, waar de heilige Leocadia den

marteldood onderging.

Leocadia was schoon en werd bemind. Toen men van haar eischte,

dat zij het Christendom zou afzweren, was zij bang, niet sterk te

zullen zijn en door de pijn te zullen worden overwonnen en haar God te

verraden. Daarom riep zij hem te hulp en smeekte hem, haar tot zich te

roepen en haar de smadelijke ontrouw aan het geloof te besparen. En

terwijl zij met haar hand een kruis op den grond teekende en dat

eerbiedig kuste, stierf zij met den naam van Jezus op de lippen.

Er verloopen eeuwen. Pas tot het Christendom bekeerd, heeft koning

Sisebuth een prachtigen tempel laten oprichten op de plek, waar de

martelares gestorven is. In de nabijheid van haar hoogvereerd graf

werden conciliën gehouden. Monarchen en bisschoppen hebben naast haar

willen rusten, en daar op eens doet een nieuw wonder de vroomheid

van het volk en de koningen nog stijgen.

Het was op 9 December 666. Bisschop Ildefonsus vierde in het heiligdom

den jaardag van den dood der heilige. Plotseling verdween de grafsteen

in den glans eener lichtende verschijning. Een engelengedaante

gehuld in witte sluiers, vertoonde zich voor de blikken der

aanwezigen. Leocadia leeft, zij glimlacht, zij spreekt, zij prijst

Ildefonsus, dat hij op het Concilie de maagdelijkheid van de Moeder

Gods heeft verdedigd.

De bisschop is op de knieën gevallen, hij luistert, beeft en

twijfelt. Neen hij is niet het slachtoffer van een gezichtsbedrog,

de verrukking, die op aller gezichten te lezen staat, stelt

hem gerust. Hij beeft van vreugde, strekt zijn handen naar de

verschijning uit, en, aangemoedigd door den koning, wil hij de

stralende grijpen. Maar Leocadia behoort niet meer tot deze wereld van

smarten; zij zal zich niet door een aardsch wezen laten aanraken. Zij

wordt minder duidelijk zichtbaar en verdwijnt als een vluchtige

schaduw onder den steen, die zich weer sluit. Maar de verdwijning

heeft niet snel genoeg plaats gehad. Een slip van haar lichten sluier

is tusschen den steen en den vloer blijven zitten. De vorst springt

naar voren om die te grijpen, maar plotseling tegengehouden door het

gevoel zijner onwaardigheid, reikt hij den bisschop zijn degen toe,

die het kostbaar stuk, getuigenis van het wonder, afsnijdt.

"Maagd en martelares," roept de bisschop uit, "gij, die waardig zijt,

den Verlosser in zijn hemelsche glorie te aanschouwen, die uw leven

hebt gegeven, om zijn liefde te verdienen, zie met genadig oog neder

op de stad, waar het Gode behaagd heeft, u te doen geboren worden,

bescherm haar, en laat uw tusschenkomst strekken tot heil van den

monarch, die plechtig uwen feestdag viert."

Nog heden wordt in de kathedraal de eenige reliek der schutsvrouw

van Toledo bewaard. Een standbeeld van de H. Leocadia, dat echter

niet veel kunstwaarde heeft, is in de kapel te zien.

In den zonneschijn te middernacht.

Naar het Duitsch van _Karl von Dahlen_.

In de Lapland-express! Behagelijk zit een klein reisgezelschap in

den rooksalon bij elkaar. Het toeval heeft ze uit alle deelen der

aarde hier bij elkaâr gebracht en op zulk een tweedaagsche spoorreis

wordt men spoedig vertrouwelijk. Daarbuiten ligt de gloed van een

noorschen nacht over de eentonige wildernis. Bosch, bosch, zoo ver

het oog reikt, maar niet het schoone hoogstammige woud, de vriend

van een mensch, die een wandelaar vriendelijk in zijn armen sluit,

maar dat eindelooze bosch, zonder paden of wegen, het wreede beeld

van den moeielijken strijd om het bestaan, waar het kleine het

groote verwoest, en de ongelukkige sparren, geheel bedekt met blad-

en korstmossen, tusschen groote granietblokken hopeloos een langzamen

dood afwachten. In het spookachtige licht van den nacht schijnt het

landschap geheel doodsch en uitgestorven, en het is alsof men zich

over het uitgestrekte oppervlak van een andere planeet beweegt.

De aardige zweedsche dokter dringt wel is waar tot rusten, maar de

helderheid van den nacht laat ons niet slapen. Houdt de trein eens op,

om water of kolen in te nemen, dan is het toch al te verleidelijk om

in dit middernachtelijk uur eens naar buiten te gaan in het zwijgende

land. Men is zoover van het eigenlijke Europa verwijderd, en de weinige

schreden naar beneden, de glooiing af, om bessen of mossoorten te

verzamelen, brengen ons onmiddellijk in een vreemd land. Langzamerhand

sterft de plantengroei onder de harde hand van een noordschen hemel,

kleiner en kleiner worden de boomen, spoedig ontdekt mijn plantkundige

reisgenoot de eerste gletscherberk met zijn fijn getande bladeren. De

bloemen lichten ons tegen met haar teringachtige kleuren, en daar

in de verte schemert de sneeuw ons tegen, als reuzenflarden van een

verscheurd lijkkleed. Zoo gaat het voort door Lapmarken, voorbij de

steden Gellivara en Viruna, die een amerikaanschen indruk op ons maken.

Welk uur onze horloges ook mogen aanwijzen, aan ieder station staat

de bevolking gereed ons te begroeten. Langzaam klimt de trein naar

boven. Het naakte graniet komt meer en meer te voorschijn, en ofschoon

wij slechts een paar honderd meter boven 't zee-oppervlak zijn,

heeft de geheele omgeving het karakter van het hooggebergte. Dezelfde

aangrijpende verlatenheid als in de Alpenpassen, maar nu op reusachtige

wijze uitgebreid. Hier en daar glinsteren kleine meren tusschen de

gesteenten, de beken storten zich woest van boven neer en aan de

rechter zijde schittert de zilveren streep van Torne Fräsk, de groote

binnenzee in het Noorden van Zweden.

Boven de bergen aan den anderen oever ligt een donkere muur van

wolken, maar de eene waterval naast den anderen schijnt uit de

wolken neer te storten, en hunne zilverachtige strepen komen

helder uit tegen de blauwe bergwanden. Hier en daar weiden enkele

troepen rendieren en vluchten in moeilijken gang, zoodra de fluit

van de locomotief zich doet hooren. Tegen den middag bereiken wij

de grens tusschen Zweden en Noorwegen; "Riksgränsen" heet trotsch

hier het kleine stationnetje. Daar heerscht nu een opgewekt leven;

jonge Zweedschen, met heerlijk blond haar, zijn zoo even van een

voetreis in het binnenste van Lapland teruggekomen. Ze dragen de bij

de Lappen gebruikelijke schoenen met banden, hebben den Alpenstok

in de hand, de botaniseerbus op den rug en maken een ondernemenden

indruk. Hun eenig geleide is een jonge, nauwelijks de school ontgroeide

student. Onwillekeurig denkt hierbij iemand aan de plaats in Goethe's

Brieven uit Zwitserland, waar hij van de zorgvuldige voorafgaande

onderzoekingen en de omvangrijke voorbereidingen verhaalt, vóór de oude

Saussure met zijn reisgezelschap besloot in den laten herfst in het

Chamonixdal tot aan den voet van den Mont Blanc door te dringen. Welk

een onderscheid! Tegenwoordig ontmoet men de jeugdigste reizigsters

bijna zonder geleide op een tocht door een onbebouwde wildernis aan

de grenzen van het poolgebied.

Van Riksgränsen daalt men, met talrijke bochten, door vele tunnels

heen, naar de zee af. Al groener en groener wordt de bodem. Eindelijk:

Thalatta, Thalatta! In de diepte schittert de stille waterspiegel

van den Rombake-Fjord, waarin zich aan alle zijden witschuimende

watervallen uitgieten. Spoedig is Narwik bereikt. Wij verlaten den

trein, en Anna, de keukenmeid van een eetsalon, die ons elken morgen

zoo vriendelijk begroette, wuift tot afscheid met haar witte muts.

Nu moeten wij ons aan de goden der zee toevertrouwen en menigeen

mijner reisgenooten zinkt het hart in de schoenen, als hij het

kleine stoombootje ziet--"Hadsel" is zijn naam--dat ons tot aan

de noordelijkste punt van het vaste land moet brengen. Dwergachtig

klein ligt het daar naast de groote stoombooten, die het in Kiruna

gewonnen erts hier laden, en de hemelhooge rotswanden van den fjord

doen trouwens elk menschenwerk nietig schijnen.

Wij vormen echter ook maar een zeer klein reisgezelschap, niet meer dan

een dozijn, en in een vroolijke, moedige stemming lichten wij het anker

en stoomen nu noordwaarts. Welk een zonderlinge sprookjesachtige wereld

rondom ons! De hoogste bergtoppen zijn in donkere wolken verborgen,

de rotswanden zien donkerblauw, groengrijs glanst de zee. Heinde en ver

ziet het oog geen andere stoomboot. Slechts een paar visschersschepen,

juist zoo gebouwd als de oude draakschepen der Vikingen, vóór en achter

met den hoog opstijgenden boeg, en met roest-bruine zeilen, kruisen

onzen weg. Maar in het water wordt het levendig; dolfijnen spelen

rondom het schip, nu eens ziet men hun plompe lichamen in de lucht

opspringen, dan weer kan men in het heldere water hun bliksemsnelle

bewegingen volgen. De lommen tuimelen voor ons heen; angstig beproeven

zij zich in de lucht te verheffen, en storten zich dan weer met den

kop omlaag in de diepte. De meeuw stoot zijn schril geluid uit en

de kormoraan vliegt met stillen vleugelslag voorbij. Zoover het oog

reikt, rijen zich eilanden aan eilanden; de boomgroei wordt steeds

schraler, maar toch bedekt nog een licht, geelachtig groen de fijne

rotswanden. Dichter en dichter trekt zich de hemel om ons heen te

zamen, en in de onzekere schemering nemen de rotsachtige eilandjes

steeds phantastischer vormen aan. Het maakt den indruk, alsof wij

door een groote kudde voorwereldlijke reuzendieren omgeven zijn, die,

half in het water verborgen, zich plotseling op ons konden werpen,

om onzen notedop te verpletteren. O, anti-diluviaansche stemming! Men

zou hier weder aan de Scylla en Charybdis gaan gelooven.

Zoodra echter de zon den sluier verscheurt, en een frissche wind uit de

IJszee de wolken uit elkaar jaagt, ziet men overal rondom ons toppen en

spitsen, en heel in de hoogte glanzen gletschers. Zoo stoomt en stampt

onze kleine "Hadsel" langzaam vooruit. Niet voor ieder passagier is

echter deze vaart een onvermengd genot. Meestal beschut ons, wel is

waar, de voor ons liggende keten van eilanden, maar als op open plekken

de zware deining van den oceaan ons scheepje bereikt, danst het lustig

op en neer, en menigeen buigt zich in stilte voor deze hoogere macht.

Terwijl wij kort voor middernacht bij een glas warme groc--de

thermometer wijst maar een paar graden boven nul--in de kajuit bij

elkaar zitten, schitteren plotseling de ruiten der ronde venstertjes,

het koperwerk glanst helder op, het licht wordt gegrepen door onze

glazen op tafel en weerkaatst op onze gezichten. Daarna, in eens,

is alles weer koud en vaal. Het was de eerste luchtige groet van

de middernachtzon!

Onze weg voert ons langs een der grootste vogelbergen van het

Noorden. Reeds van verre hoort men het krijschen der schuwe

dieren; naderbij gekomen ziet men ze in tallooze rijen op de rotsen

neergehurkt. Nu lossen wij een kanonschot en iets wonderbaars gebeurt

er. De berg schijnt als een veêren kussen uiteen gebarsten te zijn. Als

een wolk omhullen ons plotseling millioenen en millioenen vogels,

het is een oorverdoovend leven; wie naar boven ziet, meent zich in

een dichte sneeuwbui te bevinden. Wij vervolgen onzen koers, maar nog

zwermen de opgeschrikte vogels in dichte wolken rondom hunne rotsen.

Eindelijk duikt de Noordkaap voor ons op. Scherp, als de ram van een

panterschip, steekt zij uit de oneindige zee op. Onze "Hadsel" vaart

er langzaam om heen en gaat dan in een door rotsen omsloten bocht

voor anker. De oever der vergetelheid. De zee ligt bijna doodstil,

de steile wanden hebben een vochtigen glans, hun kleur is staalgrijs,

erboven zijn dichte wolken opgestapeld, een sneeuwveld trekt zich

in een hoek terug en zendt een kleinen waterstroom uit, die met dof

gemurmel in zee valt. Overigens diepe stilte. Op den achtergrond in

de bocht een kleine hut, nauwelijks zichtbaar; daarin wonen een paar

visschers, en een Duitscher, die aan de zomertoeristen daarboven op de

hoogte prentbriefkaarten en champagne verkoopt. Met moeite beklimmen

wij den vrij steilen wand. Tusschen het sneeuwveld en den zigzagsgewijs

loopenden weg is een schoon bloemtapijt uitgespreid. In het langdurige

licht van den zomer komen hier de bloemen tusschen sneeuw en ijs met

wonderlijke kracht te voorschijn. Daar ziet gij een zeer zeldzame

soort van gevulde ranonkel; gele viooltjes komen te voorschijn,

geel en wit zijn over 't algemeen hier de heerschende kleuren. In de

vreeselijkste woestenij het heetste verlangen naar het leven!

Juist toen wij het plateau bereikt hadden, omhulde een wolk den

geheelen top. Een oogenblik zagen wij totaal niets. Langzamerhand

gewent echter het oog aan de schemering en nu liepen wij, geleid door

een gespannen touw, naar de uiterste punt van ons vaste land. Wit

glinstert het graniet op den grond, daartusschen schittert een kleine

anjelier. Sneeuwhoenders loopen voor ons uit en verdwijnen in den

nevel. De branding wordt steeds luider, en spoedig zijn wij bij

het paviljoen, waar men, ter viering van het oogenblik, een glaasje

champagne pleegt te drinken.

Maar waar is de zon? De stoomfluit maant ons reeds aan, terug te

keeren. Daar komt er plotseling beweging in de ons omringende massa's,

sneller en sneller trekken de nevelstrooken voort; op eens ontstaat een

breede spleet en ver aan den horizon, dicht boven de phosphoresceerende

zee staat de lichtende zonneschijf. Daarop valt het gordijn neder,

en verheugd over het genoten schouwspel, dat niet allen reizigers

naar de Noordkaap ten deel valt, beginnen wij af te stijgen.

Onze "Hadsel" zet nu haar koers weer naar het Zuiden. Een kort bezoek

wordt gebracht van Hammerfest, dat zonder zon onder een regenzwangere

lucht een uiterst melancholieken indruk maakt. Maar dan komt een

glanspunt van den tocht, de Lyngen-fjord. Hier vereenigen zich zee

en bergen tot een grootsch natuurbeeld. Langzaam vaart de stoomboot

langs de steile rotswanden, en terwijl wij in stomme bewondering

op het dek neerzitten, trekt de eene gletscher na den anderen ons

voorbij, donkerblauw aan den bergrug hangend, met hun ijstong tot in

het donkere water reikend.

Niet ver achter Tromsö opent zich dan eindelijk de wonderwereld van

het Noorden. De rotsenwildernis der Lofodden neemt ons in zich op. Het

is moeielijk met woorden een ook maar eenigszins gelijkend beeld van

dit zinnenverbijsterend schouwspel te geven. Is het een verzonken

gebergte of een nieuw uit zee opduikende wereld? De schoonste van al

de Lofoddenstroomen is de Raftsund. Een breede rivier midden door het

hart van een indrukwekkend gebergte. Hier ontsluiten zich voor het

oog beelden, die anders slechts de bergbeklimmer na een moeielijken

tocht te zien krijgt. De Troldfjord is het wonderlijkste in deze

wonderwereld. Het schip vaart recht op een loodrechten rotswand aan,

dan een kleine wending, en voorzichtig glijden wij door een smalle

spleet tusschen blanke, gladde granietmuren door. Nu drijven wij

op een klein, donkergroen Alpenmeer, onder in de diepte van een

ketel tusschen de bergen. Er omheen sneeuw en ijs; een waterval

stort zich met dof gebruisch in het meer, maar zijn spiegel blijft

onbewogen. Roode algen schijnen te roeien door het klare water, de

lomme duikt op en verdwijnt weder, de zwarte zeezwaluwen zweven langs

de rotswanden, anders alles doodstil! Alles houdt hier onwillekeurig

den adem in. Troldfjord noemen de Nooren deze plaats; iets spookachtigs

zit er in de lucht, een sprookjesstemming waart er rond. Hier hebben

de Grieken den ingang naar de onderwereld gezocht.

Soolvär, de hoofdplaats der Lofodden, is ons laatste station. Daar

verlaten wij onze kleine "Hadsel", om met een grooter schip de reis

naar het Zuiden voort te zetten. In de oude kroningsstad Drontheim gaan

wij weer aan land. Nog omgeeft ons de ernstige natuur van het Noorden,

maar na het huiveringwekkende schoon, dat wij hadden gezien, scheen

ons hier het landschap lief en vriendelijk. Wederom legt de lichte

nacht zijn schemering over land en zee. Het is bijna middernacht,

als wij uit de stad naar buiten gaan, naar berg en bosch. Jongens

en meisjes komen ons tegen, hand aan hand, met bloemen getooid. Het

eene paartje na het andere; de nacht is hier ook zoo wonderlijk

licht. Frissche hooigeur doorwasemt de lucht. En terwijl wij nu

omzien en neerkijken op den zilveren fjord, is het ons als voelden

wij, na het doodsche van het Noorden, hier voor de eerste maal weder

den levenden polsslag van onze liefhebbende moeder natuur.

In het bergland van Tripolis.

Naar het Fransch van A. de Mathuisieulx.

Mijn eerste onderzoekingstocht in Tripolis in 1901 was maar zeer

onbeteekenend geweest door opgekomen politieke moeilijkheden. Gelukkig

heb ik daarna nog twee reizen kunnen doen, namelijk in 1903 en 1904,

waarbij ik een veel uitgestrekter gebied heb kunnen bezoeken en meer

op mijn gemak dit deel van Afrika heb bestudeerd, dat tot hiertoe

nog zoo weinig bekend is. De onderzoekingen, in het geheele vilayet

ingesteld, tot de streken, behoorend bij Fezzan, worden in dit

verhaal weergegeven.

Den 20sten Maart 1903 verliet mijn karavaan Tripolis bij het aanbreken

van den dag. Ik had buiten mijn eigen personeel den ouden Arabier

Hammer meegenomen, die mij reeds in 1901 had vergezeld, en dan den

jongen Maltezer Pepino.

Wij sloegen ons eerste kamp zes kilometer ten westen van Tripolis

op, te Gargaresj, opdat onze lieden veel tijd ervoor zouden hebben,

want ze waren nog nieuwelingen in het werk, dat natuurlijk in den

beginne met veel misgrepen en onhandigheden gepaard gaat. De tenten,

de keuken, alles was in orde, toen de leden van het Consulaat-Generaal

van Frankrijk ons in den namiddag een bezoek brachten voor een laatste

afscheid. Daar mijn landgenooten den wensch te kennen hadden gegeven,

hier te dineeren, zette de fezzansche kok hun een vrij bescheiden

maal voor, dat echter door hen op de vriendelijkste manier tot gul

en hartelijk onthaal werd gestempeld.

Toen de bedienden den volgenden morgen het kamp opbraken onder het

oppertoezicht van Pepino, bracht ik een bezoek aan de omstreken en

aan een dubbel graf van hooge antiquiteit, dat kort geleden gevonden

was in een onderaardsch vertrek. Dit monument, met fresco's versierd,

werd gebouwd door een weduwe, Arisuth genaamd, voor haar man Juratanus

en voor haar zelve. De namen van de bedoelde personen verraden reeds

hun afrikaansche afkomst, en wel een numidische voor den echtgenoot

en een semitische voor de vrouw. Zooals zoo dikwijls gebeurt bij

archaeologische ontdekkingen, hebben de opschriften van dit graf het

mogelijk gemaakt, een belangwekkend punt uit de geschiedenis op te

helderen. De heer Clermont Ganneau heeft er het bewijs in gevonden van

de opneming der vrouwen in de heidensche secte van Mithra. Mevrouw

Arisuth bekleedde daarin een eereplaats en had recht tot deelneming

aan de godsdienstige feesten. Tot nu toe had men gemeend, dat alleen

mannen tot den dienst van Mithra werden toegelaten, dien machtigen

arischen godsdienst, welks wieg dezelfde is als die van het gansche

menschengeslacht, en die zich over de geheele wereld heeft verspreid

gedurende de oudheid, zelfs tot de verst verwijderde grenzen van

Perzië ter eene, en de Zuilen van Hercules ter andere zijde.

In de buurt van die graven gaat een romeinsche toren voort, met al

meer te vervallen. Het is waarschijnlijk, dat in de middeleeuwen de

Arabieren zich ervan bedienden voor de lijn van telegraafposten, die

ze langs de kusten der Middellandsche Zee hadden opgericht; bekend is,

dat een reeks van optische seintoestellen de afrikaansche kust volgde,

zoodat de berichten in een enkelen dag van Egypte naar Marokko konden

worden overgebracht.

Vóór we ons zuidwaarts wenden, om ons in het binnenland te wagen,

volgen wij eerst de kust tot Aboe Adjila, om daarbij de ruïnen van de

haven Sabathra te bezoeken, die we in 1901 maar even hadden gezien. Op

die plaats werd ik ontvangen door een arabischen kaïmakan, een hoog

personnage. Ahmed Bey behoort tot de oudste en rijkste familie uit

Tripolitanië; daaraan heeft hij het te danken, dat hij reeds op

zeer jeugdigen leeftijd een prachtige oase te besturen kreeg, waar

omheen de weelderigste havervelden lagen, die ik ergens in Afrika

heb gezien. Om mij het verblijf bij de ruïnen van Sabathra aangenamer

te maken, laat hij een arabisch kamp oprichten aan den oever en laat

er gerechten heen brengen, die een verrassend menu vormen in een zoo

van voedingsmiddelen misdeeld land.

De vrijheid van handelen en het schoone jaargetijde staan mij thans

toe, de overblijfselen van Sabathra te bestudeeren, voor zoo ver dat

mogelijk is in het turksche dorp, waar opgravingen strikt verboden

zijn. Die ruïnen op 80 KM. afstands van Tripolis zijn die van een der

drie handelsplaatsen, welke daar hebben gelegen. Evenals te Oea en

Leptis Magna waren ook hier de Phoeniciërs de stichters, die er een

karakteristieken naam aan hebben gegeven, want Sabathra beteekent

Korenmarkt. De Romeinen maakten er een gemeente van en verhieven

de plaats tot kolonie. De moeder van Titus en Justinianus, die er

beiden geboren werden, stelde bijzonder veel belang in de stad. De

plotselinge achteruitgang en de latere totale ondergang van de plaats

dateeren van de invallen der Arabieren.

Het zand bedekt bijna geheel de kostbare resten, en de zee ondermijnt

de mooie muren van de haven. Naarmate de wind een hoekje der duinen

opruimt en een standbeeld voor het licht brengt, of een zuil, of wel

een mozaïek, haasten de dweepzieke Arabieren zich, die relieken der

gehate Roemi's te vernielen. Gelukkig bewaart het zand trouw en goed

die historische rijkdommen, en er zal een heele schat van in te zamelen

wezen, als eenmaal verlof tot opgraven zal worden gegeven. De sporen

der wallen en andere duidelijke resten toonen inderdaad, dat daar een

groote en rijke stad moet hebben gelegen; de lengte was meer dan drie

kilometer langs de kust; er waren zeer veel paleizen en tempels, en het

theater kon tien duizend toeschouwers bevatten. Men kan nog de plaats

onderscheiden, gereserveerd voor de Garamantes-stammen uit Fezzan,

die er hun tenten kwamen opslaan ten tijde van de groote jaarmarkten.

Waaraan moet de keus voor de plek van deze zeehandelsstad worden

toegeschreven? Dit deel van de kust biedt toch in het minst geen

beschutting aan. Gebouwd aan een der einden van de bebouwde zone en

ver van de vermaarde zoutwerken van Zarzis, kon ze geen middelpunt

voor landbouw of industrie worden. De ligging van Sabathra laat zich,

naar mijne meening, alleen verklaren als directe uitvoerhaven van

Rhadames, het oude Cydamus, bij den doorgang van den breeden pas van

Djado, waar de karavanen door gingen, en waar ze nu nog passeeren,

om zoo de streek van Rhadames met de zee te verbinden.

Tusschen de kust en Djado heeft men over een breedte van 100 KM. de

groote vlakte, een uitgestrekt gebied van laag land, Djeffara genaamd,

den toegangsweg van de zee naar het hooge plateau in het binnenland. De

vlakte loopt onmerkbaar op naar den voet der hooge rotsen van den

Djebel of het bergland, waar ze door een reeks van onafgebroken

verhoogingen eindelijk 300 M. hoogte bereikt.

Gedurende de zes-en-vijftig uren rijdens door Djeffara moesten wij

steeds op onze hoede zijn, vooral des nachts, want arabische roovers

zwerven onophoudelijk door deze streek, op de zoek naar een karavaan

of een kamp, die niet voldoende beschermd zijn.

Het zand, dat afkomstig is van het verweerende gesteente, dekt de

meeste der kleine heuvels, welke zich op de vlakte verheffen; maar

tusschen die onbeteekenende hoogten vinden de Arabieren soms water

genoeg, om haver te planten, omdat een laag van blauwachtig leem het

regenwater vasthoudt.

Djeffara is in dit gebied veel minder dor dan in het Zuiden van

Tripolitanië. Dit jaar is de oogst bijzonder goed geweest. Wij

ontmoeten dan ook dikwijls inboorlingen, die hun voorraad in naburige

silo's bergen. Zoo worden hier als elders de onderaardsche bergplaatsen

genoemd, die in den vorm van een karaf worden gegraven met een

nauwen ingang van boven. Men daalt er in af met een touw van alfa

en de opening wordt gesloten met een grooten steen. De inrichting

laat zich misbruiken voor verschrikkelijke dingen. Zoo heeft in

het weidegebied van Montsor een Arabier onlangs zijn broer levend

begraven, omdat hij diens erfenis begeerde. Toen men het lijk vond,

bleek, hoe de ongelukkige tegen de verstikking geworsteld had.

De weg, dien men volgt in Djeffara, is aangewezen door de punten,

waar water te vinden is, en die op groote afstanden van elkander

liggen. De putten aanvankelijk in de buurt van de zee niet zeer diep,

nemen snel in diepte toe. In zeer harden grond gegraven, bevatten ze

een helder water, dat van uitstekende qualiteit is; maar het ontbreken

van een steenen rand om de putten en van toestellen, om het water

op te hijschen, gevoegd bij de zorgeloosheid van de Arabieren, doet

het zand van boven steeds in den put vallen en maakt het vocht vuil

en modderig. Om water te putten, maakt ieder voorbijganger een touw

los van zijn kameel en laat den zak van schapevel zakken, die het

voornaamste stuk huisraad is in een nomadische huishouding. Indien

de kampen niet te ver af zijn, nemen ze soms een koe mee, waaraan ze

het uiteinde van het touw vastmaken, en het dier hijscht den vollen

zak op, door zich van de opening te verwijderen.

Op die vlakten ziet men in het verblindende licht alles wit. De

overdaad en de scherpte der zonnestralen eten de kleuren op, en

het oog heeft moeite de bijzonderheden te onderscheiden. Het zand,

de wol van de kudden, de kleeding van de inboorlingen, alles wordt

op korten afstand reeds een verwarde massa. Alleen de kleine vlekjes

menschelijk aangezicht vormen bruine ovaaltjes, en het mooie licht,

dat overal elders zooveel vroolijkheid brengt, is hier de bron van

een onverbiddelijke melancholie.

Voordat wij den voet van het groote tripolitaansche bergland

hebben bereikt, passeeren we nog twee smalle zones, die ermee

evenwijdig loopen, eerst een lint van weiden, dan een tweede lint

van reuzenkeien. Het eerste is een gevolg van de wadi's der hooge

gronden, die daar alle doodloopen op een tiental kilometers afstands

van de Djebels, en den grond vruchtbaar maken; het tweede is het

bekken, waarin het bergpuin zich verzamelt. Die beide strooken, zoo

verschillend van aanzien, zetten zich onafgebroken voort van de grens

van Tunis tot Tarhoena over een lengte van meer dan 200 K.M.

De bestijging van de rots, ofschoon vergemakkelijkt door de bressen,

die vroegere waterstroomen erin hebben geslagen, vereischt drie of vier

uur arbeids, de reiziger kan zich op de klimpartij voorbereiden door

in de oase aan den voet uit te rusten. De palmentuinen van Sjeiksjoek

beneden Djado boden ons een rustgelegenheid, waaraan mijn lieden de

grootste behoefte hadden.

De bewoners van die tuinen vegeteeren in een armzalige armoede, en

de koorts woedt er met ongekende hevigheid door een naburige bron,

die in een moeras uitloopt.

De steensoort van Sjeiksjoek dient voor de vervaardiging van

molensteenen, die de bewoners van den stam der Sjograns te Tripolis

verkoopen, om in hun behoeften te kunnen voorzien. Dichtbij het

dorp kan men nog het graf vinden van Aboe Obeïda, een plaatselijke

beroemdheid, die over de heele streek gezag uitoefende en zich in

bloedige gevechten wikkelde met de Berbers van de hooge plateaux,

om de macht te behouden, hem door den imam geschonken.

Op den 28sten Maart bestegen wij te voet de wijde spleet bij Djado,

waardoor de rivier Djinaoen het bergland verlaat. De kameelen

en paarden volgden ons en klommen minder moeilijk dan wij door

dien doolhof van verbrokkelde rotsen, waar voetpaden op de schuine

hellingen boven onpeilbare afgronden smalle linten vormen. Zoo ging

het door palmboschjes, die hier en daar in de holten gegroeid waren

en soms boven het ledige schenen te hangen als kraaiennesten op den

nok van kathedralen.

Als men ze van dezen kant nadert, lijken de hooge gronden van Tripolis

op een echt bergland, en men kan best begrijpen, dat de inboorlingen

den naam van Djebel gegeven hebben aan deze noordgrens van het plateau,

vanaf de bergen van Tunis, waarmee zij samenhangt door Doeïrat, tot

aan Gariana toe. Maar in werkelijkheid is het niets anders dan een

eindeloos vlak terras, dat naar Djeffara steil afloopt met een muur

van 800 M. hoogte. De atmosferische invloeden hebben niet weinig

ingewerkt op deze grens en hebben er over een terrein van 10 tot

12 K.M. in de breedte diepe kloven in uitgehold vol bochten, hebben

alleenstaande toppen afgeslepen en, zware steenblokken ondergravend,

ze als gevaarlijke uitsteeksels boven afgronden opgehangen. Heeft

men eenmaal den schilderachtigen doolhof van dit verweerde gebergte

beklommen, dan ziet men voor zich tot in oneindige verte de vlakke

en eenvormige uitgestrektheden van Afrika's binnenland.

De wijdste spleten tusschen de rotsen dienen tot doorgangen tusschen de

lage landen en het plateau. Zooals te Gariana en te Kikla de wegen naar

Fezzan geopend worden, zoo opent de kloof van Djado, die wij zullen

passeeren de route naar de oasen van Rhat en Rhadames aan de kust.

De naam Djado is die van het dorp, waarboven de Turken hun fort

hebben gebouwd; de toppen van het dal dragen veel dorpen, tot het

administratieve district Fossato behoorend. Rondom die naar de vlakte

open baai vormen de plaatsen Moghat, Ojlin, Mesdoe, Endabas, Masgoera,

Oeïfat en Regreg volkrijke middelpunten, omringd door olijfboomen.

In Tripolitanië hebben de invallen der Arabieren de Berbers

teruggedrongen in de Djebels, en die laatsten zijn daardoor bijna

uitsluitend bergbewoners geworden, zooals ook met hun broeders,

de Kabylen uit Algerië het geval is. Alleen zij, die zich hebben

verscholen in de oase van Rhadames en op het eiland Djerba maken daarop

een uitzondering. Die Berbers, even werkzaam als de Arabieren lui zijn,

houden zich met landbouw bezig. Bij hen is op de kleinste bebouwbare

plekjes, die beschermd worden door steunmuurtjes op de steile hellingen

der kloven, haver geplant; andere minder bewerkte gedeelten, waar

het verweerde bergland in de vlakte begint af te dalen, dragen mooie

aanplantingen van olijfboomen. Ik heb er besproeiingswerken gezien,

die voor onze europeesche ingenieurs onmogelijk zouden zijn. Ook

kan men zeggen, dat de bergen van Nefoesa het rijkste deel zijn van

het vilayet.

De geschiedenis van deze Berberstammen moet nog worden geschreven. De

arabische auteurs leveren ons geen gegevens voor de verschillende

perioden; de geschriften van de bergbewoners zelven, in het Arabisch

vervat, maar in Tamazirletters zooals die van de Toearegs, worden in

de moskeeën angstvallig bewaakt door de kadi's. Ik heb te vergeefs

beproefd, mij die kostbare boeken te verschaffen, door er sommen voor

aan te bieden, die in dit land een fortuin vertegenwoordigen. Geen

enkele inboorling was bereid, zulk een heiligschennis te plegen.

Het is zeker, dat men in de Berbers, die tegenwoordig in Tripolis

wonen, geen rechtstreeksche afstammelingen kan zien van de volken, die

bij Herodotus en Strabo worden genoemd. Men vermoedt, dat een stam uit

Azië of Ethiopië zich vermengd heeft met de oorspronkelijke bewoners,

en dat zoo de stammen van Zoeara, Nefzaoea enz. zijn ontstaan.

Men ontmoet dikwijls onder die bergbewoners, die zeer donker zijn,

enkele blonde individuen met blauwe oogen, juist als in Algerië

en Marokko. De oorsprong van die talrijke afwijkingen blijft nog

onverklaard en de verschillende hypothesen, opgesteld om ze op

te helderen, spreken elkander tegen. Op grond van het bestaan der

monumenten van groote steenblokken of megalithen, die volkomen gelijk

zijn aan die van Europa, geven enkele geleerden ons als broeders

blonde bergbewoners uit Noord-Afrika; andere zoeken ze in Midden-Azië

of in Ethiopië. De theorie van de eenen steunt op het bestaan van die

typen in Egypte, die der anderen op de aanwezigheid van het blonde

ras in Algerië. De onwetendheid, waarin men verkeerde ten aanzien

van Tripolis, wees van beide zijden deze streek aan als grens der

verhuizingen van uit tegengestelde richtingen. De aanwezigheid van

individuen van het blonde type is geheel berbersch. Tripolitanië

zal de quaestie nog maar meer ingewikkeld maken, tot een of ander

archaeologisch document, dat onbetwistbaar is, haar kome oplossen.

Hoe het zij, bruin of blond, de Berbers van Tripolis vormen een zeer

apart ras, afgezonderd van de arabische wereld, die door hen veracht

wordt en waarvan ze zich altijd afgezonderd hebben gehouden in die

mate, dat ze nooit een huwelijk toelieten tusschen de vrouwen uit de

bergen en de afstammelingen der overweldigers. De Islam is er verspreid

geworden, maar de standvastigheid van het ras heeft een menigte oude

leerstellingen behouden, waardoor hun godsdienst veranderd is in een

bijzondere secte van den abhadietischen tak. Men vindt er christelijke

overleveringen in terug, vermengd met heidensch bijgeloof, zooals bij

de bewoners van het land Mzab in Algerië, waaraan zij nauw verwant

zijn. De lieden van Nefzaoea, Rhadames en Mzab gehoorzamen aan een

kerkelijk hoofd, die in Oman zijn zetel heeft.

De tripolitaansche Berber gevoelt zich krachtig en flink en is zeer

ingenomen met zijn betrekkelijke onafhankelijkheid, die hij in het

midden van de vorige eeuw dapper tegen de Turken heeft verdedigd,

zooals hij dat in de elfde tegen de Arabieren had gedaan. Ook

onderhoudt het turksche gouvernement te Djado alleen een garnizoen van

achthonderd man, wier citadel de heele streek beheerscht. De woeste

stammen mogen in het geheel geen vuurwapenen bezitten, en ze blijven

thans rustig in hun dorpen en komen 's avonds samen, om elkander

met verhalen over de heldendaden van de voorvaderen te vermaken. Die

bijeenkomsten, waar de roem van den vermaarden Roema het voorwerp is

van een waren eeredienst, eindigen meestal met vaderlandsche liederen,

vervat in de taal, die ook de Toearegs van de Sahara gebruiken.

De moderne beschaving heeft geen vat op deze menschen, die de hulp

van een geneesheer weigeren en liever sterven onder de handen van

onwetende toovenaars. Zij voeren de matigheid zoo ver, dat ze zich

van sigaretten en thee onthouden, omdat het gebruik van tabak en

thee zonde is in hun oogen. Toch is het bekend, hoe de menschen in

Afrika op het rooken gesteld zijn, en hoeveel ze van thee houden,

die overal voor koffie in de plaats komt.

Te Djado, zooals in bijna het geheele bergland, is het water

ondrinkbaar door de vele magnesia, die het bevat. De bewoners moeten

daarom naar de vlakte, om zich van het noodige te voorzien. De

turksche troepen, genesteld in hun kasr of vesting ter hoogte van

750 M., gebruiken een kudde kameelen voor het opvoeren van de gevulde

waterzakken, hetgeen een groote vermeerdering van kosten meebrengt.

Daar de belastingen overal in natura worden opgebracht, zoowel in

mannen als in dieren en landbouwproducten, regelt de ottomaansche

regeering die naar een omslag, verschillend naar de opbrengst der

verschillende streken. Te Djado betalen een man en een kameel een

éénheid, dat wil zeggen, dezelfde belasting als twee koeien, of tien

schapen, of vijf-en-twintig geiten, of vijf-en-twintig olijfboomen,

of vijftig palmboomen, of tweehonderd vijgenboomen.

De moskeeën, die op enkele hoogten in het district Fossato staan,

zijn oudtijds het godsdienstig middelpunt geweest der Nefoesiërs. De

historische en philosofische wetenschap zijn er nog in eere, en de

Berbers beschouwen het gansche district als een heilige plaats. Maar

eenige van die moskeeën zijn tegenwoordig verlaten, en daar moeten,

naar booze tongen verhalen, zeer weinig stichtelijke dingen gebeuren.

Als men Naloet bereikt aan het westelijk uiteinde van het gebied

der Berbers, gaat men langs den voet der rotsen, en wij maken van de

gelegenheid gebruik, om den geologischen bouw van die mooie, loodrechte

wanden na te gaan. Op dezen weg passeeren we de tallooze stroompjes,

die voor de afwatering zorgen van de hoogte, maar nu droog zijn. Zij

graven ondiepe beddingen in Djeffara.

Bij de oase Djoch vond ik romeinsche ruïnen, te herkennen alleen aan

eenige brokken muur. Toch was dit een voorname plaats, Sabria genoemd,

naam die ook wel gegeven werd aan Sabratha aan de kust der zee. Die

naam, die ontwijfelbaar van vreemden oorsprong was, duidt dus een

in het binnenland liggend Sabratha aan, waarvan veel geleerden het

bestaan geloochend hebben, ondanks de beweringen van Ptolemaeus. De

grieksche aardrijkskundige was beter ingelicht dan wij, en als er een

marktplaats bestond voor de groote haven aan de Middellandsche Zee,

dan moest het hier wezen, bij een der hoofddepots, waar het plateau

op de vlakte uitkwam.

Iets verder doet zich de oase Tizi voor, waar een ondragelijke stank

viel waar te nemen. Toen we er aankwamen, vonden we er een troep

Arabieren, bezig met een bron bloot te leggen, door met hun handen

in den grond te graven.

Dit werk, waarmee ze al een maand aan den gang waren en dat op de

alleronhandigste manier werd gedaan, heeft water over den omtrek

verspreid; het gaat tot bederf over en vergiftigt de buurt. De grachten

om het kerhof liggen vol lijken, die men zich de moeite niet geeft

te begraven; en we zagen menig geraamte, waarvan het doodshemd tot

lompen is geworden.

De ingang van de kloven van Naloet is nog grootscher dan die van

Djado. Het dorp, dat de inboorlingen liever Daloet noemen, ligt op

750 M. hoogte op den top van een steile rots, die over afgronden van

tweehonderd meter heen hangt. Een der woningen is gebouwd tegen de

bijna loodrechte wanden van de rots, een ander ligt verspreid over

het begin van het plateau. De oorsprong van een rivier dient tot

hoofdstraat. Enkele van de andere straten zijn zoo nauw dat een man

er niet langs kan gaan, zonder zijn schouders te stooten. Het dorp

bestaat ten deele uit ondergrondsche woningen, want er zijn een massa

troglodyten in het bergland van Tripolis.

De Turken hebben een fort gebouwd op een helling van de kloof;

daartegenover staat tusschen de hutten een oude citadel, geheel in

de rots uitgehouwen, zonder een enkel laagje steenen. Daar borgen

de bewoners hun rijkdommen en daar vonden ze een schuilplaats in

tijden van gevaar. Tegenwoordig bergen ze er nog hun koopwaren

en hun voedingsmiddelen. Elke familie heeft haar eigen magazijnen

in de vesting; in de rotswanden zijn de bergplaatsen gehouwen. En

de driehonderd openingen, vrij regelmatig gerangschikt, geven aan

het geheel het aanzien van een columbarium of romeinsche grafkamer

met haar vele nissen voor de urnen met asch. Des morgens komen de

huisvrouwen er weghalen, wat ze noodig hebben voor het maal van den

dag; in den namiddag ziet men er de mannen hun handel drijven als op

een markt, waarna ze den sleutel aan den bewaker ter hand stellen,

die den naam van dellal draagt. Er is geen trap, om bij de bovenste

openingen te klimmen, en de eigenaars hijschen zich tot vijf of zes

meter in de hoogte, door zich aan de uitspringende gedeelten van de

rots vast te houden.

Naloet lijkt als alle dorpen van den Djebel in de verte op een hoop

puin, omdat de huizen er zijn aangelegd met de allergrootste minachting

voor de rechte lijn en het effen vlak. De muren van pleister en steenen

staan scheef en dragen een dak, dat een chaos is van balken van olijf-

en palmhout.

Wat mij het meest verbaasde, is dat er geen ongelukken aan de

kinderen overkomen in dit dorp boven afgronden, waar in de diepte

nooit een zonnestraal doordringt. Ik zag er een troep jong goedje

in lompen spelen aan den rand van gapende diepten, die iemand een

huivering aanjagen. Van daar overzag men een panorama, dat zich

tot dertig kilometer in het rond uitstrekte; aan den eenen kant de

verweerde bergmassa's, aan den anderen de effen oppervlakte van het

plateau. In een paar spleten waren palmboschjes gegroeid, waar beekjes

hun oorsprong namen.

De huwelijksplechtigheden hebben veel eigenaardigs in Naloet. Vier

geheele dagen lang blijven de genoodigden opgesloten en slijten den

tijd met het eten van hoopen meel, met olie aangemengd. Op den dag

der plechtigheid gaat de bruid eerst haar linnengoed wasschen in

het geleide van een escorte van jonge meisjes. Door de vriendinnen

wordt ze dan naar het huis harer ouders teruggebracht, en het echte

feest begint met het zingen van gehuurde koorzangers. Een kameel

met een palankijn van levendige kleuren voert daarna de bruid naar

haren echtgenoot tusschen ruiters, die zich aan de meest woeste

fantasia's overgeven. Alle aanwezigen blijven buiten de woning van

de jonggehuwden en wachten, tot de echtgenoot hun komt mededeelen,

dat de huwelijksvereeniging heeft plaats gehad. Op dat moment gaan van

alle kanten voetzoekers af, om in de naburige dalen te verkondigen,

dat er een huwelijk is voltrokken.

De ingewikkelde ceremoniën zijn daarmee niet afgeloopen, maar duren

nog wel een week, waarbij ook de nachten aan spel en braspartijen

zijn gewijd. Soms hebben gefingeerde schakingen plaats tusschen jonge

mannen en jonge meisjes, en grijsaards komen dan tusschenbeide, om

vrede te stichten tusschen de schuldigen en hun ouders. Dat zijn nog

eens bruiloften, waar men zich vermaakt!

De kaïmakan van Naloet is een beminnelijke grijsaard, die aan een

heupziekte lijdt, gevolg van een ongeluk, dat hij een twintigtal

jaren geleden heeft gehad. Terwijl hij zich mengde in een bloedige

vechtpartij, om er een einde aan te maken, had hij een kogel

ontvangen, die nog niet is verwijderd. Voor mij was deze ambtenaar

vol oplettendheden; zelfs werd ik genoodigd op een revue over de

troepen van het garnizoen en genoot de eerbewijzen, die aan generaals

toekomen, wat geen kleinigheid was voor een officier buiten dienst,

die het nooit tot de hoogere rangen heeft gebracht.

Ongelukkig kon ik niet de toestemming krijgen om tot Rhadames door

te reizen, waar wij nog slechts 250 K.M. van verwijderd zijn. De

gouverneur-generaal, bij wien ik nog een poging deed, om verlof

te krijgen, gaf een categorisch weigerend antwoord, het gevaar

voorwendende, dat een Europeaan in die groote targuïsche stad liep. Ik

moest mij tevreden stellen met kleine uitstapjes in die richting,

en daarna ging het naar Wazzen, het laatste bewoonde middelpunt op

de grens van Tunis.

Van Naloet keerden we op onze schreden terug, om geheel het bergland

van het Westen naar het Oosten door te trekken, maar dezen keer over

den kam van het plateau, hetgeen ons in staat stelt, alle berbersche

districten te bezoeken. De eerste dagreis brengt ons te Mahmoed,

een vesting, even hoog gelegen als de vorige. Het zigzagpad, dat

er heen leidt, is zoo steil, dat de kameelen kermen en ten slotte

uitgeput stilstaan. Wij moesten ze ontladen en de pakken één voor

één naar boven dragen. Ik moest mijn met spijkers beslagen schoenen

uittrekken, want de geringste glijpartij zou mij op een leelijken

val zijn te staan gekomen.

Te Mahmoed is een deel der bevolking arabisch. Het is een der weinige

plaatsen, waar de stroom der veroveraars uit de elfde eeuw er in

geslaagd is, een der inhammen binnen te dringen, die tot boven op het

plateau voeren. Ongeveer honderdvijftig huizen en enkele olijfboomen

staan om de vesting. Het zeer smalle deel heeft mooie aanplantingen

van olijven van, naar het mij voorkomt, nog jongen datum.

Onze weg liep nu verder in rechte lijn achter de laaglandzone en wij

naderden die alleen, om de berbersche districten te bezoeken. Het

volkomen verlaten plateau was met alfagras in dikke bundels begroeid,

waarbij niemand op het denkbeeld komt, ze te exploiteeren, omdat

men er te ver van de zee is verwijderd, waar schepen dit gras laden

voor de papierfabrieken in Europa. Mijn gids, een kloeke Berber

met koperkleurige huid, bukte zich herhaaldelijk, om iets van den

zandigen grond op te rapen. Op een goeden dag bracht hij mij een gevuld

zakje; het waren witte truffels, die hij onderweg had ingezameld. Dit

knolletje heeft volstrekt niet den geur van zijn broertje uit Périgord,

en het is, of men een raap proeft.

Mijn mooie gids, die op den naam van Ikissa antwoord geeft, heeft

geen flauw begrip van tijd, noch van ruimte, hetgeen trouwens een

gebrek is van veel nomaden. Als ik hem vraag, hoe lang het nog duurt,

voor we bij de aangewezen plek voor het kamp zijn, kan hij mij altijd

alleen deze aanwijzing geven: "We zijn er niet ver meer af, we zullen

er spoedig wezen," en dan hebben we vaak nog vier of vijf uur vóór ons.

Zoo kwamen we op een avond zeer laat te Kabao, waar volgens de

inlichtingen van Ikissa ik om drie uur in den namiddag had gehoopt

aan te komen. Onze lieden waren zoo vermoeid, dat ieder ging slapen

zonder avondeten. Maar wat was het een prachtig gezicht, toen de

aanbrekende dag ons de stad vertoonde, hangend, als het ware, boven

een diepen afgrond in een omlijsting, die het mooiste, wat de fantasie

van Gustave Doré geschapen heeft, overtrof!

Rabao heeft een in de rotsen uitgehouwen vesting, zooals Mahmoed en

Naloet, en die bestemd is voor hetzelfde doel. Het is de laatste,

die wij zullen aantreffen. De stam van dit district, Baraba genaamd,

is zeer geleerd en voorziet de geheele streek van priesters en

godsdienstleeraars. Ongeveer vierhonderd huizen omringen den kasr

en loopen door tot een moskee onder grond in een kloof, die op een

reuzenwagenspoor geleek tusschen twee steile wanden van wel honderd

meter hoogte, door nauwelijks twintig meter gescheiden.

De bebouwde centra zijn hier op ongeveer vijftig kilometer afstands

van elkander, zoodat elk een dagreis voor ons is. Onze voorraad

zou ons wel vergunnen, ons kamp op te slaan op het eenzame plateau,

maar het is beter, zuinig te zijn met onze middelen in een land, waar

men niet juist den duur van het verblijf kan bepalen. Overal waar we

stil hielden, werd een schaap geslacht, en er werden bergen rijst

aangevoerd of meel voor de karavaan, tegen prijzen, die in Europa

belachelijk zouden klinken, maar die daarom toch hoog zijn in Nefoesa.

Landbouw en schapenteelt, die met zorg worden beoefend in de dalen

tusschen de bergen en op enkele gedeelten van Djeffara of van het

plateau, zijn de middelen van bestaan voor de bergbewoners. Aan

havermeel, olie, vijgen en vleesch hebben ze zelden gebrek. In October

begint het oogsten der olijven. De vijgen worden in April geplukt. De

wijnbouw, die beoefend wordt op velden, waar de ploeg overgaat, houdt

meer in het bijzonder kleine joodsche koloniën bezig, die verlof hebben

er wijn te vervaardigen uit druiven, een wrang smakend wijntje. Het

vee vindt in het slechte jaargetijde een schuilplaats in grotten;

en als de eerste lauwe winden van de lente waaien, verspreidt het

zich over de weiden van het plateau.

Sommige Berbers gaan zaaien tot midden in Djeffara. Ze laten

hun vrouwen in de dorpen, om de woningen te bewaken en wollen

kleedingstoffen te maken. Na drie maanden van afwezigheid komen die

kolonisten dan terug.

Te Tramezin, als overal, waar geen bronnen zijn, hebben de inboorlingen

waterréservoirs aangelegd, die in den winter boordevol loopen.

Slamat heeft een arabische bevolking, net als Mahmoed, en mooie

vijgenboomen. Te Rhebat is de dichter Ismaïl geboren, die volgens

Sjemmaki nooit één leugentje in zijn verzen liet binnensluipen. Die

Ismaïl, die zijn gedichten zelfs in de gevangenis schreef, was

daarbij een profeet. Toen hij Tripolis verliet, waar de pacha hem

langen tijd in boeien had laten smachten, sprak hij over de stad

den volgenden vloek uit: "Dat Grod u een vijand zende, die noch Hem,

noch de zonde vreest!" En zeer kort daarna maakten de Christenen zich

van Tripolis meester.

Wij passeerden Djado, zonder er ons op te houden ondanks het

vriendelijk aandringen van den kaïmakan. De tijd drong, en wij konden

dien niet besteden in plaatsen, waar we reeds geweest waren.

Zentan, 20 K.M. ten oosten van Djado ligt nog hooger dan de andere

plaatsen aan het begin van het bergland. De Senoessi's hebben er een

klooster in Elgoeassen en hebben rijke kudden van vrouwelijke kameelen

voor de fokkerij. De meeste der woningen zijn onderaardsch. Ik

geloof, dat het aantal inwoners de duizend overtreft, van wie de

meeste landbouwers zijn. Er zijn veel oliepersen aan het werk,

door kameelen in beweging gebracht, die met verbonden oogen in de

molens rondloopen. De afval, tot koeken gemaakt, wordt bewaard en

als veevoeder gebruikt.

Yffren kende ik reeds, daar ik er in 1901 had vertoefd, maar ik moest

er nu stilhouden, om een bezoek te brengen aan den gouverneur-generaal

van de Djebels, die er resideert. Die hooge ambtenaar had recht

op mijn dankbaarheid, want aan zijn behulpzaamheid hadden wij de

ontvangst te danken, die onze expeditie overal te beurt viel op zijn

grondgebied. Daarbij had de beminnelijke monteçarref, zoo is zijn

turksche titel, mij geschreven, dat hij mij in persoon eenige dagen

wenschte te vergezellen op mijn verdere reis.

Wij kwamen juist te Yffren, toen een nieuw bataljon het oude kwam

aflossen, dat er sedert een jaar verblijf hield. Het stadje was

in groote drukte. De grootste en bontste levendigheid heerschte

rondom de vesting en in de café's van Tagrebost. De esplanade vóór

de kazerne weerklonk van het gehinnik der duizend kameelen, welke de

benoodigdheden voor het nieuwe garnizoen hadden meegebracht. En dat

alles gaf aan dit afgelegen hoekje in den verblindenden zonneschijn

een vroolijkheid, die men er zelden zal treffen.

De Turken hebben een modern fort gebouwd op de plaats van de oude

vesting, waar de Berber Roema in 1850 het turksche garnizoen opsloot

en zoo voor een korten tijd het geheele district aan de overweldigers

ontrukte. De herinnering aan den moedigen patriot is er dan ook nog

levendiger dan elders. Dagelijks hoort men de heldendaden roemen van

dien eersten schutter, die bij den krijg aan zijn omgeving den vijand

aanwees, dien hij raken wilde en als hij het geweer tegen zijn wang

had gelegd, nooit zijn schot miste. Zijn belangrijkste tactiek bestond

in een nadering gedurende den nacht tot aan den voet der vestingen met

al zijn aanhangers, die veel stroo droegen. Door middel van ladders en

lange stokken wierpen dan de belegeraars bossen brandend stroo over de

wallen en meestal stierven de garnizoenen den dood door verstikking,

vóór ze zich nog hadden kunnen overgeven.

Bij mijn nieuwen gastheer vond ik een uitstekende keuken, waar onze

vermoeide magen de grootste behoefte aan hadden. Aan tafel was een

jonge gazelle van de partij, die uiterst aanhalig was en die allerlei

lekkers kreeg. Maar liever dan iets anders had ze een snuifje tabak.

Toen we ons den 15den April weer op weg begaven, was onze karavaan

vrijwat aangegroeid door het gevolg van den monteçarref Yoessoef, die

vergezeld werd door zijn secretaris-generaal, zijn uitstekenden kok,

een menigte bedienden en politiebeambten en eindelijk door de jonge

negerin Zenep. Dit krachtige, mooie meisje van ongeveer twintig jaar

wist niets van haar eigen afkomst. Al in haar eerste jeugd was zij

door kooplieden van haar ouders weggevoerd en was naar Fezzan gebracht,

waar de turksche overheden haar in vrijheid hadden laten stellen.

Ons doel was nu het district Orfella, dat is het zuidoostelijk gedeelte

van het tripolitaansche plateau.

Geheel Tahar, zooals men het binnenland van het groote plateau wel

noemt, helt af naar het Zuiden. De helling begint al bij den noordrand,

zoodat de grond aan de Middellandsche Zee snel daalt, terwijl de kant

van de Sahara geleidelijk overgaat tot de hoogte van Rhadames en

Sokna. Een andere helling is aan den oostkant, maar die is nog van

minder beteekenis dan de eerste. De wadi's Soff ed Dinn en Zemzem,

de groote waterbergplaatsen van de streek, zouden dus zich naar het

Zuiden moeten richten; maar zij stuiten op reeksen kleine rotsen,

evenwijdig aan die van de Djebels, waarlangs ze genoodzaakt zijn een

abnormale richting in te slaan, die ze naar de golf der Groote Syrte

voert. Om van Yffren naar Orfella te gaan is de rechte weg, en de

eenige bruikbare vanwege het water, de bedding van een dezer wadi's,

de Soff ed Dinn. Wij betraden die bedding op eenige kilometers afstands

van Djendoeba, waar we ons ophielden, om interessante ruïnen te zien.

We hielden er een triomfantelijken intocht, in staatsie begeleid door

de notabelen van de plaats, die toegesneld waren voor de begroeting

van hun grooten turkschen heer. Een talrijk escadron omringde ons

met hulde, en de levendige, kleine paardjes van de inlanders gingen

ten slotte allen aan het galoppeeren. Toen we het punt bereikten,

dat voor het kamp bestemd was, konden velen hun paarden niet inhouden

en reden een heel eind door.

De ruïnen van Djendoeba komen plaatselijk overeen met het Vinaza van

de bekende route van Antoninus. De inboorlingen noemen de plaats

tegenwoordig Ibaria of Jeriben. Ik heb daar veel overblijfselen

gevonden van een dorp op een reeks van heuvels. Goed bewaard waren

die van een christelijke basiliek, waar men de byzantijnsche kruisen

nog op vele plaatsen kan herkennen.

Er bestaan in Tripolis verscheiden sporen van het Christendom,

dateerend uit den tijd toen de keizers in Konstantinopel regeerden,

of liever te Byzantium. Het zijn geen kluizen voor eenzamen zooals in

Boven-Egypte, maar kloosters en kerken, zooals Pacho in zoo grooten

getale heeft gezien op het cyreneïsche plateau. Zulke koloniën van

geloovigen en getrouwen vindt men tot aan de uiterste grenzen van

het vilayet en ze bewijzen, dat in den aanvang hunner heerschappij

de overheerschers, die het mohammedaansche geloof aanhingen, de

christelijke ongeloovigen met rust lieten. Maar dezen, die te kampen

hadden tegen aanvallen van de zuidelijker wonende volken, versterkten

hun woningen en verscholen zich erin bij het minste gevaar. Daarom

treft men, als men verder naar het binnenland komt, een grooter zorg

voor de weerbaarheid in die christelijke streken; van Misda af worden

het echte vestingen, liggend op alleenstaande hoogten.

Gedurende drie marschdagen, drie lange en moeilijke dagen, ontdekten

wij geen enkel nomadenkamp. De onvruchtbaarheid van den grond is

zoodanig, dat men veronderstellen moet dat in de oudheid de streek

tusschen Yffren en Misda al niet meer bevolkt was; maar er waren

stellig enkele stations van een weg, die erdoor liep, want daarvan

zijn sporen te vinden te Elmdina en Skiffa.

Elmdina, op 20 K.M. afstands ten zuiden van Djendoeba, is een

eindelooze, zandige vlakte, in welker midden zich de muren van

een groot vierkant verheffen. De schoonheid en de afmetingen van de

behouwen steenen leggen getuigenis af van veel en zorgzamen arbeid. De

plaats moet wel belangrijk geweest zijn, dat de Romeinen er gewerkt

hebben met van verre aangebrachte materialen. De groote buitenmuur,

waarvan elke zijde 40 M. lang is, diende zonder twijfel tot verblijf

voor de karavanen, die op reis waren. Men kan er nog in het midden

overblijfselen van de vesting vinden met den zeer versterkten

ingang. De antieke documenten leeren ons niets omtrent Elmdina, dat

van de Arabieren den bijnaam van Ragda heeft gekregen. Die benaming

beteekent "Slapende Stad" en is waarschijnlijk afkomstig van een

mohammedaansche legende, volgens welke het in de ruïnen spoken zou,

zoodat er elken nacht schimmen zwierven, die dan op de muren zouden

slapen.

Wij bereiken de bedding van de Soff ed Dinn bij de samenkomst met

de wadi Lilla. Samenvloeiing zou men zeggen, als het rivieren waren,

maar hier vloeit niets; het zijn niet anders dan kloven, waarin geen

enkel adertje water te zien is.

Voortgekomen uit de golvende vlakten ten zuiden van Djado, wordt de

Soff ed Dinn al gauw een kloof met loodrechte wanden. Te Misda is ze

reeds een kilometer breed en verder strekken zich soms tien of twaalf

kilometer uit tusschen den eenen en den anderen oever van de bedding.

Ik denk, dat de naam van Soff ed Dinn, die Dal der duivels beteekent,

aan de wadi gegeven is om de massa slangen, die er in het zand

leven. Die groote pythons maken slachtoffers onder de kudden vanaf de

velden van Toeboel tot de zee toe. Mijn mannen lieten mij vlokken wol

zien, die aan de struiken hingen. Dat waren volgens hen de bewijzen

van verwoede gevechten tusschen de boa's en hun prooi. Ik heb in een

doear den vader van een herder gekend, die gedood werd door een slang;

dat was het vorige jaar gebeurd, en toen de kameraden van den jongen

man op zijn kreten naderbij waren gekomen, hadden ze geen hulp meer

kunnen bieden, want hij was al dood zonder een enkele wond. De slang

werd doodgeslagen, maar men had nog alle moeite gehad, om het lijk

los te maken, zoo vast had het gezeten tusschen de spiralen van het

monsterachtige beest.

De reeks van ruïnen zet zich onafgebroken voort op de beide oevers der

wadi. Tininaye bezit een mooien tempel met fraai behouwen steenen, waar

de nomaden van heden de totems van hun stam op de wanden teekenen. De

muren zijn er vol van.

Ronde torens vindt men vooral daar, waar de Soff ed Dinn zich tot

een vlakte verbreedt. De kasr Argoes schijnt de hoofdvesting te zijn

geweest voor het geheele vlakke land, want de hooggelegen ruïnen zijn

ontegenzeggelijk die van een versterkt kasteel, waar desnoods alle

bewoners der streek een toevlucht konden vinden.

Er bestaat een steeds weer voorkomend samentreffen van de romeinsche

ruïnen en de tegenwoordige kampen van de nomaden. Wij konden dat

vaststellen, niet alleen voor de bedding der Soff ed Dinn, maar ook

voor alle andere wadi's uit de buurt. Dus zijn de bebouwbare gedeelten

van het land dezelfde nu en vroeger.

Men treft geen enkel spoor der Romeinen buiten de laagten; een bewijs,

dat de Romeinen zich, evenals de nomaden van thans, tot de beddingen

der wadi's bepaalden. De voet der oude monumenten, gelegen aan de

rand der steenachtige vlakten, toont buitendien, dat de grond zich

op zijn niveau heeft gehandhaafd, en dat tusschen de rivierdalen de

cultuur oudtijds even onmogelijk was als nu. Maar de sporen, die we

ontdekken in de diepten der kloven, duiden op een veel belangrijker

exploitatie van den grond dan tegenwoordig.

In een land, waar de oudheid haar rijke landouwen had, leidt de

inboorling in onze dagen een kommervol bestaan. En toch zijn de

klimaatstoestanden niet veranderd, zooals blijkt uit de teksten en de

monumenten. Dat is een gevolg van het feit, dat de Romeinen werkers

waren, terwijl de Arabieren in smadelijke luiheid verkwijnen. Men moet

in Tahar zich de grootste inspanning getroosten, wil men op eenig

resultaat hopen, omdat het water, dat aan de oppervlakte ontbreekt,

overal onder den grond te vinden is. Zoodra men het maar boven brengt,

om het leemhoudend zand te besproeien, groeit de haver, dat het een

lust is. Maar de vochthoudende lagen liggen op groote diepte. De

weinige putten, die ik heb ontdekt, hadden een diepte van 60 of

80 meter. Ten tijde der Romeinen had men door talrijke boringen

en vernuftige stuwwerken, die eeuwen lang in goeden staat werden

gehouden, schitterende resultaten bereikt. De Arabier wil liever in den

zonneschijn liggen slapen en een ellendig leven leiden, en sinds hij

zich in het land heeft neergezet, heerscht er de verlatenheid. Buiten

enkele oasen aan de zee en de dalen, waar in het bergland Berbers

wonen, wandelt de reiziger in Tripolitanië door maanlandschappen;

als niet de intensiteit van licht en de hevige winden het anders

leerden, zou men zich kunnen wanen op de koude schors van onzen

nachtelijken wachter.

Wij verlieten de Soff ed Dinn te Argoes, om de steenachtige plateaux

over te steken, die de wadi van Orfella scheiden. Dat oversteken van

vlakten vol enorme steenen is des te vervelender, daar wij het moesten

doen in donker, nevelachtig weer. Geen grassprietje, geen enkele

bodemverheffing verbrak de doodsche eentonigheid. Wij moesten vaak

afdalen in diepe wadi's, die plotseling voor ons lagen met zoo diepe,

steile wanden, dat wij van hun bestaan nog geen vermoeden hadden op een

afstand van 200 M. Zoo eentonig zijn die vlakten, dat de inboorlingen

er den weg niet zouden kunnen vinden zonder de hoopen steenen, die

ze op bepaalde afstanden hebben bijeengebracht om de richting aan te

geven. De resten van zwart vulkanisch gesteente geven een verhoogde

somberheid aan het landschap. Men denkt aan een aardbeving, die alles

heeft opgebroken en de brokken heeft rondgestrooid.

Orfella, waar we den 22_sten_ April aankwamen, bestaat uit een

tiental dorpen op een rij langs de beide oevers van een diepe kloof,

de Ceni Cellid. Boe Abbas, Guaïda, Sikha, Dahaka, Hosna, Turba, Kir

Anala, Trara liggen, boven de breede, vlakke rivierbedding, op hun

hoogten van ongeveer honderd meter. Vlakte, rand en dal, alles is

vleeschkleurig. De steenen, waarvan de huizen zijn gebouwd, hebben

dezelfde nuance, en men zou de dorpen niet kunnen onderscheiden, als

niet de deuren of poorten er zwarte rechthoeken in aanbrachten. Boe

Abbas geeft eenige afwisseling met zijn bazaltlagen, want de turksche

vesting is geheel en al van zwarte steenen opgetrokken. De lava schijnt

er zich over het kalkgesteente hebben uitgespreid als een half gestolde

massa. Op de bewonderenswaardige doorsneden, die de wanden der kloven

te zien geven, kan de geoloog in diepere lagen het kalktufgesteente

herkennen, gevormd uit oever- en mosselschelpen. Boven dat tufgesteente

konden wij een laag van zeer mooi marmer onderscheiden. De bedding

van de wadi Orfella is door de inboorlingen herschapen in een goed

onderhouden olijvenaanplanting en in havervelden. Te Tripolis roemt

men de vruchtbaarheid van dit hoekje der woestijn; maar wat beteekent

dat eigenlijk? Nauwelijks de uitgestrektheid van een fonteinbekken

op het Concordeplein! Dit hoekje is daarenboven een geliefd oord

voor schorpioenen. Men kan gerust zeggen, dat ze zich onder elken

steen ophouden. Er werden drie gevonden in mijn mantel, toen die

een oogenblik op den grond had gelegen. Ik weigerde de aangeboden

gastvrijheid in de woningen, omdat de schorpioenen er in de daken

huizen en zich 's nachts op de slapenden laten vallen. Beter is het,

de tenten in de open lucht op te slaan en den vloer van het kamp goed

aan te vegen.

In Orfella is het afschuwelijke insect grooter dan dat in Europa,

maar groenachtig van kleur. De inboorlingen zijn bang voor zijn

steek, maar zeggen, dat die niet doodelijk is. Als men de wond

inwrijft met zekere kruiden, is men binnen vier-en-twintig uren weer

beter. Misschien zijn ze op den duur ongevoelig geworden voor het

gif van geslacht op geslacht. Maar zeker is het, dat een vreemdeling

het grootste gevaar loopt, getuige een arabisch bakker uit Tripolis,

die eenige minuten nadat hij gestoken was, aan de wond overleed.

Elken avond vulde zich mijn tent met verschillende bezoekers. Er

werd mij veel verteld van zekere ruïnen te Ghirza in het bekken van

Zemzem, en ze werden mij beschreven op een manier, dat men wel lust

moest krijgen, ze te gaan zien. Ik vatte dus het besluit, ons zoo

ver naar het Zuiden te begeven.

Na drie dagen kwam ik tot de overtuiging, dat ik daarvoor noch gidsen,

noch escorte zou hebben. Het zij zoo! Dan er maar alleen op uit! Zoo

verliet ik Orfella, om naar het Zuiden te trekken zonder een andere

aanwijzing dan een vage omtrent de richting. Daar er doears in Zemzem

moesten wezen, had ik slechts voor drie dagen proviand en voedsel

voor de beesten meegenomen, wat ook al juist zooveel was, als onze

kameelen konden dragen. Ik trok voorop, zonder mijn zakkompas een

oogenblik van onder mijn oogen te verwijderen--dat arme kompas, dat

ons eenig houvast was in een afgrond van eenzaamheid, waar de aan

vaste woonplaatsen reeds gewende Arabier geen voet zal zetten.

Het verschrikkelijk steenachtige plateau, dat zich tusschen de

evenwijdig loopende wadi's, de Beni-Cellid en de wadi Zemzem uitstrekt,

maakt deel uit van de oostelijke uitloopers der hooge tripolitaansche

gronden, die in lage rotsen eindigen aan de lagune van Taorgha, die

nu verzand is. De paarden en kameelen struikelden onophoudelijk over

de enorme steenen, vielen soms en bezeerden zich. Men zou hun spoor

kunnen volgen, door de bloeddruppels, die ze laten vallen te midden van

al dit puin, dat wel wat lijkt op de ruïnen van een reuzenstad. Wij

moesten wel besluiten te voet te gaan in een hitte, die iemand een

zonnesteek dreigt te bezorgen. Nachtigal klaagde over een dagreis,

waarbij hij acht uren had moeten loopen; wij legden er 12 af en een

enkele maal 15. De reusachtige, maar smalle kloven van de wadi's

Akrima, Ageroe, Sjdaff, Tala noodzaakten ons tot moeilijke afdalingen

en daar op volgende klimpartijen om weer op het plateau te komen,

waarbij telkens de kameelen moesten ontladen en weer belast worden,

zooals al eenmaal te Mahmoed het geval was geweest. Een zandstorm

bij Tala hield ons gedurende tien uren op onze plaats en had den

verstikkingsdood van een der paarden ten gevolge.

Tot overmaat van ramp raakten de levensmiddelen op. Ik kon er niet

aan denken, op onze schreden terug te keeren in den staat, waarin

zich onze menschen en dieren bevonden na twee dagen zonder water en

in een toestand van algeheele uitputting. We zouden allen dood zijn,

vóór we de helft van den terugweg hadden afgelegd. De ellende scheen

ten top gestegen, en alleen een wonder scheen ons te kunnen redden....

Het wonder deed zich voor. Op denzelfden avond van den storm bij Tala,

op het oogenblik, toen het kamp juist gereed was in een zijdal van

de Zemzem, deed een alarmsein mijn heele personeel opschrikken. Er

verschenen gewapende mannen, in de schemering naderend.... Ik greep

naar de wapens en trad naar voren. Die schrikwekkende figuren waren

slechts vreedzame leden van een karavaan, die zout tusschen Siout

en Nefoesa moesten vervoeren. Wij gaven elkander inlichtingen en

verbroederden ons. Voor eenige geldstukken werd mijn voorraad aangevuld

voor twee dagen, en de karavaanleiders brachten ons op den rechten weg.

In deze buurt is de Zemzem niet anders dan een breed lint van gras

zonder rotsen. Het gele zand van de bedding is wel geschikt voor

den verbouw van graangewassen, en de arme nomaden gaan zaaien, waar

ze oude leidingen aantreffen, die nog in staat zijn het regenwater

vast te houden. Zoo is Sadé bewoond door een honderdtal menschen,

terwijl men ver in het rond geen levende ziel vindt.

De beroemde ruïnen van Ghirza liggen tien kilometer ten westen van

Sadé bij de monding van een kleine wadi op den zuidelijken oever van

de Zemzem.

Er was mij niets te veel verteld van die ruïnen; de monumenten

overtroffen nog ver mijn verwachtingen; ze zijn de mooiste van

geheel Tripolitanië.

Toen we er aankwamen, werd ons oog het eerst door de muren van een

echte stad getroffen. De 8 tot 10 meter hooge gebouwen hebben muren

van kleine, vierkante steenen, zorgvuldig ineengevoegd, Een twintigtal

van die reusachtige woningen bekronen nog den linkeroever van de

wadi Charza, 300 M. van de uitmonding in de Zemzem. De huizen hadden

minstens twee verdiepingen en waren door omheiningen ingesloten; eenige

vertoonden zware, ronde torens. De stad gelijkt in niets op Sabratha,

Oca en Leptis, waar alle gebouwen van gehouwen steen zijn, waar de

tempels, de paleizen, de openbare bouwwerken druk versierd zijn.

Te Ghirza heeft de zeer soliede aangelegde stad in het geheel geen

versieringen; alles is er ingericht alleen met het oog op stevigheid

en gemak. De afmetingen en het aantal der huizen doen denken aan

die regelmatig aangelegde plaatsen in Amerika, de nieuwe steden,

plotseling verrezen te midden van pas geëxploiteerde terreinen.

De welvaart is hier zeker vroeger groot geweest en heeft blijkbaar

lang stand gehouden, want twee even groote plaatsen liggen naast

Ghirza, één op denzelfden oever en de andere op de tegenoverliggende

zijde. Nergens in Afrika vindt men graven, met deze te vergelijken,

wat de proporties en den rijkdom van het beeldhouwwerk betreft.

De ondergrondsche doodenstad bestaat nog uit zeven mausoleums, boven

elkander op de helling van de kloof. Het eerste, het dichtst bij de

stad, heeft vorm en grootte van een echten tempel. De forsche, min of

meer gedrongen bouw doet denken aan egyptische bouwwerken. Hier is het

graf van een vrouw, Mnimir genoemd, wier gedenkteeken is opgericht

door haar zoons, Nasif en Nathsjisj. Dat zijn blijkbaar inlandsche

namen, ofschoon het opschrift en de aanleg van het monument romeinsch

zijn. De andere mausolea, die nog hooger, maar smaller zijn, doen niet

voor het eerste onder; de zuilen en de reliëfs zijn zelfs nog rijker.

De necropool, die aan de andere zijde van de kloof ligt, gelijkt

veel op de eerste; maar zij bezit een graf, dat eenig is in zijn

soort. Het is een obelisk van wel 15 M. hoogte op een voetstuk, welks

zijden niet meer dan 1.50 M. breed zijn. Twee lijsten verdeelen het

in drie verdiepingen, waarvan de hoogste in een kapiteel uitloopt. In

de verte denkt men aan een naald. Alle opschriften leeren ons, dat

de daar begraven personen Numidiërs waren.

Uit die doodensteden kan men nog meer leeren, en wel feiten, die

we niet zouden hebben verwacht. Ze staan duidelijk te lezen op

de middenlijsten en de basreliëfs, waar de bijzonderheden van het

huiselijk leven uit dien tijd, dat is uit de vierde of vijfde eeuw,

zijn voorgesteld. Ik heb er afdrukken gemaakt van tooneelen, die

even merkwaardig als amusant waren. Men ziet er o.a. vrouwen, die haar

kinderen zoogen of voor den haard de spijzen bereiden; krijgslieden,

die met zonderlinge wapens strijd voeren; jagers, die leeuwen vervolgen

en gazellen en giraffen. Al die personages zijn gekleed in costumes,

waarvan zelfs de herinnering is verloren gegaan.

De kameel, voor den ploeg gespannen, komt zeer dikwijls terug. Bekend

is het, dat de archaeologie zich nog niet had uitgesproken over den

tijd, waarop de kameel in Afrika werd ingevoerd. Men nam algemeen

aan, dat het dier uit Arabië afkomstig was. De onlangs plaats gehad

hebbende opgravingen in Tunis hebben bewezen, dat het schip der

woestijn reeds zijn diensten bewees in den romeinschen tijd aan den

oever der Middellandsche Zee. Maar men had nog geen zekerheid over

zijn voorkomen in het binnenland; daar had men de aanwezigheid nog

niet vastgesteld. Ghirza zegt, dat het nuttige beest er zes eeuwen

vóór de komst der Mohammedanen al bestond en dat het niet alleen,

als tegenwoordig, voor het bereizen van de woestijn werd gebruikt,

maar ook bij den landbouw zijn werk verrichtte.

Het fokken van een sierlijk paardenras hield eveneens de bewoners

van Ghirza bezig, die aan wedrennen deden, niet met het leelijke,

lompe berbersche paard, maar met een slank en lenig dier, dat aan

de mooiste syrische paarden herinnert. Waarschijnlijk had men den

struisvogel nog niet getemd, zooals tegenwoordig in Soedan en aan de

Kaap; maar men hield zich bezig met de jacht op den struis, stellig

reeds om van de veêren gebruik te maken. Ik vermoed zelfs, dat de

stierengevechten niet onbekend waren, want op de kroonlijsten staan

mannen afgebeeld, die met stieren worstelen.

Enkele medaillons stellen personen voor, behangen met edelgesteenten

en sieraden, waardoor men aan groote plechtigheden of feesten wordt

herinnerd.

Men staat versteld over het onderscheid tusschen het verleden dezer

stad en den tegenwoordigen uitgestorven toestand rondom die ruïnen. De

tooneelen uit bakkerijen, wijngaarden, oogstfeesten, die op de steenen

zijn gebeeldhouwd, zeggen met groote duidelijkheid, dat korenvelden,

wijngaarden en vruchtenboomen den nu dorren en kalen bodem vroeger

hebben bedekt. Buiten enkele Johannesbroodboomen in de wadi Ghirza,

ziet men nu geen sprietje boven den zandigen, steenachtigen grond

uitkomen. Dus nog eens, wat kan die geheimzinnige stad geweest zijn?

Ik had daar op die plek een paar zware oogenblikken in mijn

leven.... Toen we ons gereed maakten, de eerste photografieën te

maken, weigerden de drie toestellen, die te veel geschud hadden op

de ruggen der kameelen, den dienst. Zoo zouden wij dan beroofd worden

van de kostbaarste documenten der geheele reis! Bij geluk kon Pepino,

de vernuftige Pepino, de instrumenten herstellen en avond op avond

ontwikkelden wij met levendige voldoening de uitstekendste cliché's.

Ik was eerst voornemens, langs de kust naar Tripolis terug te keeren

en wel achter de oude lagune van Taorgha, maar de bewoners van Sadé,

die den weg kennen, hebben er nooit iets bijzonders van de dingen,

die ons interesseeren, gezien, terwijl we, als we over Misrata gaan

door Nefed en Merdoem, nog meer "zeer groote en zeer schoone" graven

zullen ontmoeten.

Onder het geleide van den kaïd rijden we dus naar de wadi Nefed,

die we bereiken bij de monding van haar zijtak, de wadi Ahmed. De

Nefed heeft zich in deze buurt een zeer diepe bedding uitgeschuurd

in het plateau. De oevers zijn zoo steil en zoo volkomen evenwijdig

aan elkander, dat ze doen denken aan de gevels van een reuzenstraat.

Al de oude plaatsen, waarvan wij de overblijfselen hebben gezien,

lagen op de hoogte een eind van den den rand der kloven, om geen last

te hebben van den plotselingen was van het water. De stad van de Ahmed

lag op vijf of zes meter van den rand slechts. Ik kon mij die anomalie,

ik zou zelfs zeggen die zorgeloosheid, niet verklaren, want dit was

niet een dorpje, 't welk maar voorloopig werd gebouwd, maar een voor

vast bestaand middelpunt, dat nu door zijn ligging aan plotselinge

overstroomingen blootstond. Een graf in den vorm van een obelisk,

minder hoog en minder weelderig dan dat van Ghirza, stond boven

op een rots. Aan den anderen oever van de Nefed zag men dergelijke

sporen der romeinsche beschaving in overvloed. Zij kwamen voor langs

de geheele wadi tot aan de zee. De mooiste zijn die van Lakadië.

Onze kaïd verliet ons te Merdoem. Wij werden toen meteen den

ouden Hammer kwijt, dien ik zijn congé gaf. Dat lastige personage

had mij bij verschillende gelegenheden doen twijfelen aan zijn

eerlijkheid en betrouwbaarheid. Te Orfella had hij ... verloren,

dat wil zeggen, gestolen mijn degenstok dien ik nuttig oordeelde

in een land, waar het goed is, altijd gewapend te wezen, zonder dat

het steeds noodig is, dat ieder dat ziet. Te Tala had hij er schuld

aan gehad, dat we verdwaalden, door vol te houden wat hij bleek

niet te weten. Dienzelfden avond eindelijk had hij de nachtwake op

zich genomen, die nooit verzuimd mag worden om de vele gevaarlijke

zwervers. Toen ik wakker werd, vond ik hem niet in het kamp, en

niemand stond in zijn plaats op schildwacht. Ik liet dadelijk allen

opstaan. Hammer kwam bij het krieken van den dag terug, en nooit ben

ik gewaar geworden, waar hij vandaan kwam. Ik betaalde hem zijn loon

en met zijn zoon er bij verdween hij.

Hieruit blijkt nog eens voor de zooveelste maal, dat men nooit

vertrouwen moet stellen in een Arabier, zelfs niet in den besten. Dit

was er nu een die gedurende twintig jaren bediende geweest was van

den engelschen consul en meeging op diens jachtpartijen; die mij op

de geheele reis van 1901 had vergezeld; dien ik altijd als vriend

had behandeld, en wien ik alles gaf waar hij om vroeg. Zonder eenige

reden, misschien maar zoo door een herleving van den haat tegen de

Christenen, verbittert hij willekeurig ons leven. Ik kan niet laten,

de schouders op te halen, als ik fantazeerende critici hoor zeggen:

"Wij weten niet om te gaan met de Arabieren". Men kan de Arabieren

niet winnen; ze verachten ons, omdat wij Roemi's zijn. Behandel ze

streng, ze zullen gehoorzamen, maar om later wraak te nemen. Behandel

ze met zachtheid en ze zullen gelooven, dat ge bang voor hen zijt,

en ge zult niets er bij winnen, noch iets van hen gedaan krijgen. Met

strengheid komt men nog het verst.

Tusschen Merdoem en Misrata is de weg zeer goed; men passeert vlakten,

waarin de Mimoevan Misrata, de Sassoe en haar zijtak, de Aoegeran

mooie, groene linten trekken en waar veel kampen en groote kudden zijn.

De bevolking is er bij uitzondering zachtzinnig en gastvrij. Elken

avond bracht ze mijn lieden een grooten schotel bazine in een zeer

gekruide saus, die voor een europeesch verhemelte niet te verdragen is.

De notabelen hurkten neer bij den ingang van mijn tent en zaten er

uren lang. Daar ieder Roemi in de oogen van de Afrikanen een dokter

is, brachten ze hun zieken naar mij toe, en mijn apotheekje werd onder

hun handen ledig. Een van hen dreef de naïveteit zoo ver, dat hij mij

naar het geheim vroeg, om mannelijke kinderen te krijgen, de eenige

die meetellen in de mohammedaansche wereld. Een ander vertrouwde mij

een middel toe, om oogenblikkelijk de hevigste kiespijn te genezen,

door namelijk op de pijnlijke plek een weinig water te brengen,

dat lauw was gemaakt door een gloeienden vuursteen.

Enkele van die notabelen bezaten Le-Grasgeweren. Die hadden ze gekocht

van smokkelaars, wier voorraad afkomstig was uit Griekenland, waarheen

ons ministerie van oorlog zijn oude geweren kwijt wordt. Maar die

geweren dienen niet anders dan voor de pronk, omdat ieder patroon

ongeveer drie francs kost, een enorme som voor dat land.

Onze laatste dagreis, om te Misrata te komen, had zeventien uren

geduurd. Het was middernacht, toen we eindelijk de stad binnenreden

bij maneschijn, na twee uur een kronkelenden weg onder palmen te

hebben gevolgd. Daar ze van onze komst verwittigd waren, wachtten

ons de turksche ambtenaren met een flink maal. Een glas frisch water

en een sigaret, waarvan we lang gespeend waren geworden, doen mij

een genoegen, als niets anders mij had kunnen verschaffen. En welk

een vreugd, een bed met witte lakens te vinden! Mijn kamer was het

zonderlingste museum, dat men bedenken kan. De Arabier, wien zij

toebehoort, heeft er alle europeesche voorwerpen bijeengebracht,

die hij te Tripolis had kunnen vinden, muziekdoozen, lampen,

phonografen, stereoscopen lagen op de meubels met braadpannen,

komforen, en laarzen. De dientafeltjes en kastjes waren overdekt met

gekleurde prenten, ontleend aan het Petit Journal en modeplaten. Aan

de wanden hingen decoraties tegenover risten schoenen. Het was een

allercurieuste kamer en ze werd dan ook bewaard voor vreemdelingen

van beteekenis. De eigenaar zelf houdt er nooit verblijf.

Ik gebruikte er mijn maaltijden met den kaïmakan, een jongen turkschen

ambtenaar, die goed Fransch sprak. Wij dronken abominabele champagne,

die in Duitschland gemaakt was en naar Afrika was geëxpediëerd met

de beste fransche namen.

De hoofdplaats Misrata ligt ongelukkig niet aan zee, dus geniet zij

niet of weinig van de booten der italiaansche maatschappij, welke

de naburige havens aandoen. De oase, waar de plaats het middelpunt

van is, heeft een lengte en breedte van ongeveer tien K.M. en wordt

bewoond door zoowat 30.000 inwoners, die voorraden haver in silo's

opstapelt en zich verder bezighoudt met het vervaardigen van zeer

gewaardeerde wollen tapijten. Volgens Barth zou de stad het oude

Thebunte zijn van de reis van Antoninus.

Naar het zeggen van den arabischen schrijver Marmol dreef men er in

de Middeleeuwen een levendigen handel met christelijke zeevaarders,

voor wie de bewoners de tusschenpersonen waren met de negers uit

den Soedan. De Venetianen kwamen er een kostbare soort wol halen

en men sprak van de Misrataolie zooals nu van Genuaolie. Venetië

verkreeg ook haar muskus, ivoor, struisvogelveêren van de karavanen en

verkocht er glaswaren. Te Misrata voorzagen zich de marokkaansche en

algerijnsche pelgrims naar Mekka van paarden, die ook naar Alexandrië

werden uitgevoerd. Tegenwoordig bepaalt zich de markt bijna alleen

tot de dingen van plaatselijk gebruik en tot wat de karavanen noodig

hebben tusschen Tripolis en Benghazi. Een dezer karavanen komt elken

Vrijdag en neemt stoffen van gestreepte wol mee, die Margoem heeten

en in het vilayet worden gebruikt.

De meeste kooplieden zijn joden; enkelen zijn Franschen, omdat ze

uit Algerië of Tunis afkomstig zijn. De arabische reiziger Hasjaïsji

beweert, dat er geen veiligheid van personen en goederen is, maar

wij hebben ons hier over niets te beklagen gehad. Zlitten, vijftig

K.M. verder westelijk, ligt in een groote oase; de bevolking is er

zeer vechtlustig en vlug met het mes, wat de joden dikwijls tot hun

nadeel ondervinden.

Van Zlitten bracht een marsch van drie dagreizen ons te Tripolis

terug. Het was hoog tijd, want mijn personeel en de dieren konden niet

meer, en de duur van de reis was langer geworden dan ik had verwacht.

In April 1904 begaf ik mij met een nieuwe karavaan weer op weg. Moeni,

een Israëliet, ging met ons mee; hij was photograaf van professie. De

moesjir van Kasr Karaboeli gaf mij vijf ruiters tot geleide, onder

bevel van den turkschen luitenant Mehemet Ali.

Mijn reisplan, dat opgemaakt was met den wensch voor oogen, zooveel

mogelijk datgene te zien, dat ons in 1901 en 1903 was ontgaan, bracht

ons eerst naar de wadi Lebda, de droge bedding, die van den Tarhoena

komt en oudtijds de binnenhaven van Leptis Magna voedde. Wij volgden

de kloof, en we vonden telkens sporen van verdwenen welvaart.

Te Hamoet was onze eerste halt op een eenzamen heuvel met een zeer

vervallen kasteel erop. De zorgeloosheid der Arabieren op het punt

der hygiëne bleek er door den afschuwelijken stank, dien het lijk van

een hond verspreidde, zonder dat de Arabieren het uit de nabijheid

van hun kamp verwijderden.

Msellata, waar we nog denzelfden avond aankwamen, is het voornaamste

middelpunt in die buurt en onderscheidt zich door zijn vruchtbaarheid

en door de steenen huizen.

Gedurende ons trekken door de heuvels van Msellata ontmoetten

we telkens kudden schapen en geiten. Het was een mooi ras, en deze

schapen voorzien dan ook ten deele in de behoeften van de slagerijen

van Malta, Soessa en Sfax. Ze worden gemiddeld voor 12 francs verkocht

op de markten van Tripolis, van waar ze tot zelfs naar Engeland

worden verzonden.

Ten zuidwesten van Msellata verdwijnen de boomen geheel, we ontmoeten

nog slechts hier en daar een nomadenkamp, in de zandvlakte verloren

of te midden van een alfagraswoestijn. Het alfa is hier zeer algemeen.

Te Kasr Tarhoena hervond ik den uitstekenden Ahmed Bey, die mij

het vorige jaar in Aboe Adjelat had ontvangen. Hij was nu kaïmakan

van dit plateau en hield verblijf in een der primitieve fondoeks. De

kaïmakan had juist een nieuwe vrouw aan zijn harem toegevoegd; ze was

den vorigen dag aangekomen op een kameel in een prachtigen palankijn,

waarvan de gordijnen zorgvuldig gesloten waren. Wij konden het schoone

getimmerte met de weelderige behangsels en het fraaie schilderwerk

bewonderen, want de kameel wandelde op de esplanade rond met het

geheele toestel op den rug.

Er werd gefluisterd, dat de jonge vrouw zeer schoon was. De eerste

echtgenoote moet veel tranen hebben vergoten, toen zij hoorde van de

andere. Maar zij zal zich nog wel eens aan iets dergelijks stooten,

want de man is nog zeer jong, en de Arabieren vullen hun gezinnen meer

dan eens op deze wijze aan. Wie door den heer niet weggestuurd wordt,

mag zich al gelukkig rekenen.

Het diepe dal van de Rhane scheidt Tarhoena van Cariana. Langs steile

kloven gingen wij erheen en troffen daar de eerste troglodytenwoningen.

De bevolking van Gariana is arabisch en bestaat uit vier stammen; allen

hebben woningen onder den grond. Het land is er vruchtbaar en brengt

veel koren voort; enkele dalen zijn bedekt met prachtige olijven, zoo

forsch, dat hun takken elkaâr raken en over heele afstanden schaduw

geven. Er bestaat in geheel Tripolitanië geen zoo frisch en groen land.

Ten zuiden van Gariana ontmoette ik veel karavaanleiders, die na

drie jaren van afwezigheid uit Soedan terugkeerden. Zij waren vol

lof voor de Franschen en schenen de beste herinneringen te hebben

behouden aan de fransche troepen, die de karavanen tusschen Zinder

en Aïr begeleiden.

Van Gariana sloegen we de richting naar Misda in Tahar in, dat midden

in de Soff ed Dinn is gelegen. Te Koeleba, waar wij juist onze tenten

zouden opslaan, kwam een man op ons toeloopen, een arabisch koopman

uit Tripolis, die een groot vriend van onzen officier was. Hij was

rijk en was erop gesteld, om ons ten zijnent te ontvangen. Hij drong

zoo aan, dat wij er wel in moesten toestemmen ondanks onzen afkeer

van de woningen der inboorlingen, waar de rust altijd door legers

van ongedierte wordt verstoord. Een grot, die veel te klein was voor

ons allen, kon ons voor den nacht worden aangeboden en wij waren blij

toen de morgen aanbrak.

Op den weg naar Misda deed ik een uitstapje met Mehemet Ali in

oostelijke richting, om de ruïnen van El Edjab te zien, die wij

zonder moeite vonden. Er was nog een reusachtig mausoleum te midden

van veel puinhoopen; maar we konden geen enkel fragment vinden van

de standbeelden, die in de nissen moesten hebben gestaan en ook

geen enkele aanwijzing in een opschrift. Te Tesjé voegden wij ons

weer bij de anderen en spraken daar met het hoofd Salem el Soehlé,

die zich erover beklaagde, dat de handel zich zoo langzaam herstelde

van den slag, hem door Rabah toegebracht door de verwoestingen, die

hij aanrichtte in den Soedan, en die den doorvoerhandel hebben geknakt.

Van de drie uitvoerartikelen zijn twee hem geheel ontgaan, namelijk de

struisvogelveêren en het ivoor. Hij voert nu nog gelooide huiden uit,

waarvan er vele naar de Vereenigde Staten gaan. De veêren worden haast

niet meer verhandeld op de markt te Parijs, omdat men de voorkeur

geeft aan die van de Kaap boven die uit Tripolis, en het ivoor,

dat veelal uit Wadaï werd aangevoerd, gaat, sedert de spoorweg naar

Khartoem klaar is, den Nijl af naar Alexandrië in plaats van met

karavanen naar Tripolis en Bengazi.

Misda, waar we tegen den avond aankwamen, is arabisch en ligt in de

Soff ed Dinn. Ook die plaats heeft in den laatsten tijd geleden door de

verplaatsing van den handelsweg. Het ligt, waar de wegen naar Fezzan en

Rhadames samenkomen; maar tegenwoordig gaan de karavanen van Tripolis

naar Fezzan over Orfella en die van Tripolis naar Rhadames over

Djado. Zoo is Misda een verlaten plaats geworden en de menschen leden

er blijkbaar gebrek. Wij hielpen hen nog aan eenige voedingsmiddelen,

want het jaar was zeer droog geweest en de ellende was groot.

De secte der Senoessi's heeft veel invloed in het gebied om Misda, en

al gehoorzaamt men er voor het uitwendige aan de turksche ambtenaren,

in hun hart is de gehoorzaamheid aan de "broeders".

Een dag nadat we Misda achter ons hadden gelaten, kwam een bode uit

die plaats ons waarschuwen, dat de weg niet veilig was, want dat er

Toearegs op roof uit waren. Het zijn lastige roovers, die het vooral

op fransche karavanen voorzien hebben, sinds velen der hunnen uit

de fransche Sahara verwijderd zijn. Mehemet Ali dacht er over, om

te keeren, maar ik besloot goed wacht te laten houden en het ergste

af te wachten. De Toearegs vertoonden zich niet, en wij zetten over

Kedoea onzen tocht naar Tripolis voort.

Daar aangekomen, konden wij met voldoening op de reis terugzien,

die ons veel merkwaardigs had geleerd en ons had doen zien, dat de

landbouwkolonies der Romeinen op juist dezelfde plekken waren aangelegd

als waar nu nog bouwland is. Waterleidingen, stuwdammen, putten,

steden, dorpen en versterkte vestingen toonen aan, hoe belangrijk

de romeinsche kolonie er was, en hoe de latere bezetting door de

Arabieren aan een periode van bloei een eind heeft gemaakt. Indien

ooit de vervallen plaatsen weer tot bloei zullen komen, moet het zijn

zonder de luie en onverschillige Arabieren, maar met andere kolonisten,

hetzij met blanken of met negers.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 · 第 48 / 49 题