De Taller del Moro en de salon van het Casa de Mesa.--De
pupillen van bisschop Siliceo.--Santo Tomé en het werk van
Green. De moskee van Toledo en koningin Constantia.--Juan
Guaz, de eerste bouwmeester van de kathedraal.--Wat er
veranderd en aan toegevoegd is.--Herinnering aan den slag
van las Navas.--Het graf van kardinaal Mendoza.--Isabella de
Katholieke en haar testamentaire beschikking.--Ximenes.--Alvaro
de Luna.--De vaandeldrager van Isabella in den slag van Toro.
"Ik heb veel huizen gezien, veel leêgloopers en, in de straten, de
rijke zoowel als de arme, hoopen vuil. Ik heb den hemel aanschouwd
door venstertjes, zoo klein als schietgaten, en er is mij verteld,
dat een vriendelijk gezicht dikwijls het masker is van den snoodaard,
dat de perziken in den zomer rijp worden en dat er in den herfst
muskieten zijn."
Deze beschrijving van Toledo, die in het midden van de zeventiende
eeuw gegeven is door den hoofschen Garcia de la Chataigneraie in het
beroemde drama Francisco de Rojas, past nog volkomen, en als men bij
het vuil ook nog allerlei puin voegde, zou men er geen tittel of jota
aan behoeven te veranderen.
De monumenten, die opgericht zijn in den loop der drie eerste eeuwen,
volgend op de herovering, en die den mudejarstijl of den mozarabischen
vertoonden, hebben het meest geleden, of doordat de booze mode het
zoo heeft gewild, of doordat de versieringen onsterk en niet duurzaam
waren. Ik heb dien stijl in Saragossa bestudeerd, met zijn moorsche
en gothische motieven dooreengemengd.
Zoo staat het met het prachtige paleis aan de Calle del Moro. Men stapt
een poort binnen en komt in een verwilderden tuin, waaromheen vele
arbeidersgezinnen wonen. Zij hebben hun schamele woningen aangeleund
tegen de nog sterke muren, en den rijkdom afgebroken om de armoede
plaats te geven. Van dit groote gebouw is slechts een zaal van mooie
afmetingen over, met een prachtige zoldering, gelijk aan die van
het Transito. Het bovengedeelte der muren, dat niet bereikbaar was,
noch voor den hamer van den werkman, noch voor het speeltuig van de
kinderen, is versierd met zeer lijn pleisterwerk.
Die schoone zaal, waaraan ter weerszijden twee kleiner vertrekken
grenzen, heeft langen tijd gediend tot bergplaats voor de steenen,
die voor het onderhoud der kathedraal noodig waren, en heeft naar die
bestemming den naam gekregen van Taller del Moro, dat is werkplaats
van den Moor. In de laatste jaren is het een gewone remise geworden.
En toch is eenmaal dit paleis bewoond geweest door Karel V. Er wordt
verteld, dat de erbij behoorende tuinen ineen liepen met die, welke
de woning omgaven van graaf Fuensaline, waar de echtgenoot van den
grooten keizer stierf, die sombere Isabella van Portugal, de moeder
van Filips II, wier door Titiaan geschilderd portret ons haar zachte
trekken heeft bewaard onder de fijne, zijdeachtige blonde haren.
Een ander voorbeeld van den eigenaardigen stijl, die ontstond uit
de vereeniging van de kunst van het Oosten met die van het Westen,
maar een dat veel kleiner is en in uitstekenden staat is gebleven,
is het salon van de Casa de Mesa. Ook dat heeft den mudejarstijl.
Het pleisterwerk, bij de bekleeding aangebracht, heeft veel
overeenkomst met de versieringen van het Transito, dat in 1366 werd
opgericht, maar het gelijkt nog meer op de ornamenteering van het
paleis van Ayala, dat van 1440 dagteekent. Het is dus niet gewaagd,
te veronderstellen dat het gebouw tot stand kwam in de XVde eeuw.
In 1551 vestigde de aartsbisschop Don Juan Martinez Siliceo er
een inrichting van onderwijs onder den naam van Collegio de las
Doncellas virgineas. De jonge meisjes, honderd in getal, werden
er slechts toegelaten, nadat ze bewijzen hadden bijgebracht, niet
alleen van haar kwartieren van adel, zooals men bij vergissing wel
heeft gezegd, maar van volkomen zuiverheid van bloed, wat nog heel
iets anders is. Om zuiver bloed te hebben of oud christenbloed, moest
men onder zijn verst verwijderde voorouders noch een jood, noch een
Arabier, noch een door de Inquisitie veroordeelde hebben van vaders-
zoo min als van moederszijde. Cervantes voegt er zelfs bij, en dat is
logisch, dat er een onafgebroken en bewezen wettige afstamming moest
bestaan. Natuurlijk was men niet zoo streng in zake het laatste punt
als in zake het eerste.
De pupillen van den aartsbisschop Siliceo werden tusschen zeven en tien
jaar in zijn school toegelaten. Zes plaatsen werden open gehouden
voor kinderen van de familie van den stichter. Zeer belangrijke
sommen werden haar levenslang uitgekeerd, als ze in de inrichting
bleven. In geval van een huwelijk ontvingen ze een bruidschat van
5535 realen; maar geen enkel gunstbewijs viel haar ten deel, als ze
de school verlieten om in een klooster te gaan, daar het hoofddoel
van den stichter was, goede en flinke huismoeders op te voeden, die
bekwaam waren in huishoudelijke zaken en in staat, een huishouding
goed te besturen.
In 1810 ging de Casa de Mesa over in het bezit van de Karmelieters,
die van den grooten salon hun kapel maakten. Aan hen is het uitstekend
behoud van die zaal toe te schrijven. Zij behoort thans aan iemand, die
ervoor zal zorgen, dat het interessante gebouw veilig en ongeschonden
blijft.
Behalve de bekende gebouwen zijn er nog een groot aantal arme woningen,
waar men interessante fragmenten van den ouden bouwstijl vindt. Om
die te zien te krijgen, moet men zich niet wenden tot de gepatenteerde
en zoogenaamd officiëele gidsen; liever moet men een bewonderaar van
de ruïnen van Toledo volgen, en met hem doordringen tot de patio's
en stallen, welker eigenaars de opvolgers zijn van Peter den Wreede
en der groote heeren van diens hof.
Terwijl de mozarabische metselaars en bouwmeesters in de verschillende
wijken der stad Toledo paleizen van den adel deden verrijzen, droeg
de geestelijkheid hun den bouw van kerken op. De meeste zijn verwoest
geworden door den ijver der priesters, die ontijdig smaak kregen in
een nieuwen stijl. San Justo, San Juan de la Penitencia, San Roman,
San Pedro Martyr, San Miguel, Santa Leocadia, het klooster van de
Ontvangenis en Santo Tomé hebben er nog een en ander van bewaard. Hier
is nog een toren in den vorm van een minaret te zien als een protest
tegen de verandering der kerken, die oudtijds onder hun hoede
waren geplaatst, daar is een fries of een plafond te bewonderen,
waar de technische bekwaamheid en de wetenschap der bouwmeesters
uit blijken. Al die kerken zijn een bezoek overwaard; maar Santo
Tomé bevat twee meesterwerken, die haar een eereplaats doen innemen,
namelijk het veelkleurig standbeeld van den profeet Elia, waarvan de
draperieën ongelukkigerwijze gerestaureerd zijn en de begrafenis van
graaf Orgaz, het bewonderenswaardigste kunstwerk, dat de wereld aan
het penseel van den realist Greco heeft te danken.
De olympische schoonheid van het hoofd van Elia, de krachtige
modelleering van de handen en de voeten, die uit het wollen gewaad te
voorschijn komen, doen dadelijk denken aan de spaansche leerlingen
van Michel Angelo. En daar men niet aan Berruguete wordt herinnerd,
moet het werk worden toegeschreven aan Tordesillas of misschien eerder
aan Bercera.
Domenico Greco of Theotocopuli, om hem zijn waren naam te geven, is
een van die langen tijd miskende kunstenaars, die een glorie zijn voor
de steden, waar ze verblijf hebben gehouden. De strenge en forsche
kleuren, de compositie vol harmonie, de magistrale teekening en de
uitdrukking der gezichten zijn treffend. Deze waardige afstammeling
van de groote kunstenaars uit Hellas was in Griekenland geboren,
zooals zijn naam en zijn bijnaam aanduiden, en daarna was hij, na
Italië te hebben doorreisd en daar een leerling van Titiaan te zijn
geweest, naar Spanje gekomen en had zich te Toledo gevestigd. Buiten
deze begrafenis van graaf Orgaz, dagteekenend van 1584, bezit de stad
nog eenige prachtige portretten door dien grooten meester gemaakt
en geschilderd in de grijze tinten, welke aan de manier van Frans
Hals herinneren.
De kathedraal is nog tegenwoordig wel het middelpunt van Toledo. Van
alle trekt zij het meest de aandacht. Nu eens ziet men haar boven de
huizen verrijzen, dan weer vult ze open hoeken in het uitzicht tusschen
de straatjes, die alle op dat kerkgebouw uitloopen. Aan beide zijden
heeft zij zware contreforten, rondom zijn open galerijen, en boven
steken dikke torens en spitse torentjes hun punten in de blauwe lucht
op. Aan haar voeten dringen zich huizen samen en paleizen; maar men
let daar niet op, zoo overheerschend is de kathedraal voor den geest
en voor het oog.
Men vindt niets anders in de ruimte, en als men, gelijk opeenvolgende
geologische lagen, de bijgebouwen, de sacristieën en de kapellen
uit allerlei tijden naast en in het primitieve gebouw vindt, gaan
die zaken, die al zoo langen tijd met elkaar in aanraking zijn
geweest, zoo goed te zamen, dat de eeuwen er als ineensmelten,
zonder dat men haar grenzen uit elkander houden kan. De kathedraal
is de Sint-Pieterskerk van dit andere Rome, van die stad der zeven
heuvelen; maar dan een zeer mystieke Pieterskerk, een zeer vrome,
die ernstige gedachten wekt en niet de herinnering aan de fiere pracht
van het Keizerrijk. Ik neem het Mariana kwalijk, dat hij haar de Rijke
heeft genoemd, terwijl door de eeuwen heen Jupiter, Jezus, Allah en
toen weer Jezus eerbiedig werden aangebeden op die plaats. De plek,
waar zooveel menschelijke wezens hun geest tot de hoogte eener ideale
wereld verhieven, zou een andere aanduiding verdienen.
De geschiedenis der kathedraal is niet alleen die van de stad Toledo,
maar zij is die van geheel Spanje. De eerste christenkerk, die op de
heidensche tijden volgde, moet opgericht zijn in de 4de eeuw. Zonder
twijfel werd voor dat primitieve gebouw de kerk in de plaats gesteld,
die gesticht was door Recarede, dien gothischen koning, die het
Arianisme afzwoer en, het kerkgebouw onder de bescherming stellend van
de H. Maagd, het den 12den April 587 inwijdde. Het moet een eenvoudig
huis zijn geweest; maar binnen zijn muren werden de heilige bisschoppen
van Toledo tot het pontificaat verheven. Dat geschiedde met Eugenius,
Eladio, Ildefonso en Julianus; onder de gewelven der kerk kwamen de
conciliën samen, waar de gothische monarchie haar wetten gaf en zich in
theologische haarkloverijen verdiepte, terwijl de Arabier in den galop
van zijn snel en vurig paard al meer naar het westen den teugel wendde.
De Halve Maan werd geplant op den grond, dien Viriathes zoo lang aan
de Romeinen had betwist. De kerk werd omvergehaald en vervangen door
een schitterende moskee, met kostbaar marmer bekleed. En toen na drie
eeuwen de stad door de Christenen heroverd werd, was zij zoo schoon,
dat de Mooren erdoor een afzonderlijk artikel van de capitulatie
beslag op legden en van den overwinnaar de belofte kregen, dat zij
er vrij hun godsdienstoefeningen zouden mogen houden. Koning Alfonsus
beloofde onder eede, altijd aan deze plechtige overeenkomst trouw te
zullen blijven.
De Mooren hadden met den koning onderhandeld, maar niet met
koningin Constantia. In overleg met bisschop Bernard maakte zij van
de afwezigheid van den vorst, die in verre landen oorlog voerde,
gebruik, om te komen tot wat zij de kostbaarste der overwinningen
noemde. Op een nacht vereenigden zich drieduizend goed gewapende
Christenen onder haar bevelen en, door den bisschop aangevoerd,
stormden zij op de moskee los. De deur bezweek onder hun slagen,
en de verraste bewakers konden geen weerstand bieden. San Vincentius
Ferrer moest het voorbeeld van overgave twee eeuwen later volgen.
Den dag na de inneming werd de moskee voor den christelijken eeredienst
gewijd, en gesteld in het bezit van de kanonnieke rechten der kerk,
die zij had vervangen, in spijt van de protesten van Aboe Valid,
die met verontwaardiging eischte, dat het verdrag der capitulatie
zou worden nageleefd.
Dadelijk zonden de Mooren een bode naar den koning met de opdracht,
hun beklag te doen en naast de vervulling der belofte van den vorst
ook de bestraffing te eischen van de koningin en den bisschop.
Alfonsus, in woede ontstoken, beloofde de schuldigen te straffen en
sloeg in groote haast den weg naar Toledo in.
Toen ze den haastigen terugkeer van den koning vernamen, waren de
koningin en de bisschop zeer verschrikt en vol vrees. Nu was er onder
de Mooren een wijs en voorzichtig man, die niet te vergeefs zielkunde
had bestudeerd.
"Wat zult gij lieden nu beginnen?" vroeg hij zijn
geloofsgenooten. "Koning Alfonsus is eerlijk; hij zal zijn woord
houden en hij zal, naar ze verdienen, straffen de koningin, die hij
liefheeft en den bisschop, die zijn geheele vertrouwen bezit. Gij zult
voor een oogenblik getriomfeerd hebben, maar weest er zeker van, dat,
als er recht is gedaan, de rechter een wrok tegen u zal behouden. Om
in het bezit te blijven van een moskee, die voortaan te groot voor
ons zal zijn, zoudt gij de goede gezindheid van uwen souverein jegens
u verspelen. Neemt u in acht voor de gevolgen, waardoor hij ons de
strengheid zal doen berouwen, die wij van hem hebben gevorderd."
Deze alfaqui of wetgeleerde wist zijn gehoor te overtuigen, en nog
dienzelfden avond reisde hij, door zijn geloofsgenooten afgevaardigd,
den koning te gemoet, om zijn goedertierenheid ten gunste der
schuldigen in te roepen.
Alfonsus gaf zijn groote ontevredenheid aan de koningin te kennen en
aan den bisschop; maar in den grond van zijn hart gelukkig, dat hij
niet de strengheid behoefde uit te oefenen, die de eer van hem eischte,
toonde hij voortaan aan de in Toledo gebleven Arabieren zijn goeden
wil en een welgezindheid, die slechts een rechtvaardige vergoeding
waren voor het geweld, in zijn afwezigheid gepleegd.
Toledo behield gedurende meer dan anderhalve eeuw, de arabische moskee
als kathedraal en eerst onder de regeering van Ferdinand III, den
heiligen veroveraar van Sevilla, werd ze afgebroken. De eerste steen
van de tegenwoordige kerk werd door dien monarch gelegd, bijgestaan
door bisschop Dom Jimenez de Rada, op 4 Augustus 1227. Met den bouw is
men bezig geweest tot op het einde van de 16de eeuw. De mozarabische
kapel, die der laatste koningen, die van Sagrario, van Ochavo, de
Sacristie, het huis van den Schatmeester, de Zaal der Onderhandelingen,
de Leeuwenpoort en die der Voorstelling, het snijwerk van het koor
en een menigte andere toevoegsels dateeren van nog lateren tijd.
De naam van den eersten bouwmeester is ons bewaard gebleven. Hij
heette Pedro Perez, zooals men kan lezen op zijn grafschrift, dat in
de kapel van Santa Maria gevonden is, toen die kapel werd afgebroken
bij den aanleg van het Sagrario. Hij stierf op hoogen leeftijd in
1285. Onder zijn talrijke opvolgers moeten wij niet vergeten den
beroemden Juan Guaz, wien de Katholieke koningen den bouw opdroegen
van het klooster San Juan de los Reyes.
Het zou vervelend zijn de optelling te hooren van het aantal pilaren,
die het schip van de kathedraal van Toledo dragen; van de vensters, die
er licht geven; van de vierkante meters gewelven, die het overdekken;
van haar kapellen, vensterruiten, deuren en binnenpleinen. De
kanunniken zelf zouden u geen completen inventaris kunnen geven van
de schatten van allerlei aard, die men er vindt. Ik wil mij er dus
toe bepalen, de hoofddeelen te bespreken en allereerst mijn aandacht
wijden aan drie groote figuren, die scherp uitkomen tegen de groepen
van koningen, ministers, krijgslieden en bisschoppen, die allen
te rusten gelegd zijn in de kathedraal of haar iets van hun eigen
roem hebben meegedeeld. Ik zal namelijk spreken over Alvaro de Luna,
den beroemden en ongelukkigen minister van Juan II, van den grooten
kardinaal Mendoza, minister van Isabella de Katholieke, en van den
niet minder grooten Ximenes de Cisneros, die, bekleed met koninklijke
macht op het eind van het leven der groote koningin, ze behield in de
eerste jaren der regeering van haar dochter, Johanna de Krankzinnige.
Zooals in bijna alle gothische kerken van Spanje, wordt de schoonheid
van het centrale schip bedorven door de zware massa van het koor,
dat onvermijdelijk voor de kanunniken moest gereserveerd. Maar
toch, omdat het koor zoo mooi is, kan men het veel vergeven. Nadat
men het prachtige hek van verguld koper en verzilverd ijzer heeft
bekeken, waarin men de karakteristieke ornamenten aantreft van den
platereskenstijl of dien der spaansche vroeg-renaissance; nadat men
daarboven de wapens heeft herkend van kardinaal Siliceo, primaat van
Spanje in den tijd toen de beroemde meester van het smeewerk, Domingo
Cespedes, dit kunststuk voltooide in 1548; nadat men het opschrift
heeft ontcijferd, dat vertelt, hoe dit wonder werd gewrocht onder
de regeering van Karel V en onder het pontificaat van Paulus III,
begint men de grieven te vergeten, die voor een opmerkzaam beschouwer
van het schip der kerk geheel verdwijnen.
Langs de muren, die zich tot halver hoogte de zuilen verheffen, staan
twee verdiepingen van koorstoelen van rijkgebeeldhouwd notenhout,
maar van verschillende stijlen. De benedenste rij is niet de schoonste;
maar wel is ze de oudste en de interessantste. Elk basrelief stelt een
gebeurtenis voor uit den strijd, ter verovering van het koninkrijk
Granada, door de Katholieke koningen gevoerd, en de daarna volgende
inneming van de talrijke versterkte plaatsen, waardoor de tien jaren
van den oorlog gekenmerkt waren. Die koorstoelen, die in 1495 werden
voltooid, dateeren uit den tijd van kardinaal Mendoza en zijn het werk
van den meester-beeldhouwer Rodriguez. Ze zijn in den bloemrijken
gothischen stijl gemaakt en vloeien over van curieuse en aardige
bijzonderheden over de vestingen, de kleederdrachten, de wapens, de
gewoonten der Christenen en der Mooren op het tijdstip der verovering.
De stoelen van de bovenste rij zijn afkomstig uit de 16de eeuw en
dragen alle den duidelijken stempel der Renaissance. Marmermozaïeken
en inlegsels van jaspis en albast zijn ingevoegd in het notenhout
van een mooie, warme tint, om de versieringen mee aan te brengen.
Filips Vigarni, genaamd van Bourgondië, heeft de linker koorstoelen
gemaakt, terwijl Berruguete die aan den rechter kant vervaardigde. De
figuren, die bijna levensgroot boven de leuningen zijn aangebracht,
zijn ontleend aan het Oude en het Nieuwe Testament. De stoel van den
aartsbisschop, die zoo bijzonder mooi is, was voor Berruguete bewaard
gebleven. De dood overviel hem, en zijn medewerker had de eer het
kunstwerk te snijden. Er staat het schild op van kardinaal Siliceo,
onder wiens bestuur het werk werd voltooid in plaats van dat van den
aartsbisschop Talavera, dat men op de andere stoelen vindt.
De bronzen zuilen, die het koepeltje steunen, dat zich er boven
uitbreidt, zijn wonderlijk mooi gesneden. Op de leuning stelt een
basrelief van albast, dat wij aan de beitel van Gregorio Vagarni
verschuldigd zijn, broeder van Filips, genaamd van Bourgondië,
de H. Maagd voor, zooals zij een kasuifel om de schouders van
den H. Ildefonsus hangt. De bevalligheid en de schoonheid der
heilige kunnen slechts vergeleken worden bij de verheven en verrukte
uitdrukking van dengene, die haar aanschouwt. Een belangrijke groep is
aangebracht boven het koepeltje en stelt de transfiguratie van Jezus
voor, die tusschen Elia en Mozes staat. Berruguete had den tijd het
werk te voltooien en zelfs om oneenigheid te krijgen met het kapittel
over de betaling van zijn arbeid. De bouwmeester van het Alhambra,
Pedro Machuca, werd als deskundige gekozen en stelde den prijs vast
op 82628 realen, een zeer belangrijke som voor dien tijd, want ze
staat gelijk met 13000 hollandsche guldens.
Boven de koorstoelen vindt men rechts en links orgels, die om de
schoonheid der registers en de voortreffelijkheid van het mechanisme
terecht beroemd zijn. Het eene is van 1756, het andere van 1796,
en beide zijn vervaardigd door bekende orgelbouwers. De overige
meubels van het koor kunnen wedijveren met de stoelen. In het midden
draagt een arend met ontplooide vleugels, de klauwen rustend op een
gothisch voetstuk van ouderen stijl, de enorme en zware boeken van
de liturgieën. Die schoone vogel is zeker uit Duitschland gekomen
in den tijd der Renaissance. Twee andere lessenaars van verguld
brons van verschillenden vorm, staan een weinig lager, gelijk met de
stoelen. Zeer mooie basreliefs, die den doortocht door de Roode Zee en
David, dansend vóór de ark, voorstellen, versieren de vlakke deelen van
die lessenaars. Ze zijn zoo stevig verguld, dat men ze het gebruik niet
kan aanzien, ofschoon ze van 1750 moeten dagteekenen. Indien dan al het
kapittel veel van kunst hield, het hield ook veel van zuinigheid, want
er rezen nog moeilijkheden met den vervaardiger Nicolaas de Vergara,
den Oude. Er volgde een twist, maar ten slotte werd men het toch eens.
Tusschen het koor en de Capilla Mayor van tegenwoordig, die
afgesloten wordt door een hek, waar een prachtige Christus aan
het kruis boven hangt, ligt een vrij groote ruimte. Zij werd tot
de 15de eeuw ingenomen door de oude Capilla Mayor, terwijl aan de
achterzijde zich de kapel der Oude Koningen verhief, gesticht door
koning Dom Sancho den Dappere, om als begraafplaats voor zijn familie
te dienen. Toen Ximenes de Cisneros kardinaal en primaat van Spanje
was geworden, verkreeg hij van de Katholieke koningen vergunning,
om de stoffelijke overblijfselen hunner voorgangers naar elders
over te brengen, en tevens om van de beide kapellen een enkele te
maken van grooter afmetingen en dus meer in overeenstemming met de
belangrijkheid van het gebouw. Zulk een optreden heeft natuurlijk
meer sporen nagelaten. De Capilla Mayor ziet er, nadat ze de beelden
en sieraden uit de beide heiligdommen heeft geërfd, overladen en vol
en niet in harmonie met het andere uit. Onder de beelden van koningen
en koninginnen is ook een binnengedrongen van een boer.
Toen de beroemde slag van las Navas aan den gang was, en het leger der
Christenen door de ongeloovigen in het nauw was gebracht, en dreigde
vernietigd te worden, verscheen er een herder voor koning Alfonsus VIII
en bood hem aan, hem langs een onbekenden, maar volkomen veiligen weg
buiten den pas te brengen, waar de troepen ingesloten waren. Toen hij
zijn woord had gehouden, verdween de herder, zonder op den dank des
konings te wachten of om een belooning te vragen. Dadelijk liep het
gerucht, dat de redder van het leger der Christenen een afgezant van
den hemel was. Ten bewijze van zijn dankbaarheid gaf Alfonsus bevel,
een standbeeld op te richten voor den hemelschen gids en beschreef
hem aan den kunstenaar, zooals hij hem had gezien.
Tegenover dien Pastor de las Navas staat de waardige gestalte van den
alfaqui Aboe Valid, die door zijn beleid koningin Constantia redde van
de straf, die zij wel een weinig verdiend had. Voorbij de koninklijke
standbeelden dichterbij het altaar vindt men boven elkaar een rij van
graven, waar de leden der koninklijke familiën rusten, die niet zijn
overgebracht naar de kapel der Nieuwe Koningen. Daar heeft zich op
een echt koninklijke plaats een persoon ingedrongen, die door zijn
geboorte niet voor zulk een eer bestemd was. Het is niemand minder
dan de beroemde Dom Pedro Gonzales de Mendoza, kardinaal, primaat
van Spanje en eerste minister der Katholieke koningen.
Het heeft moeite gekost, om het stoffelijk overschot te plaatsen in
een graf, dat meer op een kapel gelijkt, en waar een altaar staat. Op
dat altaar moesten volgens de laatste wilsbeschikking van den prelaat
drie missen per dag worden gelezen. Toen de kardinaal gestorven was,
haastten zich de kanunniken, die hem misschien tijdens zijn leven wel
eens lastig hadden gevonden, tegen de bepalingen van zijn testament
te protesteeren.
De plaats, die de overledene had aangewezen, om er zijn graf te graven,
kon, zoo zeiden zij in den aanvang, slechts aan een vorst of een prins
van koninklijken bloede worden afgestaan. Toen Isabella, die door
den slimmen Mendoza tot zijn executrice testamentaire was aangewezen,
hoorde van den tegenstand, zond zij aan het kapittel het bevel, zich
naar den laatsten wensch van den kardinaal te voegen. Toen men zich
niet haastte om te gehoorzamen, dacht zij aan koningin Constantia. Door
metselaars vergezeld, begaf zij zich des nachts naar de kathedraal en
beval den werklieden, in haar tegenwoordigheid den dikken muur door
te breken. Toen de kanunniken den volgenden morgen in de kerk kwamen,
vonden ze de doorboring zoo goed als voltooid. Het gaf toen niets,
nog langer te protesteeren.
De kapel, het graf en het mooie beeld, dat op de sarcofaag
is geplaatst, zijn het werk van den meester Alonso de
Covarrubias. Zeven-en-twintig beeldhouwers hielpen hem bij zijn
arbeid. In vier jaren was die voltooid, en in 1504 werd het monument
ingewijd, na den dood van Isabella.
Door aan het stoffelijk overschot van Mendoza een plaats af te staan
tusschen die van koningen en prinsen van Castilië, had de koningin
den trouwen dienaar willen beloonen, en den dapperen krijgsman, den
grooten staatsman, die na den slag van Toro er toe had meegewerkt,
haar den troon te verzekeren, en die vóór Granada haar zoo krachtig
hielp in het winnen van een koninkrijk. Hij was het, die, zich
stellende boven de vooroordeelen van zijn tijd, en van zijn Orde,
het oor leende aan de smeekbeden van Columbus, voor diens inzichten
gewonnen werd en hem den nog wel wat weifelenden steun van de koningin
bezorgde. Zonder Mendoza zou Isabella misschien nooit vorstin over
een Nieuwe Wereld zijn geworden.
Daar zij edelmoedig van aard en dankbaar was, nam zij het hem niet
kwalijk, dat hij bij zijn leven zich den bijnaam had verworven van
"den derden beheerscher van Spanje", en na zijn dood voerde zij
gewetensvol zijn laatste wilsbeschikking uit. De kloosterschool van
Santa Cruz te Valladolid en het hospitaal van denzelfden naam, waarvan
zij den eersten steen te Toledo legde, zijn ook een uitvloeisel van
die gevoelens.
De groote kardinaal was juist een man, zooals men zich de groote
vorsten van dien tijd kan denken. Eens maakte een geestelijke,
die op een dag in de tegenwoordigheid van den kardinaal preekte,
van de gelegenheid gebruik, om uit te varen tegen de verslapping
van den godsdienst in de tijden, die hij beleefde, en deed dat in
zulke bewoordingen, dat het onmogelijk was, zich in zijn bedoeling
te vergissen.
Het gevolg van den prelaat kookte van ongeduld en wilde zich op den
overmoedige wreken. Maar wel verre van zich beleedigd te toonen, beval
Mendoza den prediker een schotel wild te brengen, dien men hem nog
denzelfden dag moest voorzetten, en hij liet het geschenk vergezeld
gaan van een beurs, gevuld met dubloenen bij wijze van specerij.
Ter verontschuldiging van den wereldschen zin van Mendoza moet men
bedenken, dat aan het celibaat der geestelijken niet de hand werd
gehouden en dat het in Arragon zelfs aan afstammelingen van priesters
geoorloofd was te erven van hun overleden ouders, ook al hadden
dezen geen testament gemaakt. Dit zijn gebruiken, die men mudejarisch
of mozarabisch zou kunnen noemen en die tot de westersche zeden in
dezelfde betrekking staan en er op dezelfde wijze van verschillen als
de architectuur der paleizen van Toledo, voor de Christenen gebouwd,
van die der in denzelfden tijd in Frankrijk opgerichte gebouwen.
Bij een der laatste bezoeken, die Isabella bracht aan haar stervenden
minister, vroeg de koningin hem, zijn opvolger aan te wijzen, een
keuze, die van bijzonder groot belang was, daar de aartsbisschop uit
den aard der zaak president was van den Raad van Castilië. Gedrongen,
om den naam te noemen van dengene, die het meest waardig was deze
dubbele functie te vervullen, beval Mendoza haar den broeder Francisco
Ximenes de Cisneros, van de orde der Franciscanen aan, die reeds haar
biechtvader was, ofschoon dan zeer tegen zijn zin. Nooit heeft Mendoza
zijn vaderland een grooteren dienst bewezen, want hij vertrouwde den
staat toe aan reiner handen dan de zijne, en stelde de leiding onder
de hoede van een veelomvattenden geest, die in staat was Spanje verder
te voeren op den weg der eenheid en de unificatie tot een goed einde
te brengen.
Ximenes rust niet als zijn voorganger in de kathedraal van Toledo. Hij
had als plaats om zijn laatsten slaap te slapen een bescheidener
hoekje gekozen, namelijk in de universiteit van Alcala, die hij had
laten bouwen; maar toch leeft de herinnering aan hem in zijn kerk
en vooral in de mozarabische kapel, waar allerlei oude en de eeuwen
trotseerende herinneringen opleven.
Wat is dat eigenlijk, die mozarabische eeredienst?
Toen de Mohammedanen Toledo hadden ingenomen, oefenden zij er zulk
een gematigde heerschappij uit, dat de Christenen vergunning kregen,
er hun eeredienst uit te oefenen. Drie eeuwen later vond Alfonsus VI,
bij het heroveren der stad er een christelijke bevolking, die alle
vormen van den ouden gothischen eeredienst had behouden, terwijl
ze zich sterk hadden gewijzigd in landen, die christelijk waren
gebleven. De toledaansche ritus werd dus bewaard in de zes kerken,
waar hij in stand was gebleven tijdens de vreemde overheersching;
maar langzamerhand nam het aantal Mozarabieren af, en die dienst
zou onherroepelijk verloren zijn geweest, als Ximenes er niet een
kapel aan had gewijd, die in directe gemeenschap werd gesteld met
de kathedraal. De mis, die er dagelijks met groote praal wordt
voorgediend, verschilt van de zoogenaamd romeinsche mis. Ofschoon
er hier slechts sprake is van bloote vormquaesties, zooals van
het breken der hostie in negen stukken, de volgorde der gebeden,
de weglating van het laatste Evangelie enz. toch was er vroeger een
hevige strijd tusschen de aanhangers der twee richtingen. Er werden
formeele gevechten voor geleverd; ieder had zijn ridders, die voor
haar in het strijdperk traden, en als de kamp onbeslist bleef, ging
men tot de vuurproef over, om des hemels wil te vernemen. Er werd
een brandstapel ontstoken, en in tegenwoordigheid van een angstig
wachtende menigte werden de boeken van den eeredienst van Toledo en
de latijnsche richting er tegelijk op geworpen. De eerste bleven
ongedeerd, terwijl de andere verteerd werden. De stem des hemels
had gesproken; de toledaansche ritus of die van den H. Isidorus
werd behouden.
Tegenwoordig wordt de mozarabische mis min of meer als een
curiositeit beschouwd; zij behoort tot het gebied der christelijke
archaeologie. Hoewel de vreemdelingen er in grooten getale heen
stroomen, kan men dat zelfde niet zeggen van de stadgenooten, die
enkel door de ceremoniën der groote kerkfeesten er nog eens worden
heengelokt. Het steeds afnemend aantal van de Mozarabieren behoeft
geen verwondering te baren, als men bedenkt, dat bij de gemengde
huwelijken de echtgenoot, die den latijnschen ritus aanhangt, meer
voorrechten heeft dan hij, die den toledaanschen ritus volgt. Zoo
ook moet in het eerste geval de vrouw terugkeeren in den schoot der
latijnsche kerk, terwijl in het tweede zij niet mozarabisch wordt.
Het is zeer moeilijk te begrijpen, aan welk gevoel een hervormer
als Ximenes gehoorzaamt, als hij door den bouw van een eigen
kapel het voortbestaan waarborgt van een eeredienst, die bezig is
te verdwijnen. Hoe het zij, het gebouw, dat in 1504 werd begonnen
naar de plannen van Enriques de Egas en gebouwd door mohammedaansche
meesters, Faraux en Mahomet genaamd, heeft niets opmerkelijks. Maar op
den muur tegenover den ingang is een mooie fresco te zien van Jan van
Bourgondië, gedagteekend 1514. De schildering stelt voor de episoden
der ontscheping van het spaansche leger onder aanvoering van den
grooten kardinaal vóór de stad Oran, en beslaat drie prachtig bewaarde
groote schilderijen. De gebeurtenis had plaats in 1509 en de inneming
van Oran, nog in denzelfden avond van den dag der ontscheping, was de
groote triomf in het leven van Ximenes. Na zijn gebed had de hemel,
volgens het zeggen der soldaten, het wonder van Jozua vernieuwd en
de zon doen stilstaan tot de Christenen de muren van de muzelmansche
vesting hadden vermeesterd.
Het is niet te verwonderen, dat de kardinaal, in spijt van zijn vurig
geloof en zijn nederigheid, die algemeen bekend zijn, bezweken is
voor de verzoeking, om voor het nageslacht de herinnering te bewaren
aan den grooten dienst, welken hij aan zijn vaderland had bewezen,
een dienst, die hem op de afgunst van Ferdinand kwam te staan, en hem
voor verscheiden jaren veroordeelde tot een soort van ballingschap
in zijn universiteit van Alcala.
De mozarabische kapel heeft niet alleen het voorrecht, het getrouw
weergegeven portret van den grooten kardinaal te mogen bewaren. Men
vindt ook zijn ascetengezicht onder de portretten der primaten van
Spanje aan de wanden der Capitulatiezaal, en eveneens op een fresco
boven de deur van die zaal. Dat schilderij stelt het Jongste Oordeel
voor en de eindbestemming van den mensch. Toen de kunstenaar den
kardinaal onder de uitverkorenen wilde plaatsen in de glorie des
hemels, zei de prelaat: "Dat is te veel eer!"
"Moet ik dan Uwe Eminentie in de hel doen plaats nemen?"
"Dat zou een te groote vernedering zijn!"
Er werd een gemiddelde gevonden, en de kardinaal werd in het vagevuur
gezet, maar geheel gereed om het te verlaten en van zijn kleederen
ontheven, ten einde zoo snel mogelijk naar de oorden der gelukzaligen
te kunnen verhuizen.
Een andere groote figuur, maar deze onderworpen aan een bloedig en
tragisch lot, had vóór Mendoza gepreekt onder de gewelven van het
oude gebouw. Ik bedoel Alvaro de Luna, den gunsteling en minister
van Juan II, vader van Isabella de Katholieke, wiens troon en hoofd
in de kapel van Santiago rusten, welke hij bij zijn leven had laten
bouwen en die een der schoonste is gebleven van de kathedraal. Nooit
is een leven zonderlinger geweest dan dat van dezen laaggeboren man,
tot macht verheven door de gunst van zijn heer, over Spanje regeerend
gedurende twee-en-dertig jaren, stervend op een schavot, ten slotte in
de kathedraal een bijna vorstelijk graf vindend en eerst langen tijd
gerust hebbend in een graf op het kerkhof der terechtgestelden. Alleen
het lot van kardinaal Wolseley kan met het zijne worden vergeleken.
Omstreeks 1437, toen hij op het toppunt van zijn macht was, had Alvaro
de Luna de kapel van Santo Tomé gekocht, die in 1177 gesticht was door
graaf Dom Muno de Lara. Hij had er naburige terreinen bijgevoegd en had
de prachtige kapel laten bouwen, die aan den H. Jacobus was gewijd ter
herinnering aan de Orde, waarvan hij tot Grootmeester was benoemd. Op
de plaats, die hij voor zijn graf had bestemd, had hij een automaat
van brons laten zetten, bezet met émail en verguldsel en op hemzelven
gelijkend, die op kon staan en bij de zegenspreking kon knielen.
Volgens sommige kronieken werd de automaat vernield nog bij het leven
van den Grootmeester door Dom Erique van Arragon in den oorlog, dien
deze vorst tegen Castilië voerde in 1440. Een van die kronieken laat
Dom Alvaro tot Dom Enrique zeggen:
"Waarom hebt gij mijn beeltenis niet geëerbiedigd en waarom hebt gij
ze vernield, gij, die op het slagveld voor mij zijt gevlucht?"
Volgens andere schrijvers werd het beeld weggenomen op bevel van
Isabella, de Katholieke, die gehinderd werd door de afleiding voor de
geloovigen, als het zijn bewegingen uitvoerde. Het is waarschijnlijk,
dat de eerste lezing de goede is, want het standbeeld van den
Connétable zal zijn schande niet hebben overleefd, om tot de regeering
van Isabella te wachten, eer het van zijn voetstuk neerdaalde. Hoe
het zij, het brons van den automaat was niet verloren, en men meent
er de overblijfselen van terug te vinden in de twee gebeeldhouwde
preekstoelen, die links en rechts in de Capilla Mayor staan.
Op de beide sarcofagen, midden in de kapel geplaatst, liggen de
marmeren beelden van Alvaro de Luna, gekleed in de wapenrusting en den
mantel van de Grootmeesters der Orde van Santiago, en van zijn vrouw,
Donna Juana de Pimentel. Een opschrift geeft niet anders dan den datum
van den dood van den Connétable, die plaats had in 1453. De trekken
van den beroemden gunsteling van Juan II doen denken aan die van het
kleine portret, dat op het altaarblad is geschilderd, een portret,
dat zeker naar een origineel is gecopiëerd, want het altaarblad werd
ten geschenke gegeven en op zijn plaats gebracht in 1498, op bevel
van Donna Maria de Luna, dochter van den Connétable. De sarcofagen,
beide zeer mooi, zijn het werk van Pedro Ortiz.
Niet ver van de kapel van Santiago, en gekenmerkt door de veelkleurige
standbeelden van de wapenherauten van Leon en van Castilië, vindt
men de poort van de kapel der Nieuwe koningen, gebouwd door Alonzo
Covarrubias, op bevel van Karel V. Zij is in den platereskenstijl
opgetrokken, dat is de spaansche vroegrenaissance, en geeft daarvan
een zeer schoon voorbeeld. Trots de betrekkelijke nieuwheid van het
gebouw en vooral van de altaren, die van het einde der 18de eeuw
zijn, leeft men er nog te midden van oude herinneringen. Onder de
sierlijke ornamenteering van de Renaissance liggen in hun strenge
heiligheid op hun graftomben de beelden der stichters van de eerste
kapel, die op deze plaats werd opgericht, Dom Enrique van Castilië
en zijn vrouw Donna Juana, gestorven, de eerste in 1378 en de tweede
in 1381. Verderop die van Enrique III en zijn vrouw, Donna Catalina,
gestorven in 1418.
In den hoek van de kapel hangt een zeer belangwekkend en zeer goed
portret van Dom Juan II, den eerst te zwakken en later te strengen
meester van den ongelukkigen Alvaro de Luna; het is het werk van Juan
van Bourgondië.
De kunstenaar moet zich hebben laten inspireeren door het een of
ander getrouw portret, want in die blauwe oogen, die frissche tint,
de gevulde wangen en het ronde hoofd vindt men al de trekken terug,
die op de meest authentieke portretten van Isabella, de Katholieke,
werden aangetroffen. De blik van de dochter is alleen dieper en vaster
dan die van den vader.
Aan het zeer hooge gewelf van de vestibule hangen aan den ingang van
de kapel twee beroemde trofeeën, die Isabella zelve had laten plaatsen
boven het graf van haar voorouders en die werden overgebracht naar de
nieuwe kapel, gebouwd door haar kleinzoon, Karel V. De eene is een
portugeesche vlag, buitgemaakt in den slag van Toro, die in 1476 is
geleverd door de Katholieke koningen, en ten gevolge waarvan Isabella
onbetwist meesteres bleef van Castilië; de andere is de volledige
wapenrusting van den aferez Dom Duarte de Almaïda, die, toen hij in
dienzelfden slag ernstig aan den arm gewond was, den koninklijken
standaard bleef dragen tusschen zijn tanden tot aan het einde van
het gevecht.
De historie zal het voorbeeld van de Katholieke koningen volgen en
zal den vaandeldrager van Toro zich blijven herinneren.
Als men een bezoek heeft gebracht aan het groote schip der kathedraal
van Toledo, en aan de tallooze kapellen, die erbij behooren, kent
men nog slechts een deel van het monument. Er blijven nog over de
sacristieën en magazijnen, de archieven en de bibliotheek, waar men
sinds eeuwen bezig is de giften der koningen, prinsen en primaten
van Spanje te rangschikken en behoorlijk te verzamelen. De omhulling
is den inhoud waardig. De lambrizeeringen, de deuren, de kasten zijn
voor het meerendeel meesterwerken van houtsnijwerk. Het plafond der
groote sacristie met de ster- en kruisvormige vakken, rood of blauw,
met goud ingelegd, is een wonder van de mudejarsche of mozarabische
kunst. De bronzen, die er talrijk zijn, kunnen wedijveren met de
bekleeding van de Leeuwenpoort.
Verscheiden boekdeelen zouden nauwelijks voldoende zijn, om een
beschrijving te geven van de kostbaarheden, de tapisserieën, de
banieren, de sieraden, de meubels en de historische herinneringen,
waaronder men allereerst de tent van goudlaken aanwijst, die Isabella
de Katholieke, vóór Granada liet opslaan. Dan zijn er beeldhouwwerken
en schilderijen, het portret van kardinaal Borgia, geschilderd door
Velasquez, alleen bekend bij enkele ingewijden, en de H. Antonio
d'Alonso Cano, een beroemd beeldje, dat in werkelijkheid van Pedro
de Mena is, een der leerlingen van den meester uit Granada.
En wat te zeggen van den schat der bibliotheek en der archieven,
die nog zoo goed als ondoorzocht is? Wat zou het een genot zijn voor
den onderzoeker, daar in de afdeeling voor muziek de werken terug te
vinden, waarvan de meeste onuitgegeven, van de beroemde kapelmeesters
uit de 15de en 16de eeuw, Francisco Penalosa, Bernardio Ribera,
Andres Torrentes, Morales, Escovedo, Pedro Fernandes, Antonio Bernal,
Navarro. Als men de bladzijden van enkele dier beroemde meesters
inziet, moet men dan niet verbaasd zijn te constateeren, dat die in
cijfers zijn geschreven, en in hun aanteekeningen de grondbeginselen
aan te treffen van de methode Galin-Paris-Chevé, die dertig jaar
geleden zooveel opgang maakte?
Maar diep binnen te dringen in de geheimzinnige schuilhoeken van de
antieke kathedraal en haar inwendig leven grondig te leeren kennen
is den stervelingen niet gegeven. Drie duizend sleutels zijn, naar
het schijnt, noodig, om al haar deuren te sluiten; ik geloof, dat er
nog veel meer vereischt worden, om ze te openen. Den H. Petrus zou dat
niet gelukken, en wijs is hij, die zijn wenschen binnen de grenzen van
het mogelijke weet te houden. Al peinzend over dat oude voorschrift,
nam ik afscheid van mijn gidsen en verliet de kathedraal.