Is Tunis een echte Arabische stad, waar men de Mooren (zoo noemde

men vooral ten tijde der Republiek de inwoners der steden aan

de Noord-Afrikaansche kust) nog in al hun oorspronkelijkheid kan

gadeslaan, geheel anders is het met Algiers gesteld. Algiers is

geheel en al een Fransche stad. Men zou denken in de een of andere

Fransche havenstad der Middellandsche zee te zijn, zoo Europeesch is

het uiterlijk met de ruime haven, uitgestrekte kaden en prachtige, uit

vele verdiepingen opgetrokken, hôtels en gouvernementsgebouwen. Wandelt

men dieper de stad in, zoo wordt die indruk nog versterkt. Van een

uitgestrekte Arabische wijk, zooals te Tunis, geen spoor en bijna

met verbazing beschouwt men de moskee El-Djedid met haar in 't felle

zonlicht schitterende muren en met een halve maan gekroonde koepeldaken

op de Place du Gouvernement, juist tegenover het ruiterstandbeeld

van den hertog van Orleans, alsof men dit gebouw nu het allerminst

hier verwachtte. Eigenlijk is het niet meer dan natuurlijk, dat de

stad Algiers haar oorspronkelijk karakter nagenoeg geheel verloren

heeft, zoo men bedenkt dat de Franschen zich daar het eerst gevestigd

hebben. De bezetting dateert van 1830.

In dat jaar had in de kasbah van den bey de befaamde audiëntie plaats,

verleend aan den Franschen consul. Deze had zich over eenige rooverijen

en andere schendingen van 't volkenrecht door Algerijnsche onderdanen

ernstig te beklagen, welke klachten door den despoot met zeer ongepaste

woorden beantwoord werden. In zijn toorn liet hij zich zelf vervoeren,

den consul met zijn waaier in 't aangezicht te slaan, een daad, die

hem zijn heerschappij kostte. Daar elke voldoening geweigerd werd,

landde een Fransch leger onder maarschalk Bourmont aan de kust,

maakte zich zonder veel moeite van de stad en omgeving meester en

zette den bey af. Nog heden ten dage toont men op de kasbah aan de

vreemdelingen het Pavillon du coup d'éventail, waar die gedenkwaardige

audiëntie plaats greep. De omstandigheid, dat Algiers de residentie

der geheele kolonie werd, droeg er eveneens toe bij de stad meer en

meer Fransch te maken in de 70 jaar, sinds de bezetting verloopen.

Bovendien is Algiers zeer gezocht, om het heerlijke klimaat als

winterverblijf, door tallooze vreemdelingen, een reden te meer,

waarom het inlandsche element op den achtergrond treedt.

De ligging aan een ruime baai, die het volle uitzicht op de zee

verleent en met haar rechteroever in een zachten boog naar het

Noord-Oosten loopt, is eenig schoon.

Niet weinig dragen daartoe bij de twee voorsteden, Mustapha inférieur

en Mustapha supérieur, juist in die boog gelegen, de landstreek

aan zee en de glooiende heuvels bedekkend met vroolijke landhuizen

en prachtvolle villa's, afgewisseld door welige boomgroepen en

boschpartijen. De beide Mustaphas worden bij voorkeur door de

vreemdelingen gezocht.

Ook de gouverneur-generaal van Algerië heeft zijn zomerpaleis in

Mustapha supérieur. Op een heuvel gelegen, biedt het, tusschen de

breede bladeren der palmen door, een verrukkelijk uitzicht op de zee en

is door een uitgestrekt park omgeven. Voor den ingang staan op zuilen

de marmeren busten van eenige vroegere gouverneurs, meest militairen,

die een groot aandeel gehad hebben in de verovering. Men leest de namen

van Bugeaud, den grooten generaal-pacificateur, Randon, Mac-Mahon,

Chanzy, die Frankrijks eer en wapenroem redde in den rampspoedigen

veldtocht aan de Loire, en van zoovele anderen. Tegenover het

paleis vindt men het museum van oudheden, met vele schatten op

oudheidkundig gebied, door de opgravingen der laatste 25 jaren aan

't licht gebracht. In 't bijzonder zijn hier eenige zeer fraaie

mozaïeken te zien, geheel ongeschonden en van groote afmeting. Deze

komen in grooten getale in Algerië voor.

Het mooiste in de omstreken van Algiers, en geen vreemdeling verzuime

dit te gaan zien, is de Botanische tuin van le Hamma.

Op korten afstand van de stad, onmiddellijk aan zee gelegen, is

deze tuin eenig in haar soort, en hij wordt slechts door dien van

Buitenzorg overtroffen. Van al de proeftuinen, overal in Algerië door

de Franschen aangelegd, is deze tuin van Hamma (zoo wordt hij genoemd

naar een dorpje in zijn nabijheid) de oudste en de belangrijkste. Door

een breeden schaduwrijken rijweg omgeven, bedraagt de uitgestrektheid

84 hectaren, welke in twee deelen verdeeld is, waarvan het aan zee

gelegen gedeelte den eigenlijken tuin uitmaakt, terwijl het andere

bestaat uit met verschillende houtsoorten bewassen heuvels. De ingang

is in de onmiddellijke nabijheid der zee, op een historische plek. Want

in 1541 mislukte hier een strafexpeditie van Karel V tegen den dey van

Algiers. Zijn kostbaar uitgeruste vloot werd door geweldige stormen

deels op het strand geworpen, deels door de zee verzwolgen. Zelfs met

moeite gelukte het den machtigen keizer zich te redden. Het heerlijke

klimaat van Algiers kwam den tuin zeer ten goede en bracht de vele

uitheemsche tropische gewassen tot snellen wasdom. Bij 't binnenkomen

betreedt de bezoeker een der vier prachtige lanen, die deze tuin rijk

is en die hem in verschillende richtingen doorkruisen.

Het is de palmenlaan, afwisselend bestaande uit Amerikaansche

palmen die de aandacht trekken door hun forschen, knoestigen stam en

kolossale waaiervormige bladen, en uit kaarsrechte, slanke dadelpalmen,

hun wuivende kruin hoog in de reine lucht verheffend. Voorts is er

een laan eeuwenoude platanen, van den voet tot hoog in de takken

met klimop omrankt. In de bamboes-laan buigen de stammen met het

dun uitloopende eind naar elkander toe tot zij elkander aanraken,

zoodat het den bezoeker toeschijnt als wandelt hij in het schip eener

kathedraal. Het meest wordt hij echter getroffen door de prachtige

laan van ficussen, 20 minuten gaans lang, waar elke boom afzonderlijk

een weelde der oogen is. Vijftien tot twintig luchtwortels, meer of

minder dik, hangen bij den stam neer, omstrengelen hem met forsche

omarmingen, of richten zich bij den voet weer omhoog, zoodat het geheel

een grillig complex van wortels en takken vormt, overschaduwd door

de machtige bladerkroon. Men is verrukt door de zeldzame sycadaëen,

door de musa's met hun breede, laag neerhangende bladeren en purperen

vrucht. Een wonderlijken indruk maakt de pinangboom, met kegelvormigen

stam, licht grijs van kleur, hard en glad als steen. In 't bijzonder

munt deze tuin uit door het groote getal exemplaren van eene zelfde

boomsoort in één groep bijeengeplant. Zoo ziet men b.v. een groep

van 40 verschillende palmen uit alle deelen der wereld afkomstig. Op

groote schaal worden in den tuin allerlei gewassen aangekweekt,

die door de kolonisten in cultuur kunnen gebracht en voor hen tegen

matigen prijs verkrijgbaar worden gesteld.

De provincie Algiers is de vruchtbaarste van geheel Algerië en

wordt door de provincie Oran alleen wat betreft den rijkdom van graan

overtroffen. De tel, het bebouwbare land, heeft er de grootste breedte

en de vlakten van de Sahel en van de Metidja leveren de grootste

verscheidenheid van producten op. Rijk aan wijn, heeft dit edele

vocht al sinds jaren in geheel Europa, ook in ons land het burgerrecht

verkregen. Keeds in 1865 bedroeg de uitvoer 3 millioen H.L. en in jaren

van misgewas zijn de wijnboeren uit Frankrijk blijde, hun voorraad uit

de Algiersche wijnen te kunnen aanvullen. Overal in de omstreken van

Algiers uitgestrekte velden met Europeesche groenten en breedbladerige

artisjokken, waarmede des winters de markt van Parijs voorzien wordt.

Niet alleen om hare snelle, gestadige ontwikkeling, maar ook uit

een politiek oogpunt neemt de provincie Oran, meer dan de andere, de

aandacht van het bestuur van Algerië en van de regeering te Parijs in

beslag. Zij is niet veilig tusschen twee andere gelegen, als Algiers,

grenst evenmin aan een land als Tunis, waarover Frankrijk door zijn

protectoraat de beschermende en strenge hand uitstrekt, maar heeft

tot nabuur het woelige Marokko, waar de heerscher slechts in schijn

gezag uitoefent. Vooral in 't zuiden zijn de nagenoeg onafhankelijke

Bedouïnenstammen, die zich aan bevelen en vertoogen uit Fez niets

gelegen laten liggen, bij voortduring een onrustig en beroering

brengend element.

Want ook in 't Zuiden der provincie Oran wordt onverdroten voortgegaan

met het scheppen van oasen en het devies van generaal Bugeaud

opgevolgd: "refoulez le désert." Langzamerhand heeft Frankrijk zich

reeds op vreedzame wijze gevestigd op verschillende punten in de

Marokkaansche Sahara, met 't oog op den verbindingsweg dwars door

die woestijn naar den Niger en om zijn invloed in Marokko uit te

breiden. Onlangs nog is met de noodige praal, in tegenwoordigheid van

den minister Etienne en den gouverneur-generaal Jonnart, de spoorweg

geopend naar het zuidelijkste punt in de Sahara, een heel eind voorbij

Figuig, naar Colomb-Bechar, hetgeen op de nog voor zoo korten tijd

oproerige Bedouïnen een beslisten indruk gemaakt heeft.

Rust heeft het gouvernement voor de provincie Oran en hare grenzen

noodig, rust en vrede voor hare reusachtige ontwikkeling. De hoofdstad

Oran is de eerste handelstad van de kolonie. Telde zij in 1866

vier-en-dertig-duizend inwoners, dit aantal was in 1886 verdubbeld en

bedroeg in 1901 reeds over de 100,000. Slechts Amerikaansche steden

bieden hiervan een voorbeeld. De voorstad Karguentua is de eigenlijke

handelstad. Van daar uit wordt met de haven, die een deel uitmaakt van

de nieuwe Fransche stad, een druk verkeer onderhouden. Treinen stoomen

af en aan, en van 's morgens tot zonsondergang trekken de volgeladen

sleeperskarren, met 5 à 6 paarden voor elkander gespannen, in lange

rijen door de hoofdstraten naar de kaden. Want voor den uitvoer van

graan en wijn is de provincie Oran de belangrijkste. Ten Westen van

de Fransche stad ligt het oudste gedeelte van Oran, de vroegere

Spaansche stad, aan den voet van den steil uit zee oprijzenden,

barren Djebel-Mordjado, bekroond door het fort en de kathedraal van

Santa-Cruz. Niet alleen in de stad Oran, maar in de geheele provincie

is het Spaansche element sterk overwegend, geen gering punt van zorg

voor de regeering. Aan de haven en kaden, in de hoofdstraten, waar

het verkeer het drukst is, wemelt het van lieden uit de volksklasse

van allerlei slag, voerlieden, schepelingen, sjouwerlieden en

arbeiders, die zich door hun luidruchtig, schreeuwerig optreden

en barbaarsch, rauw klinkend mengelmoes van Spaansch en Arabisch

als niet-Franschen doen kennen. Vooral de koetsiers zien er met hun

kort geknipte stoppelbaarden en weinig verzorgde kleeding als echte

bandieten uit. Van vijf tot zeven uur in den namiddag heerscht er in

de hoofdstraten een vrij wat aangenamer drukte. Op de Promenade de

l'Etang, heerlijk aan zee gelegen, bewegen zich talrijke wandelaars

met hunne dames in lichte, kleurige toiletten, die komen luisteren

naar de militaire muziek in het Casino der officieren op de Place

d'Armes. Op den Boulevard Seguin, met fraaie, ruime winkelmagazijnen,

moet men voetje voor voetje gaan en heeft men ruimschoots gelegenheid

de Spaansche schoonen te bewonderen, die met kleinen, sierlijken

voet over de trottoirs schijnen te zweven en wier donkere, vurige

oogen en blauwzwarten haartooi op bewoners van noordelijker streken

zoo'n diepen indruk maken. Het Spaansche karakter, dat Oran zoo

sterk vertoont, is nog een overblijfsel uit vroeger eeuwen. Want

van 1509 af, toen de troepen van Kardinaal Ximenes Oran veroverden,

is de stad meer dan eens met tusschenpoozen geruimen tijd in 't bezit

der Spanjaarden geweest. Maar dat alles behoort tot het verleden, want

nooit konden zij er zich op den duur handhaven en het eenige monument,

dat aan de Spaansche bezetting herinnert, is het fraai uitgevoerde,

in steen gebeitelde Spaansche wapen boven de kasbah der stad. Maar

dit is door den tijd verweerd, geschonden, gebarsten en verbrokkeld,

een treurig beeld van alles wat Spanje hier en elders over de geheele

wereld ondernam op koloniaal gebied.

Ver in 't Westen der provincie Oran, in de nabijheid der Marokkaansche

grens, ligt de oude emirstad Tlemcen, een heilige stad. Zij is in

zekeren zin voor Tunesië en Algiers, wat Mekka voor Arabië, en Fez

voor Marokko is. Eens de trotsche residentie van de machtige koningen

van Tlemcen, ging in de onophoudelijke binnenlandsche twisten veel

van haar ouden luister verloren, maar in tegenstelling met bijna alle

andere emir-residenties uit de binnenlanden, wist zij zich toch tot

in den nieuweren tijd staande te houden. Gelegen in een uitgestrekt

bergland, dat op sommige plaatsen een hoogte van bijna 2000 M. bereikt,

biedt zij door haar sterke muren en voordeelige ligging den Franschen

een welkom steunpunt in de nabijheid der Marokkaansche grens. Tlemcen

bezit eenige zeer merkwaardige gebouwen.

De oude Medersa, Arabische school, is vervallen, maar werd door de

Fransche regeering gerestaureerd en is tot museum ingericht. Gesteund

door prachtige zuilen van onyx, bestaat het gewelf en de bogen

daarvan uit het fransche stucadoorwerk, met tallooze Arabische

spreuken, woorden en karakterteekens bezaaid. Het werken in stuc is

een kunst, waarin de Arabieren een hoogte bereikt hebben, die later

nooit overtroffen is en waarvan men vooral in Tlemcen en omgeving

de schoonste specimina kan bewonderen. Op sommige plaatsen zijn de

fijne krulletters bijna ter lengte van een vinger ingesneden. Dat

Tlemcen een heilige stad voor de Arabieren is, bemerkt men uit

de vele gekoepelde minarets, die boven de stad zelve en overal

boven de verschillende dorpen in de omgeving verheffen. De mannen

meten den giaour (christenhond) met somberen, trotschen blik, de

vrouwen wikkelen zich bij eene ontmoeting dichter in haren sluier of

wenden met een minachtend schoudergebaar het hoofd af. Het grootste

heiligdom in den omtrek is de moskee van Sidi-Bou-Medine, in het dorp

van dien naam op eenige uren van Tlemcen, dat men bereikt langs den

schilderachtigen waterval van de Mefrouch-el-Ourit, die zich schuimend

met breeden stroom in twee trappen in het dal stort. Het heiligdom

van Sidi-Bou-Medine is er een, een groot marabout waardig. Reeds het

trotsche voorportaal, weder geheel uit fijn bewerkt stuc opgetrokken,

wekt de hoogste bewondering, die nog stijgt als men den ruimen tempel

zelf binnentreedt, onder geleide natuurlijk. Een marmeren preekstoel en

een mihrab van stuc zijn van zeer ouden datum. De mihrab ontbreekt in

geen enkele Arabische moskee. Het is een boogvormige nis in den muur

aan de oostzijde van den tempel, naar den kant naar Mekka gekeerd,

waarheen de Arabier bij 't verrichten van zijn gebed het aangezicht

wendt. Aan de zoldering der moskee hangen talrijke kroonluchters van

glas en koper, waaronder sommige zeer oud en van hooge waarde.

Ten Oosten van Tlemcen liggen, dicht bij de stad, de overblijfselen

van den ringmuur van het oude Mansourah. Met ruig struikgewas begroeid,

waaruit hier en daar afgebrokkelde kanteelen opsteken, omspannen zij de

stad in een wijden boog, doorsnijden vruchtbare akkers en schaduwrijke

olijfboomgaarden. Zij herinneren aan een episode uit den strijd

tegen de vijandelijke emirs, die zoo dikwijls het overheerschende

Tlemcen met verderf en verwoesting bedreigden. De emirs Yacoub en

Youssef belegerden de stad en hadden gezworen haar met den grond

gelijk te maken. Dapper verdedigd door den koning, werden echter

drie achtereenvolgende stormaanvallen afgeslagen. Toen bemerkten de

inwoners op zekeren morgen bij 't ontwaken, dat er om den ringmuur

hunner stad een tweede muur gebouwd was, die al hooger en hooger werd.

Achter dien ringmuur verhief zich weldra de massieve toren eener

reusachtige moskee, daarna paleizen voor de belegerende emirs, huizen

voor hunne bevelhebbers, voor het voetvolk en voor de ruiterij,

stallen voor de paarden en ten slotte woningen voor allen, die zich

in de nieuwe stad kwamen vestigen. Want een stad was het, Mansourah

genaamd, die zich om het in 't nauw gebrachte Tlemcen, belegerd,

van alle verbinding afgesneden, in een omtrek van 3400 M. verhief,

een nieuwe stad, die aan de oude den dood gezworen had. Acht lange

jaren duurde de belegering. Maar het was niet het belegerde Tlemcen,

dat met den grond gelijkgemaakt werd, maar hare jeugdige, trotsche

mededingster. Zóó groot was de haat der inwoners van Tlemcen tegen de

overwonnen stad, dat zij na de verwoesting den inwoners op straffe

des doods verboden, ooit haren naam weder uit te spreken, en ook nu

nog durft de Arabier, die te midden der grootsche bouwvallen woont,

door den vreemdeling ondervraagd, nauwelijks met fluisterende stem

den naam "Mansourah" uitspreken.

Maar, is Mansourah verwoest, ook de macht der koningen van Tlemcen

nam een einde, en met verbazing aanschouwt de vreemdeling de

overblijfselen van Bab-el-Karmdir, het oude paleis dier koningen, dat

eens een cyclopisch indrukwekkend bouwwerk geweest moet zijn, zooals

de verlaten ingestorte torens, muurstukken en bolwerken nog bewijzen.

De geheele omgeving en de geschiedenis der oude emirstad Tlemcen

wekken bij den bezoeker eigenaardige gewaarwordingen en gedachten

op. Zij schijnt hem een beeld te zijn van het Mohammedanisme aan

Afrika's noordkust, van haren verdwenen invloed en heerschappij,

waarvan ook slechts bouwvallen over zijn. Is niet het beeld van

verwoesting aldaar hetzelfde, wat men overal in de streken van den

Islam aantreft, verdelging van alles wat niet tot haar behoort? En

doet niet dat Tlemcen, in zijn trotsche afzondering te midden van

bijna ontoegankelijke bergen, met zijn fanatieke, zelfgenoegzame,

indolente bevolking, met de torens van zijn eeuwenoude moskeeën,

zijn graven van marabouts en heiligen, met al de bouwvallen van zijn

vroegere grootheid, denken aan het Mohammedanisme, dat ook meende,

dat het steeds op de hoogte van zijn macht zou blijven tronen en dat

de loop der geschiedenis, de stroom der wereldgebeurtenissen steeds

aan hetzelve zouden voorbij gaan. Maar de wereldgeschiedenis stoort

zich niet aan 't geen de volken willen, maar vervolgt onweerstaanbaar

haren loop. Zoo verdween de Muzelmansche heerschappij, om plaats te

maken voor de Christelijke, de Westersche, de Fransche. En geenszins

ten nadeele van land en volk. Want als er één indruk, één waarheid is,

die de vreemdeling bij zijn vertrek uit Tunis en Algiers medeneemt,

dan is het wel deze, dat de Fransche bezetting voor die landen een

zegen is. Voor land en volk beiden. Door het zwaard gewonnen, hebben

de Arabieren deze landen ook weder door het zwaard verloren. Maar

de Franschen hebben van hun overwinning een geheel ander, een beter

gebruik gemaakt, dat in den loop der jaren land en volk tot heil, hun

zelven tot eer, de menschheid en de beschaving tot voordeel geweest is.

Pondichéry, hoofdstad van Fransch-Indië.

Naar het Fransch van G. Verschuur.

Pondichéry, moeilijk te naderen over zee.--Witte stad en

Indische stad.--Het Regeeringspaleis.--De hôtels in onze

koloniën.--Engelsche enclaves.--De bevolking; de kinderen.

--Bouwkunst en godsdienst.--Handel.--De toekomst van

Pondichéry.--De markt.--De scholen.--Politieke koortshitte.

Een klein strookje gronds vertegenwoordigt op dit oogenblik het

belangrijkste gedeelte van 't geen Frankrijk heeft weten te behouden

uit zijn oud Indisch Rijk, dat thans een der machtigste koloniën van

de britsche kroon is. Op die alluviale strook gronds ligt de stad

Pondichéry, hoofdstad der fransche bezittingen, waarvan de groote

Dupleix zich gansch andere horizons gedroomd had.

Het bescheiden grondgebied van Pondichéry omvat niet meer dan 29145

H.A. De dépendances van wat men gewoonlijk Fransch-Indië noemt, zijn

de volgende vier: Chandernagor, Karikal, Mahé en Yanaon. Zij liggen

verspreid over verschillende deelen van het groote schiereiland,

de drie laatstgenoemde op korten afstand van het grondgebied van

Pondichéry, het eerste in de onmiddellijke nabijheid van Calcutta.

De gouverneur der Fransche nederzettingen in Indië woont te Pondichéry,

maar zijn ambt brengt mee, dat hij zich dikwijls moet verplaatsen naar

de verschillende andere fransche plaatsen, waar de leiding der zaken in

handen is van administreerende ambtenaren, die aan hem ondergeschikt

zijn. Het spreekt vanzelf, dat er verscheiden lagere ambtenaren zijn,

dat er een Plaatselijke Raad is evenals een Algemeene Raad, dat de

kolonie te Parijs een afgevaardigde in den Senaat heeft, zoowel als

in de Kamer, en dat op het grondgebied van Pondichéry de politiek

de spil is, waarom alles draait en de voortdurende zorg van iederen

dag. Wij zullen nog wel meer een woordje te zeggen hebben over die

noodlottige politiek, dien knagenden kanker, waarvan zeker geen enkele

fransche kolonie zooveel te lijden heeft als dat arme Pondichéry.

Laat ons eerst voet aan wal zetten, wat niet altijd gemakkelijk

gaat, als men, zooals met mij 't geval is, over zee aankomt. Daar de

golven dikwijls hoog gaan op de reede, kan de ontscheping soms zoo

moeilijk zijn, dat het onmogelijk wordt, gemeenschap met de kust te

krijgen. Het is vaak gebeurd, dat ten gevolge van het stormachtige

weer de paketboot, die Pondichéry aandoet op haar reis heen en

terug tusschen Colombo en Calcutta, niet met den wal gemeenschap kon

krijgen en zich genoodzaakt zag, met passagiers en lading haren weg

te vervolgen. Weinige jaren geleden heeft dat geval zich driemaal

achtereen voorgedaan. Met platboomde vaartuigen, _chelingues_

genoemd, die geen inhouten (ribben) hebben, nadert men de kust. Er

wordt aangelegd bij een pier, die 252 M. lang is en recht in zee

vooruitsteekt; staat de zee hoog, dan heeft men de behendigheid van

een acrobaat noodig, om zijn evenwicht te bewaren bij het vastgrijpen

van het touw, waarmee men de ladder kan bereiken. Om aan dien last te

ontkomen, geeft de toerist er veelal de voorkeur aan, zich per spoor

naar Pondichéry te begeven, want de kolonie is sinds 1877 aan het

groote Engelsch-Indië verbonden en staat door zijlijnen in verbinding

met de van Frankrijk afhankelijke gebieden.

Pondichéry is een vrijhaven. Levensmiddelen en koopwaren van allerlei

streken afkomstig, mogen over zee binnenkomen en uitgaan, zonder

eenige douanerechten te betalen, onverschillig onder welke vlag

zij varen. Alleen zout en opium zijn van deze gunstige beschikking

uitgesloten, want bij verdragen zijn die voortbrengselen verboden;

noch de productie ervan noch de handel erin zijn geoorloofd.

Moet ik de geschiedenis in herinnering brengen? Pottoutchéri

of Poultchéri, het "nieuwe dorp", door menschen van hooge kaste

Poudou-nagar of "Nieuw Kasteel" genoemd, is in 1693 gekocht van koning

Vidjayanagar door den beroemden commandant Martin, ter vergoeding voor

Sint-Thomas, waarvan de Hollanders zich hadden meester gemaakt. Het

dorpje van paria's nam snel toe in grootte en werd het middelpunt van

een aanzienlijke handelsbeweging trots de wederwaardigheden van zijn

politieke geschiedenis.

Al dadelijk in den aanvang werd het door de Hollanders vermeesterd;

maar in 1699 werd het ons teruggegeven. Daarna werd het viermaal door

de Engelschen belegerd; admiraal Boscawen werd in 1748 teruggeslagen

door Dupleix; in 1760-61 gaf Lally-Tolendal, door hongersnood

gedwongen, zich over, na een hardnekkigen tegenstand te hebben geboden,

en de vrede van Parijs in 1763 herstelde ons in het bezit van de stad.

In 1778 maakten de Engelschen zich er opnieuw van meester, om de stad

in 1785 bij den vrede van Versailles terug te geven en haar daarna

voor de derde maal in 1793 te veroveren. Voor goed herkregen wij deze

bezitting in 1816-17, met verbod er eenige versterking aan te leggen

of er een andere gewapende macht te onderhouden dan de politie.

De stad is in twee deelen verdeeld, de witte stad en de indische stad,

door een gracht gescheiden. De eerste, aan de oostzijde en aan zee

gelegen, is regelmatig gebouwd; de straten zijn breed en recht, wat

ook het geval is met de tweede, die echter over grooter uitgestrektheid

zich uitstrekt.

Ik kende Pondichéry, doordien ik er op een vroegere reis een week

had doorgebracht, en met waar genoegen zette ik er weer den voet

op vasten grond, na mijn aankomst aan die lange pier van slecht

ineengevoegde planken. Sinds mijn vorig bezoek was het aanzien

der plaats niet veranderd. Ik zie weer het nog al indrukwekkende

standbeeld van den grooten Dupleix, dat dichtbij het strand zich

verheft, en na eenige honderden meters te zijn voortgegaan, bereik

ik het Gouvernementspaleis, waar de tegenwoordige bewoner, dien ik de

eer heb te kennen, mij gastvrijheid heeft aangeboden. Ik voel er mij

te huis, want in de prettige kamer, die voor mij in orde gebracht is,

heb ik ook eenige jaren vroeger gelogeerd.

Het Gouvernementspaleis te Pondichéry is een alleraardigste residentie,

en de gouverneur, de heer Lemaire, is er, evenals zijn beminnelijke

echtgenoote, veel meer naar zijn zin dan in het sombere huis, dat ze

twee jaren geleden op Martinique bewoonden, waar ik 't genoegen had

hun een bezoek te brengen. De ligging en de indeeling van het huis

zijn uitstekend; het lange balkon, dat langs de groote ontvangzaal

loopt, biedt een verrukkelijk uitzicht over een groote, vierkante

ruimte, aan de overzij begrensd door een rij sierlijke en regelmatige

gebouwen, en als men er 's avonds gemakkelijk is gezeten, geniet

men met welbehagen dien verrukkelijken geur der tropische landen,

die een temperatuur bezitten, door 't verdwijnen van de zon heerlijk

en verkwikkend geworden.

Het klimaat van dit gedeelte van Indië is over 't geheel gezond. In

gewone tijden is de gemiddelde temperatuur 30° C. over dag en 26

's nachts. In de maanden December en Januari daalt zij tot 3 à 5°

C. over dag, terwijl van Mei tot September de thermometer tusschen 32°

en 40° C. staat; dat is de periode van de zeer heete westenwinden, die

op onaangename manier de lucht oververhitten. Het droge jaargetijde

duurt van het begin van Januari tot omstreeks den 15_den_ October;

de rest van het jaar heet dan de winter. In 't algemeen gesproken,

regent het zelden in dit deel van Indië; slechts in November en

December komt nog al dikwijls regen voor.

Als men te Pondichéry een zindelijk en goed verzorgd hôtel vond,

dat bij een goede keuken voor het moderne comfort zorgde, zou ik niet

aarzelen, de stad een zeer aantrekkelijk verblijf te noemen voor de

europeesche wintermaanden, wanneer zooveel menschen zich afvragen,

in welk hoekje van de wereld men aangenaam verblijven kan in zachte

lucht. Ongelukkig ontbreekt dit materiëele gerief; de beide hôtels,

die men er vindt, zijn beneden het middelmatige, en als men niet

van de gastvrijheid van bloedverwanten of vrienden kan genieten,

zal men er niet gauw toe komen, er eenigen tijd te vertoeven.

Het gebrek aan goede hôtels in de koloniën is onbetwistbaar een

hinderpaal voor de ontwikkeling van het toerisme. De Engelschen hebben

dat goed begrepen; nemen wij als voorbeelden de eilanden van de keten

der Antillen en de engelsche bezittingen in Azië. Op Trinidad, Jamaica,

Ceylon, in geheel Indië vindt men prachtige hôtels, even comfortabel

als ergens in Europa, en wat zien wij op Martinique, Guadeloupe, te

Nouméa, op Bourbon? Niets dan bescheiden herbergen! Daaruit volgt,

dat geen enkel toerist, die niet door een vriend is uitgenoodigd,

er langer blijft dan volstrekt noodig is. De arme stad Saint-Pierre

maakte in zekeren zin een uitzondering op den regel; men had er twee

nette, goed ingerichte en goed bestuurde hôtels, maar de uitbarsting

van den Mont-Pelé heeft ze voor altijd gesloten.

Al wandelend, nu eens door de stad zelve, dan in de omstreken

van Pondichéry, is het mij, of ik in een aardig provinciestadje

ben of ergens buiten, waar het mooi is. De woningen zijn sierlijk,

getuigen van een zekeren welstand en hebben een zindelijk voorkomen,

dat in verschillende andere koloniën ontbreekt. De gouverneur is zoo

goed geweest, een tweewielig wagentje, _pousse-pousse_, te mijner

beschikking te stellen, dat ik dikwijls in den morgen gebruik, en een

victoria, waarmee ik grooter afstanden kan afleggen, 's Avonds vóór

het diner zijn de heer en mevrouw Lemaire zoo vriendelijk, mij per

rijtuig in verschillende richtingen den omtrek te laten zien.

Wat die ritjes wel merkwaardig maakt is, dat ik nu eens over fransch

dan over engelsch grondgebied voortrol, en in een minimum van tijd dien

overgang verscheiden malen maak. Het grondgebied van Pondichéry is

door het tractaat van 1816 op de zonderlingste manier verdeeld, toen

de kolonie na verscheiden malen in engelsch bezit te zijn overgegaan,

voor goed aan Frankrijk kwam. Overal, tot voor de poorten der stad,

zijn enclaves van britsch grondgebied in het fransche land uitgesneden,

zóó, dat de Engelschen juist die hooge stellingen bezitten, die

geschikt zijn voor de plaatsing van batterijen. Hier behoort de weg

aan Engeland, terwijl de slooten onder fransche jurisdictie staan;

ginds behoort een waterplas tot Madras, terwijl het land, dat er door

geïrrigeerd wordt, onder Pondichéry ressorteert. Er is zelfs ergens

een stuk gronds, welks eigenaar onbekend is. De Engelschen zijn

bekwame politici; bij de sluiting van het tractaat van 1816 hebben

zij zich er niet mee tevreden gesteld, aan de fransche regeering de

verplichting op te leggen, nergens eenige versterking aan te leggen

en geen gewapende macht te onderhouden buiten de politie, maar zij

hebben ook het middel gevonden, het terrein zoo te splitsen en in

stukken te deelen, dat er hoeken volkomen onverdeeld zijn gebleven.

Wat mij onbegrijpelijk voorkomt is, dat na het dîner de stad geheel

uitgestorven is. Men strekt zich gemakkelijk uit op zijn balcon of in

zijn tuintje, maar gaat niet uit, en men schijnt er geen prijs op te

stellen, op de pier of aan het strand de zuivere versterkende zeelucht

te gaan inademen. Het is mij tweemaal gebeurd, dat ik 's avonds ging

wandelen en lange overpeinzingen hield op een bank van de pier; maar

ik heb geen enkelen Europeaan ontmoet. Alleen een inboorling heeft

mij aangesproken in een taal, die ik niet verstond; waarschijnlijk

vroeg hij een aalmoes.

Een dame, die ik den volgenden dag ontmoette en wie ik mijn verbazing

te kennen gaf over die wonderlijke afzondering, begreep niet, wat

ik voor bekoorlijks vinden kon in die rust van het tropische land

en dat gemis aan afleiding. Voor haar was het een leven als in de

hel; hoe miste ze haar Parijs! Ik heb later gehoord, dat haar man,

die ambtenaar was, verlof had gevraagd, daar zijn vrouw het klimaat

niet kon verdragen! Trouwens men zou een merkwaardig boek kunnen

schrijven over die quaestie van de verloven in de koloniën, alsook

over de verschillende redenen, die de belanghebbenden aanvoeren,

om ze te krijgen.

De bevolking van Pondichéry is zachtzinnig, onderdanig en beleefd. Welk

een treffend verschil met den onaangenamen neger, dien ik zoo dikwijls

heb bestudeerd op de Antillen en elders! Het zijn zelfs sympathieke

menschen, als men ze aan 't werk ziet op het veld, of hen gadeslaat

bij hun kleinhandel, rustig loopend zonder geraas te maken. De kinderen

kruipen over den grond, scharrelen langs de wegen tusschen de kippen,

en zijn talrijk in de struiken als de konijnen in Australië. Ik kan

niet laten, hen juweeltjes te noemen, als ik denk aan de europeesche

kinderen, die mij de laatste drie maanden het leven vergald hebben op

twee booten van de _Messageries Maritimes_. Die indische kinderen zijn,

net als maleische, chineesche en japansche, lief en aardig, schreien

nooit, en of er vijf of vijftig onmiddellijk bij u in de buurt zijn,

ge bespeurt hun aanwezigheid nauwelijks. Ik zie ze met genoegen aan,

die kleine onschadelijke negertjes, naakt als wormen, en die als eenig

kleedingstuk een touwtje om de lenden dragen, waaraan in 't midden

een soort van medaillon hangt bij wijze van vijgeblad, meestal uit

metaal vervaardigd, koper, zilver of goud, al naar het vermogen der

ouders. Wat heb ik hun vaak stuivers en lekkers toegegooid en wat

had ik een schik in hun lachende gezichtjes!

Men kan merkwaardige zedenstudies maken in die landen van overzee, waar

godsdienst en gebruiken zooveel van de onze verschillen. Verscheiden

malen reden wij 's avonds vóór den eten langs begrafenissen, waarvan

de schikking tot vermakelijke verrassingen aanleiding gaf. Eens

gingen we voorbij den stoet van een inlandsche vrouw van katholiek

geloof. Zij lag in groot toilet, met bloemen en sieraden getooid en

met zorg gekapt, op een, door de familie gedragen paradebed. Van een

doodkist was geen sprake. Ze gingen haar eenvoudig aan den schoot

der aarde toevertrouwen en haar met zand bedekken. Een anderen keer

zagen we een mohammedaansche begrafenis, door zang en muziek begeleid.

Het aantal tot den christelijken godsdienst bekeerde Indiërs is

nog slechts zeer gering. De groote meerderheid der inboorlingen

heeft den eeredienst van het Brahmaïsme bewaard, waar luidruchtige

feesten, processies met tamtams en andere muziekinstrumenten, die

een helsch lawaai maken, bij behooren. Den dag na mijn aankomst is

er een groot feest bij een Brahmaan van aanzien, waar de gouverneur

genoodigd is. Op het oogenblik, dat ons rijtuig vóór de woning

van den jubilaris stilhoudt, laat zich de _Marseillaise_ hooren,

en men voert ons naar de voor ons vrijgehouden zetels. Er wordt op

onze knieën een reuzenbouquet gezet, die misschien wel een meter

in omtrek is, en men hangt ons een krans van bloemen om den hals,

die ons niet weinig prikkelt. De locale kleur, versterkt door de

opgewonden uitroepen van de menigte, is typisch; maar de geuren,

die uit het publiek opstijgen, laten veel te wenschen over, te meer

daar bijna zonder uitzondering allen naakt zijn, op het vereischte

bandje of touwtje na. IJs en ijskoude dranken gaan overvloedig rond;

de warmte in de beperkte ruimte wordt ondragelijk; het is tijd dat

wij ons rijtuig en de open lucht weer bereiken.

Er zou tijd en veel geduld noodig zijn, om het verschil te leeren

kennen in de gewoonten en wetten en maatschappelijke vormen, geldend

voor de onderscheiden kasten van Brahmanen, en die hen in streng

afgesloten klassen splitsen. De een zal nooit dit doen, de ander

nooit dat; een handwerk, door deze kaste uitgeoefend, mag door een

andere kaste niet worden ter hand genomen. De taak voor iedere kaste

is zoo nauwkeurig voorgeschreven, dat het bepaald absurd wordt in

onze oogen, en het komt mij voor, dat er zelfs voor deze menschen een

lange, moeilijke leertijd wordt vereischt, als zij zich niet zullen

schuldig maken aan eenige inbreuk op de velerlei voorschriften van

hun godsdienst.

Bouw- en beeldhouwkunst hebben het in de gebouwen, die aan den

hindoeschen en den brahmaanschen godsdienst zijn gewijd, tot een

zeldzame hoogte gebracht. Vele auteurs hebben ze reeds beschreven;

maar toch schijnt het ons van belang, erop te wijzen, dat die van Indië

door de artistieke zijde van hun architectuur en den rijkdom van hun

versiering uitmunten boven vele tempels, die wij in andere landen

van Azië hebben kunnen bezoeken. Men vindt wel niet te Pondichéry

zulke prachtige tempels als te Tanjore, Trichinopoly en Madura, maar

dat neemt niet weg, dat die van Villenour en andere plaatsen in den

omtrek een nauwlettend bezoek verdienen.

Ik ben verscheiden malen naar dien van Villenour gegaan, die op

eenige kilometers afstands van de residentie is gelegen. Een zeer

groote wagen of kar onder een breed afdak, die nu en dan dienst doet

bij processies voor den eeredienst, geeft blijk van de bekwaamheid

van deze inboorlingen en hun kunstvaardigheid in het handwerk. Die

wagen, geheel van hout gemaakt, stelt een gansche boeddhistische

geschiedenis voor, door middel van fijne werktuigen gegraveerd in

vierkante blokken van dezelfde afmeting en aan elkander sluitend met

onberispelijke symmetrie. Het gewicht van het geheel moet verbazend

zijn, want op de hooge feestdagen zijn er 1200 à 1500 menschen noodig

om het kolossale voertuig te trekken.

De kunstvaardigheid van deze inboorlingen is nog niet verloren gegaan,

zooals men geneigd zou zijn te veronderstellen, als men bespeurt

dat al die indische tempels tot de oudheid opklimmen, en dat men in

onze dagen nooit eens den bouw van een nieuw, even grootsch bouwwerk

bijwoont. Ik heb er het bewijs van gezien, toen de gouverneur mij

naar een plaats bracht dichtbij Villenour, waar wij een wagen zagen,

die bijna af was en met evenveel talent vervaardigd was, als die uit

voorbijgegane tijden.

Het ware meesterstuk, dat wij voor oogen hebben, is uit zeer hard

hout gesneden en stelt met merkwaardige fijnheid een boeddhistische

processie voor, waarvan ons de beteekenis natuurlijk ontgaat, maar

die ons met bewondering vervult. Een inlandsch beambte legt ons uit,

dat er ten minste 500 menschen zullen noodig zijn, om den wagen te

trekken. Hij laat ons het touw zien, dat men zal moeten gebruiken;

het is zoo dik als een reuzenslang. Wij waren het niet alleen, die in

verrukking raakten over dit mooie werk; een hoop kinderen omringde ons

en was vervuld van eerbied. Ik vermoed, dat de heer Piot voldaan zou

zijn over een bezoek aan een land, waar zijn leer zooveel aanhangers

heeft gevonden.

Wat Pondichéry en de grond, die er bij behoort, aan

landbouwvoortbrengselen opleveren, beteekent weinig. De geheele

uitvoer heeft slechts een waarde van 27 à 28 millioen francs; katoenen

weefsels zijn daarin opgenomen voor een som van bij de 9 millioen

en de aardnoten voor 15. Volgens het jaarverslag van 1904 hebben 48

stoombooten van verschillende nationaliteit 581562 zakken aardnoten

ingenomen van 75 kilo per zak. De aardnoten worden ook in den vorm

van aardnotenkoeken uitgevoerd. Verleden jaar is de uitvoer van dit

artikel gestegen tot een totaal bedrag van 4376 ton, hetgeen een waarde

vertegenwoordigt van bij de 400,000 francs. Daarna volgen de katoenen

weefsels, die in de laatste statistiek voorkomen voor de som van bij

de 9 millioen; de rijstsoorten voor 2 1/4 millioen en de huiden voor

1 1/2 millioen francs. De andere uitvoerartikelen bereiken slechts

een onbeduidend cijfer. Er wordt een kleine hoeveelheid vanille

uitgevoerd, zooals ook kokosnoten en vruchten. Het verbouwen van

aardnoten heeft in den laatsten tijd een groote vlucht genomen en zou

nog aanmerkelijk kunnen toenemen. Die handel is voortaan een zaak van

gewicht voor Fransch-Indië, daar Pondichéry voor die oliehoudende

zaden een groote opslagplaats geworden is, die niet enkel gevoed

wordt door de directe voortbrenging in de buurt; reeds beginnen de

producten uit de omliggende engelsche bezittingen toe te stroomen,

waardoor de handelsbeweging vertienvoudigd wordt.

De landbouwers uit het Zuiden van Indië, vooral uit de provincie

Tanjore en uit de omstreken van Trichinopoly maken meestal voor hun

verzendingen gebruik van Pondichéry, daar het de beste haven van de

kust is, minder dan Madras aan cyclonen blootgesteld. De laatste,

waarvan men de herinnering nog heeft behouden, is die van 1863;

zeven schepen, die op korten afstand van het strand ten anker lagen,

werden verzwolgen bij de groote ramp.

Wat de vanille aangaat, men is er met de cultuur nog pas sinds een

dozijn jaren bezig; vrij groote velden zijn ermee beplant in den

Kolonialen Tuin, waar de onderdirecteur mij wel de inlichtingen wil

geven, die mij belang inboezemen. In het begin had men met groote

zorgeloosheid te strijden. De inboorlingen, die bij het kweeken van

het kostbare gewas gebruikt worden, moeten voortdurend onder toezicht

zijn; in het begin lagen massa's vanille in kisten te verrotten, alsof

er een hoop hooi in lag. De tegenwoordige gouverneur heeft er orde

op gesteld, zooals uit de verkregen resultaten blijkt. De vrucht van

Pondichéry is dunner dan die uit Mexico en van Réunion, maar de geur

der stokjes doet naar mijne meening niet voor de andere onder. De

vanille wordt hier voor tien roepijen, dat is 17 francs, per kilo

verkocht. Er zijn te Pondichéry kweekers met een ruim geweten, die hun

welverzorgden en goed ingepakten oogst naar Bourbon hebben gezonden,

om van daar als echte Bourbonvanille naar Europa te worden verscheept.

De geheele bevolking van de fransche nederzettingen in Indië bedroeg

op 31 December 1903 het aantal van 273748 inwoners, onder wie slechts

1408 Europeanen, en wel 492 mannen, 546 vrouwen en 370 kinderen. De

europeesche bevolking wisselt natuurlijk voortdurend, daar de meesten

slechts zeer kort in de kolonie blijven. Dit geldt vooral van de

ambtenaren en hun gezinnen, wier _chassé-croisé_ over alle oceanen

voldoende bekend is. Het aantal Europeanen of kleurlingen, die er

wortel hebben geschoten en behagen vinden in de carrière, welke zij

hebben gekozen, of in den handel, waarin zij bezig zijn, is slechts

zeer klein. Men kan de vooroordeelen van een volk niet veranderen,

zoo min als de begrippen, die gangbaar, zijn in het moederland. Een

kolonie is nu eenmaal een oord van ballingschap, en het klimaat moet er

noodzakelijk ongezond zijn. En hoeveel menschen, veroordeeld om in het

land, dat hen heeft zien geboren worden, te leven in een voortdurenden

strijd ter verkrijging van de meest dringende levensbehoeften,

zouden zich een veel vrijer en ruimer bestaan kunnen verschaffen,

als zij, zoo zij vlijt en volharding bezaten, besloten het routinejuk

af te schudden, en iets te ondernemen, 't zij landbouw of handel,

in landen van onbetwistbare vruchtbaarheid, waar men nog zooveel

handen kan gebruiken! Voor den groothandel, de banken, industriëele

ondernemingen zouden er onmetelijke velden te exploiteeren blijven.

Wij behoeven slechts een afstand van 160 kilometer per spoor af

te leggen, om Madras te bereiken, gelegen aan diezelfde kust van

Coromandel, en we stappen uit in een groote handelsstad, waar het

drukke leven zich in allerlei vormen voordoet, en waar men alles

kan genieten, wat een bloeiende europeesche stad aanbiedt. Bombay en

Calcutta zijn evenals veel steden van het Uiterste Oosten volkrijke,

bloeiende centra, die in niets onderdoen voor de groote steden

van onze oude wereld, en zij, die er zich gevestigd hebben in den

handel, het bankwezen of de industrie, klagen niet over de zoogenaamde

ballingschap. Trouwens in veertien of achttien dagen voeren de trein

en de paketboot hen naar den geboortegrond terug voor een kleine

vacantie, waartoe gemakkelijk besloten wordt door die inwoners,

wier middelen hun de onbeteekenende verplaatsing toestaan.

Als men het leven van den inboorling nagaat met het oog op zijn

behoeften en zijn intellectueele ontwikkeling, moet men wel inzien,

dat hij veel gelukkiger is dan menig Europeaan of kleurling, die

verkeert in wat wij overeengekomen zijn, beter levensomstandigheden

te noemen. Wij vinden hem doorgaans vroolijk en tevreden; hij klaagt

zelden, leeft op de primitiefste manier, wonend in een krotje of hutje

met zijn meestal talrijk gezin, zich dekkend met een strook stof,

die hem eenige stuivers heeft gekost, zich op de soberste manier

voedend met de producten, die hij dikwijls zelf verbouwt zonder zorg

voor den komenden dag. Is zoo'n man uit philosofisch oogpunt niet

veel gelukkiger dan de meesten onzer?

Een van mijn grootste genoegens in de koloniën bestaat in een

bezoek aan de markt, dien levenden kaleidoscoop, die altijd een

verschillend veld van waarnemingen is, al naar de omgeving waarin men

zich bevindt. De markten van Indië bieden niet zoo'n weerzinwekkend,

kwalijk riekend schouwspel als de markten in negerlanden. De menschen

zijn er minder vuil en maken minder leven dan de zwarten van de

Antillen of Zuid-Amerika; zij passen met hun bonte doeken bij hun

omgeving, die niet zoo carnavalachtig is als ginder. Rood is de meest

geliefde kleur; men zou bijna kunnen zeggen de eenige, door mannen

en vrouwen gedragen, zoowel wanneer zij zich een groot deel van het

lichaam bedekken, als wanneer ze zich tot een eenvoudigen band bepalen,

aangebracht naar de wetten der welvoegelijkheid.

Hier ook weer is er geen gebrek aan kinderen; maar de ouders behoeven

zich niet om hen te bekommeren, want het talrijk kroost kan het goed

vinden met de kippen aan den weg, en verdwaalt niet in de drukke

menigte. Wat ik vurig hoop voor de inlandsche bevolking van Pondichéry

en zelfs voor heel Indië, is dat men er de invoering van automobielen

verbiede, die er zeker spoedig veel kwaad zouden stichten. Ten tijde

van mijn verblijf in de kolonie had een parijsch automobielfabrikant

zich tot een ambtenaar in Pondichéry gewend, om inlichtingen te

erlangen omtrent de mogelijkheid, het moordend instrument er in te

voeren. De inboorling heeft de betreurenswaardige gewoonte, altijd

op het midden van den weg te loopen, en zelfs als men in een gewoon

rijtuig zit, moet men herhaaldelijk roepen, om hem naar den een of

den anderen kant van den weg te doen gaan; wat de kinderen betreft,

ze loopen voortdurend gevaar, in stukjes te worden gereden. Nergens

ter wereld hebben de koetsiers zulk een moeilijke taak bij het mennen

van hun paarden. Wat zou er gebeuren, als men op een dag den invoer

van die wagens toeliet, die, al zouden ze enkele bevoorrechten

gelukkig maken, een moorddadige werking zouden uitoefenen en de

bevolking zouden decimeeren! De Europeaan zou, ook al kon bij zich

bergen en zijn bestaan verdedigen, oproerige kreten uiten bij het

zien van het monster, vooral om den aard van den grond. De bodem in

het zuiden van Indië verkruimelt tot een rood poeder, dat bij het

geringste zuchtje van den wind in wolken opvliegt. Nu reeds in onze

europeesche landen het stof, door dit middel van vervoer opgejaagd,

vrij gerechtvaardigde klachten doet rijzen, zou men te Pondichéry

ware wanhoopskreten slaken. Hoe dikwijls is het mij gebeurd, dat ik

na een wandeling van een paar uur moest constateeren, dat mijn wit

costuum een saffraan kleurige tint had gekregen!

De heer Delale, hoofd van het openbaar onderwijs, is zoo welwillend,

mij tot gids te strekken bij het bezoek, dat ik mij voorgesteld had

te brengen aan de voornaamste scholen van de stad. De quaestie van

het onderwijs, dat in de koloniën aan de inlandsche bevolking wordt

gegeven, heeft mij altijd veel belang ingeboezemd en leidde mij tot

merkwaardige vergelijkingen. Er zijn koloniën, waar het oprechten

lof verdient, en andere, waar het, eerlijk gezegd, bedroevend is,

waar het op niets, op geen onderwijs neerkomt. Te Pondichéry, waar

verscheiden scholen zijn, heb ik aan vijf een bezoek gebracht. Het

onderwijs staat onder het toezicht van een zeer intelligenten leider,

die uitstekend samenwerkt met den gouverneur. Wat mij het meest heeft

getroffen, is de practische manier, waarop de onderwijzers in de

jeugdige hersens de dingen doen doordringen, die hun onderwezen moeten

worden, niet door het domme systeem van machinaal de kinderen zinnen

te laten herhalen, die ze niet begrijpen, maar door het kraantje van

hun intelligentie te openen door verklaringen, die ze kunnen vatten,

en die ze daarom niet vergeten. In die verschillende scholen ga ik door

alle klassen heen en vraag verlof, die kinderen te mogen ondervragen,

die toeval of intuïtie mij doen kiezen, daar ik altijd de keus van een

onderwijzer een beetje wantrouw in de gevallen, dat de school aan een

bezoeker moet worden vertoond. Het is mij aangenaam te kunnen zeggen,

tot eer van den heer Delale, dat het bezoek aan die inrichtingen

te Pondichéry zeer goede herinneringen bij mij heeft achtergelaten,

en dat het te wenschen ware, dat men in enkele andere koloniën zijn

goede methode volgde en tevens het aanhoudende toezicht, dat hij

uitoefent in het hem toevertrouwde departement.

In de laatste school, die ik bezocht, en die alleen voor jonge

meisjes bestemd is, woonde ik verschillende naailessen bij, waar het

werk op zeer lofwaardige wijze werd gedaan. Ik ben verbaasd over de

gemakkelijkheid, waarmee die meisjes in goed Fransch antwoorden op

de vragen, die ik tot haar richt. In Engelsch-Indië had ik in twee

scholen kunnen opmerken, dat de kinderen zich bijna alleen in hun

moedertaal konden uitdrukken, doorspekt met enkele engelsche woorden,

verhaspeld op een wijze, die ze onbegrijpelijk maakte.

Ach, indien het mogelijk was, al die kinderen in hun vroegste jeugd

te doen begrijpen, dat er een studie is, waar de hersens door in de

war raken en die de rust des levens verwoest, zou dat een weldaad

zijn voor de kolonie! Ik heb het oog op de politiek, die dit arme

land verwoest, de ontwikkeling tegenhoudt en op betreurenswaardige

wijze de europeesche bevolking verdeelt.

Ik wil liever niet stilstaan bij de pijnlijke zijden van de politiek,

waar zij tot minder fraaie resultaten leidt en vooral vroeger

geleid heeft.... Buitendien, niet enkel in Indië houdt men zich

op met verkiezingspraktijken die afkeurenswaardig en verderfelijk

zijn. Er zijn in Frankrijk ook steden bekend, waar de kiezers zich

tot voorbeeld schijnen te stellen wat er plaats grijpt om en bij de

stembussen van de hoofdstad onzer indische bezittingen....

De grappige kant van de zaak is de terugslag der politieke meeningen

op de onderlinge betrekkingen van de Europeanen, die te Pondichéry

gevestigd zijn. Ik heb daar merkwaardige herinneringen aan behouden, en

ik kan geen weerstand bieden aan den lust er enkele van mee te deelen.

Een ambtenaar, pas ontscheept in de kolonie, brengt een bezoek aan den

heer A, maar kan, daar hij den volgenden dag ongesteld wordt, niet naar

den heer B gaan.... Hij wordt dadelijk door dien laatste beschouwd

als te behooren tot een hem vijandelijke clan en op zij geschoven;

men vertrouwt hem niet. Een ander ambtenaar, die op dezelfden dag

gezien is geworden in gesprek met twee menschen van tegengestelde

politieke overtuiging, wordt door beide voor een halve gehouden,

een middenman, dien men goed zal doen te mijden.

Aan de zijde der dames werkt de jaloezie met de allernietigste

argumenten, de ongerijmdste voorwendsels, waarbij dan een gebabbel

komt, zoo als men zich bijna niet kan voorstellen. Een dame uit

Pondichéry heeft mij verteld, dat men vond dat zij haar rang niet

voldoende kon ophouden, omdat zij in plaats van een pousse-pousse te

nemen (kosten 20 centimes) te voet een boodschap was gaan doen op 100

M. afstands. Het schijnt wel, dat een vrouw die zichzelve respecteert,

in dat land in 't geheel niet mag loopen!

Een tocht naar Karikal en naar Mahé, die betrekkelijk niet ver

van Pondichéry liggen, lachte mij niet toe. Daarentegen heb ik,

toen ik eenigen tijd vóór mijn bezoek aan Zuid-Indië in Calcutta

vertoefde, een uitstapje gemaakt naar Chandernagor, slechts op een

uur afstands per spoor verwijderd van de hoofdstad der engelsche

bezittingen. Chandernagor, gebouwd op den rechteroever van de Hoogly

aan een schilderachtige baai, herinnert aan de schoonste tijden

van de fransche heerschappij in Indië. De stad heeft gedurende de

geheele eerste helft der 18_de_ eeuw de schepen bij honderden aan

haar kaden ten anker zien komen; daar zetelde de gansche handel van

Bengalen. Zij heeft haar voorspoed zien verdwijnen door de opkomst

en de groote ontwikkeling van Calcutta. Maar nog is het een stad,

die indruk maakt, een aardige plaats met breede, rechte straten en

sierlijke huizen. Verscheiden ruïnen van paleizen en tempels getuigen

van den vroegeren luister. Het grondgebied is niet zeer groot,

namelijk 6 K.M. over de grootste lengte bij een breedte van 2 K.M.,

een oppervlakte van 1000 H.A. Het klimaat is er, dank zij den meren

en bosschen om de stad, koeler dan in de omringende deelen des lands,

maar de temperatuur is er veel veranderlijker en veel koeler dan te

Pondichéry, ofschoon men in Mei zeer dikwijls een warmte heeft van

40 tot 45° C.

Er wordt, eigenlijk gezegd, te Chandernagor niets verbouwd, daar

de beschikbare grond zoo beperkt is, dat men geen ernstige pogingen

kan beginnen; maar de politiek is er wel doorgedrongen, evenals te

Pondichéry, en zij vormt het hoofdonderwerp van alle gesprekken.

Ik bracht er twee heerlijke dagen door bij den vriendelijken

administrateur, den heer Bertrand en zijn lieve vrouw, en ik genoot

van de heerlijke wandelingen aan den oever der rivier in de zuivere,

opwekkende lucht.

Er bestaat verschil van meening over de duurzaamheid van het engelsch

bestuur in Indië. Naar alle waarschijnlijkheid hebben de Engelschen

er geen wortel gevat. Een volksuitdrukking zegt: "De Engelschman

en de Hindoe gaan samen als olie en water", dat wil zeggen, dat ze

in 't geheel niet samengaan. De Hindoes verwijten den Engelschen,

dat zij hen opeten, zooals de rupsen bladeren vernielen en zoo den

boomen het sap ontstelen. Maar de Engelschen maken zich ook geen

illusies omtrent de gevoelens, die zij den Hindoes inboezemen. "De

intelligentste inboorlingen", schrijft een engelsch reiziger, "erkennen

de weldaden van ons bestuur; maar de massa wil liever slecht geregeerd

worden door haar eigen hoofden dan goed door ons".

Het schijnt, dat de fransche invloed dieper doorgewerkt heeft op de

te weinig talrijke stammen, door oude verdragen onder ons bestuur

gelaten. Ik kan de verzoeking niet weerstaan, enkele regels aan te

halen, die door Pierre Loti in zijn _Propos d'exil_ gewijd zijn aan

de boeren uit den omtrek van Mahé (en die toegepast zouden kunnen

worden op alle Hindoes, die fransch grondgebied bewonen), omdat zij

uitstekend de gevoelens weergeven, die de inboorling te onzen opzichte

koestert: "Zij zeggen in het Fransch _bonjour_, als de boeren bij ons

en schijnen er trotsch op te zijn, bij ons te zijn gebleven; men ziet,

dat ze lust hebben te blijven staan en een praatje te maken. Diegenen,

die onze taal een weinig kennen, glimlachen en beginnen een gesprek,

altijd pratend van: 'Onze matrozen ... onze soldaten.' Ja, men is

hier toch wel in Frankrijk." En ik moet denken aan een geval voor

de rechtbank te Saigon, waar een van die Indiërs, beschuldigd van

ik weet niet welke euveldaad, aan een magistraat uit Corsica, die

hem als wilde toesprak, ten antwoord gaf: "Wij waren al Franschen

tweehonderd jaar vroeger dan gij."

Bij de ruïnen van Angkor.

Naar het Fransch van den Vicomte De Miramon-Fargues

met photografieën van mevrouw de M.-F.

Van Saigon naar Pnom-penh en naar Compong-Cjuang.--Roeitocht op

het Groote Meer.--Karren uit Cambodja.--Siem-Reap.--De tempel van

Angkor.--Angkor-Tom.--Verval der khmersche beschaving.--Ontmoeting

met den tweeden koning van Cambodja.--Oedong-de-Verhevene, hoofdstad

van Norodom's vader.--Het paleis van Norodom te Pnom-penh.--Waarom

Frankrijk niet aan Siam het grondgebied van Angkor kon overlaten.

Tegen het einde van Januari 1903 gingen mevrouw de Miramon-Fargues

en ik te Pnom-penh, de hoofdstad van Cambodja aan wal, in gezelschap

van twee commissarissen van de tentoonstelling van Hanoï, de heeren

Bonaparte-Wyse en den heer Rouget. Een stoomboot van de _Messageries

fluviales_, die de Mekong in vier-en-twintig uur was opgevaren,

had ons van Saigon erheen gebracht. Maar wij kwamen veertien dagen

te laat aan; in dezen tijd van het jaar ledigt zich het reuzenbekken

van de Tonlé-Sap, een echte binnenzee, en vloeit af naar de monding

der rivier.

Het lage water maakt, dat de sloepen er niet kunnen binnenvaren,

en onze tocht naar Angkor zou onmogelijk zijn geweest, als de

resident-generaal niet de goedheid had gehad, een platboom-vaartuig

te onzer beschikking te stellen, waarop in het midden een hut was

aangebracht en dat in 't geheel 12 M. lang en 2 1/2 M. breed was. Zoo

konden wij worden opgesleept tot Compong-Cjuang. Maar van dat punt

af moesten wij gedurende twee dagen en drie nachten onze reis al

roeiend voortzetten met niets voor oogen dan de eentonige vlakte van

het meer. Onze drijvende woning was eigenlijk niet groot genoeg, om

de zes-en-twintig bedienden en roeiers te bevatten, die rondom ons

heen wriemelden, Cambodjanen, Chineezen, Siameezen, Annamieten, die

vier verscheidenheden van huidskleur vertegenwoordigden, buiten onze

eigene, 's Avonds werd er geen lamp aangestoken, om geen nachtvlinders

en muskieten te lokken, maar om den tijd te dooden, vergastte ieder

de omgeving met een liedje uit zijn vaderland, en daar de Têtfeesten

nabij waren in de op den oever verspreide dorpen, beantwoordde de

tam-tam het gezang, dat veel van een cacophonie had.

Eindelijk deed zich op een morgen de rivier Siem-Reap voor, en een

zucht van voldoening ontsnapte ons, want die naam riep de koelte van

de bosschen voor ons op en de wonderen van den tropischen plantengroei.

Maar bij aankomst wachtte ons een teleurstelling. De ossenkarren,

die de mandarijn voor ons had gezonden, hadden pas de oevers der

rivier verlaten, of reeds waren wij in een woestijnachtige streek

gekomen. Wij reden langs lage, leelijk gevormde dwergboomen, vuil

nog en bespat van het nu gezakte water; vervolgens geeft zelfs dat

mager boom- en struikgewas het op en maakt plaats voor droog gras, en

kort daarop is de grond, door de zon tot stof verpoeierd, bijna geheel

kaal, met slechts hier en daar wat toefjes rijst, pas geplant en reeds

overstoven met het fijne zand van den bodem, hetwelk reeds opstuift,

als er maar een vogel overheen vliegt. Onze optocht bestaat uit tien

zeer primitieve karren van planken en bamboelatten op een onderstel

geplaatst zonder zijwanden. Alleen onze zucht tot zelfbehoud maakt,

dat wij niet bij ieder stootje van het voertuig eraf rollen. Gelukkig

heeft de weekelijke beschaving van ons Westerlingen een remedie voor de

kwaal meegebracht in den vorm van een matras, die op het voorhistorisch

voertuig werdt gelegd en die de ruwe schokken een weinig tempert.

Samengehurkt op onze matrassen als op een bed van heete asch,

altijd maar pogingen doende, om geheel en al weg te kruipen onder

onze zonneschermen, zien wij nu en dan eens even vaag de trotsche

koepels van eenige khmersche ruïnen, die op den top staan van een

brandend heeten heuvel of onduidelijk afsteken tegen de vlakte. De

verschijning van die grootsche monumenten te midden der armzalige

natuur werkt bemoedigend, maar toch is het tegelijkertijd een

bedroevende aanblik. Welke adem is er over dezen bodem gestreken

en over al die vroegere grootheid? En wie is van dit diepe verval,

waarvan de aanblik ons in de ziel grijpt, de oorzaak geweest, wie

gaf er den eersten stoot toe, de mensch of de natuur?

Eindelijk vinden wij de boorden der rivier terug, en als met een

tooverslag is alles veranderd. Tusschen kokos- en arecapalmen, bananen

en de verdere sappig groene massa van den exotischen plantengroei,

staan op een rij de hutten van een eindeloos dorp. Op palen gebouwd,

van bamboes en van stroo, zien ze er armoedig, maar toch wel zindelijk

uit. Groote bruine menschen wonen in die lage verblijven met hun

vrouwen, die regelmatige trekken hebben en hard, borstelig haar;

met waardige gratie dragen al die personen doeken en gordels van

verschillende kleuren. In de bedding der rivier draaien wielen met

lichte schoepen, door den stroom in beweging gebracht, en voeren het

water naar de woningen aan den oever door lange bamboekokers. Rondom

de hutten speelden kinderen met groote buffels, wier horens, die

zoo vaak gevaarlijk zijn voor Europeanen, in 't minst geen booze

bedoelingen schenen te hebben ten opzichte van het vuile kindertroepje.

Daar zijn we bij de "sala", de herberg, die vriendelijk ter beschikking

van de reizigers gesteld is; 't is een blauw geverfde stellage van

planken, en met haar estrade lijkt ze veel op het tooneeltje van een

café-concert. Daarnaast woont de gouverneur, een stroohut, die zich

enkel door haar grootte van de andere onderscheidt.

Dit groote dorp heet Siem-reap, provinciale hoofdstad; dus eerbied als

't u blieft!

Wij wandelen nog een heelen tijd langs de hutten en de tuinen, waar

alle arbeid aan de natuur blijft overgelaten en waar dit eenvoudig

volkje de bevrediging van al zijn behoeften vindt. Dan treden wij

een bosch binnen met dicht struikgewas, waarboven zich reuzenboomen

verheffen, echte boomen uit het oerwoud.

En terwijl wij daar gaan en, boven ons, de apen zwaar door de boomen

hooren springen, terwijl luid schreeuwende vogels aan 't gillen zijn,

en om ons heen de hanen en de wilde pauwen opvliegen, zien wij stil

en bedaard die gebronsde mannen en vrouwen langs ons gaan, zoo flink

en goed gebouwd en met iets zoo rustigs in den blik.

Zorgeloos volkje, door geen onvervulbare behoeften gehinderd! Gelukkig

volk, dat geen geschiedenis heeft!

Het bosch, dat plotseling afgebroken wordt door een open ruimte, wijkt,

als het ware, terug om een onmetelijken cirkel te omsluiten, waar als

zuilen de stammen der reuzenboomen omheen staan. Toen aanschouwden

wij in het te felle licht van die te wijde vlakte zwarte massa's van

onbekende, onbepaalde vormen, die tot in verre verte reeksen vormden

of hier en daar zonderlinge punten omhoog staken. Een lange lijn

van gevels loopt ongeordend langs den voet van drie hooge torens en

wijkt in de verte, zooals groote schepen doen, die achter de gebogen

lijn der zee het eerst hun masten vertoonen. Men voelt iets van

teleurstelling opkomen, maar men herinnert zich dan al spoedig, dat

juist de reuzenafmetingen van deze monumenten hen, om zoo te zeggen,

neerdrukken door hun eigen onmetelijkheid.

Onze karren bestijgen een terras, beschermd door twee monsterdieren,

die leeuwen voorstellen. Een steenen pad loopt voort tot dichtbij

de vijvers, bedekt met lotusbloemen, en dan verder naar een wijde,

omsloten ruimte, waar lange gangen doorloopen tusschen hooge,

vierkante zalen. Door een eerepoort traden wij binnen en waren aldus

in het heiligdom aangekomen. Vóór ons, maar nog op grooten afstand

en over de toppen der kokospalmen heen, verhief zich de tempel van

Angkor met zijn formidabele massa, waarboven drie koepels verrezen,

die wij perspectivisch alle drie in één rij zagen.

De met groote platte steenen geplaveide weg voert erheen, streng,

rechtlijnig en statig, en aan den kant staan twee kleine tempels, twee

artistieke gebouwtjes, met hun voeten weggedoken in de modder van de

plassen. Ginder, in de verte, heel aan het eind van den langen weg,

ziet men verschillende achter elkaâr gelegen portieken, en reeksen

van stoepen en trappen leiden naar den centralen koepel, waarheen de

aandacht wordt getrokken door middel van al die andere monumenten,

deel uitmakend van het reusachtige plan.

Zoo is de pelgrim, gekomen uit het diepste van de bosschen, die de

vlakte omzoomen, niet verlegen welken weg te kiezen. Te midden van de

vele heiligdommen en ondanks de drievoudige omheining weet hij door

de donkere gangen over de zonnige pleinen en tusschen de velerlei

kloosters den weg te vinden; hij wordt, als 't ware, meegetroond door

de geheimzinnige eenheid dezer plaats, door een macht, die hem van

godsdienstigen eerbied vervult en niets anders is dan de suggestie

van de rechte lijn.

Wij zagen gevels, die zoo ver ons oog reikte, de een op den ander

volgden; sierlijke portieken waakten twee aan twee op de hoeken dier

gevels en verbraken er de eentonigheid van naar het midden; er waren

zuilengalerijen, waar een overvloed van ornamenten als een levend

klimop zich om de pilaren slingerde en waartusschen door in breede

stroomen het licht naar binnen viel. Dat maakte het mogelijk op de

wanden van de galerijen de bas-reliëfs te onderscheiden, waarin de

geschiedenis te lezen was van 't volk, dat deze monumenten bouwde, en

verder volgden donkere zalen en lichte gangen, boogvormige en vlakke

zolderingen, geheimzinnige hoekjes, waar de een of andere misvormde

Boeddha troonde onder de bescherming van veel vleermuizen. En elders

zag men vijvers, door galerijen omgeven; vierkante pilaren, in strenge

rijen geschaard, om zolderingen en daken te dragen, of tot sieraad

in hoeken aangebracht; afgesloten binnenplaatsen met kloosterramen

en open pleinen, die als tuinen waren en waar, als bloemen op een

bloembed, sierlijke, kleine tempeltjes stonden, om door hun fijn

en fraai voorkomen de verpletterende schoonheid van het grootste

heiligdom te temperen. Overal vielen in deze wonderlijke wereld van

monumenten ingestorte gebouwen en deelen van bouwwerken in het oog,

zooals zij daar half uitgewischt beeldhouwwerk droegen en met den

aanslag van de eeuwen waren overdekt.

Hoe zal men al die wonderen met voldoenden eerbied bespreken? Is het

niet, alsof men heiligschennis begaat, als men door de beschrijving

der détails de bewonderenswaardige eenheid van dit meesterwerk

verduistert? Die eenheid dringt zich op aan ons oog en staat levendig

voor onze verbeelding al den tijd van het bezoek aan de monumenten;

zij zal de hoofdindruk blijven, dien wij van hier meenemen, een diepen

indruk van een werk uit één stuk, dat boeit door de grootschheid der

proporties en daarna pas bekoort door de bevallige schikking van de

versierselen, terwijl een grootsch genie niet enkel de hoofdlijnen

trok, maar tevens de aantrekkelijke détails bepaalde en schikte.

Twee vierkanten bevatten boven elkander aangelegde terrassen,

wier zuilen en kapiteelen in harmonieuse lijnen rijzen en overal

met bas-reliëfs bedekt zijn. Het grootste en eerste van die beide

vierkante pleinen heeft een omtrek van twee kilometer; er loopt

een lange kruisgang langs, waarvan de zuilen aan den buitenkant,

gekeerd naar het bosch en de tuinen, een interessante historische

galerij vormen. Het tweede, dat er strenger uitziet, herbergt onder

de gewelven van zijn gangen en zalen, vol angstwekkende schaduwen,

een massa steenen godheden, het Pantheon uit den vervaltijd. In

't midden van het tweede terras ziet men met verbazing een berg

van gebeeldhouwde steenen, prachtig fijn bewerkt. Op dat reusachtig

voetstuk staat de eigenlijke tempel.

In de hoeken verrijzen vier koepels, schitterende schildwachten,

die den centralen koepel, den reus, het opperheilige, bewaken. Het

zijn pyramiden met vele trappen, waarvan de omtrekken en de scherpe

lijnen alle aan het oog onttrokken worden door een overvloed van

ornamenten. Zij dragen op den top een vreemde bekroning, op een

tiara gelijkend, een der oude tiaren uit den tijd der Middeleeuwen,

waar wonderlijk gevormde steenen in bevestigd zijn en ruw gegraveerde

cameeën. De gidsen geven er den naam van _prea-sat_ aan, maar ik vrees,

dat ik, door dien barbaarschen term te gebruiken, met een uitstalling

van geleerdheid den diepen indruk van kunst en genie zal schaden,

dien nog in mij wekt de herinnering aan het wonderwerk.

Men moet zich met behulp van handen en voeten opwerken tegen den

heiligen berg, zoo steil en lastig is de beklimming langs ongelijke

trappen met smalle treden, die bijna niet naar voren komen. De

majesteit van het heiligdom wordt door dien moeilijken tocht

verhoogd, en men krijgt meer eerbied voor wat men met zoo groote

moeite moet bereiken. Boven krijgt men weer gewelven te zien en

kapellen en kloostergangen, alle uitkomend bij den centralen koepel,

het geheimzinnige middelpunt, dat boven het geheel zijn hoofd, met

diamanten getooid, opsteekt. Daar zijn, naar men zegt, de heilige

voorwerpen opgeborgen en de documenten, die de annalen bevatten van een

ras, dat tot den sagentijd opklimt. Noch deuren, noch trappen stellen

in staat, ook maar het minste of geringste van die geheimzinnigheden

te doorgronden. Maar aan de vier hoeken en in het midden der gevels

laten groote portieken stroomen licht binnenvallen, naar 't schijnt

om van alle punten van den horizon de eerbewijzen der natuur en der

menschen in ontvangst te nemen.

Gezeten op de treden van een dezer portieken, met de voeten op een

kroonlijst met afgebrokkelde beeldjes, zien wij de zon ondergaan

achter het gebladerte van het bosch. Onder ons worden pleinen en

gangen langzamerhand in duisternis gehuld, terwijl op de hoogte,

waar wij ons bevinden, de laatste zonnestralen nog het heiligdom

treffen. Eén voor één verdwijnen de zuilen, de kapiteelen en de

bas-reliëfs, die men overal herhaald vindt, met de rijen, eindeloos

lang, van heilige bayadères. Spoedig kunnen wij nauwelijks meer de

daken onderscheiden met de zware, lange, afgeronde steenen, die rij

aan rij zich uitstrekken met de eentonige regelmaat der voren in onze

akkers. Eenzaam verschijnt soms nog, oplichtend, het gele kleed van

een bonze, die bij zijn ronde langs een muur strijkt.

Toen kwam 't ons voor, dat al die dingen, die wij nu zoo dicht vóór

ons zien, en die zoo oneindig ver van ons oude Europa zijn, iets

bekends hadden. Op het oogenblik, toen het plotseling invallenden

duisternis, dat eigen is aan oostersche landen, waar men de bekoorlijke

schemeruurtjes niet kent, ze aan ons oog geheel onttrekt, wekken hun

verwarde vormen in ons een wereld van onverwachte herinneringen.

De architectuur van deze monumenten is niet geheel nieuw voor ons. In

streken, die minder ver van Europa verwijderd zijn, Babylon en Niniveh,

vindt men diezelfde terrassen met bouwwerken er omheen, die breede

wegen, met platte steenen geplaveid, en de assyrische muren vertoonen

een dergelijke overvloed van bas-reliëfs.

Wat zijn het voor majestueuse figuren, die er zoo priesterlijk uitzien

en aangebracht zijn op den voorgevel van een paleis of den rand van een

toren? Egypte heeft daar zijn stempel op gedrukt. En die verrukkelijke

tempeltjes met hun portieken en hun zuilen van zoo zuiveren stijl,

waarin de harmonie der lijnen zoo goed past bij de soberheid der

versieringen, moet men daarvan niet in het klassieke Griekenland de

prototypen zoeken of misschien, wie weet het, de navolgingen?

Wat zijn er een dingen hier, die ons vertrouwd en bekend lijken! Wij

herkennen de kleine klosvormige zuiltjes, die het traliewerk der

vensters vormen, omdat wij ze reeds ontmoet hebben in oude huizen

uit Bretagne.

Alles in één woord wijst op een van elders gekomen ras, dat zijn

inspiratie heeft moeten halen van de wieg der wereld zelve, die

grenzen van Europa en Azië, waar de oudste beschavingen geboren werden.

Niet ver van den tempel in het bosch ligt de koninklijke stad

Angkor-tom begraven, welker reuzenomtrek 4 K.M. lang was aan elke

zijde van het vierkant. Wij lieten den volgenden morgen onze karretjes

weer aanspannen, om ons erheen te laten brengen. Helaas, indien de

godheid al den tempel, haar gewijd, in stand heeft kunnen houden,

zij heeft het niet kunnen of willen doen met de paleizen der menschen,

en te midden van onontwarbaar struikgewas moet men er nu de ruïnen van

zoeken. Plotseling staken de wielen der kar den arbeid in den zandigen

grond; een schok schrikt den toerist op uit zijn mijmeringen bij het

zien der apen, spelend in de hooge boomen. We gaan met de kleine ossen

dapper een steenen trap beklimmen en rijden onder een eereboog door,

van waar een impassibel steenen beeld ons schijnt te bewaken. Door het

gebladerte kan men nog een lange reeks van zwarte muren onderscheiden,

die in het struikgewas voortloopen; maar als op enkele plaatsen de

boschjes minder dicht worden, ziet men opeens met verbazing, dat de

muur, die als omheining diende, gebeeldhouwd is als een bas-reliëf

in een tempel.

Op den rand van een open terreintje zien wij een heuvel, dicht met

planten begroeid, reuzenboomen steken er hun kruinen in de hoogte,

en te midden van hen rijzen donkere, statige steenmassa's, die hun

een plaats in de zon schijnen te betwisten. De heuvel zelf blijkt een

monument van khmersche kunst, een tempel, een paleis of een graf,

en op de forsche gewelven is als op vasten, effen bodem het levend

bosch gegroeid. De pleinen, portieken en sierlijke zuilenrijen, de

terrassen en trappen, steil als ladders, het labyrinth van zalen, de

ingestorte verdiepingen, alles is overweldigd door dien plantengroei,

die zelf zijn voetstuk weer vernielt.

Boven een drievoudige verdieping van gewelven loopt men over

een vlakte, bedekt met enorme stukken puin, deelen van zuilen

en reuzensteenen. Overal verrijzen koepels boven de ruïnen als

onwrikbare bewakers. Veelal zijn het vier reuzenhoofden, onder een

zelfde hoofddeksel gevangen, en niets heeft van die priesterlijke

aangezichten de uitdrukking van hooge kalmte kunnen wegnemen, noch

het nadeel, dat de boomen eraan hebben toegebracht, die in de spleten

van 't gesteente groeien en hun statige coiffure in een woeste pruik

veranderen, noch het oneerbiedig spel der apen, die hun over het

hoofd wandelen en geen eerbied toonen voor het gelaat.

Te midden der geheimenissen van het woud, bij al die ruïnen, waar

tijgers soms hun jongen komen verbergen, onder de oogen van de steenen

figuren, in hun eeuwigen droom verzonken, gaat onze verbeelding aan

het werk, tracht het verleden op te roepen, en onder al die doode

dingen treedt het leven naar voren, als een laatste vonk uit het

beeldhouwwerk, waarmee de losse steenen versierd en als ten leven

gewekt zijn. Zie, daar zijn koningen te herkennen, monarchen in

triomf gezeten op hun zegewagens, door met goud gestikte dekkleeden

versierde paarden voortgetrokken; een stoet van priesters en hovelingen

vergezelt hen. Dan volgt het leger der krijgers, dat der slaven en,

den optocht sluitend, de wonderlange stoet van olifanten.

Op den eindeloozen weg tusschen het paleis en den tempel van Angkor-Wat

vertoont zich zulk een reuzenprocessie; maar zij leeft niet meer;

zelfs de legenden erover zijn verdwenen uit de herinnering van het

volk, dat zijn eigen roemrijke geschiedenis niet meer kent, nu het

verwoestingswerk van den tijd, door plunderingen geholpen, er een

eind aan heeft gemaakt.

De hutten, waar de bonzen of priesters rondom den tempel wonen, vormen

met de monumenten een aangrijpende tegenstelling. Het dorp is niets

dan een verzameling stroohutten. Wij logeerden onder een groot afdak,

in een aan alle kanten open ruimte. De vloer rustte op hooge palen en

bestond uit een open vlechtwerk van bamboes, terwijl de bamboeladder

toegang gaf tot dit hôtel. 's Nachts, toen wij ons op onze matrassen

telkens omkeerden, gekweld door ontzagwekkende droomen, klonken

overal om ons heen de neusklanken van 't psalmgezang der bonzen,

die een soort van litanie aanhieven. Dat duurde lang en begon al

vroeg weer in den morgen als antwoord op het gekraai der ontwakende

hanen. En gedurende de enkele uren van rust, ons gelaten door die

vrome zangen, waren er allerlei vreemde geluiden, wel geschikt om den

reiziger te verschrikken, die daar in de open lucht ligt in het land

van schorpioenen en slangen. Het waren onze ossen, die onder ons afdak

vastgemaakt waren en die telkens bewogen of kauwden of zich zacht de

lenden wreven.

Toch is dit volk, dat in hutjes van hout en stroo woont en dat meer

gelijkt op een primitief volk dan op een, dat gedegenereerd is, wel

stellig het nakroost van de groote bouwmeesters van Angkor. Zij zijn

forsch en groot, hebben sterk geaccentueerde trekken, die op de onze

gelijken, wijd geopende oogen, 't geen alles erop wijst, dat ze van

verre zijn gekomen. Stellig zijn deze menschen van hetzelfde ras als

de Indiërs, die op datzelfde tijdstip, dat tot den fabeltijd schijnt

op te klimmen, dezelfde reusachtige bouwwerken aanlegden. Zij kunnen

elkander niet negeeren, want zij zijn nog tegenwoordig broeders door

hun gelaatstrekken, zooals zij het vroeger waren door hun genie. Maar

hoe dan dat totaal verval te verklaren, achteruitgang, die geen hoop

laat en geen spijt? Helaas, dat zulk een verschijnsel niet tot de

zeldzaamheden behoort!

Hebben de fellahs niet de pyramiden gebouwd? Hebben wij niet aan de

Singhaleezen de kolossale werken van Anuradhapura te danken op het

eiland Ceylon? Die onderworpen volken arbeidden voor hun meester en

door de kracht van hun millioenen armen stelden zij hem in staat,

de wonderen tot stand te brengen, waaraan hun intellect geen deel

had. Zij waren menschelijke machines en werden voortgedreven door

een klein aantal begaafden onder hen, en ze keerden terug tot den

eenvoud der natuur, zoodra die aristocratie van gezag en genie uit

hun midden verdween.

Op den morgen van den vierden dag waren wij vroeg bij de hand, om voor

de laatste maal een bezoek aan den tempel te brengen, eer wij naar onze

jonk terugkeerden. De zon ging op achter het heiligdom. De koepels

straalden boven onze hoofden en de kolossus verscheen in een krans

van rooden morgengloed. Om ons heen was alles nog in schaduw gehuld;

de hutten, de ossenkarren, onze cambodja'sche gidsen, de troep bonzen,

die waren komen aanloopen om van de uitdeeling van gekleurde potlooden

te profiteeren. Wij meenden een beeld te zien van het verleden van dit

volk. Een verheven licht is op één punt des tijds boven deze streken

opgegaan en heeft voor een oogenblik de bewoners uit de schaduw naar

voren gebracht, om hen te doen deelen in zijn luister, zooals de

slaven deelden in 't geluk van den meester. Dat licht was slechts de

weerschijn eener vreemde beschaving, en zoo lang de souvereinen van

Angkor in gemeenschap bleven met de wieg van hun geslacht, gaven zij

hun genie nieuwe kracht door het voorbeeld van een kunst, die langen

tijd over de oude wereld heeft gestraald. Van daar haalden zij hun

bouwmeesters en schilders en beeldhouwers. Maar op een dag werd de

gemeenschap verbroken door noodlottige oorlogen en mogelijk ook door

het terugwijken van de zee, want het is boven allen twijfel verheven,

dat in dat ver verleden de Tonlé-sap een volkomen toegankelijke golf

was. Toen het bloed niet meer van het hart toestroomde, gingen de leden

kwijnen, en de koningen, in het nauw gebracht door de invallen der

noordelijker wonende volken, verloren macht en aanzien. Zij verloren

die zoo geheel, dat zij voor altijd de plaats van hun glorie uit het

oog verloren, en dat op dit oogenblik een met hen wedijverend volk

het land in bezit heeft. Siam bezit namelijk deze ruïnen, en het doet

weinig of niets voor het onderhoud. Toen wij door Siem-reap reisden,

kwam een siameesche gouverneur onze paspoorten opvragen en noteerde

onze namen, om ze naar Bangkok te zenden.

Na een laatsten blik op den kolossus van Angkor-Wat, een blik, die

het geheel niet kon omvatten, begaven wij ons naar beneden naar onze

boot. Sedert vier dagen wachtten onze roeiers daar op ons, getrouw

op hun post. De koelies belastten zich met matrassen en proviand,

met de bagage en de toeristen zelven, en in minder dan een half uur

was alles aan boord. Vooruit nu maar!

Twee dagen daarna, tegen den avond, zijn wij bij

Compong-Chuang. Jonken, gelijk aan de onze, maar mooier versierd,

wiegelen op de golven bij de aanlegplaats. Het zijn de equipages

van den tweeden koning van Cambodja, die den resident een bezoek is

komen brengen. Het gevolg van den monarch _in partibus_ bestaat uit

de vrouwen en de dames van het ballet. De prinsessen dragen het lange

kleed van siameesche mode, de danseressen alleen een gordel als in

Cambodja. Wij worden aan Zijne Majesteit, broeder van koning Norodom,

voorgesteld, die naar landsgebruik den vorst heeft opgevolgd. Hij

is een man van vijf-en-zestig jaar, gedrongen, krachtig, nog maar

even grijs wordend en zich flink voordoend in zijn grijs jasje en

wit vest. Zijn beenen zijn half bloot, als die van kinderen en hij

draagt kousen en halfhooge laarsjes. Zijne Majesteit ontvangt ons

uiterst vriendelijk; een onwankelbare glimlach speelt om zijn mond

en onthult het mooiste gebit, dat eenig dentist voor zijn étalage

zou kunnen verlangen.

"U is in Angkor geweest?" vraagt hij ons. "Dat is de wieg van ons ras,

en mijn broeder en ik zullen altijd aanspraak blijven maken op het

bezit ervan."

Daarna boog de vriendelijke man en lachte, wisselde handdrukken met

ons en ging in zijn drijvend paleis.

Moet ik de waarheid bekennen? Wij waren wel een weinig teleurgesteld

over dien sympathieken maar zoo weinig majestueuzen afstammeling der

groote vorsten van Angkor. De resident, onze vriendelijke gastheer,

wien wij onze indrukken meedeelden, ried ons aan, in 't voorbijgaan

Compong-luong te gaan zien. "Van daar zult u Oedong kunnen bezoeken,

de voorlaatste hoofdstad, en u zult u een juister voorstelling kunnen

maken van wat een koning van Cambodja wezen kan".

Den volgenden morgen heel in de vroegte deed onze jonk den oever van

Compong-luong aan. De inlandsche gouverneur liet ossenkarren voor ons

komen, en wij reden over een weg, breed en mooi als een uit Europa,

naar Oedong de verhevene, het Versailles van Cambodja. Waarlijk,

deze laan ziet er mooi uit, met dien rand van kokospalmen, die uit

de vruchtbare vlakte rijzen, en de omgeving geeft ons al van te voren

een hoog denkbeeld van de paleizen, waar zij toegang toe geeft.

Hoe verbaasd waren wij dan ook, toen plotseling de breede weg smal werd

en doodliep in een rijstveld. Tegenover ons leek iets als een pleintje

te liggen en na een omheining van groote palen gepasseerd te zijn

met een soort van poort erin, bevonden wij ons in het oude koninklijk

paleis. Achter een kleinen vijver ziet men eerst een "sala" of loods

van twee verdiepingen, op in het water staande palen. Drie kleine

tribunes zijn ervoor aangebracht, gesteund door drie groote palen,

die aan het dak bevestigd zijn en wel 10 meter lengte hebben. Al

hadden ze wel een beetje van een galg, toch dienden die stellages

en pilaren nergens anders voor, dan om den vorst aan zijn volk

te vertoonen. Ernaast stond een gewone tempel, wit met goud, die

verbrokkelde en afschilferde en een grooten Boeddha bevatte achter

een gebloemd katoenen gordijn van een paar stuivers de meter. Een

groep bonzen bedient dit heiligdom en woont in de gebouwen van het

eigenlijke paleis. Teleurstelling! Het paleis is slechts een hut van

stroo, een groote hut wel, lang en diep, maar toch op verre na geen

vorstelijk verblijf.

In het inwendige vertoonden de vertrekken van den koning, vader

van Norodom, tusschenschotten van planken en witkalk, waar nog

overblijfselen van fresco's op te zien waren. Maar er is geen enkele

steen gebruikt voor den bouw van deze koninklijke residentie en

geen stukje beeldhouwwerk wekt eenig idee van kunst. Geheimzinnige

bouwmeester van Angkor, wat is er uit uwe afstammelingen geworden!

Rondom het koninklijk paleis, en waar vroeger de volkrijke stad lag,

breiden zich velden en moerassen uit. Toch lag daar nog in de eerste

helft der 19_de_ eeuw een groote stad. De bewoners zijn geëmigreerd,

zonder zelfs ruïnen achter te laten als sporen van hun verblijf, want

bamboes en stroo verrotten spoedig, en de woning der koningen wekt geen

schitterende voorstelling van de hutten hunner nederige onderdanen.

In een hoekje van de vlakte heeft de koningin-moeder een gedenkteeken

voor haar echtgenoot opgericht, een mausoleum voor den slecht

behuisden monarch. Het is een vierkante toren, omgeven door slanke

zuilen, zooals 't geval is bij alle heiligdommen in het land. Het

opgewipte dak is gedekt met gekleurde pannen. Een drievoudig terras

met een balustrade dient tot voetstuk voor het monument, en op de

treden zijn allerlei godenfiguren aangebracht, ook monsters, die er

als vogelverschrikkers uitzien. Zij houden de wacht bij elke trede

van de trappen, aan iederen hoek van een muur, als om de schatten

van het heiligdom te beschermen. Noodelooze moeite, er is niets te

halen, en men moet er binnen treden, als men een echt voorbeeld van

slechten smaak wil zien. Fresco's zijn op de wanden aangebracht in

schreeuwende kleuren, door spiegels in vergulde lijsten, die aan de

pilaren hangen, schril weerkaatst. Op de verhooging, waar Boeddha

is gezeten, ligt een kermisuitstalling van allerlei voorwerpen uit

goedkoope winkels, bloempotjes met papieren bloemen erin, blauwe

en gele glazen knikkers, dieren van verguld pleister, poppetjes van

beschilderd karton, en eindelijk als pronkstukken van de etalage vier

prachtige apothekers-uitstalflesschen, twee roode en twee groene.

Toch bevat Oedong-de-Verhevene nog enkele interessante

overblijfselen. Er ligt niet ver van het grafteeken een groep heuvels,

oprijzend midden uit de rijstvelden. Het woud, dat door den landbouw

teruggedrongen is tot den voet der heuvels, beklimt ze, en te midden

van 't geboomte ziet men scherpe spitsen van bouwwerken. Dat zijn

obelisken van een eigenaardigen vorm, dikker en lomper dan die

uit Egypte, met massief vierkant voetstuk en afgeronde punt. Ze

worden _pnoms_ genoemd, en 't gebruik wil, dat ze op hooggelegen

punten worden geplaatst. Een eindelooze reeks van treden bracht

ons naar den top. Daar stonden op een groot terras twee pnoms naast

elkander, precies gelijk, alleen was de eene ingelegd met guirlanden

en rozetten van gekleurd porselein. Rondom ieder voetstuk droegen

enorme olifantskoppen het zware monument.

Van dit punt is het uitzicht over de vlakte van rijstvelden en plassen

prachtig mooi; het oog reikt van Pnom-penh tot aan de grens van

Siam. Op de golvende kruinen der andere heuvels stonden een tiental

pnoms, die hun spitse toppen verhieven boven de boomen, zoodat die

voorgrond den indruk maakte van een doodenstad. Ik weet niet juist,

of die monumenten gebouwd zijn om heiligen-relieken te bewaren

of voor de asch van een koning. Maar die tweede veronderstelling

doet mij het aangenaamst aan, en ik mag gaarne denken, dat, om tot

de onsterflijkheid in te gaan, de souvereinen van Cambodja tot de

grootheid van hun voorvaderen meenden te moeten terugkeeren.

Van Oedong bracht de sloep ons, door den stroom geholpen, tot

Pnom-penh. Daar resideert de tegenwoordige koning van het land,

Norodom met zijn populairen naam; en nog vol van de pas opgedane

indrukken over zijn vader, legden we bij hem onze eerste visite

af. Wij treden in de omheinde ruimte van de koninklijke verblijven. In

plaats van een eigenlijk gezegd paleis, zooals wij, Europeanen, ons

dat voorstellen, bevinden wij ons tusschen een complex van allerlei

kunstelooze gebouwen. Overal groeit gras tusschen de steenen, stukken

puin liggen op den grond; op de binnenpleinen loopt gevogelte. Eerst

was er dan de troonzaal, een lange loods, die mij denken doet aan

de zaal, waar in onze jeugd de prijzen op school werden uitgereikt;

verder allerlei goedkoope meubels in de andere vertrekken, verkleurd

parijsch goedje, leelijk brons en onecht porselein, want de handelaars

beschikken over een groot deel van de civiele lijst des konings,

door hem die zoogenaamde kunstvoorwerpen duur te verkoopen.

Iets verder wijst men ons een huisje, leelijk en burgerlijk van stijl,

zeker kant en klaar op de eene of andere tentoonstelling gekocht. In

een villa van die soort woont de vorst, met veranda en gekleurde ramen,

juist zooals een koopman in ruste het verlangt.

Een enkele maal krijgt Norodom verlangen naar iets groots; dan kwellen

hem de groote ruimten van het oude Angkor in den droom. Zoo heeft hij

nu een bouwwerk opgericht, dat zijn bestuur tot eer moet strekken,

een vergulde pagode, en de inwijding van dit monument verleent aan

de Têtfeesten dit jaar een ongewonen glans.

Vóór den tempel prijkt het standbeeld van Norodom I. Hij is te paard

voorgesteld in generaalscostuum met den hoed in de hand. De monarch

is geheel van goud, en zijn paard is hemelsblauw gekleurd. De houding

is niet kwaad, maar zoo bekend! Waar kunnen wij die toch meer hebben

gezien? Een woord van onzen gids helpt ons terecht. Het is het

standbeeld van Napoleon III, door de republikeinsche regeering op

zij gezet, en waarvan men een presentabelen Norodom heeft gemaakt,

door het baardje weg te laten en den neus wat af te platten.

Namaak, het standbeeld van den vorst! Namaak, zijn paleizen en zijn

tempels! Namaak, alles in Cambodja, zoozeer dat die tot beginsel

schijnt geworden.

Het gebeurt, dat volken, evenals oude menschen, kindsch worden. De

rijpe leeftijd van dit ras was ook zijn gouden tijd. Sinds dien ouden

tijd hebben de ontaarde afstammelingen van de Khmers uit hun roemrijk

verleden slechts onbewuste herinneringen overgehouden, een soort

van instinct, dat hen van groote gebouwen doet houden. Zij voelen

veel voor al wat blinkt en schittert, en verbergen hun gebrek aan

inspiratie onder indigo en goud en oker. Bij de bouwkunstige wonderen

van Angkor vergeleken, lijken hun monumenten op kinderspeelgoed.

Zij werken niet voor de toekomst, en soliditeit is niet van

hun gading. Het tegenwoordige is hun genoeg, de duur van een

menschenleeftijd of van een koningsgril. Als de muren maar wit zijn,

als de daken en de sieraden maar schitteren in de zon, is alles in

orde. De koning, die een monument heeft laten bouwen, zal mogelijk

voor het onderhoud zorgen; zijn opvolger zal het zeker verwaarloozen.

Die onvastheid schijnt altijd een kenmerk van het ras geweest te zijn;

zij is de oorzaak van de verwaarloozing, waaraan de Khmers zooveel

grootsche monumenten ten prooi hebben gelaten, en hun afstammelingen,

door het voorbeeld van vroegere geslachten gewaarschuwd, hebben

de gewoonte verloren, degelijk materiaal te gebruiken voor werken,

die toch bestemd zijn spoedig te vervallen.

Pnom-penh zal hoofdstad worden van Cambodja. Wij hebben er huizen

gebouwd van degelijke steenen, en wij hebben er westersch streven

naar ontwikkeling ingevoerd. Nu moeten wij verder gaan en voor koning

Norodom opkomen, dien wij onder ons protectoraat hebben genomen,

en trachten, hem weer in 't bezit te stellen van de oude ruïnen,

die zijn voorgeslacht heeft achtergelaten.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 · 第 13 / 49 题