M. G. Brondgeest.

Voor ons Nederlanders, bewoners van noordelijke koude luchtstreken,

hebben de woorden "het Zuiden, de Middellandsche zee" een betooverenden

klank. Zij doen ons zoo denken aan schitterend zonnelicht, aan

koesterenden zonnegloed, waar wij vooral in den winter met zijn korte,

vaak zoo sombere dagen zoo reikhalzend naar kunnen verlangen. Ook

onvergelijkelijke kleurenpracht, bonte kleederdrachten en sappige

zuidvruchten roepen zij voor onzen geest. Wie, al is hij nog zoo

hokvast, heeft niet eenmaal in zijn leven het verlangen, eenige

weken in het diepe blauw der Middellandsche zee te staren, aan hare

schilderachtige kusten te droomen en te dwepen? Welke zee, met al de

kuststreken, die hare golven bespoelen, biedt den reiziger zooveel

natuurschoon aan als de Middellandsche zee, kan op een verleden, op

een geschiedenis bogen als de hare? Te vergeefs zou men in dit opzicht

haar gelijke zoeken. Tot haar gebied toch telde zij het kleine, met

zeldzamen kunstzin begaafde volk der Grieken, welks edele scheppingen

zelfs nu nog ons geslacht met bewondering vervullen en voor een deel

nooit overtroffen zijn; zij zag dit volk politiek, ja, ten onder gaan,

maar op cultuurgebied zijn schoonste lauweren behalen, daar zijn

overweldiger zelf het voornaamste werktuig werd voor de verbreiding

van zijn hoogstaande kunst en wetenschap over de geheele toenmaals

beschaafde wereld; zij beleefde het, hoe een enkele maal haar kusten

en eilanden onder één heerschappij, die der Romeinen kwamen, waardoor

aan al die kusten de vaan des kruises geplant werd; zij aanschouwde

met ontzetting de verwoesting van dit vermolmde en wankelende rijk

door de blonde zonen van het Noorden, die het een ander, maar jonger,

frisscher, nieuwer leven inbliezen; met onuitsprekelijke droefheid was

zij er getuige van, dat het zegenrijke kruis bijna aan al hare kusten

verdrongen werd door de troostelooze halve maan; maar ook met groote

vreugde, dat het weer een rijk van haar gebied was, het kunstlievende

Italië, waar oude kunsten en wetenschappen herleefden; ten slotte

werd de halve maan allengs weder van hare kusten verdrongen, terwijl

vooral in de laatste helft der vorige eeuw, Westersche beschaving

en menschelijkheid de overhand verkregen. Vooral in de landen,

gelegen aan Afrika's Noordkust, heeft de Europeesche invloed zich

doen gelden en hebben orde en goed bestuur Mohammedaansch wanbeheer

vervangen of verbeterd. Engeland heeft zich vooral met het oog op 't

Suezkanaal voor goed in het Nijldal gevestigd. Frankrijk, dat zulke

groote belangen heeft aan het kustgebied der Middellandsche zee,

vestigde in 't bijzonder zijn aandacht op Tunis en Algiers en in den

laatsten tijd ook op Marokko. Bekend is de moeite, die Duitschland en

in 't bijzonder de Duitsche regeering zich geeft, om met den Sultan van

Turkije vriendschappelijke betrekkingen aan te houden en te versterken,

teneinde zoodoende den Duitschen invloed in Klein-Azië, Syrië en

Palestina uit te breiden. Voor den Europeaan is in die streken een

ruim arbeidsveld geopend op het gebied van handel en nijverheid. Het

spreekt van zelf, dat verbetering en uitbreiding van het verkeerswezen

een der eerste zaken waren, die men met ijver ter hand nam.

Aldus worden ook voor het reizend publiek landen, rijk aan

natuurschoon geopend, die tot nog toe slechts door eenige weinige

bevoorrechten bezocht werden. Reisbureaux wedijveren met spoorweg-

en stoomvaartmaatschappij en om het den reizigers gemakkelijk en

aangenaam te maken. Zoo komt het, dat men tegenwoordig in Algiers

en Tunis even goed reist als in Europa. Daar wij voor eenigen tijd

gelegenheid hadden deze beide landen te bezoeken, is het ons aangenaam

er in dit tijdschrift het een en ander van mede te deelen. Wij doen

dit ook in de hoop, dat het enkele landgenooten, die anders hun tijd

in een dolce far niente aan de Riviera doorbrengen, moge bewegen eens

een kijkje aan den overkant te gaan nemen. Zij zullen zich niet te

beklagen hebben.

Aan gene zijde vinden zij een prachtige, dikwerf nog maagdelijke

natuur, een oorspronkelijke bevolking, oude volkrijke steden en

... geen speelbank, waar zij hun geld kunnen kwijt raken.

Algiers en Tunis, te zamen iets kleiner dan Frankrijk, vormen met

Marokko en Tripoli het oude Barbarye, reeds uit de tijden onzer

Republiek bekend om zijn zeeroovers. Na onder de heerschappij van

verschillende volken, Oostersche en Romeinsche, Germaansche en

Byzantijnsche, gestaan te hebben, werd het omstreeks 700 veroverd

door de Arabieren. In afzonderlijke rijken gesplitst, bleven de

Mohammedanen er meester tot in de eerste helft der vorige eeuw. Tijdens

hun bestuur of liever wanbestuur zonken deze landen, eertijds parels

aan de Romeinsche imperatorenkroon, hoe langer hoe meer weg in het

diepste verval. Het land werd verscheurd door onderlinge twisten der

verschillende emirs, beys en stamhoofden, elk spoor van Christelijke

beschaving uitgeroeid en in de havensteden, als Tunis en Algiers,

troonden vorsten, die hun residenties verrijkten met den buit,

welken hun roofschepen daar aanbrachten. Gedurende eeuwen waren de

Barbarijsche zeeroovers de schrik der Europeesche koopvaardijschepen,

niet het minst der Hollandsche, die hun vlag zoo dikwijls in de

wateren der Middellandsche zee vertoonden. Herhaalde expedities en

veroveringen hadden wel een aanvankelijk doch geen blijvend resultaat.

Meer dan eens werd de Ruijter uitgezonden om de Barbarijsche zeeroovers

te tuchtigen en nog in 1816 bombardeerde een Engelsch-Nederlandsche

vloot, onder bevel der admiraals Lord Exmouth en van de Capellen,

de stad Algiers naar aanleiding van zeerooverij.

Eerst in 1830 kwam aan dit schreeuwende misbruik een einde door

de verovering van de stad Algiers door de Franschen onder generaal

Bourmont. Tevens bezetten zij de naaste omgeving der stad.

Maar eerst in 1857 werd de verovering van het geheele land tot aan

de grenzen der Sahara door maarschalk Randon voltooid.

Algerië, verdeeld in 3 provincies, Algiers, Constantine en Oran

met gelijknamige hoofdsteden, is thans geheel een Fransche kolonie

met Fransch bestuur, Fransche wetten en rechtspraak en Fransch

bezettingsleger. Tunis is protectoraat. Na herhaalde expedities en

verschillende moeilijkheden met den Bey, kwam in 1881 het tractaat

van Kasr-Saïd of van Bardo tot stand, waardoor aan de autocratische

macht van dezen een einde kwam. De Fransche regeering verkreeg

het diplomatieke en militaire bewind, benevens de controle over

administratie en financiën. De Bey bleef souverein en regeert in

overleg met een gevolmachtigd Fransch minister, die te Tunis resideert;

bovendien ontvangt hij van het Fransche gouvernement een jaarlijksche

toelage van 1.200.000 frs.

De Franschen, die in Tunis wonen, zijn vnl. burgerlijke ambtenaren,

militairen en kooplieden. Het grootste deel er van, ongeveer 10.000

wonen in de stad Tunis, waar dus de Muselmannen met hun aantal van

65.000 inwoners verre de meerderheid hebben. Daarom vindt men aldaar

nog het Arabische leven en drijven in al zijn oorspronkelijkheid en

heeft de stad voor den toerist vele en belangwekkende eigenaardigheden,

die hij in Algerië te vergeefs zou zoeken. Algiers, Constantine,

Oran en verreweg de meeste kustplaatsen hebben hun oorspronkelijk

cachet grootendeels verloren, zijn bijna geheel Europeesche steden

geworden. De Arabier schijnt hier eerder vreemdeling dan inboorling te

zijn. Tunis daarentegen is gebleven wat de Arabieren het gaarne noemen:

"de bloem van het Oosten."

Het was het eerste doel van onze reis.

Mogen sommige bewoners van Noordelijke streken de reis naar

Afrika's Noordkust bedenkelijk ver vinden, met de Franschen is dit

niet het geval. "l'Algérie c'est la France," zeggen zij. Trouwens

zij zijn ook dichter bij, al bedraagt dit niet veel meer dan een

halven dag sporens. Van uit Parijs bereikt men met den sneltrein in

korten tijd Marseille, van waar goed ingerichte booten der Compagnie

Transatlantique, die ook op Amerika varen, den reiziger in anderhalven

dag over de blauwe watervlakte naar Tunis brengen.

Er is veel waarheid in het gezegde van Professor Martins: "ce n'est pas

la mer, c'est le mal de mer, qui sépare la France de l'Algérie". Maar

men moet de kans van zeeziekte loopen. Hij die op reis tegen eenige

moeite en ontbering opziet, blijve liever thuis. Wij troffen het

echter bijzonder voor de maand Maart, die gewoonlijk nog al ruw is en

volbrachten den overtocht met prachtig stil weer en een schitterende

zon. Een verrukkelijk gezicht was het, toen onze boot, de _Ville de

Naples_, na het verlaten der haven van Marseille de rotsachtige kust

met haar vele eilandjes al verder en verder achter zich liet. Daar

de weg door de grootste breedte der Middellandsche zee ging, kwam

men weinig vaartuigen tegen, slechts enkele visschersbooten en

eenige kleine koopvaarders. Nog waren de kusten van Sardinië niet

geheel verdwenen, of reeds kwam de Afrikaansche kust in 't gezicht,

bergachtig, met vele eilandjes, en als evenzooveel voorposten van het

Mohammedanisme zagen wij hier en daar op de heuvels zich verheffen

de gekoepelde, witgepleisterde graven van verscheidene Marabouts

(priesters) tot de zon onder de onbenevelde kim dook en de lichten van

Tunis ons tegemoet flikkerden. Nog meer dan een uur moest de boot door

het Canal de la Goulette, een uitgediepte geul in de ondiepe golf van

Tunis varen, voor de aanlegplaats bereikt werd. Het ontschepen ging

lang niet zoo spoedig en kalm als het inschepen. Want voor de boot

goed vastgemeerd lag, kwamen reeds in verscheidene bootjes de echte,

onvervalschte afstammelingen der vroeger zoo beruchte zeeroovers

van Tunis opzetten, de witte of gekleurde tulband of de helroode

fez scherp afstekend tegen het donkerbruine gelaat. Er waren echte

galgentronies onder, die duidelijk den stempel der herediteit droegen

en zij waren brutaal als de beul. Spoedig krioelde het op het dek van

allerlei bruine kerels, die op de wijze hunner vroede voorvaderen

de boot geënterd hadden en aan boord geklauterd waren. Kortom

echt zeerooversgespuis, hetwelk den passagiers zijn diensten als

pakjesdragers en gidsen aanbood. Met Argusoogen werd de longroom èn de

bagage door den hofmeester en de bedienden bewaakt. Bij het aan land

gaan begon het ongeluk eerst recht. Want nauwelijks de loopplank over,

werden wij omringd door een zestal Arabieren, mannen en jongens, die

zich, luid schreeuwende, van onze bagage trachtten meester te maken

om ze te dragen. Eenmaal afgegeven, zouden wij er waarschijnlijk

nooit veel van terug gezien hebben.

Dat krioelde om ons heen, trok aan onze bagage en kleederen, kroop

tusschen beenen en armen door en schreeuwde ons toe in een natuurlijk

onverstaanbaar Arabisch. Zoo goed als wij konden verweerden wij ons

tegen de aanvallers tot een Turco, een tolsoldaat, en de gids-tolk van

het hôtel waar wij kamers hadden besproken, ons van hen verlosten. De

laatste bracht ons naar de omnibus, waarmede wij spoedig ons hôtel

bereikten.

Dit was gelegen in het zoogenaamde quartier Franc, dat eerst dagteekent

van de laatste 20 jaren en de verbinding vormt tusschen de haven en de

eigenlijke oude stad Tunis. Voornamelijk wordt die verbinding gevormd

door de Avenue de la Marine en de Avenue de France, prachtige breede

straten, waarop verschillende zijstraten uitmonden. De reiziger staat

er over versteld, welk een groote verandering de Franschen in nog

geen 20 jaar in de stad gebracht hebben.

Aanvankelijk zou men denken, in een welvarende Fransche stad te

zijn. Electrische trams onderhouden het verkeer, elektrisch licht

zorgt voor de verlichting, terwijl de reinheid der straten niets te

wenschen overlaat.

In de Fransche wijk wonen de Europeanen en bevinden zich de voornaamste

Europeesche gebouwen, zooals het theater, de kathedraal, het paleis

van den Franschen minister-resident, de voornaamste winkels en hôtels.

Het hôtel, waar wij onzen intrek genomen hadden, gelegen in de Avenue

de France, bevond zich in de onmiddellijke nabijheid der Porte de

France, die toegang verleende tot de Arabische stad. Deze bestaat uit

drie deelen, nl. de middenstad, cité of Medina, die zich aansluit

aan het quartier Franc, en twee buitenwijken, een ten N. de Rebat

bab-el-souika en een ten Z. de Rebat bab-ed-djazira, (rebat-wijk en

bab-poort). De Medina is de voornaamste. Want in deze bevinden zich

de beroemde Souks, de bazars of markthallen. Deze bezochten wij den

dag na onze aankomst het eerst onder geleide van een gids-tolk, een

Tunesiër van geboorte, die echter de schilderachtige Arabische kleedij

voor de gemakkelijker Europeesche verwisseld had. Wil men Tunis en

speciaal het volksleven goed zien, dan is zoo'n persoon onmisbaar.

Met behulp van een papieren gids kan men slechts de voornaamste

merkwaardigheden uitvinden; wie meer wil zien, is in de grootste

verlegenheid, daar hij de landstaal, het Arabisch, verstaat noch

spreekt. De tolk weet echter alles, wat noodig is, zooals: waar men

te voet en met een rijtuig heen moet, tot wien men zich wenden moet

om deze of gene merkwaardigheid te zien, hij weet den weg door den

doolhof van nauwe straten en stegen, weet wat alles kost (behoudens de

noodige provisie voor hem zelf) en laat ons meermalen merkwaardigheden

zien, die men alleen nooit ontdekt zou hebben. De besparing in tijd,

moeite en kosten wegen ruimschoots op tegen het matige daggeld,

dat hij vraagt.

Zoodra wij door de Porte de France de Souks binnengetreden waren, viel

ons op, dat wij ons in een zeer oud stadsgedeelte bevonden. Nauwe

kronkelende straatjes en steegjes, te zamen één groot doolhof

vormend, waar men zonder gids deugdelijk in verdwalen kon, nu eens

uitloopend op een klein pleintje, dan weer doodloopend in een donker

gangetje. Somtijds moest men vrij steile trappen op, dan weer daalde

de straat zeer sterk.

Een liefhebber van oude gebouwen, van schilderachtige kijkjes en

verrassende eigenaardigheden kon op deze wandeling veel genieten. Naast

armoedige krotten verhieven de woningen van rijke Arabieren trotsch en

ongenaakbaar hun platte daken, de groote deuren van massief cederhout

dikwijls met ijzer- of koperwerk versierd, de ramen van onder- en

bovenverdieping van stevig en kunstig traliewerk voorzien, opdat

vrouwen en meisjes goed bewaard mochten zijn.

Sommige huizen zijn van balcons voorzien, die dikwijls zóóver

uitsteken, dat de bovenste verdiepingen der aan beide kanten der straat

staande huizen elkander aanraken. Dikwijls zijn de bazars overwelfd,

het gewelf gesteund door slanke Moorsche pilaren. Komt men in een

onoverdekte straat, zoo valt de blik op de slanke torens der moskeeën,

die ijl in de lucht stijgend, een schilderachtigen aanblik bieden en

het geheel als 't ware beheerschen. Vooral de Djama-ez-Zitouna, de

groote moskee, verrukt het oog door haar slanke vormen en kunstig op

de muren _en relief_ aangebracht complex van miniatuurbogen. Ofschoon

hobbelig geplaveid, viel de reinheid der straten ons erg mede, hoewel

men er niet tegen op moest zien af en toe een doode hond of kat te

ontmoeten, die zoo maar neergeworpen was. In die bazars wordt van

's morgens vroeg tot laat in den middag levendige handel gedreven. De

verschillende kooplieden hebben er, met uitzondering van eenige zeer

rijke, slechts kleine winkeltjes, sommige slechts eenige M_2_ groot,

waar zij, in 't halfduister neergehurkt, hun waren uitstallen. Eenige

wachten met Mohammedaansch fatalisme af, of er een kooper komt opdagen,

anderen prijzen luid schreeuwend hun waar aan, loopen een eind met u

mede, en zijn niet van u af te slaan. Elk artikel en handwerk heeft

zijn vaste bazar. Een geur van rozen, geranium of wierook verraadt,

dat men in de Souk der parfums is; de lucht van leer, dat men zich

in die der leerlooiers bevindt. Prachtige uitstallingen van zijde

en fluweel, kunstig met goud en zilver geborduurd, afgewisseld

met lange fijne burnous en helroode fezs, wijzen er op, dat men

de duurste wijk, die der voortbrengselen om welke Tunis beroemd is

nadert en dat het zaak is, zijn kooplust te bedwingen. In een andere

bazar weer worden kunstig bewerkte koperen voorwerpen en geciseleerde

wapenen verkocht of kan men het hart ophalen aan de vruchten van het

Zuiden. Timmerlieden, schoenmakers, schrijnwerkers en kleermakers,

allen hebben hier hun vaste wijk en standplaats. En tusschen al die

uitstallingen beweegt zich de bontste menigte, die men zich denken

kan. Rijke, gezette Arabieren in prachtige gewaden, zich ten volle

bewust van het gewicht hunner persoonlijkheid, met glanzend witte

burnous, wisselen af met bedelaars in lompen gehuld. Jonge mannen,

krachtig en slank gebouwd, met fijn besneden gezichten en sprekende

oogen, prachtige typen van het Arabische ras en donkerbruine Mooren met

trotschen en fanatieken blik en zwarten baard; pikzwarte negers, echte

knechtjes van St. Nicolaas, zich statig in een burnou van het grofste

zakkenlinnen hullend, op het hoofd een fez, die eens rood was, maar nu

meer op hun gelaatskleur lijkt, als eerste dandys een sigaret rookend

of luidkeels lachend met een mond tot aan de ooren en dikke lippen,

terwijl de hagelwitte tanden zichtbaar worden; Arabische vrouwen,

zich schuchter het gelaat bedekkend, de arme en onbemiddelde met

een slip van haar kleed, de rijke zich hullend in een lange kostbare

shawl van fijne, doorschijnende zijde--dit zijn de typen, die men het

meest tegenkomt. Niet alle vrouwen zijn echter gesluierd, slechts de

Arabische, maar de Joodsche niet. Voor 't overige hebben deze geheel

de Arabische kleeding overgenomen, ook de houten pantoffels met zeer

hooge hakken, waarop de vrouwen hier als 't ware loopen te balanceeren.

Vroolijk komen hier en daar de kleurige uniformen der Fransche

soldaten, vooral die der zouaven uit, met hun wijde roode broeken

en blauwe korte jassen, de fez met de bengelende kwast op een oor,

geheel het beeld van "vive la bagatelle". Hier en daar ziet men

een bruingebranden Bedouïn uit de woestijn voortschrijden met

onderzoekenden blik, het lange geweer aan den bandelier over den

schouder. Kleine meisjes en aardige jongens met groote verwonderde

kijkers loopen overal door het gewoel, dat somtijds zoo dicht is,

dat men er zich met de ellebogen door heen moet wringen, en vragen u

onophoudelijk om sous. Jongens en mannen op ezels laten u aanhoudend

uitwijken, want langoor wordt hier niet gespaard, maar eigenlijk

afgebeuld. Ook kameelen bezoeken de bazars, en somtijds liggen zij in

rijen van 10 of meer uit te rusten van hun tocht uit de binnenlanden,

van waar zij houtskool, dadels en andere voortbrengselen naar de

hoofdstad brengen. Daarbij is het dikwijls een geschreeuw, dat men

elkander niet verstaan kan, kooplieden, die hun waren aanprijzen,

koopers, die afdingen, druk redeneerende en gesticuleerende Arabieren

en Mooren. Kortom het is een tooneel vol Oostersche levendigheid

en Oostersche kleurenpracht, dat door zijn bontheid en telkens

afwisselende indrukken, mede door de bekoring van het nieuwe, den

vreemdeling van het Westen ten zeerste boeit en verrukt.

Hoewel de Bey van Tunis in de hoofdstad een paleis heeft, Dar-el-Bey

(huis van den Bey) genaamd, houdt hij daar zelden verblijf. Hij

vertoeft er slechts voor regeeringszaken en bewoont liever het

schoone buitenverblijf Kasr-Saïd of El-Bardo, in de nabijheid van

Tunis. Geregeld eens per maand komt hij in de hoofdstad om in den

voorhof van zijn paleis in hoogste instantie recht te spreken. Dit

gebeurde juist eenige dagen na onze aankomst, en hiervan tijdig door

onzen gids verwittigd, maakten wij aanstalten van zijnen intocht

getuigen te zijn. Reeds te half acht begaven wij ons daartoe naar het

plein van de Kasba (de burcht), waar ook het paleis gelegen is en waren

getuige van de aankomst der verschillende hoogwaardigheidsbekleeders

van den Bey. Militaire en burgerlijke autoriteiten, allen het hoofd

bedekt met de onvermijdelijke fez, stelden zich bij de poort op,

velen versierd met de orde der Beys, de Nicham-Iftikhar. Beambten van

gelijken rang begroetten elkander plechtig met een kus op elke wang; de

jongeren de ouderen met eerbiedigen handkus. Na eenigen tijd wachtens

kondigden eenige Fransche officieren van de Chasseurs d'Afrique,

als ordonnansen, de komst van den Bey aan. Weldra kwam een afdeeling

cavalerie in Turksche uniformen, op kleine vlugge paarden, wit van

het stof, aandraven, daarop volgden eenige rijtuigen met hofbeambten

en ten slotte de Bey zelf in een à la daumont gereden rijtuig met 6

muilezels. Bij 't uitstappen vertoonde hij zich een oogenblik. Een man

van middelbare lengte, met korten grijzen baard, geelachtig, streng

gelaat en ernstige sombere oogen. Er wordt van hem verteld, dat hij

nooit lacht. Niet onwaarschijnlijk, zoo men de gebeurtenissen der

laatste jaren in aanmerking neemt. Na de Fransche bezetting toch is

het met de onbeperkte heerschappij van den Bey voor goed gedaan. Reden

genoeg voor een Oostersch despoot om over te treuren.

Wie zich wel degelijk nog in 't bezit van hun onbeperkte heerschappij

mogen verheugen, al is het dan maar over redelooze dieren, zijn

de Arabische slangenbezweerders, die nog steeds de giftigste

exemplaren van het, den menschen zoo weinig sympathieke ras, in

letterlijken zin, naar hun pijpen laten dansen. Ongeveer eens om

de 14 dagen kan men te Tunis een dergelijke vertooning bijwonen,

die gegeven wordt door een derwisch, een soort van armen priester of

monnik uit de binnenlanden. Het is in zekeren zin een godsdienstige

plechtigheid. Maar dan toch zeker een van een weinig ernstig en meer

vroolijk karakter, want het in grooten getale toegestroomde publiek

vermaakt zich er goed bij. Voor den vreemdeling gaat natuurlijk

de godsdienstige beteekenis door onbekendheid met Arabische taal

en Mohammedaansche gebruiken verloren; hij beschouwt het als een

kermis-voorstelling, een merkwaardig schouwspel, nl. om de groote

moreele kracht, die de mensch op de dieren kan uitoefenen. De

voorstelling heeft plaats in de open lucht, meestal op een plein

voor een Arabisch café, waarvan het in Tunis krioelt. Deze keer op

het plein Halfoüin.

Hier worden in de maand Ramadan, die der vasten, de groote Arabische

feesten gevierd. In gewone tijden is het de plaats van samenkomst van

Arabieren uit alle standen. Men vindt er dan ook vele koffiehuizen,

zoowel voor Arabieren uit de volksklasse, negers en kleurlingen als

die, welke door de rijken en dandys bezocht worden. Een groote menigte

Arabieren, Mooren en negers, benevens een aantal vreemdelingen had

zich om een opene ruimte in een kring opgesteld. Daar binnen bevond

zich de bezweerder met zijn helpers, een drietal Arabieren, die op

de hurken gezeten, een oorverdoovende muziek maakten. Een bespeelde

een soort van herdersfluit, een tweede een Arabische viool, terwijl

degene die in 't midden zat, uit alle macht met duim en handpalm op

een groote tamboerijn trommelde. Deze laatste beantwoordde ook de

vragen, die de derwisch telkens tot hem richtte. Deze, donkerbruin,

forsch gebouwd en toch lenig, met katachtige snelle bewegingen, de

donkere schitterende oogen onophoudelijk in beweging, het beenige

gezicht met een dun baardje omgeven, het geschoren hoofd slechts op

de kruin bedekt met een ruigen, zwarten scalplok, geleek veel op een

der fanatieke krijgslieden van den Mahdi, die in een wit kleed en

met een breed zwaard in de vuist op de Engelsche carré's losstormden,

een wissen dood tegemoet. De voorstelling, die tamelijk lang duurde,

had in 't kort 't volgende verloop: Uit een der bruinlederen zakken,

die hij bij zich had, haalde de derwisch een zeer vergiftige slang

ter lengte van ongeveer een M., licht bruin van kleur en aan den buik

voorzien van gele ringen, de naâdja of slang van Cleopatra, door de

Arabieren Bouftira genoemd. Deze schijnbaar levenlooze slang legde hij

op een kleedje, iets grooter dan een M_2_. neer. Daarop danste hij,

op een klein herdersfluitje blazend, om haar heen, tot zij hoe langer

hoe levendiger werd en zich eindelijk met een schok oprichtend, met

de kleinste helft van haar lichaam op het kleedje overeind kwam te

staan. In die houding danste de slang nu, op de maat van de muziek,

steeds met den derwisch mede; bewoog hij zich naar rechts of links, zoo

deed zij 't zelfde. Het opmerkelijkste daarbij was, dat zij het kleedje

niet verliet en, ofschoon zij door al het gesar van den bezweerder

tot de hoogste woede geprikkeld was, er niet aan dacht, iemand aan te

vallen. De derwisch, die weldra droop van 't zweet, was voortdurend

in beweging, dansend en springend, lachte onophoudelijk met breeden

mond, hevig gesticuleerend, nu eens tot de omstanders of den man met

de tamboerijn vragen richtend, welke met toestemmend geschreeuw of

gelach beantwoord werden, dan weer de armen zwaaiend of ten hemel

heffend, luide gebeden tot Allah of den een of anderen heilige

opzendende. Vooral voor Ab-del-Kader, den bekenden vrijheidsheld,

scheen hij groote vereering te gevoelen, want herhaaldelijk riep hij

hem aan. Zooals de meeste Oostersche voorstellingen en plechtigheden,

werd ook deze ten laatste eentonig. Wij verlieten het plein om ons

naar het gerechtsgebouw te begeven, met het doel daar een nieuwen

kijk op het Tunesische leven te krijgen.

Zooals reeds vermeld, heeft de Fransche regeering aan de Arabieren in

Tunis hun eigen rechtspraak gelaten. Een zeer wijze maatregel, die haar

eindelooze moeilijkheden en wrijvingen met de inboorlingen bespaart. De

Arabier wordt dus gevonnist door zijn eigen rechter of raëse.

Op verzoek zijn de zittingen ook toegankelijk voor vreemdelingen,

die hier gelegenheid hebben menig tafereel van echt oorspronkelijk

Arabisch leven te zien. De gids-tolk stelde ons hiertoe gemakkelijk

in de gelegenheid. Toen wij het gerechtsgebouw, waar gevallen van

echtscheiding en andere civiele zaken behandeld werden, binnentraden,

bevonden wij ons op een ruime binnenplaats, omringd door een

zuilengaanderij en aan de kanten voorzien van steenen banken. Daarop

hadden aan de eene zijde plaats genomen een aantal dicht gesluierde

vrouwen in 't zwart gekleed, die zich over haar echtgenooten te

beklagen hadden en zich wilden laten scheiden, aan den anderen kant

de echtgenooten dier dames, allen wachtend tot zij opgeroepen zouden

worden, om beurtelings voor den rechter te verschijnen. Aan den

ingang der gerechtszaal, die op de eerste verdieping was, stond een

zeer zwaarlijvige gendarme in een blauwe uniform op wacht, die ons,

na een kort onderhoud met den gids, welwillend binnen liet en voor

den rechter leidde, dien hij het verzoek overbracht om een zitting

te mogen bijwonen. Beleefd beantwoordde de magistraat onze buiging,

heette ons met een vriendelijken glimlach welkom en noodigde ons uit,

dicht bij hem plaats te nemen aan den kant der toehoorders.

Daartegenover zaten in een bonte groep de getuigen. Nadat de

woordvoerder van ons gezelschap den rechter bedankt en zijne vreugde

te kennen gegeven had, dat wij als vreemdelingen mochten kennis

maken met de Arabische wijsheid, van ouds beroemd uit de tijden

van Kalief-Harun-al-Raschid, namen wij plaats en de zitting werd

voortgezet.

Een sprekende kop die rechter, met beschaafde vormen en schitterende,

doordringende oogen, waarvoor de beklaagden bijzonder veel ontzag

hadden. Geschoeid met gele pantoffels, het witte gewaad met een langen,

lichtbruinen gendorah (opperkleed) bedekt, droeg hij aan een zijner

vingers een ring met smaragd, als teeken zijner waardigheid. Hij

was gezeten aan een met allerlei papieren bedekte tafel, waarvoor

de beklaagden en getuigen zich plaatsten om hun relaas te doen. Wij

woonden eenige zaakjes bij, waarvan de gids ons de toedracht vertelde

en kregen eenige zeer ongure schelmengezichten te zien. Allen zonder

onderscheid hadden echter grooten eerbied voor den rechter. Met

een diepe buiging, de armen over de borst gekruist, naderden zij

hem en hieven deze onder 't spreken tot aan de schouders op, de

handpalmen vlak naar hem toegekeerd. Met zachte stem begonnen, werd

hun spreeklust hun al spoedig te machtig; al radder ging hun tong,

al luider werd hun stem en zelfs de eerbied voor den rechter kon hun

woordenvloed niet stuiten.

Zij lieten dezen zelfs niet uitspreken en vielen hem herhaaldelijk

pardoes in de rede, zoodat een tweede, insgelijks zeer welgedane

gerechtsdienaar hun herhaaldelijk de zware hand op den schouder

moest leggen en hun een gebiedend "barka, barka" (genoeg, genoeg)

toeroepen. Deze had zelfs moeite hen de zaal uit te krijgen, nadat hun

vonnis uitgesproken was. De raëse hoorde alles met Mohammedaansche

kalmte aan, zeide van tijd tot tijd een enkel woord, stelde een

enkele vraag, terwijl hij den spreker doordringend aanzag of volgens

de rozenkrans, die hij in de hand hield, den grooten profeet bad,

hem wijsheid te geven. Hij had blijkbaar de zaken grondig bestudeerd

en sprak kort recht. Zoo kreeg een Arabier wegens mishandeling 5

maanden gevangenis; een Arabische vrouw, die kamers verhuurde en hare

huurster, die één termijn vooruit betalen moest en dit gedaan had,

daarop terstond haar huis uit gezet had, 2 maanden; een jongmensch,

die wijn gedronken had, moest dit met 5 dagen opsluiting boeten, een

bewijs dat in Tunis aan de wet van den Koran streng de hand gehouden

wordt, hetgeen in Algerië niet zoozeer 't geval is. De vrouwen waren

het breedsprakigst en drukst en moesten door den gendarme nog veel meer

tot de orde geroepen worden dan de mannen. Eenige dagen later woonden

wij ook een zitting voor strafzaken bij, waar dezelfde rechter als de

hierbovenvermelde de rechtbank presideerde. Een eivolle zaal, een lange

rij beschuldigden, een menigte getuigen. Een viertal advokaten voerden

het woord, waar wij natuurlijk niets van begrepen; echter bleek uit

't vuur, waarmede zij spraken, dat zij de zaak hunner cliënten wel

ter harte namen.

De vreemdeling, die eenigen tijd te Tunis verblijft, komt herhaaldelijk

in de Souks, want telkens en telkens weer wordt hij aangetrokken

door het bonte, opgewekte, oorspronkelijke volksleven, dat hij daar

aantreft. Bij die herhaalde bezoeken is het af en toe betreden van een

winkelmagazijn moeilijk te vermijden, zelfs al bestaat daartegen bij

hem principiëel bezwaar, hetgeen meestal niet het geval is. Integendeel

de kooper is meestal maar al te gewillig, en vrienden en verwanten in

't vaderland willen ook wel bedacht zijn.

Ook ontbreekt het niet aan uitnoodigingen en aanmoedigingen van de

zijde der winkeliers om binnen te treden. Reeds aan de deur, zelfs

op de straat, noodigen ze u met vele plichtplegingen en buigingen als

knipmessen daartoe uit. De argelooze vreemdeling, die toestemt, treedt

in het hol van den leeuw, een leeuw met fluweelen pootjes. Vriendelijk

wordt hij uitgenoodigd plaats te nemen en op de kennismaking een

geurig kopje Arabische koffie, echte Mokka, in kleine porceleinen

kopjes voorgediend, te drinken. Dit mag men niet weigeren, want het

is een bewijs van gastvrijheid. Bovendien gelooven de winkeliers,

dat het hun geluk aanbrengt, want zij zijn zeer bijgeloovig en zouden

zich door een weigering beleedigd gevoelen.

Middelerwijl stallen de bedienden allerlei fraaie voorwerpen voor

u uit en wordt men door den winkelier overladen met de vleiendste

opmerkingen over zich zelf, zijn land en volk en met verzekeringen,

dat hij zich zoo vereerd gevoelt door uw bezoek. Al die poes-lievigheid

is echter maar schijn. Want in werkelijkheid is hij er slechts op

uit, u zooveel mogelijk af te zetten. De voorwerpen in de Tunesische

winkels zijn niet vast geprijsd, de verkoopers vragen een buitensporig

hoogen prijs. Vandaar een loven en bieden zonder eind, waarbij de

vreemdeling gewoonlijk aan 't kortste eind trekt. Zelfs al krijgt

hij de voorwerpen voor een 3_de_ of 4_de_ van den gevraagden prijs,

hetgeen geen zeldzaamheid is, dan is hij nog bekocht. Zelfs gebeurde

het ons eens, dat wij een kleedje voor een zesde van den gevraagden

prijs behielden.

Kortom, het is de grofste afzetterij. De fraaiste winkels zijn die

der zijdewevers en zijdeborduurders, die de artikelen vervaardigen,

waar Tunis beroemd om is en die het in groote hoeveelheid uitvoert. Men

vindt deze in "de Souk des Femmes", waar voor 40 jaar nog slavenhandel

gedreven werd, en de prachtige magazijnen van Boccara père et fils en

van Barbouchi gelegen zijn. Men vindt daar inderdaad een rijkdom van

zijde en fluweel, shawls en doorzichtige sluiers, kleeden en kleedjes

van damast, waarvan de randen met gouden of zilveren lovertjes en

bloemen omzoomd zijn, in de fijnste, afwisselendste en teederste

kleuren. Als een stuk van groote waarde toonde men ons een lange

looper uit den tijd van Lodewijk XIV, geheel stijf van zilver en met

gouden bloemtrossen ingelegd.

In andere winkels ziet men weer verschillende wapenen van allerlei

vorm en afmetingen, met zilver en ivoor ingelegd of zwaar met koper

beslagen; de sabels en dolken rijk gedamascineerd. Evenmin ontbreken

rijke uitstallingen van lederwerk en met fijne figuren geïncrusteerd

koper. Een belangrijk artikel van uitvoer zijn ook de parfumerieën

en aetherische oliën, die volgens oude Oostersche gewoonte meestal

bereid worden door de vrouwen uit den harem van den gegoeden parfumeur.

Niet alleen door haar bonte verscheidenheid van bevolking,

door haar eigenaardige zeden en gewoonten biedt de stad Tunis den

vreemdeling veel bezienswaardigs, maar ook hare omstreken hebben groote

aantrekkelijkheid en verlokken tot menig heerlijk uitstapje. Daartoe

moet men zich steeds op eenigen afstand van de stad begeven.

In de naaste omgeving is er alleen het stadspark "le Belveder" met zijn

statig wuivende palmen en groene Oostersche gewassen, waar inwoner en

vreemdeling eenige koelte en schaduw kunnen vinden. Overigens is de

omgeving nagenoeg boomloos, vooral des zomers een groot nadeel. Want in

Tunis, dat evenals Algiers het klimaat der Regio Mediterranee heeft,

kan het afmattend heet zijn. Reeds in Maart is het er in den middag

als bij ons in Augustus, en midden in den zomer kunnen de bewoners

alleen aan de zeekust eenige koelte vinden.

De winters, voor zoover zij dien naam verdienen, zijn in Tunis

zeer zacht. Sneeuw kent men er niet dan bij overlevering; 't laatst

had men die in 1883 gezien. Tegen zonsondergang komt echter meest

de koude N. wind, de mistral opzetten, waartegen de reiziger zich

steeds met mantel en shawl moet wapenen. Als de verzengende Sirocco,

de heete woestijnwind blaast, kan men nauwelijks ademhalen. Soms

bereikte deze 40° Celsius, zoodat de streek waar zijn verzengende

adem overheen gegaan is, als 't ware verbrand ter neder ligt. Ook de

Bey vertoeft niet geregeld in Tunis, maar heeft zijn residentie in

de nabijheid, het paleis het Bardo. Dit gebouw, waaraan verbonden is

het oudheidkundig museum Aloüi, is wel een bezoek waard.

Een monumentale leeuwentrap voert naar een rijkversierde vestibule,

die toegang tot de verschillende zalen verleent. Onder deze zijn het

opmerkelijkst de groote receptiezaal, waar de feesten aan het corps

diplomatique gegeven worden, benevens de troonzaal, die aan de wanden

versierd is met twee rijen rijk vergulde pendules uit verschillende

tijdperken; op consoles; dit laatste meer rijk dan smaakvol.

Verder kan de reiziger te Manouba de overblijfselen van de grootsche

waterleiding voor Carthago bewonderen, de ruïnen van Utica, de

havenwerken van Bizerta of de badplaats Hammam-El-Lif bezoeken.

Vóór alles zal hij echter naar een plaats gaan, waarheen de stemmen

uit het verleden hem met onweerstaanbare kracht geroepen hebben. Geen

vreemdeling, al vertoeft hij nog zoo kort te Tunis, kan nalaten de

ruïnen van Carthago te bezoeken. Hoe worden echter zijn verwachtingen

omtrent hetgeen hij te zien zal krijgen teleurgesteld, zoo hij niet van

te voren ingelicht is! Want van de eenmaal zoo bloeiende en trotsche

hoofdstad der Karthagers, eertijds de koningin der Middellandsche zee,

is bedroefd weinig meer over. Wel is de vloek van den meedoogenloozen

Cato: "delenda est Carthago!" in vervulling gegaan. Niet eenmaal,

maar drie keer is de stad grondig verwoest. Na de Romeinen kwamen de

Vandalen, daarna de Arabieren. De laatsten vooral hielden deerlijk

huis; hun dolzinnig fanatisme wilde elk spoor van de toenmaals

christelijke stad met wortel en tak uitroeien. Geen steen werd op

den anderen gelaten, alles kort en klein geslagen. De tocht naar

Carthago is een verrukkelijke rit langs de ondiepe golf van Tunis,

Bahira geheeten.

De onafzienbare zee verkwikt het oog door hare tallooze wisselende

tinten van donker- en helderblauw tot smaragd-groen en lichtgrijs. Het

strand wordt verlevendigd door groote troepen reigers, flamingo's en

andere zeevogels, die nu eens onbeweeglijk op een hunner lange pooten

om zich heen staan te zien, dan weer onder krijschend geschreeuw

hoog in de lucht opvliegen. Verblindend schitteren de witte huizen,

slanke torens en gekoepelde daken van het verdwijnende Tunis in 't

felle zonlicht. Het schiereiland, waarop de bouwvallen van Karthago

gelegen zijn, verheft zich vrij steil uit zee. Het hoogste punt vormt

het terrein, waar vroeger de sterke burcht van Karthago, de Byrsa,

gelegen was. Op den top van dien heuvel is het museum, waar alles

verzameld is, wat aan de verwoesting geheel of gedeeltelijk ontkomen

en door ijverige opgravingen aan 't licht gebracht is. Het zijn de

zoogen. Pères Blancs, die zich hiermede bezig houden, in opdracht

van kardinaal Lavigerie. Deze ijverige priester-zendeling, die van

de Fransche regeering voor ongeveer 25 jaar verlof kreeg, bij de

bouwvallen van Karthago een kathedraal te bouwen, gaf aan de monniken

last, nevens hun godsdienstige plichten het werk der opgravingen met

kracht ter hand te nemen. Dit leverde de beste resultaten op. Het

museum is verdeeld in drie afdeelingen: voorwerpen uit den Punischen

tijd, die uit den tijd van Romeinsch-Karthago, en ten slotte hetgeen

er uit de Christelijke periode overgebleven is. Die uit de eerste

periode zijn het meest bezienswaardig. Daaronder treft men menig

fraai voorwerp aan, dat door eigenaardigen, dikwijls grilligen vorm

en bewerking verraadt, dat in den Punischen voortijd Phoenicische en

Oostersche invloeden zich in de kunst sterk deden gelden.

De bouwvallen van Karthago zijn voor de Fransche pelgrims een

bedevaartplaats, daar er een kapel gebouwd is ter herinnering aan

Lodewijk den Heilige, die hier op den 7_den_ Kruistocht, te midden van

zijn leger, door de pest werd weggerukt. Hoog boven dit bescheiden

monument verheft zich een gebouw uit later tijd, eveneens aan hem

gewijd, de basilica of kathedraal van Lodewijk den Heiligen. Fier

en statig rijst zij met hare vier gekoepelde witte torens in de

wolkenlooze lucht omhoog, en het kruis op den top weerspiegelt

zich in de blauwe golven aan haren voet, zoo vredig en kalm, alsof

die zee nooit iets anders, nimmer de verschrikkingen van oorlog en

verwoesting aanschouwd had. Moge dit voortaan zoo blijven en Tunis

en haar omgeving onder Fransch gezag een tijdperk van ongestoorden

bloei en ontwikkeling deelachtig worden.

Sedert de vestiging van het Fransche protectoraat in Tunis, zijn

de verkeerswegen aldaar enorm verbeterd. Dit geldt zoowel van de

straatwegen als wat betreft den aanleg van spoor- en tramwegen. Door

de stad Tunis snorren de electrische trams en meer en meer breidt

het spoorwegnet op het platte land zich uit. De hoofdlijnen

zijn aangesloten bij de Algiersche lijnen. De maatschappijen, wel

inziende hoe bevorderlijk een goede inrichting voor de toename van 't

vreemdelingenverkeer is, nemen dit zeer ter harte, zoodat men in Tunis

en Algiers even goed en even geriefelijk, ja soms nog beter reist dan

in Frankrijk en in sommige streken van Europa. De hoofdlijn loopt van

't Oosten naar 't Westen en verbindt de voornaamste plaatsen, o.a. de

hoofdplaatsen der provincies. Deze liggen ver van elkander af, en daar

de treinen overal ophouden, zijn de trajecten lang. Meestal rijdt er

slechts een per dag. Vroeg begonnen, eindigt de reis eerst 's avonds

of in den nacht. Soms is er gelegenheid in den trein te dineeren,

zoo niet, dan wordt deze op bepaalde haltestations opengesteld,

na voorafgegane bekendmaking. Men ziet, alles evenals in Europa. Al

duurt de reis wat lang, zoo behoeft de reiziger zich niet te vervelen,

want steeds biedt het landschap hem de grootste afwisseling. Meermalen

gaat de weg langs een schilderachtige rivier. Een enkele orographische

opmerking vinde hier haar plaats. Tunis en Algerië worden, wat de

gesteldheid van den bodem betreft, in vier gordels verdeeld. De eerste

gordel, de zoogenaamde Tell, strekt zich langs de zeekust uit en wordt

landwaarts in begrensd door het Atlasgebergte, dat met zijn machtige

keten, van oostelijk Tunis, door geheel Algerië, tot aan de westelijke

grens van Marokko doordringt. De tell is het vruchtbare gedeelte bij

uitnemendheid, waar veel graan en ooft geteeld wordt en de wijnstok

rijke oogsten geeft. Men denke slechts aan den Algierschen wijn,

die ook hier het burgerrecht verkregen heeft en aan de meer dan 40

millioen sinaasappelen, die Algerië nu reeds uitvoert. De tweede gordel

is de Atlasketen. Daarop volgt de streek der hoogvlakten en steppen,

waar de bodem onvruchtbaar en rotsachtig is, afgewisseld met vele

zoutmeren. Ten slotte de woestijn, de Algerijnsche Sahara, die slechts

een klein deel vormt van de groote woestijn van dien naam. Omdat het

Atlasgebergte nagenoeg evenwijdig met de zee loopt en de waterscheiding

vormt voor de rivieren, die Noordelijk in zee en naar 't Zuiden in de

zoutmeren uitmonden, hebben deze geen langen loop, hetgeen niet in

't voordeel is van de besproeiing des lands. De voornaamste rivier

van Tunesië is de Medjerda, die van Algerië de Seybouse. De eerste

doorsnijdt Tunis van W. naar O., de tweede ontspringt op den Atlas

en stroomt bij Bône in de zee. De spoorweg van Tunis naar Bône loopt

voor 't grootste deel door de dalen der beide stroomen, waardoor het

natuurschoon langs den weg niet weinig verhoogd wordt. Van tijd tot

tijd vernauwt het dal zich zoo zeer, dat de spoorweg het karakter van

een echte bergbaan aanneemt en men hem met geweld een doortocht door

de rotsen heeft moeten banen. Een ander maal doorsnijdt de spoorbaan

een onafzienbare vlakte, gedeeltelijk met hoog gras bedekt, op andere

plaatsen prijkend met den rijksten kleurenschat der meest verschillende

bloemen. Men zou zich verplaatst wanen in de hyacinthen en tulpenvelden

van Haarlem in 't voorjaar, behalve, dat hier de verscheidenheid van

kleuren grooter, de groepeering minder regelmatig is. Ongekunsteld

schitteren de bloembedden in onvergelijkelijke pracht, zooals de natuur

ze er neergezet heeft. Velden met donkergele goudsbloemen wisselen

af met witte plekken, waar trotsche Aronskelken haar witte hoofden

fier verheffen. Hier wedijveren teeder rose Malva's met helroode

klaprozen, ginds paren zich bescheiden witte madeliefjes met blauwe

convolvulussen in teedere kleurenharmonie. Aan den oever der rivier

wiegen oleanderstruiken hun witte en rose kelken op slanken stengel

heen en weer, schitteren bloesems van perzik- en amandelboomen

tusschen het donkere groen der laurierboomen, of wel het is een

mimosastruik, die, om zijn schoonheid des te meer te doen uitkomen,

niet beëngd door omringend geboomte, zijn volle gele trossen in het

zonlicht laat schitteren en het oog verrukt. Somtijds ook kleine

oerwouden van knoestige steen- en kurkeiken, machtige cederboomen,

donkere cypressen en hoog opgeschoten eucalyptussen, waar alles

verward door elkander staat en met klimplanten omstrengeld is. Ook

levende wezens ziet men langs den weg. Nieuwsgierige inboorlingen in

kleine Arabische dorpen; karavanen met groote en kleine kudden vee, de

eigenaar op een vurigen Arabier voorop; tenten van nomaden, soms niet

veel meer dan lappendekens op palen, waaronder alles, menschen en vee,

eendrachtiglijk te zamen huist. En steeds wordt het geheel omlijst

door de eindelooze, golvende keten der Algerijnsche gebergten, wier

golvingen zoo zacht zijn, dat zij geen horizon schijnen te bezitten.

Bône, met een bekoorlijke ligging aan zee, bevindt zich in de

onmiddellijke nabijheid van het "massif de l'Edough", een bergketen,

die vrij steil in zee afdaalt en voor 't grootste deel begroeid is

met prachtige bosschen van kurkeiken, een rijke bron van inkomsten

voor de exploiteerende maatschappijen.

Geheel anders is de ligging van Constantine te midden van een

heuvelland op hooge rotsen. Als hoofdstad van het aloude Numedië,

was het eens de residentie van den krijgshaftigen koning Massinissa,

den bondgenoot van Scipio tegen de Karthagers en getuige van den

fieren dood van Hannibals' dochter Sophonisbe, die als een echte

afstammelinge van den stam der Barciden geen schande verdragen

wilde. Daarna zetelde er de wreede, roofzuchtige Jugurtha, die geheel

Rome omkoopbaar achtte. Zijn geest scheen weer levendig te worden,

nadat de Arabieren zich van de stad hadden meester gemaakt. Ten

minste tot aan de verovering door de Franschen in 1837 was en

bleef het een roofnest van de ergste soort. Hierbij werd de stad

vooral begunstigd door haar eigenaardige ligging. Deze is inderdaad

zeer bijzonder. Van het Oosten loopt het riviertje de Roumel op de

stad toe door een uitgestrekte, vruchtbare vlakte, aan weerskanten

met kalkrotsen omzoomd. Vlak voor de stad stroomt de Roumel door

de groenende pépinière, den botanischen tuin, die elke Algiersche

stad van beteekenis bezit. Plotseling houdt de vlakte op en ziet de

rivier zich den loop versperd door de rotsen, waarop de stad gebouwd

is. Het is een werk van eeuwen geweest, eer zij zich met geweld een

weg daar doorheen gebaand had en hetzelfde geval als met den Rijn

tusschen Coblentz en Bingen. Met dit verschil echter, dat de Roumel

zich slechts een nauwe spleet tusschen de rotsen gewrongen heeft,

die loodrecht oprijzen en op sommige plaatsen een hoogte van meer dan

100 M. bereiken. De stad, die den vorm van een ongelijkbeenig trapezium

heeft, wordt aan twee der langste zijden door de Roumel omgeven, aan de

twee andere zijden door hooge rotsen, met uitzondering van één punt,

van waar zij uit de vlakte toegankelijk is. Een nagenoeg onneembare

ligging dus, uiterst geschikt voor een roofnest. Langs de Roumel,

van de Porte du Diable af, waar zij uit de vlakte komt, tot aan den

waterval, waarmede zij zich weder, na doorbraak der rotsen, in de

vlakte uitstrekt, is een smalle, van een balustrade voorziene weg

gemaakt, "le chemin des touristes". Deze, die volstrekt geen gevaar

oplevert, is interessant en bijzonder mooi. Nu eens is de rivier

slechts enkele meters breed, dan weer verwijdt zij zich als 't ware

tot kleine meertjes; hier is zij kalm, ginds schiet zij schuimend

tusschen grillig opeen gestapelde rotsblokken door. Nu eens stroomt

zij in 't volle daglicht, een andermaal baant zij zich een weg onder

den bodem en vormt indrukwekkende gewelven en wondervolle grotten,

waaruit de puntige rotsmassa's als stalactieten neerhangen. Door de

vele bochten biedt de wandeling de bekoorlijkste en meest afwisselende

gezichtspunten. Aan het einde, dicht bij den waterval, bereiken de

rotsen haar hoogste punt en eindigen in een naakten steilen top. Na

inneming der stad poogde hier een deel der verdedigers zich te redden

door zich met touwen naar beneden te laten zakken. Maar de touwen

braken en vele mannen, ook vrouwen en kinderen, kwamen om in de Roumel.

Door de ontoegankelijke ligging heeft de verovering den Franschen

veel moeite gekost. Zij geschiedde tijdens een wapenstilstand met

Ab-del-Kader, toen de onderwerping der provincie Constantine ter

hand genomen werd. Een eerste aanval op de stad onder maarschalk

Clauzel mislukte. Het volgend jaar werd een nieuwe expeditie onder

't opperbevel van den hertog van Nemours en vier generaals uitgezonden.

De sultan Ahmed-Bey en diens fanatieke Arabieren, steunend op de

onneembare ligging, weigerden hardnekkig elke capitulatie en zonden den

parlementair spottend terug. Na voorafgegane beschieting bestormden de

Franschen met groote dapperheid de stad en maakten zich na een hevig

straatgevecht er van meester. Maar ten koste van groote offers, want

de generaals Damrémont, Perrégaux en Combes sneuvelden. De bey, met

klein gevolg ontvlucht, gaf zich, na eenige jaren den guerilla-oorlog

gevoerd te hebben, over en verbleef als gevangene te Algiers.

Behalve haar ligging heeft de stad niet veel bijzonders. Er ligt

een groot garnizoen. Met hun kleurige uniformen en de opgewektheid

den Franschen soldaat eigen, brengt het militair veel vroolijkheid

aan. Aanhoudend ziet men troepen door de straten trekken. Nu eens zijn

het chasseurs d'Afrique op hun vurige, kleine Arabische schimmels, dan

weer bruine turco's met de korte blauwe jasjes en dito wijde pofbroeken

of het is een bataillon kranige zouaven, dat voorbij marcheert. Ook

ligt er een kleine afdeeling spahi's, dat keurkorps bij uitnemend,

in garnizoen. Dit zijn Arabieren, die een bijzonder goeden staat

van dienst hebben en gebruikt worden als ordonnansen, estafettes en

lijfwachten van den generaal. Gehuld in hun roode of blauwe mantels,

een breeden tulband op het hoofd, maken zij met hun hooge laarzen

en kromme lange sabels een zeer krijgshaftigen indruk. Men vindt er

menig type van den echten, fieren, mannelijken Arabier onder.

Op het groote plein midden in de stad is het paleis van den generaal,

den militairen commandant, voorheen de residentie van Ahmed-Bey. Dit

paleis, dat zeer bezienswaardig is, bevat nog vele bijeengeroofde

kunstschatten uit de oudheid. De binnengalerij is versierd met 265

slanke pilaren van Corinthische bouworde, van Carthago geroofd,

maar bovenal wordt het oog getroffen door een buste van Julia Domna,

de vrouw van keizer Alexander Severus. Van wit marmer, is deze zoo

fijn uitgevoerd, dat men als 't ware den arm onder den mantel kan zien

doorschemeren. Een der façaden van het binnenplein wordt bedekt door

één enkelen rozenboom, zoo weelderig, dat hij van boven tot onder

met de schoonste witte rozen bedekt is.

Het plein voor 't paleis is de plaats van samenkomst voor de bewoners

van Constantine. Het is er des middags van 5 tot 6 een vroolijk en

levendig gedoe. Want dan speelt de militaire muziek, eerst de Fransche

kapel, daarna de Arabische. De laatste, waar veel snerpende fluiten den

boventoon voeren, is voor Europeesche ooren nu niet bepaald aangenaam

om te hooren.

De provincie Constantine is niet alleen de boschrijkste, maar ook de

meest bergachtige van Algerië. Daar toch komt de Atlasketen te zamen

met een andere bergreeks, die uit het Zuiden komt en tot het gebied

der hoogvlakten en steppen behoort. Die bergreeks is samengesteld

uit verschillende gebergten; o.a. het gebergte der Ksour, de bergen

der Ouled Nayl, die der Zibans (zoo genoemd naar verschillende

Bedouïnenstammen van denzelfden naam) en de Djebel-Aoures

(djebelberg). Sommigen bereiken een aanzienlijke hoogte. De

Djebel-Aoures b.v. heeft toppen van 2000 M., waarop de sneeuw des

zomers niet smelt. Dit gebergte onderscheidt zich door groote woestheid

en ruwheid van vormen, maar ook door indrukwekkendheid. Het is zeer

verlaten en weinig bewoond. In de rotskloven huizen somtijds nog

beren en leeuwen, die elders reeds lang verdwenen zijn.

Toen de Arabieren zich van Algerië meester maakten, hebben de

bergvolken van den Aurès het langst hun onafhankelijkheid bewaard

en ook de Franschen hadden met de daarheen uitgeweken oproerige

Bedouïnenstammen veel te stellen. Het Zuiden grenst aan de Algerijnsche

Sahara.

Ten einde nu den toegang tot de woestijn tegen een mogelijken aanval

van roofzuchtige stammen te verdedigen, bouwden de Franschen de

militaire stad Batna aan de uitloopers van het Aurès-gebergte en

aan de spoorlijn, die van Constantine naar het Zuiden, naar Biskra

loopt. In dat gebergte nu ligt een der grootste merkwaardigheden op

oudheidkundig gebied van geheel Algerië verborgen.

Het zijn de bouwvallen van Timgad, eertijds Thamugadi geheeten,

een der bloeiendste Afrikaansche steden van het Romeinsche keizerrijk.

Oorspronkelijk slechts een militaire post met bestemming de woestijn

te bewaken, werd eerst onder de regeering van keizer Trajanus de

eigenlijke stad gesticht door den legaat en propraetor Lucius Munatius

Gallus. Door de gunst van haar beschermer, Trajanus, tot municipium

verheven, breidde zij zich hoe langer hoe meer uit en geraakte tot

grooten bloei. Zij deelde in de afwisselende lotgevallen van Afrika's

Noordkust, die beurtelings onder Romeinsch, Vandaalsch, Byzantijnsch

en Arabisch gezag kwam. Maar in 698 sloeg voor haar het uur van

ondergang. Ingenomen door de volgers van Mohammed, werd zij in brand

gestoken en verwoest. Gedurende meer dan 12 eeuwen sliep de stad haar

doodslaap onder de asch, tot het tegenwoordige geslacht, bezield met

ijver voor wetenschappelijke onderzoekingen, haar daaruit opwekte, om,

al is het dan slechts gedeeltelijk, hare vroegere heerlijkheid aan den

dag te brengen en van hare voormalige grootheid te getuigen. Timgad

noemt men wel het Afrikaansch Pompeï, maar er is wel eenig verschil

tusschen die twee. Terwijl men te Pompeï een duidelijker beeld krijgt

van de inwendige inrichting der huizen en van het huiselijk leven

der Romeinen, ontvangt de bezoeker van de bouwvallen van het oude

Thamugadi een juister indruk van een groote, bloeiende stad uit den

keizertijd, van haar gansche bouworde en inrichting. Licht zal men

vragen, hoe het komt, dat van Timgad zooveel bewaard gebleven is,

terwijl van andere oude steden van Afrika b.v. Carthago, niets meer

over is? Dit komt door hare afgelegen ligging midden in een bergland,

ver van de zeekust. Want deze omstandigheid verhinderde de Grieken,

de Genueezen, de inwoners van Pisa en den bey van Constantine om van

de stad, zooals zij van Karthago en andere plaatsen deden, een dépôt

van bouwmateriaal te maken. Timgad bereikt men van Batna uit; het

is ruim 10 uur rijdens heen en terug. Een lange tocht dus, maar die

wel de moeite loont. De goed onderhouden straatweg dagteekent reeds

gedeeltelijk uit den Romeinschen tijd, daar hier vroeger de heerbaan

liep van Lambesse naar Timgad. Lambesse, dat men na een uur rijdens

voorbij gaat, diende vroeger tot versterkt kamp van het derde legioen

van Augustus, dat met de verdediging van Afrika belast was. Er is nog

een tamelijk goed behouden hoofdingang van het praetorium te zien, dat

tot woning diende voor den keizerlijken legaat of onderbevelhebber,

benevens overblijfselen van een tempel van Esculapius en van een

triomfboog van Alexander Severus. Het is frisch in het dal waar men

doorrijdt, want Batna ligt op meer dan 1000 M. en de bergen van den

Aurès, die men niet uit 't gezicht verliest, zijn hier en daar met

sneeuw bedekt. Na onderweg nog de ruïne van den triomfboog van Markouna

(met ziet, men is en plein pays de l'antiquité) voorbijgereden te zijn,

dagen eindelijk de bouwvallen van Timgad in het nevelachtig verschiet

op als een moeilijk te beschrijven verwarde massa. Dit wordt echter

anders, als men naderbij gekomen is. Dan bespeurt men dadelijk, dat de

stad volgens een vast plan gebouwd is. Niet alléén echter bezoeken de

reizigers de bouwvallen. Hun wordt een gids medegegeven en niet tot

hun nadeel, want anders zouden zij kans loopen te verdwalen tusschen

de talrijke overblijfselen der verschillende monumenten en bovendien

menige nuttige aanwijzing missen. Men kan zich een klein denkbeeld

vormen van de uitgestrektheid, die de stad vroeger besloeg en tevens

van haren bloei, uit de vermelding dat wij een rondgang maakten van

meer dan 3 uur en toen nog alleen maar de voornaamste dingen gezien

hadden. Daarbij komt nog, dat men aanhoudend nieuwe ontdekkingen doet,

nieuwe schatten uit den bodem toovert. De gids bracht ons het eerst

naar het middelpunt der stad, het snijpunt der beide hoofdwegen, den

Decumanus maximus en den Cardo. Deze snijden elkander rechthoekig

en dit snijpunt bepaalt de plaats der voornaamste gebouwen. Alles

in navolging van Rome. Dicht bij het snijpunt ligt het schoonste

en best behouden monument der geheele ruïne, de triomfboog van

Trajanus. Opgetrokken uit grijzen baksteen, maakt het met zijn drie

bogen, ter hoogte van 16 M., een indrukwekkend effect. De middelste

boog, juist ter breedte van de straat, was voor wagens bestemd,

de andere, kleinere voor de voetgangers, die zich op de trottoirs

bewogen. Voor de bestrating droegen de Romeinen veel zorg. Dit blijkt

ook uit die te Timgad, die nog uitstekend behouden is. Zij bestaat

uit groote platte steenen, waar men nog duidelijk het wagenspoor in

zien kan, door de wielen er in gegroefd.

Van het Forum, het politieke middelpunt der stad, de verzamelplaats

van alle burgers, is niet veel meer over. Slechts een paar zuilen ter

hoogte van 13 M. en een menigte opschriften getuigen van vroegere

heerlijkheid. Onder die opschriften is er één, dat de aandacht

trekt. Het is de luchtige levensopvatting van een Romeinschen

nietsdoener: "venari, lavari, ludere, ridere, hoc et vivere", in goed

hollandsch: "jagen, baden, spelen, lachen, dat is leven".

Het theater is beter bewaard gebleven. Tegen een heuvel aangebouwd of

liever in de rots uitgehouwen, zijn de rijen zitplaatsen in den vorm

van een halve maan nog vrij volledig aanwezig. Ook de zuilengaanderij,

die achter het tooneel liep, staat, hoewel de meeste zuilen afgeknot

en afgebrokkeld zijn, tamelijk goed overeind. Het theater kon meer dan

4000 toeschouwers bevatten, behalve die nog op den heuvel plaats namen.

Natuurlijk bezat Timgad zijn Kapitool of burcht, tevens tempel van

Jupiter, Juno en Minerva. Latere onderzoekingen hebben uitgemaakt, dat

hij een oppervlakte van 840 M_2_. moet beslagen hebben. Over 't geheel

moet alles er van reusachtige afmetingen geweest zijn. Dit bewijzen

twee zuilen, die indertijd tot de propylaeën, een zuilengaanderij, die

om den tempel heen liep, behoord hebben. Deze lagen in 8 brokstukken

verspreid. De reconstructie daarvan heeft niet minder dan f 10,000

frs. bedragen, waarvan 3000 frs. voor een hijschtoestel. De opgezette

zuilen zijn 16 M. hoog en hebben aan de basis een breedte van 1 M. 50

cM. Voorts zijn door de opgravingen nog aan het licht gebracht de

thermen of baden, die bij de Romeinen zoo'n voorname rol speelden. Vier

zijn er tot nog toe te Timgad ontdekt, 2 groote en 2 kleine. Natuurlijk

is alleen de onderbouw gedeeltelijk bewaard gebleven, maar juist

daaraan kon men zien, op wat voor vernuftige wijze de Romeinen den aan-

en afvoer van water, benevens de verdeeling van heete en koude lucht

ten behoeve der verschillende vertrekken regelden. De kleine thermen

beslaan te zamen een oppervlakte van ruim 2000 M_2_.; de riolen ten

behoeve van den waterafvoer doen heden nog dienst om het overtollige

water van de bergen naar de vlakte te leiden.

In een museum zijn al de kunstschatten bijeengebracht, door

de opgravingen aan het licht gekomen. Deze zijn van den meest

verschillenden aard en meestal geschonden. Voortreffelijk behouden is

een beeldig bronzen Venuskopje, dat aan den bloeitijd der Grieksche

kunst doet denken.

Wij zeiden het reeds, ijverig worden de opgravingen voortgezet,

begunstigd en aangemoedigd door de Fransche regeering. Zij worden

verricht onder toezicht van den bekwamen heer Ballu, chef van den

archaëologischen dienst voor Afrika. Hare subsidies heeft de regeering

vermeerderd van frs. 25,000 tot 100,000 frs. Zoo poogt zij dus ook

hier een verzuim der Arabieren te herstellen en blijft door het

bevorderen van wetenschappelijke en geschiedkundige onderzoekingen

haar roeping van beschaving brengende mogendheid getrouw, daarbij de

schoone kunsten niet vergetend.

Ten zuiden van Batna ondergaat niet alleen het landschap, maar

ook de gesteldheid van den bodem en het klimaat spoedig een groote

verandering. Geen wonder, want men verlaat de hoogvlakte en nadert de

woestijn, die haar invloed doet gevoelen. Van Batna loopt een spoorlijn

naar het Zuiden, die de verbinding tot stand brengt tusschen Biskra,

een voornaam punt van samenkomst van verschillende karavaanwegen

uit de Sahara, en de noordelijker gelegen streek der Tell. Op korten

afstand van Batna neemt het landschap reeds een woestijnkarakter aan,

dat voortdurend ruwer en onherbergzamer wordt. De bergen en heuvels

vertoonen de grilligste vormen, nu eens spits toeloopend, dan weer met

een breeden, ronden koepel gekroond. Soms staan zij in groepjes, in

langere of kortere ketenen bij elkander; op andere plaatsen verrijzen

eenzame kegels en toppen plotseling uit de vlakte. Het is als 't

ware, of de natuur nu eens moeite gedaan heeft, deze landstreek

in den meest chaötischen toestand te brengen, er alles onderste

boven te keeren. De bodem, nu eens rotsachtig dan weer klaar zand,

vertoont met uitzondering van eenige mossoorten niet den minsten

plantengroei. Zoutmeren met lage, bruine, half uitgedroogde oevers

verhoogen slechts de intense treurigheid van het landschap. Dit duurt

zoo voort tot aan de halte El-Kantara, waar de bergen hooger worden

maar het landschap iets vriendelijker, want er is een riviertje in

de nabijheid.

In het nauwe dal, waardoor de oued El-Kantara (oued = rivier) stroomt,

ligt, door hooge rotsen ingesloten, het vriendelijke, geriefelijke

hôtel Bertrand, waar de bestoven en verhitte reiziger gaarne

afstapt. Volgt men nu de goed onderhouden chaussee door het dal naar

het Zuiden, zoo schijnt het, dat de bergketen van den djebel-Gaouss

dit weldra geheel zal afsluiten. Er is slechts ruimte voor den weg

en het riviertje; de spoor heeft zich door een tunnel baan moeten

breken. Maar plotseling, op een punt, waar de berg slechts een nauwe

spleet vormt, met wanden, die onder een hoek van 60° steil naar boven

rijzen, wijken de rotsen terug en laten den verrasten reiziger den

blik slaan op een breed dal, waarin de uitgestrekte en bekoorlijke

oase van El-Kantara ligt. Voor hem die dit voor 't eerst aanschouwt,

een tooneel van natuurschoon om nooit te vergeten. Het opmerkelijkste

is de schrille tegenstelling tusschen de absolute onvruchtbaarheid der

naakte rotsen en de oase met haar donkergroenen bladerdos van statig

wuivende palmen, waartusschen het kleine, vruchtbaarheid brengende

stroompje zich een weg baant. De Arabieren noemen de bergspleet van

El-Kantara den mond der woestijn, en de geleerden hebben uitgemaakt,

dat hier de grens der Sahara is. Neemt men van meer nabij een kijkje

in de oase en bezoekt men het dorp El-Kantara, zoo geraakt men meer en

meer in verrukking. De huizen, uit grijze leem opgetrokken, gelijken

op kleine vestingen, met smalle vensters als schietgaten. De tuintjes,

door leemen muren van elkander gescheiden, zijn slechts eenige M_2_

groot, doch bevatten voor den eigenaar zijn levensonderhoud, de

onwaardeerbare dadelpalmen. De dadelpalmen, in 't Zuiden van Europa

en aan Afrika's Noordkust, geven, hoezeer zij de schoonheid van

het landschap ook verhoogen, geen vruchten. Deze rijpen eerst veel

zuidelijker, op ongeveer 38° breedte en hebben daartoe gedurende de

zomermaanden een warmte van 40° a 50° Celsius noodig. De dadelpalm,

zegt de Arabier, "moet met het hoofd in 't vuur, met de voeten in 't

water staan." Daarom groeit de dadel ook alleen dáár in de woestijn,

waar water voorkomt, n.l. in de oase, hetzij natuurlijke, hetzij

kunstmatige. De laatste komt verreweg het meest voor, daar zij zeer

veel zorg behoeft wat de besproeiing betreft, en de eerste bij gebreke

daarvan spoedig te gronde gaat. Evenals elders, stonden de dadels in

de tuintjes te El-Kantara met den voet in een kegelvormig gat, waar

men het water in laat loopen. Door de geheele oase loopt een kunstig

net van kleine stroompjes tot aan en afvoer van water, en zijn lage

dijken aangebracht tot afdamming. Men moet spaarzaam met het kostbare

water omgaan, daarom worden alle tuinen beurtelings eens om de 14 dagen

besproeid. Onder het dichte bladerdak wordt de dadel in de zoele hitte

veilig rijp en dragen andere boomen, ook Europeesche gewassen rijke

vrucht; vijge-, abrikozen- en perzikboomen verrukten het oog door

den rijken kleurenschat hunner bloesems, terwijl de wijngaardranken

en clematis zich door de toppen heenslingeren. Ook verschillende

groentesoorten tieren er welig. Een steenachtig, hobbelig pad voert

door de oase; af en toe moet men de rivier doorwaden, die bijna droog

is en geniet dan een schilderachtigen aanblik op de rotsachtige, met

bloeiende oleanders en cactussen omzoomde oevers. Arabische jongens

en meisjes komen u tegemoet, willen u met alle geweld den weg wijzen

en doen aanslagen op uw beurs. De avond valt. In groepen zitten de

Arabieren, jonge en oudere mannen, voor de lage huizen bijeen, allen

in de witte burnou gehuld, waaronder menige grijsaard door zijn statig

voorkomen de aandacht trekt. Waarlijk een eerste bezoek aan een oase

in de woestijn maakt op den reiziger een onuitwischbaren indruk en

doet hem denken aan de schoonste tafereelen der 1001 nacht.

Veel heeft het Fransche gouvernement sinds de bezetting van

Algerië voor het behoud, de stichting en de uitbreiding der oasen

gedaan. Natuurlijk was zulks eerst mogelijk, nadat de Fransche troepen

tot aan den rand der Sahara waren doorgedrongen. Zooals men weet is de

Sahara vroeger zee geweest. Het water is in 't zand weggezonken, zoodat

zich in verschillende streken uitgestrekte onderaardsche meren gevormd

hebben, die somtijds meer dan 200 M. diep liggen. Elders verkrijgt men

bij 't graven reeds op 6 M. diepte water. Het geldt nu, dit water te

voorschijn te brengen en door bevloeiing den naasten omtrek vruchtbaar

te maken. Den Arabier staan daartoe slechts gebrekkige hulpmiddelen

ten dienste. Daarom moet de Franschman met zijn machines voor 't

boren van artesische putten hem te hulp komen. In 1856 liet kolonel

Desvaux, commandant van Batna, de eerste boringen doen te Tumerna,

waar men een put aanboorde, die 4010 L. water per minuut gaf. Somtijds

spuit het water met zoo'n geweldigen aandrang en in zoo'n rijkelijke

hoeveelheid uit den bodem, dat het een deel der landstreek onder water

zet en de aanwezigen zich in allerijl moeten bergen, ten einde niet

verzwolgen te worden. Dit duurt echter maar kort, waarna de toevloed

vermindert. Het water wordt afgedamd en door kunstige kanaliseering

wordt een zoo groot mogelijke streek bevloeid.

Uitbundige vreugde heerscht er bij de bevolking. Fantasia's worden

gehouden, saluutschoten in de lucht afgevuurd en de dorpcheik betuigt

den "vader van het water" (naam, dien de Arabieren aan den ingenieur,

met de boringen belast, geven) de dankbaarheid der bevolking. Alle

nood is vergeten, de toekomst der oase, der bewoners verzekerd,

nieuwe bronnen van bestaan geopend, de arbeid vermeerderd, de welvaart

toegenomen. Alleen van 1856-'66 liet de Fransche regeering 150,000

palmen planten. Zij legt den bewoners der oase slechts de matige

belasting van 20 à 30 centimes per dadelboom op. Eenige jaren geleden

schonk zij aan een dorp 2/5 der belasting kwijt wegens mislukking der

oogst. Men houde wel in 't oog, dat de geduldige, vlijtige bebouwer

der oase niet is de luie, rondzwervende Arabier, maar tot den stam

der vroegere inwoners, der Berbers behoort.

Vroeger was het gewoonte, dat de Arabier tegen den oogsttijd zijn

tenten in de nabijheid der oase kwam opslaan, om van den oasebewoner

schatting van den oogst te eischen. Deze schatting bedroeg dikwijls

meer dan de helft. Aan dit misbruik heeft het Fransche gouvernement

een einde gemaakt, en dit is dus ook in dit opzicht den inboorling

tot zegen geweest.

Niet alleen echter voor het stoffelijk welzijn, ook voor het

geestelijk heil der bevolking wordt goed gezorgd. Dit bewijzen de

vele scholen, die overal in steden, dorpen, ja zelfs in afgelegen

oasen opgericht zijn. Ook El-Kantara bezit een school. Jaarlijks

wordt uit de schranderste dorpskinderen van ongeveer een jaar of 6

een keus gedaan ten getale van 10 of 12, om een cursus van 6 à 7 jaar

te volgen. Het onderwijs, dat 's winters gegeven wordt, bestaat in

Fransch (dat de Arabieren zeer gemakkelijk leeren), teekenen, hand-

en tuinarbeid en rekenkunde. Desverkiezende kunnen leergierigen op hun

13de of 14de jaar nog een hoogeren cursus volgen, waar ook geschiedenis

onderwezen wordt. De schoollokalen te El-Kantara zijn voldoende en

ruim ingericht. Aan de wanden prijken, behalve vele schoolprenten,

de teekeningen van jeugdige Berbertjes, die van goede opmerkingsgave

getuigen. Zelfs te Ouargla, een oase midden in de Algerijnsche Sahara

gelegen, is een Fransche school. Van Biskra uit moet de schoolmeester

per kameel de reis daarheen doen, welke 14 dagen duurt. Wel een bewijs,

dat zelfs afgelegen plaatsen op onderwijsgebied niet vergeten worden.

El-Kantara is zeer gezocht door hartstochtelijke jagers, die in de

kloven van het gebergte en in de valleien der woestijn jacht maken

op de mouflon, het ruige bergschaap met breede, gekrulde hoorns

en de snelvoetige antilope. Wij, toeristen, maakten een interessant

uitstapje naar het schilderachtige dal van Tilatou. 's Morgens vroeg op

muilezels onder geleide van een levendigen Arabier, een dorpsjongen uit

El-Kantara, vertrokken, drongen wij in een zijdal der rivier door, dat

hoe langer hoe nauwer toeliep. Slechts een smal voetpad voerde langs

den steilen oever, ontbrak soms ook geheel. Dan daalden de muilezels

in de rivier af en vervolgden daarin hun weg. Een andermaal klauterden

zij als katten tegen de steile hellingen op of daalden behoedzaam

tusschen groote rotsblokken naar beneden. Voortdurend riep de jonge

Arabier ons toe: "Laissez le mulet, il sait son chemin." Waarlijk,

men kon niets beter doen dan zich lijdelijk aan zijn muildier overgeven

en de kalme, behoedzame zekerheid bewonderen, waarmede het steeds den

reeds vroeger afgelegden weg terug vond. Tegen 't middaguur stapten

wij af op een plaats, waar het dal, door hooge krijtrotsen omgeven,

breeder werd. Was het vroeger woest en onbegroeid, hier heerschte

een weelderige plantengroei. Langs de rotsoevers der beek bloeiden en

geurden om strijd oleanders en wilde rozen, hoogerop vormden vijge-

en laurierboomen, amandel-, perzik- en abrikozenboomen, omstrengeld

met wijngaardranken en lianen, een dicht bosch, waarboven een enkele

palm zijn trotsche kruin verhief.

Na een bezwaarlijke klimpartij tegen een met rotsblokken bezaaide

berghelling was het punt bereikt, waar wij op korten afstand het

gezicht op het doel van onzen tocht hadden, een dorp van holbewoners

of oermenschen. De natuur heeft hier n.l. in de krijtrotsen vrij

diepe holen en grotten gevormd, die door de gemakzuchtige Arabieren

met geringe moeite tot woningen voor zich zelf en stallen voor

hun vee ingericht zijn. Tegen de rotsen aangeleund, verheft zich de

afgebrokkelde toren van een moskee. Daar leven ongeveer een 300 mannen,

vrouwen en kinderen, ver van de wereld, met bijna geen behoeften, zich

voedend met de opbrengst hunner kudden en der weinige vruchtboomen die

zij verzorgen onder het aartsvaderlijk opzicht van een kadi (rechter)

en een marabout (priester). Een idyllische toestand voorwaar, die

ons Westerlingen, vermoeid door het gejaagde, de zenuwen op de proef

stellende, dikwerf zoo ongezonde leven der hedendaagsche maatschappij,

jaloersch zou kunnen maken, zoo ... wij wat meer van 't karakter van

den Arabier in ons hadden.

Biskra, ongeveer twee uur sporens ten Zuiden van El-Kantara, is het

eindpunt van de lijn van Constantine naar de Sahara. Het is een

oase, die, wat uitgestrektheid en schoonheid betreft, El-Kantara

nog ver overtreft. Juister gezegd, bestaat het uit elf oasen van

uiteenloopende uitgestrektheid, die schilderachtig verspreid aan

den voet van twee massieve bergmassa's liggen, den reeds vroeger

vermelden Djebel Aoures en den berg der Zibans (ziban-dorpen,

enkelv. zab). De Arabieren, steeds er op uit om alles, wat door

bijzondere schoonheid of bekoorlijkheid uitmunt, bij een koningin,

sultane of prinses te vergelijken, noemen daarom Biskra de koningin

der Zibans. En terecht verdient het dien naam. Want als een koningin,

stralend van schoonheid, de trotsche kruinen van zijn 160,000 palmen

badend in den zonnegloed, ligt het daar aan den ingang der woestijn

bij de grenzen der beschaafde wereld. Het is als 't ware of het aan de

wereld toonen wil, dat ook de woestijn hare overweldigende schoonheid

bezit. En niet alleen schoonheid is haar deel, ook leven, rusteloos en

bedrijvig leven, drukte en vroolijkheid vol Oostersche levendigheid

en schitterende kleurenpracht. Wat Tunis voor het Noorden is, dat is

Biskra voor het Zuiden. Heeft men daar het Arabische leven in al zijn

oorspronkelijkheid, hier kan men den nomadiseerenden Arabier in zijn

ware natuur aanschouwen.

Biskra is het knooppunt van karavaanwegen bij uitnemendheid. Daar toch

komen tallooze wegen uit de Sahara te zamen; daarlangs loopt sinds

eeuwen de hoofdweg van het binnenland door de poort van El-Kantara

naar Tunis. Van Biskra uit gaat ook de groote karavaanweg over de

oasen Tougourt en Ouargla dwars door de Sahara naar het geheimzinnige

Tomboktou aan den Niger. Het ideaal van het Fransche gouvernement is,

dien weg binnen niet al te langen tijd, van oase tot oase, te vervangen

door een spoorweg, den Transsaharien. De 60,000 inwoners van de oase

bestaan uit de meest verschillende rassen uit de woestijn en het

gebergte afkomstig, n.l. negers uit de Sahara en Centraal-Afrika,

Berbers uit den djebel-Aoures, Arabieren uit het Noorden en uit

de Zibans benevens een menigte nomaden, die overal hun tenten in

't vrije veld opslaan.

De Europeanen te Biskra bestaan voor 't grootste deel uit ambtenaren,

militairen en vreemdelingen. Om het gezonde klimaat, de droge,

reine, uitstekende lucht wordt Biskra meer en meer gezocht als

winterverblijf voor vreemdelingen, die er evenals in Egypte genezing

voor longaandoeningen komen zoeken. De toeloop van vreemdelingen

heeft te Biskra paleizen van hôtels doen verrijzen, die in niets

voor Europeesche behoeven onder te doen. Vooral het Victoria-hôtel

en Hôtel Royal munten uit door hun ruime bouworde, prachtige ligging

en uitstekend ingerichte lees- en gezelschapszalen. Daar treft men

ook nomaden aan, maar Europeesche, nl. globe-trotters en mondaines

in de elegantste toiletten. In het voor- en najaar is het te Biskra

het drukst, en wordt het ook het meest bezocht door de karavanen.

In 't voorjaar, als de hitte zich in de woestijn doet gevoelen, de

zonnebrand het schaarsche gras verdort, maken de nomaden zich op, om

met hunne kudden naar de noordelijker gelegen bergstreken te trekken,

waar zij voedsel voor hun vee vinden. In 't najaar heeft de trek in

omgekeerde richting plaats. Daar wij juist in 't voorjaar te Biskra

waren, konden wij getuigen zijn van het drukke verkeer, dat er dien

tijd heerscht. In lange rij kwamen de karavanen uit de binnenlanden

opzetten, al naarmate van den rijkdom des eigenaars door groote of

kleinere kudden schapen, geiten en kameelen vergezeld. Meestal reed de

eigenaar op een vurig paard voorop, dan volgden vrouwen en kinderen

op den rug der kameelen, de vrouwen nu eens gesluierd, dan weer

door een palankijn van bont gestreept doek voor onbescheiden blikken

verborgen. Huisraad en koopwaren, zooals dadels, harst en houtskool,

waren eveneens op kameelen en ezels verpakt. Vlugge, slanke, bruine

jongens en mannen liepen hier en daar naast den stoet, een wakend oog

op de kudden zwarte schapen en geiten houdend. Voor de kameelen is

dit niet noodig, die volgen van zelf een enkele moederkameel vergezeld

van een jong, dat gedwee bij de moeder blijft en er in zijn schonkige

magerheid onoogelijk uitziet. Herbergen, gelijk bij ons, kent men in

't Oosten niet. De karavanen moeten hun toevlucht zoeken in een gebouw,

karavanserai genoemd, bestaande uit vier vleugels, rondom een vierkante

plaats. Op dit plein verzorgt men het lastvee en in het gebouw betrekt

de Bedouïn een cel, waarin hij niets vindt dan een mat. Het is een

schilderachtig tafereel, een drukke karavanserai, maar de zindelijkheid

laat er veel te wenschen over. Natuurlijk vinden in den drukken tijd

lang niet alle karavanen er plaats, en daar de toegang aan de vrouwen

verboden is, geven de meeste Bedouïnen er de voorkeur aan, in de open

lucht te kampeeren. Onder een paar palmboomen wordt de tent opgezet,

en broederlijk huist de geheele familie daar te zamen met honden,

schapen en geiten. Sommige dier tenten zijn van zeildoek of linnen,

en men kan zien, dat daar binnen eenige welgesteldheid heerscht;

de eigenaar ligt in zijn volle waardigheid zijn pijp te rooken,

vrouwen en meisjes zijn bezig met den maaltijd toe te bereiden,

of weven doeken en shawls uit kleurige stoffen.

Andere tenten zijn niets dan een lappendeken van vodden op eenige

staken, omringd met een doornhaag (zeriba) ter bescherming van het

vee; groezelige vrouwen zitten neergehurkt voor den ingang, of werpen

den vreemdeling schuwe blikken door de scheuren der tent toe; magere

half wilde honden blaffen hem toe, en havelooze, smerige, halfnaakte

kinderen stuiven op hem af, onder 't geroep van "donnez un sou, m'siou"

('t eerste wat elk Arabierenkind leert), waarbij zij zoo onbeschaamd

aanhouden, dat men ze bijna met geweld verjagen moet.

Evenals in alle steden, die zich kenmerken door een internationaal

va-et-vient van reizigers, is ook te Biskra voor de noodige afleiding

en ontspanning gezorgd.

Na zijn zwerven door de woestijn, dikwijls gekweld door hitte, dorst

en den verraderlijken woestijnwind, den simoun, wil de Arabier,

zelfs de meest nomadisch aangelegde, wel weer eens de genietingen

der beschaafde wereld smaken.

Daarbij komt, dat het drukke vreemdelingenverkeer nu niet bepaald

voordeelig op de zeden gewerkt heeft, zoodat te Biskra druk aan Venus

en aan 't spel geofferd wordt; ook houden de Arabieren zich daar niet

zoo streng aan de wet van den profeet als hun voorgeschreven is ten

opzichte van wijn en alcoholische dranken, zooals wij zelf eenmaal aan

onzen gids konden bemerken. Des avonds en gedurende een deel van den

nacht is het in sommige straten vrij druk en rumoerig; danshuizen en

café's stralen van licht, harde snerpende muziek weerklinkt, in 't kort

een soort oostersch boulevard-leven in 't klein. Dit concentreert zich

voornamelijk in de zoogenaamde straat der Oulad-Nayl. De Oulad-Nayl is

een Bedouïnenstam, die in het gebergte van dien naam ten westen van

Biskra huist. Tegen den winter gaan de dochters van dien stam naar

die plaats toe, om er zich in de arabische café's als dansmeisjes te

verhuren, tevens haar harten zoo wijd mogelijk voor alle vreemdelingen

openstellend. In 't Oosten wordt de danskunst in 't openbaar slechts

uitgeoefend door meisjes van twijfelachtige zeden.

Dit doet echter der dochters der Oulad-Nayl geen

kwaad. Integendeel. Want evenals de japansche Greishameisjes, zijn

zij bij haar terugkeer naar haar stam met de opgespaarde verdiensten

als bruiden zeer gezocht.

In tegenstelling met de andere Arabische vrouwen ongesluierd, zitten

zij voor de deuren van haar lage huizen, in lange bonte kleederen

gehuld, den kleurigen tulband op 't hoofd, dat aan weerskanten omlijst

is met een dikken dot valsche krullen van dunne zwarte wol, hals en

borst behangen met tallooze kettingen van louis d'or, munten, steenen

en schelpen; armen, polsen en enkels met armbanden en ringen versierd,

de nagels rood geverfd met hennéh, de wenkbrauwen met kohl tot één

dikke zwarte streep getrokken, die de donkere oogen onnatuurlijk groot

maakt. De vreemdelingen gaan natuurlijk een kijkje in deze wijk nemen,

omdat zij hier een eigenaardig stuk oostersch leven te zien krijgen

en niets dat tegen de borst stuit. In 't café binnengetreden, waar een

talrijk publiek van allerlei stand en landaard is, zetten zij zich op

de met tapijten belegde steenen banken neer, om naar het dansen toe te

zien. Op een soort estrade maken eenige muzikanten eentonige muziek,

eerst zacht en slepend, om eensklaps over te gaan tot fortissimo in

een razend tempo, dat eindigt met den Europeaan wanhopig te maken. Op

de maat dier muziek voeren de dochters der Oulad-Nayl hare gracieuse

dansen uit, met voorzichtige schuifelende passen, lenige lende-

en heupbewegingen en sierlijk soms statig armgebaar.

Een kunststukje daarbij is, een ontvangen geldstuk op het voorhoofd

te plaatsen en dit onder 't dansen en 't achteroverbuigen van het

bovenlichaam steeds daarop te houden.

Uren lang kan de Arabier naar die dansen toezien; voor den Europeaan

worden zij spoedig eentonig. In een ander café worden krijgsdansen

uitgevoerd door negers uit Centraal-Afrika, die zich daarbij zoo

afschuwelijk mogelijk toegetakeld hebben, behangen als zij zijn met

lynx- en vossevellen. Onder het uitstoot en van rauwe, brullende

kreten, die niets menschelijks meer hebben, draaien zij met snelle

sprongen en bewegingen om elkander heen, onder 't zwaaien van kromme

sabels, met klapperende castagnetten en een kleine oorlogstrom een

oorverdoovend lawaai makend.

Zoodanig tooneel biedt de straat der Oulad-Nayl den vreemdeling

des avonds. Door zijn licht en leven, zijn oostersche vrouwen en

kleurenpracht en al het exotische maakt deze plek een eigenaardigen

indruk, dien hij niet licht vergeet.

Zeer loonend en vol afwisseling is een wandeling door het dorp

oud-Biskra, bewoond door de eigenlijke inwoners der oase. Men bewondert

hier even als te El-Kantara het kunstige irrigatie-stelsel en de hoog

opschietende dadelpalmen, terwijl de nettere, ruimere woningen van

meer welstand dan ginds getuigen.

Niet ver van daar liggen op een lagen heuvel de overblijfselen van een

turksch fort, dagteekenende uit den tijd dat het gezag van den Grooten

Heer te Constantinopel zich nog over Tunis tot aan de grenzen der

Sahara uitstrekte. Van den top heeft men een gezicht op het zuidelijk

gedeelte van Biskra en tevens op den Col des sfa (sfa: kameelen),

waar een vale, golvende streek te kennen geeft, dat hier het ruwste

en onvruchtbaarste deel der Sahara, de zandwoestijn, waar de simoun

heerscht, door de Arabieren El Erg genoemd, een aanvang neemt.

Beter nog dan van den heuvel bij oud-Biskra kan de reiziger de

zandwoestijn aanschouwen van den toren der moskee van Sidi-Okba. Dit

is een dorp geheel bewoond door Arabieren, op 3 uur rijdens van

Biskra verwijderd. Het is voor hen een beroemde bedevaartplaats,

want in de moskee ligt begraven Sidi-Okba, een neef van Mahommed en

fanatiek strijder voor 't geloof van den profeet, die in den strijd

met de Berbers sneuvelde. Hier ziet men geen Europeesch gebouw,

geen spoor van westersche beschaving. Men is geheel in een Arabisch

milieu, hetgeen het interessante van het bezoek verhoogt, maar in

hooge mate de vrijheid van beweging belemmeren zou, als niet de

Fransche regeering speciaal een Arabier als beambte aangesteld had,

om de vreemdelingen als gids te dienen en tegen de al te groote

indringerigheid en bedelzucht van zijn landgenooten te beschermen.

Bij 't bezoek aan het graf, dat met kostbare wijgeschenken en fraai

met goud en zilver bestikte tapijten versierd is, bestijgt men

ook den toren der moskee; en van den omgang, waar de muezzins bij

't ondergaan der zon met luidklinkende stem de geloovigen tot het

avondgebed oproepen, heeft men een onmetelijk uitzicht op de golvende

zandzee, die zoo veel drama's en verschrikkingen in haren schoot

bergt en waarvan het kleine, in het zonlicht schitterende dorp met

zijn slanke palmen slechts een verlaten post schijnt te zijn. Toch

is het bewoond door ongeveer 3000 Arabieren en negers.

Een der voornaamste aantrekkelijkheden van het reizen in Algerië is

de groote afwisseling, die de natuur telkenmale aanbiedt. Een halve

dagreis is dikwijls voldoende om den reiziger in een landstreek te

brengen, die zoo in alle opzichten verschilt van die, waar hij den

vorigen nacht het moede hoofd ter ruste legde, dat hij zich zelf

bijna verwonderd afvraagt, of deze verandering toch werkelijk in zoo

korten tijd heeft plaats gehad. Grooter tegenstelling dan tusschen het

landschap van Biskra en Kabylië is wel niet denkbaar. Kon ginds de blik

een onmetelijken horizon bevatten, zoo wordt hij hier op korten afstand

gestuit door massieve bergmassa's waarvan de toppen met sneeuw bekroond

zijn, want Kabylië is het hoogste en meest uitgestrekte bergland

van geheel Algerië. Het behoort tot twee provincies. De oostelijke

helft is de grootste en ligt in de provincie Constantine. De bergen

bereiken er echter niet zoo'n hoogte als die der westelijke helft,

in de provincie Algiers gelegen. Van Constantine naar het Westen

sporend, komt de reiziger eerst in de door graan vruchtbare maar

eentonige vlakte van Sétif. Langzamerhand, bij 't naderen van den

Biban-keten, wordt het landschap woester en meer bergachtig; steunend

en hijgend zwoegt de machine tegen de berghelling op, van tijd tot

tijd stil houdend, waar werklieden bezig zijn den veel onderhoud

vereischenden weg te herstellen. Het is of men in een Zwitsersch

landschap verplaatst is. Verdwenen zijn de karavanen met Bedouïnen en

kameelen, als waren zij door den sirocco weggevaagd, verdwenen ook de

palmen met hun sierlijke bladerkronen. De beambten en arbeiders langs

den weg zijn bijna allen van Europeeschen stam en de schilderachtige

oasen zijn vervangen door spaarzame boomgroepen van het soort dat men

"pin d'Aleppe" (een variatie van den den) noemt en naakte, loodrecht

oprijzende rotswanden. Steiler wordt de weg, langzamer kruipt de trein

naar boven, tot hij bij de Portes de Fer het hoogste punt bereikt

heeft. Van daar daalt de weg dan weder met vele zig-zagwendingen

en slingeringen in de vruchtbare vlakte van de Sahel, waar talrijke

olijfboomgaarden en velden met wijnstokken en graan beplant, van de

vruchtbaarheid getuigen. Steeds breeder en liefelijker wordt het dal,

tot de spoorweg zijn eindpunt, het aan zee gelegen Bougie bereikt,

waar ook de Sahel zich in zee stort. Geen plaats in Algerië is schooner

gelegen dan Bougie, amphitheatersgewijze tegen de heuvels gebouwd,

die een tamelijk groote golf omringen. Het gezicht, dat men op de golf

heeft van de balkons van het in Zwitserschen trant gebouwde hôtel,

is werkelijk eenig mooi. Op den voorgrond de kleine haven, waar slanke

vaartuigen met driehoekige zeilen op de donkerblauwe watervlakte heen

en weer schommelen; aan den overkant bergketenen uit de zee oprijzend,

steeds hooger en hooger, de voorste lagere, met groenenden wasdom, de

achterste hoogere, witgekuifd door sneeuw; aan de linkerhand de volle

zee, aan de rechter de vruchtbare vlakte der Sahel, hier en daar door

verschillend genuanceerde, groenende boomgroepen onderbroken. Op een

eenzame, ver in zee uitstekende rots, kaap Carbon, staat een vuurtoren

met draaiend licht, hetwelk op 45 K.M. van uit zee te zien is. Want

de kust is hier zeer gevaarlijk, daar er dikwijls zoo'n sterke mist

heerscht, dat men geen twee passen voor zich uit kan zien.

Bougie is het uitgangspunt voor tochten te voet en per rijtuig door

Groot- en Klein Kabylië. Wegen, hôtels en middelen van vervoer laten

er echter nog veel te wenschen over, zoodat de Arabieren met dien

primitieven toestand hun voordeel doen en er geen streek is, waar de

reiziger meer op zijn tellen en op zijn beurs moet passen dan in dit

deel van het beschaafde Algerië.

Onderscheidt Kabylië zich, wat de natuur en de gesteldheid van den

bodem betreft, van het Zuiden, ja men kan veilig zeggen van geheel

het overige Algerië, zoo is er ook op het gebied van bevolking

groot verschil. De Kabyl is een afzonderlijk type, dat zich door

de afgeslotenheid van zijn ontoegankelijke bergen door vele eeuwen

heen zeer zuiver gehandhaafd heeft, weinig vermengd als het is

door nauwere aanraking met de verschillende volksstammen, die

achtereenvolgens het land overstroomden. Van middelbare gestalte,

lenig, welgemaakt en gespierd, met blauwe oogen en rosachtig haar,

vertoont hij een geheel ander type dan de Arabier. Hij behoort tot

de oorspronkelijke Berberstammen, die voor de komst der Romeinen

het land bewoonden en zich gedurende de onophoudelijke oorlogen en

vervolgingen in het ontoegankelijke gebergte terugtrokken. Ook in

het Aôures-gebergte vindt men dergelijke stammen. Fanatiek, sober,

dapper en vrijheidslievend, met open, vrijen oogopslag, heeft de

Kabyl al de deugden van den bergbewoner. Een langen, hardnekkigen

oorlog hebben de Franschen in Kabylië moeten voeren, eer het voor

goed onderworpen was. Telkens verslagen, trokken de bewoners zich

weder in ontoegankelijke streken terug, om den aanval onverwacht te

hervatten als de kans hun gunstig scheen. Vele Fransche veldheeren

hebben hun sporen in dezen veldtocht verdiend. Ook de hertog van

Aumale, later stadhouder van Algerië, heeft er als dapper soldaat

zijn plicht gedaan. Onder de dweepzieke leiding van den bekenden

emir Abd-el-Kader was Kabylië een brandpunt van verzet. Een treurige

vermaardheid verwierf er door zijn wreedheid de overste Pelissier,

later voor zijn verdienste bij Sebastopol tot hertog van Malakoff

benoemd. In 1845 liet hij een geheelen Kabylenstam ten getale van 800,

die met vrouwen en kinderen in een ruime rotsspelonk gevlucht waren

en van overgave niets weten wilden, door den rook van een brandende

houtmijt door verstikking om 't leven komen. Eerst in 1857 gelukte

het generaal Randon den taaien tegenstand der Kabylen te breken en

daarmede Algerië tot aan de Sahara te onderwerpen. In 't midden des

lands werd een sterkte, Fort National, gebouwd, van waaruit excursies

ondernomen werden om het land tot rust te brengen. Een wijs en gematigd

bestuur heeft er zeer toe bijgedragen de onderwerping te bevorderen. Na

verloop van tijd hebben de Kabylen zich in 't onvermijdelijke geschikt,

zoodat de regeering van Algerië hen thans onder haar beste onderdanen

moet rekenen. Geen nomaden, als de Arabieren, zijn zij aan hun bergen,

aan vaste woonplaatsen gehecht en houden zich met goed gevolg met

landbouw en veeteelt bezig.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 · 第 12 / 49 题