[1] Zie voor de beteekenis der sterretjes achter de woorden bladz. 6
onderaan.
[2] Voor de kenmerkende verschillen tusschen mythen, sagen, legenden
enz., verwijs ik den lezer o.a. naar „Woordkunst” door M. A. P. C.
Poelhekke.
[3] Zie: Alfred Russel Wallace (Travels on the Amazon and the Rio
Negro, Chapter IX, Londen 1853), Dr. Herman ten Kate, „Schetsen en
stemmingen” l. c. en Dr. H. van Cappelle, „Bij de Indianen en de
Boschnegers van Suriname” blz. 383.
[4] In Suriname bezigt men het woord parel voor pagaai. In den
Engelschen tekst staat „paddle my cano”.
[5] Slot van een gedicht van Wallace (l. c.) den later zoo beroemd
geworden Engelschen natuuronderzoeker, die een tijd lang onder de
Arowakken aan de Orinoco verblijf heeft gehouden. Dit gedicht, dat ik
in het Nederlandsch heb trachten over te zetten, is hem uit de pen
gevloeid in een toestand van verontwaardiging over het leven in de
„beschaafde wereld”.
[6] De vertellingen zijn ontleend aan:
H. W. Brett (B.)—No. 17.
C. van Coll (Co, b en a)—No. 29 en 39.
F. P. en A. P. Penard (P, a.)—No. 38 en 40–47.
Albert I. Gatschet (Ga.)—No. 48.
Walter E. Roth (R.)—Alle overigen.
[7] In den noordelijken vorm der fabel is voor de excrementen van beide
dieren het uitbraaksel der hen vervangende dieren in de plaats gekomen.
[8] Dit geloof komt zelfs nog bij stadsnegers van Suriname voor (zie C.
b. blz. 185).
[9] Bij alle stammen wordt de zon mannelijk gedacht.
[10] Deze voorstelling leert de Indianen weder als natuurdichters
kennen; want treffen wij deze vergelijking van de maansikkel met een
wapen—het uitgangspunt hunner dichterlijke phantasie—ook niet bij
poëtisch aangelegde zielen in het „beschaafde” Europa aan, die behoefte
hebben gevoeld, ieder op hunne wijze de tallooze wonderverschijningen
in de natuur te bezingen?
In dit verband treffen o.a. eenige regels in een der gedichten, van
Augusta Peaux, de Nederlandsche natuurdichteres, die 40 jaren na
Jacques Perk hare gedichten liet verschijnen en waarin van een
„Dennenboom in den avond” wordt gezegd:
„Een den staat met donker gebogen hoofd
Onder de kromme kling van de maan:
Een sombere dweper, een fatalist,
Een donkere slaaf, die kwaad heeft gedaan.
De maankling boven zijn hoofd is blank,
Blinkend en scherp in de groote lucht.
Roerloos staat hij voor ’t purpergordijn
van den avond, fanatiek, ducht
Geen dood”.
enz.
(Zie een artikel van J. Reddingius in Groot Nederland van Augustus
1925).
[11] Een der leden van ons personeel gedurende de Expeditie door de
Binnenlanden van het Surinaamsche district Nickerie (C. b.), een
Hollander van geboorte, werd door deze boschgeluiden bijzonder
aangegrepen. Telkens hoorden wij hem in zijn hangmat verzuchtingen
slaken als: „To be or not to be”; „Home sweet home”. Voelde hij de
slechte voorteekens?—Drie dagen na onzen terugkeer in de stad overleed
hij.
[12] Een dergelijk geloof treft men bij de negers aan. Hier noemt men
onthouding van een bepaald voedsel: treef.
[13] Bij de Caraïben aan de Cottica in Suriname (C.a.) geschiedt het
planten van Cassave door de mannen.
[14] Het werkje van de Gebroeders Penard (P.) bevat van deze
beeldspraak talrijke voorbeelden. Onder deze komen er wellicht voor,
die den lezer gezocht voorkomen. De omstandigheden, die dezen
schrijvers ten deel zijn geworden, hebben er toe geleid, dat zij de
Benedenlandsche Indianen beter hebben leeren kennen, dan menig ander.
[15] Wanneer de Caraïben door sommige schrijvers menscheneters genoemd
worden (de titel van het boekje van de Penards (P. a.) is misleidend),
dan komt dit, omdat zij eertijds de gewoonte hadden, hunne buitgemaakte
vijanden op te eten, meenende hierdoor den moed van den tegenstander in
zich op te nemen. Dit gebruik bestond nog een vijftiental jaren geleden
bij Indianenstammen in het Amazone-gebied, o.a. bij de
Mangeroma-Indianen, die aan de grens van Peru en Brazilië wonen, en
onder welke Algot Lange (In the Amazon Jungle. C. P. Putnam’s Sons. New
York and London 1912) de feestelijke, doch minder smakelijke viering
van de overwinning in een strijd met Peruanen heeft bijgewoond, die, op
roof naar hunne vrouwen en dochters, het gebied der Mangeroma’s hadden
betreden.
Na den strijd, waarin geen der twintig Peruanen het er levend afbracht,
werden de handen en voeten der verslagenen afgehakt, naar de hutten
gebracht en aan de verschillende families rondgedeeld om gekookt te
worden.
Dat deze Indianen dat deden, zegt de schrijver, was slechts het voldoen
aan een eeuwenouden, religieusen ritus, en tegenover dit ons
toeschijnend afschuwelijk gebruik is het wel treffend, het afscheid te
lezen, waarmede hij de schets van zijn verblijf van vijf weken te
midden dezer „menschenetende” Indianen besluit. „How wonderful was this
farewell! It was my opportunity for acknowledging that the savage heart
is by no means devoid of the feelings and sentiments that characterise
more elevated, so called civilised individuals”.
De „beschaafde” mensch heeft deze gewoonte, om zijn vijand op te eten
reeds sedert de oudste praehistorische tijden verlaten en bepaalt er
zich slechts toe, zijn verlangen, om dit te doen, te uiten met van
iemand, die hem moreel kwaad heeft gedaan, te zeggen: „ik zou hem wel
willen opvreten”.
Een man van rijpe ervaring, die over een groot deel van het
tegenwoordige menschdom in hetgeen men gewoon is „de beschaafde wereld”
te noemen, zeer slecht te spreken is, zei mij, toen ik dit onderwerp
met hem besprak: Deze lust komt hoe langer hoe meer bij mij op!
[16] Hier wordt een verklaring gegeven van den z.g. Dubbelgeest.
[17] Boa constrictor.
[18] Op een reis door Auvergne in 1910 vernam ik uit betrouwbaren bron,
dat dit gebruik zelfs nog op het granietplateau van Limousin bestond.
[19] Mocht zulks in de maatschappij, die men gewoon is, tegenover de
zoogenaamde „wilden”, beschaafde maatschappij te noemen, immer zoo
wezen en niet zoo vaak juist het tegendeel voorkomen!
[20] Gedurende de Nickerie-expeditie in 1900 (C. b.) bracht slechts een
neger, die bij de Indianen was opgevoed en er alleen met pijl en boog
op uittrok, naar het kampement aan de rivier of in het oerwoud geregeld
wild van de jacht mede.
[21] The American race, New-York 1891.
[22] Volgens Brinton (L. c.) is het ontwijfelbaar, dat de algemeene
richting, waarin het Amerikaansche ras zich verspreid heeft, zoowel in
Noord- als in Zuid-Amerika van Noordelijke breedten naar de Tropen
heeft plaats gehad en van de groote bergketenen in het Westen naar het
Oosten en dat, zooals een Indiaansch opperhoofd hem heeft verzekerd, de
geesten der dooden steeds daarheen terugkeeren, vanwaar zij gekomen
zijn, d.i. waar de zon nederdaalt.
Deze kundige schrijver merkt terecht op, dat deze volksverhuizingen
doorgaans niet in grooten getale, volgens een vooruit beraamd plan,
zullen hebben plaats gehad, doch voet voor voet, familie na familie,
wanneer de oude jachtgronden uitgeput of de landen te dicht bevolkt
raakten. Hier uit leidt hij den grooten ouderdom van het Indiaansche
ras af, waarvoor nog vele andere feiten pleiten, vooral de
cultuurgewassen, die sedert onheugelijke tijden door de Indianen
gekweekt zijn en van welke velen, zooals de maïs, de cassave en de
tabak eerst veel later bij andere volken bekend zijn geworden, en wier
wilde stamplanten niet weer terug te vinden zijn. In verband hiermede
mag er op gewezen worden, dat het verhaal, dat onder No. 30 voorkomt,
van de herkomst van de tabak vertelt over zee, dus vermoedelijk uit
noordelijk gelegen streken.
[23] Daar de Arowakken deze streken bewoonden, reeds lang voordat de
Caraïben het land binnendrongen, schijnt deze legende van ouderen
oorsprong te zijn dan de voorgaande Legende van Letterhoutstomp.
[24] Ook nu nog zien de Indianen niet tegen lange tochten op. Tijdens
ons verblijf te Nickerie, de hoofdplaats van het gelijknamig district,
maakte ik kennis met een twintigtal Indianen, die met al hun hebben en
houden, huisdieren niet te vergeten, stadwaarts waren gekomen, om op 31
Augustus de viering van den verjaardag onzer Koningin bij te wonen. Het
waren Indianen, die gevestigd waren aan de monding der Karapana-kreek,
twee en een halven dag varens van de stad gelegen, en wier dorp wij op
onzen daarna ondernomen tocht geheel verlaten vonden.
[25] Natuurbeschouwingen Leiden 1850.
[26] Of kust hier gebruikt is om het te laten rijmen op rust? Of heeft
de vertaler niet geweten, dat hier een oord bedoeld wordt aan den
bovenloop der Orinoco, het gebied der watervallen en
stroomversnellingen?
[27] Het neêrstortende water van den waterval.
[28] In tegenstelling met de gewone woonhuizen, die aan twee zijden
geheel open zijn, bewoont de piaiman, en wanneer het bij uitzondering
een vrouw was, de piaivrouw, een gesloten hut.
[29] Zie blz. 27.
[30] De Indianen kunnen in de vormelooze vleezige massa van den
Alligator (het Amerikaansche krokodillengeslacht), die niet kan worden
uitgestoken, onmogelijk een tong herkennen. Herodotus, die eveneens een
goede waarnemer van den krokodil is geweest, beweert ook, dat dit dier
geen tong bezit, waarom de krokodil bij de Egyptenaren het zinnebeeld
van geheimzinnigheid was. Bij den stam der Akawai-Indianen (Engelsch
Guyana) heerscht het geloof, dat de tong van den Alligator eertijds
lang en buigzaam is geweest; dat Makoenaima* bij de schepping zijn vuur
was kwijt geraakt, dat door de maroedi (een zwarte vogel, Penelope sp.)
was ingeslikt; en dat, toen hij er overal naar ging zoeken, en de
beesten (ook hier worden de vogels tegenover de andere dieren
geplaatst) hem hadden verteld, dat de alligator, dien zij allen
verafschuwden, er mee op den loop was gegaan, hij met geweld
alligator’s muil heeft geopend, om het vuur te zoeken, en daarbij den
tong, die hem in den weg zat, heeft uitgerukt.
[31] Pisangs*.
[32] Deze zin is fatsoenshalve veranderd.
[33] Volgens de tradities der Caraïben hebben de Boschgeesten een
grooten afkeer voor zoete pataten.
[34] In de geheele folklore der Indianen van Guyana is dit het eenige,
wat nog herinnert aan het scalpeeren, welk wreedaardig gebruik vroeger
ook bij de Indianen van de drie Guyana’s, evenals bij andere
Indianenstammen van Zuid-Amerika, geheerscht heeft.
[35] Alleen wanneer hij voor meerdere dagen op de jacht gaat, neemt hij
zijn vrouw meê.
[36] Merkwaardige beeldspraak!
[37] Zonder maïsplant kan de schimmel, die op deze cultuurplant
woekert, niet leven.
[38] Wanneer men een aap barbakot, buigen de vingers zich, tengevolge
der spiercontractie, sterk om.
[39] Het dier loopt dus op den buitenkant van zijn klauwvormige nagels,
en de punten der nagels, die bij het graafwerk dienst doen, ondervinden
geen druk.
[40] Hoewel de miereneter niet aanvalt, wanneer men hem ongemoeid laat,
wordt hij, als hij zich verdedigen moet, door zijn ontzettende kracht
een gevaarlijke tegenstander, die zijn aanvaller met zijn groote
sikkelvormige nagels den buik tracht open te rijten.
[41] Deze dierenfabel, die de verwisseling der excrementen tot
onderwerp heeft, is volgens Von der Steinen uit Noord-Amerika
afkomstig, waar de Coyote (prairie „wolf”) met een beer het uitbraaksel
verwisselt; ook het motief van het oogensluiten ontbreekt hier niet.
[42] De tegenwoordige Indianen der benedenlanden van Guyana hebben
doorgaans slechts één vrouw. Een piaiman wordt gerekend er meer te
mogen hebben.
[43] Dit doet, volgens Walter E. Roth, denken aan den beenderloozen
Held Kòn van de Yoenka-Indianen van Peru.
[44] Zie bldz. 27.
[45] Wood-skin, zooals er in den Engelschen tekst staat, is een
eenvoudige kano, gemaakt van repen boombast.
[46] Walter E. Roth, aan wien wij deze mythe ontleenen, merkte de
Indiaan, die hem deze vertelde, op, waarom de vrouw niet naar het
Oosten, dus de zon tegemoet, trok. Hij antwoordde, dat zij de zon juist
wilde ontmoeten, waar hij weêr naar de aarde nederdaalt, aan den verren
horizon.
[47] Zie blz. 19.
[48] De Pakaraima-keten in Britsch-Guyana.
[49] Flambouw.
[50] De komeet of staartster.
[51] Volgens Th. Koch-Grünberg voorzien de kinderen der Indianen aan de
Boven-Aiuri hun pijlen met een dop van zwarte was.
[52] Vampier*.
[53] Een Indiaan overkomt dit niet licht, daar de zon zijn kompas is.
[54] Zie blz. 36.
[55] Zie „bekoring” in Inleiding, blz. 36.
[56] Walter E. Roth, aan wien ik deze vertelling ontleen, vroeg aan de
vertelster, waaraan de jongen bemerkte, dat er iets zou gebeuren? Zij
antwoordde, dat wanneer kinderen en jonge menschen ver van hun
woonplaats zijn, zij doorgaans angstig en zenuwachtig zijn.
[57] Zie blz. 41.
[58] Ook rotsen en gesteenten, dus ook hunne verweeringsprodukten,
worden door den Indiaan als bezield gedacht (zie blz. 27).
[59] De vrouw zet steeds het gerecht, dat zij heeft klaar gemaakt, voor
den man neêr en deze doet het maal alleen. (C.a.).
[60] Zie voor de gewoonte, om de vogels van de overige dieren af te
scheiden, blz. 17.
[61] Snavel.
[62] Van de bestaande Katoen-(Gossypium-)soorten wordt door de Indianen
op hunne kostgronden de Peru- of bokke- (bokken = Indianen) katoen (G.
Peruvianum) verbouwd. De hangmatten worden er van vervaardigd.
[63] Bij de Arowakken is de koningsgier de dochter van Anoeanima of
Annoeánna. Zij kan haar veêren afleggen en in een vrouw veranderen. Bij
de Trios (Bovenlandsche Indianen) dient deze gier tot verblijf van een
boschgeest, Akalamano geheeten.
[64] Wanneer een Moenirikoeti (soort zwarte mier) iemand bijt, moet
hij, beweren de Indianen, er geen acht op slaan, want het beteekent,
dat er iets goeds met hem gebeuren zal. (Zie blz. 34).
[65] Hier is verband met het wreedaardig gebruik, om een mat of gordel,
in wier openingen mieren (ook wel wespen) gezet zijn, tegen borst enz.
te houden van dengene, die zich voor het piaimanschap moet bekwamen, en
dit zonder pijn te toonen moet kunnen verdragen.
[66] Hier en daar is katholieke invloed duidelijk te bespeuren.
[67] Hier wordt herinnerd aan de verhuizingen (migraties, zie blz. 53),
die eertijds op groote schaal bij de Indianen hebben plaats gehad.
[68] Dubbelgeest (zie blz. 44).
[69] Vermoedelijk zinnebeeldig bedoeld.
[70] Zinnebeeldige voorstelling van den Worgslang. (P.a.).
[71] Hut voor den Boschgeest.
[72] Zie blz. 46.
[73] De vader van het meisje, dat door een jongen man tot vrouw begeerd
wordt, zal, wanneer zijn vrouw en zijn dochter tegen het huwelijk geen
bezwaren hebben, wel zijn toestemming tot een voorloopige samenleving
geven, doch hij zal van zijn dochter slechts blijvend afstand doen,
wanneer de aanstaande echtgenoot niet een zeker aantal werkzaamheden
heeft verricht, die als waarborg en geruststelling kunnen gelden.
[74] Vanaf de rivier in het gat van een boom te schieten, dat de
toegang is tot het nest van een specht, was inderdaad een kunststuk,
vooral als de korjaal, waarin het volbracht moest worden, zoo snel
mogelijk voortgepareld werd. Dikwijls gelukte het dan ook eerst na
herhaalde proefnemingen, zoodat het soms zeer lang kon duren, voordat
een man een meisje in den waren zin des woords zijn vrouw mocht noemen.
[75] Niet bij alle Indianen-stammen zijn de voorwaarden tot een
huwelijk dezelfde. Bij de hedendaagsche Caraïben moet de candidaat een
stuk land van bepaalde grootte hebben schoongekapt en met cassave
hebben beplant, en twee korjalen hebben vervaardigd, een groote voor
reizen naar de stad, een kleinere voor het jachtbedrijf. (C.a.)
[76] Het vlechtpatroon van deze krabkorven noemen de Arowakken
kassaroa- of vieroogpatroon, om de wijze, waarop de bundels als zoovele
oogen geweven behooren te worden. De man had aldus het model in grooten
getale voor zich, en zoo zou het, meende hij, wel gelukken. Ook de
Caraïben (zie P.a. blz. 126) hebben voor hun vlechtwerk en aardewerk
verschillende patronen die aan allerlei dieren ontleend zijn en met
zinnebeeldige voorstellingen in verband staan.
[77] Wanneer iemand op bezoek komt, wordt hem een of ander te eten of
te drinken aangeboden. Wanneer hij genoeg heeft laat hij het zijn
gastheer of gastvrouw op deze manier merken.
[78] Zie blz. 37.
[79] Er bestaat een nauw verband tusschen padden, kikvorschen en
verwante dieren met geluk op de jacht. In Engelsch Guyana hebben de
Indianen, die de savanne nabij de Kaieteur-val (zie blz. 28) bewonen,
de gewoonte, om over twee sneden, die aan iederen kant van de borst
zijn toegebracht, een kikvorsch te wrijven, teneinde zich geluk op de
jacht te verzekeren. Voor ieder soort wild nemen zij, zegt W. Roth, een
andere kikvorsch-soort.
[80] Dit was het antwoord, dat de verteller gaf op een vraag van Walter
Roth, waarom hij zoo lang bleef roepen.
[81] Odontophorus.
[82] Onder de geheimzinnige pijlen, die bij de Kenaimas (zie blz. 41)
behooren, komen er voor, die met een moeilijk waar te nemen schimmel
bedekt zijn en waardoor zij de oorzaak zijn van het missen van hun
doel. Ook als de schimmel zich op den arm van den jager bevindt, zijn
de pijlen niets waard.
[83] De Kenaimas gebruiken gebroken en onzichtbare pijlen. (Zie bl.
41).
[84] Volgens de gebroeders Penard is de voorstelling van een
menscheneter met een mond aan de borst bij den Indiaan het zinnebeeld
van een wreedaard, en wie die het zeldzame waarnemingsvermogen der
Indianen en hun zin tot het maken van vergelijkingen kent, zal deze
meening in twijfel trekken? Men denke slechts aan de houding, die een
in woede ontstoken wreedaard aanneemt, die een moorddadig plan gaat
volbrengen. Drukt hij zijn hoofd niet naar beneden, en brengt hij zijn
geopenden mond niet ter hoogte van zijn borst?
[85] Dubbelgeest.
[86] Volgens de Penards zou het loopende tabbertje doelen op drijfzand
of een zandbank of ook wel op een eilandje, dat in den loop der jaren
werkelijk van plaats verandert.
[87] Kaiwiri of Skroerki, ook Wisi-wisi genoemd, is de Withals-boomeend
(Dendrocygna discolor). De vorm van den rots komt overeen met dien van
een boomeend.
[88] Volgens de Penards was de Kaaiman geen vaartuig, maar een
zinnebeeldige voorstelling van de woede, die Paira-oendepo en zijne
strijders bezielden, toen zij tegen de Roodhuiden optrokken, terwijl de
Geest der Bekoring de slimheid was, waarmede de Indianen Stomp in een
hinderlaag wisten te lokken.
Het gehele verhaal zou alzoo een zinnebeeldig gevecht zijn van een
Worgslang met een Kaaiman. De Worgslang overwon den Kaaiman en slokte
hem op, hetgeen zou doelen op een Caraïbisch feestmaal van
menschenvleesch. Het verdwijnen en weêr terugkomen van het tabbetje zou
vermoedelijk een zinnebeeldige voorstelling zijn van de taktiek der
Indianen.
[89] Temere-rots (ook wel Timehri-, Temehri, Kemere- en Toemere-rots
geschreven), hetgeen in het Caraïbisch of Kalienjas „geteekend, gewerkt
of beschilderd” wil zeggen, is een granietrots in de bedding der
Marowijne, waarop rotsteekeningen of liever rotsingriffelingen zg.
petroglyphen voorkomen, die tot de oudheden behooren, welke de oudste
bewoners van Suriname, de voorouders der tegenwoordige Indianen, op den
bodem hebben achtergelaten. Zulke inschriften komen ook op sommige
rotsen in den Corantijn en zijn bijrivieren en nog meer westwaarts, ook
in Engelsch Guyana, voor. Zij laten, behalve tal van moeielijk te
verklaren figuren, afbeeldingen van menschen zien (op den Temererots
o.a. een met veerenkroon versierden Indiaan), die volgens ten Kate, Im
Thurn, Cushing e.a. niet als louter krabbels, als uitingen van een
gril, mogen beschouwd worden, doch ongetwijfeld verband houden met
mythen, legenden, godsdienstige handelingen en geschiedkundige
gebeurtenissen, hetgeen reeds hieruit blijkt, dat het bekend is, dat de
Indianen van Engelsch Guyana een zekere vrees koesteren voor rotsen met
teekeningen en inschriften. Terwijl ten Kate de uitleggingen der
inschriften op de Temere-rots in de Marowijne door de Penards gegeven
minstens twijfelachtig noemt, acht hij het niet onwaarschijnlijk, dat
zij in verband staan met de door hen medegedeelde en in dezen bundel
overgenomen overlevering van Letterhoutstomp.
[90] De stichting van Suriname’s hoofdstad dateert van den aanvang der
zeventienden eeuw.
[91] De Arowakken zijn met den stam der Warraus de eerste bewoners van
Suriname geweest. Eerst later drongen de strijdlustige Caraïben binnen,
die spoedig een overwicht over de andere stammen verkregen.
[92] Volgens Pater van Coll kan deze door hem opgeteekende legende aan
de vele gissingen omtrent den naam Paramaribo een nieuwe toevoegen.
[93] Sommigen beweren, dat het een levende raaf (met dezen vogel worden
de groote Ara- of papegaaiensoorten bedoeld, in de kolonie raven
genoemd) is geweest. De Ara is bij den Indiaan het zinnebeeld der
waakzaamheid.
[94] Linker zijstroom van de Surinamerivier.
[95] De legenden der Maskoki-stammen, waartoe ook de z.g.
Creek-Indianen behooren, die het zuidelijk deel van Noord-Amerika
(Alabama en Georgia) bewonen, maken herhaaldelijk van holen gewag, die
zij als plaatsen van oorsprong hunner voorvaderen beschouwen. Deze
holen bevonden zich o.a. langs de Roode-rivier, en bezochten zij nog nu
en dan, omdat zij geloofden, dat zij vandaar afkomstig waren. Dit
geloof, dat hunne voorvaderen uit onderaardsche holen zijn voortgekomen
(zie blz. 18), is bij hen zóó vast geworteld, dat zij iedere streek,
die rijk is aan zulke holen, als de oorspronkelijke woonplaats van hun
stam beschouwen. Daar nu deze zuidelijke stammen van Noord-Amerika het
verband vormen tusschen de Indianenstammen van Noord- en Zuid-Amerika,
is het feit, dat wij van dit geloof ook nog in legenden van
Surinaamsche Indianen sporen aantreffen, de aandacht waard.
[96] Zie onder „vloed” in het verklarend register.
[97] Volgens de Penards, die deze legende in hun geschrift verkort
overnemen, hebben we hier met beeldspraak te doen.
[98] Bedoeld wordt een der twee Indianen in het zegel der West-Indische
compagnie.
[99] Jorobodie beteekent, volgens de Penards, Geweldige Worstelaar en
Omklemmer.
[100] Het is niet bekend of met blanken, Spanjaarden, Engelschen,
Franschen of Nederlanders bedoeld werden. De Penards meenen, dat het
Engelschen zijn geweest, die in het jaar 1626 uit de Commewijne- en de
Suriname-rivier verdreven werden.
[101] Zie blz. 37.
[102] Evenals Simson, die door de list van Dalila zijn kracht verloor
en in handen der Philistijnen viel.
[103] De strijd met de blanken, zegt de geschiedenis, eindigde, toen
deze een Arowaksch meisje gevangen hadden genomen en naar Europa hadden
gezonden. Het kind werd daar opgevoed en had daardoor gelegenheid, zich
andere denkbeelden omtrent de bedoelingen der blanken eigen te maken,
zoodat zij, weder bij hare stamgenooten teruggekeerd, haar gewijzigd
oordeel op hen deed overgaan en op deze wijze den vrede voorbereidde.
Volgens de Gebr. Penard krioelt de legende van Jorobodie, die wij hier
met die van Arimoribo vereenigd hebben, evenals deze van zinnebeeldige
voorstellingen, van welke de juiste oplossing vrij wel onmogelijk is.
Toch hebben de schrijvers zich aan eene verklaring gewaagd. Zoo, meenen
zij, was de raaf of Ara, die alarm maakte, misschien een werkelijke
schildwacht, terwijl Vleermuizen de Bloedgeesten voorstelden, die den
door de piaimannen opgeroepen Slangegeest tot den terugtocht
noodzaakten. Het geheel vormt dus een zinnebeeldig gevecht tusschen
bloeddrinkende Vleermuizen en Slangen. En wat kan de slang uitrichten
tegen de Vleermuis, die zij niet kan omkronkelen?
Ook de koude, die over de Wereld kwam, mag, volgens de schrijvers, een
zinnebeeldige voorstelling zijn van de vrees, die de voorvaderen der
Arowakken beving voor vijanden, die geregeld ieder jaar tegen het droge
seizoen kwamen opzetten.
Dat Jorobodie een dracht van slechts drie weken was, bedoelt
vermoedelijk, dat hij zich in dien tijd van een gewonen, onbekenden
Indiaan door zijn moed tot opperhoofd had opgewerkt, terwijl de tijger
de woede of de strijdlust was, waarmede hij de blanken bevocht, zooals
geen Indiaan te voren had gedaan. De voorstelling van Jorobodie in een
vat is het Indiaansche zinnebeeld voor een moeilijke positie, waaruit
de tijgergeest of moed hem redde, door gebruik te maken van de
geringste kans.
De Boa constrictor als ankertouw en loopplank zou de zinnebeeldige
voorstelling van den Slangegeest zijn, terwijl het aannemen van een
spin vermoedelijk verraad beteekent, want zoowel bij negers als bij
Indianen is de spin het zinnebeeld van list en streken.
[104] Zie blz. 36.
[105] W. E. Roth deelt in zijn hoofdstuk over Kenaima (R. blz. 354
enz.) ook op gezag van Coudreau, mede, dat er in den omtrek van de Rio
Branco, het gebied ten Noorden grenzend aan Engelsch Guyana, wilde
stammen zijn, die van geslacht tot geslacht de gewoonte hebben,
moordend rond te trekken, uit de scheenbeenderen der slachtoffers
fluiten maken en de tanden tot halskettingen rijgen. Hij meent, dat het
zeer goed mogelijk is, dat deze stammen, bekend onder den naam
Kenaima-stammen, hunne rooftochten ook tot Engelsch Guyana hebben
uitgestrekt, en acht het niet onmogelijk, dat het Kenaima-geloof der
Indianen aan deze stammen den naam ontleend heeft.
[106] In de litteratuur zijn deze Kenaima-stammen noch uit het
Orinocogebied, noch uit Suriname en Fransch Guyana bekend, zegt W. E.
Roth.
[107] Deze overlevering komt geheel met de geschiedenis overeen.
Immers, in 1650 rustte graaf Parham een schip uit met bestemming naar
de kust van Guyana. Dit schip bereikte Suriname en de bemanning,
vriendelijk ontvangen door de Indianen, vestigde zich aldaar. Later, in
1652 kwam Lord Parham zelf in Suriname.
De naam Paramoelo beduidt, volgens de Penards, letterlijk „oorsprong of
plaats van afstamming van Parham. Paramaribo beteekent, hier is de
oorsprong van Parham.”
Voor een andere afleiding van den naam Paramaribo zie de noot 3 in No.
39.
[108] Zie blz. 41.
[109] Hij, die met de noodige ervaring omtrent het maatschappelijk
leven in het „beschaafde” Europa toegerust, het voorrecht heeft gehad,
eenigen tijd te midden der Indianen te verblijven, zal met dit oordeel
hartgrondig instemmen.
[110] Waarover de geschiedenis zwijgt. Volgens de Caraïben zeggen de
Penards, zijn de Arowakken alleen door zich bij de blanken te voegen,
aan een geheelen ondergang ontsnapt.
[111] Zie: Vampier*.
[112] Volgens de Penards zijn de Indiaansche jongetjes reeds op zeer
jeugdigen leeftijd min of meer vreemdelingen voor de moeder. Zij
verrichten geen huisarbeid, maar loopen overal in het omliggende woud
rond, om met pijl en boog vogeltjes en ander klein wild te schieten.
[113] Evenals bij andere wilde stammen (o.a. bij de Dajaks van Borneo)
worden touwtjes, meest gemaakt van rotan of andere boschprodukten, met
knoopen gebruikt, om aan afspraken en overeenkomsten te herinneren. Het
aantal knoopen, er in gelegd, is aan het aantal dagen gelijk, dat tot
den voor de afspraak bepaalden dag verloopen moet, en iederen dag wordt
door beide partijen een knoop losgemaakt.
[114] De Penards zijn van oordeel, dat deze overlevering in verband
moet worden gebracht met berichten van Al. v. Humboldt omtrent
Zuid-Amerikaansche Indianen-stammen. Deze groote natuuronderzoeker en
wetenschappelijke reiziger houdt de Cabres of Cabeires met eenige
andere stammen uit Guyana en Brazilië (zie de noot op blz. 43) voor de
grootste menscheneters. Omstreeks het begin van de achttiende eeuw
vereenigden de Caraïben zich onder het opperhoofd, Tip genoemd, om een
aanval op dezen Kannibalenstam te doen. Zij werden echter verslagen. De
overwinnaars plaatsten een gevangen Caraïb in een boom, van waar hij
het afschuwelijk schouwspel van het braden en opeten zijner makkers kon
gadeslaan. De jongeman werd daarna vrijgelaten, om de tijding der
nederlaag aan zijn stamgenooten over te brengen.
De Caraïben riepen toen hunne strijders tot een algemeenen aanval op en
doodden alle menscheneters.
Von Humboldt zag de honderden geraamten dezer verslagen Kannibalen.
[115] Zie blz. 17. De plaats, waar de Kasi’hta stam, evenals de stammen
der Kawita- en Chicasaw-stammen van daan kwamen, wordt aangegeven door
het punt van samenvloeiing van de Washita en de Roode Rivier.
[116] De hayoyálgi, die van de vier kanten van de wereld komen om het
heilige vuur, het symbool van de zon, aan te blazen, zijn de vier
winden, die het tot een grooter hoogte doen opvlammen.
[117] Het heilige getal vier dezer Indianen is vermoedelijk afkomstig
van de vier winden, die het heilige vuur aanblazen, het symbool van hun
Weldoener.
[118] Daar een rat bij de Indianen het zinnebeeld van teeltkracht en
slimheid is, moet deze roode rat de vermeerdering van het Roode Ras
symboliseeren.
[119] Met leeuw wordt bedoeld de Poema of Amerikaansche leeuw (Felis
concolor). Hoewel dit roofdier zelden menschen aanvalt, zal dit dier in
deze legende vermoedelijk menschenetende Indianenstammen moeten
symboliseeren.
[120] Is dit een christelijk element, dat aan de legende is toegevoegd?
[121] In verhalen, van de Warraus in Engelsch Guyana afkomstig en door
W. Roth medegedeeld, vinden wij nu en dan eveneens van geluiden gewag
gemaakt, die uit den bodem voortkomen en het volk angstig maken.
[122] Hondenkoning (Dog king) der Euchitaws. Deze was ook tegenwoordig
bij het vertellen dezer legende.
[123] De oude woonplaatsen der Creek-Indianen in Alabama en Georgia
bestonden uit niet minder dan 102 steden en dorpen, allen met namen
genoemd in het zoo leerrijke boek van den taalvorscher Albert S.
Gatschet. Sommige dezer plaatsen bestaan nog onder den zelfden naam in
beide Staten. Afgevaardigden der Creeks brengen ieder jaar een bezoek
aan Washington.
Onder steden en dorpen, hier bedoeld (tafóla), zijn kleinere of
grootere verzamelingen van woningen te verstaan. Elke stad of dorp
wordt bestuurd door een Mîko, het Opperhoofd, door de blanken eertijds
Koning genoemd.
[124] Anansi in de Neger-Engelsche taal der negers.
[125] Min, kindermeid.
[126] Sterfhuis.
[127] Deze was nog de ouderwetsche met wasrollen.
[128] D.i. „Ondank is ’s werelds loon”. (Zie No. 29).
[129] Henry M. Stanley. My dark Companions and their strange stories.
Londen. Sampson Low, Marston and Comp. 1893. Een Nederlandsche
vertaling, door mevrouw Joh. Dyserinck, verscheen bij de Erven Loosjes,
Haarlem 1894.
[130] Daar de neger de bedoelingen van den verteller onmiddellijk
begrijpt, onthoudt deze zich steeds van verklaringen en uitweidingen.
Voor den Europeeschen lezer zou veel van de vertelling verloren gaan,
wanneer zij letterlijk vertaald werd weêrgegeven.
[131] Sedert de kerken de overhand hebben genomen. (Zie voor de
Neger-Engelsche taal der Surinaamsche negers blz. 211).
[132] Ik, iemand, die als lidmaat in de kerk ben, moet sprookjes
vertellen?
[133] De vertellingen werden door Nahar in het jaar 1901 opgeteekend,
en verschenen in haar geheel in 1916 (C. e.). Het „Verhaal uit het
leven van Vriend Spin”, zond de heer A. G. Fernandes te Paramaribo mij
een jaar of acht later toe, terwijl ik de vertellingen „De Boa in de
gedaante van een schoonen jongeling” en „De geschiedenis van Fini
foetoe, Bigi bere en Bigi hede” van den overleden oud-Surinamer, den
heer Nunes omstreeks den zelfden tijd ontving.
[134] Onlangs heeft A. P. Penard een nieuwe verzameling (20
Anansitoris) doen verschijnen (P.c.) waaruit ik, onder No. 23, een in
dezen bundel heb opgenomen.
[135] Zie het Hoofdstuk: De Anansi-tori en het Bijgeloof.
[136] Oorspronkelijk bezaten de Hollanders de kust van Guinea alleen
met het oog op den handel, meer bepaaldelijk den slavenhandel.
[137] In 1730 bedroeg het aantal plantages (voor het meerendeel
suikerplantages) 400 en reeds in 1688 was de suikerproductie, die in
1684 nog slechts 3 millioen Amsterdamsche ponden bedroeg, tot 7
millioen gestegen.
[138] Uitgesproken: joenánsi.
[139] De afwijkingen, die in beide opgaven de schrijfwijze der namen
vertoont, moeten aan dialectverschillen worden toegeschreven. A. Werner
schrijft in zijn Inleiding van Walter Jekyll’s boek (Je.) de namen weêr
anders.
[140] Ook de taal der Boschnegers vertoont door de vele Portugeesche en
Afrikaansche woorden een grootere verwantschap met de taal der oudste
negerslaven—met het deel, dat Neger-Portugeesch sprak.
[141] De Surinaamsche negers noemen den Geest der rivier watramama (zie
de legende van de Watramama) en het geloof aan deze mama is vooral bij
oude negers nog zóó diep geworteld, dat aan haar het spreekwoord is
ontleend: Te wátra falla, joe sa si wátramama na sjóro, d.i.: Als het
water gevallen is, zult gij de watermama op het droge vinden. (Zie ook
het Bijvoegsel: Avond op het water in Sierra Leone).
[142] De krokodil wordt door alle de Ewe-taal sprekende stammen aan de
slavenkust, elo, lo, adopra, te Porto novo Jalodeh genoemd.
[143] Bliksemgod.
[144] Een der Goden, die den Negers vaak onheil brengen.
[145] Ik kan het niet helpen, het is mijn geest.
[146] Afschuwelijke voorbeelden van deze mishandelingen geeft o.a. Dr.
W. R. van Hoëvell, een sympathieke strijder voor de belangen van den
armen negerslaaf, in „Slaven en vrijen onder de Nederlandsche Wet
1854”.
[147] „Mooi Afrika, hoe heb ik je lief”. Hier treffen wij het
Nederlandsche „mooi” en het Engelsche „love” met de Portugeesche
uitgang i in de taal der negers aan.
[148] Bosch-goeverneur of Boschmama.
[149] De vertaling luidt: O, Nickerie! Hoe bemin ik jou. Maar de bergen
zijn er zoo hoog. Kaperka kiri mi (= een hoogte, gedoopt: Cappelle
maakt me dood—de l door hem als r uitgesproken), om een vracht te
dragen naar Kilometer (voor het eerst in de negertaal opgenomen) zes.
Maar de bergen zijn er zoo hoog. Refrein: Werken voor je geld, Werken
voor je geld, Als wij op de Fallawatra (zijrivier der Nickerie) zijn,
moeten wij werken voor ons geld.
[150] Getijden.
[151] Overgenomen uit het Neger-Engelsche woordenboek van Mr H. C.
Focke Leiden, P. H. v. d. Heuvel, 1855.
[152] Land der blanken = Nederland.
[153] De kolonie Suriname is als een paardenstaart: heden waait hij
her-, morgen derwaarts.
[154] Men zegt, dat dit geloof te danken is aan een Opperhoofd, die
Spin werd genoemd, en die door hunne voorvaderen als een held vereerd
werd.
[155] Oorspronkelijk woonden de Yoruba’s meer het land in, doch in het
begin der 19de eeuw trokken zij naar het Zuiden en koloniseerden zij
Lagos en de naburige kust. Ook de Tshi-taal sprekende stammen woonden
eertijds, d.w.z. vóór de 15de eeuw meer landwaarts in een vlakke, met
gras bedekte landstreek, en zij werden door de invasie der Mohammedanen
genoodzaakt, naar het boschgebied langs de kust te verhuizen, waar zij
later met de eerste blanken, de Portugeezen, in aanraking kwamen.
[156] Ook hier wordt steeds een landschildpad bedoeld.
[157] De groote landschildpad van Suriname is zeer verlekkerd op de
vruchten van de Mopè*.
[158] Als zeer treffend voorbeeld van de nauwkeurigheid, waarmede de
Neger de natuurverschijnselen waarneemt en op zijne wijsgeerige wijze
tracht te verklaren, heb ik niet kunnen nalaten in Bijvoegsel No. III
een dierenfabel op te nemen, die door den schrijver R. H. Nassau (N.)
uit den mond van een Bantoe-neger is opgeteekend.
Aan velen der in Nassau’s merkwaardigen bundel opgenomen vertellingen
is, evenals in sommige naar West-Indië overgebrachte Neger-verhalen de
Arabische invloed niet vreemd. Menig lezer zal vermoedelijk
onwillekeurig denken aan de vertellingen van Duizend-en-één Nacht.
Zulks is begrijpelijk, wanneer ik hier herinner aan de meening van
Ethnologen, o.a. aan die van Sir Harry H. Johnston (Joh.), die de
oorsprong der Bantoe-negers terugvoert tot den N.O.-kust van Afrika en
die den Bantoe-stroom—om een ethnologischen term te
gebruiken—Zuidwaarts naar de Kaap de Goede Hoop laat gaan, om van hier
langs de West-kust tot den Aequator om te buigen (N.). Het kan dus niet
vreemd zijn, dat door de aanraking der Bantoe-negers met negerstammen
der Slavenkust het Arabische element in de Folklore zich verder
Noordwaarts en Westwaarts heeft verspreid en, ten slotte met de slaven
naar West-Indië is overgebracht.
[159] Van „cunning”, dat slim beteekent.
[160] Het dialect der negers van Sierra Leone is een wanhopend ratjetoe
van Engelsche en Afrikaansche woorden.
[161] In de Yoruba-taal wordt de schildpad Awon genoemd. Deze mythische
held der Yoruba’s is herhaaldelijk het onderwerp van een Alo
(vertelling), waarbij het rythmische geluid van den trom, die de
tusschenpoozen van de Alo aanvult, een groote rol speelt.
Evenals in de vertellingen van de Negers van Sierra Leone en van de
Goudkust niet van de Spin gesproken mag worden, maar deze steeds als
Spin of als Heer, Vriend enz. Spin optreedt, wordt ook door de Yoruba’s
nooit van de Schildpad gesproken. Het Yoruba spreekwoord: Eji Awon ko
kom ni li owo mag bijv. niet letterlijk vertaald worden met: „Het bloed
van een schildpad vult een hand niet”, maar men behoort te zeggen: „Het
bloed van Awon vult de hand niet”, waarvan de zin is: Een onderwerp,
dat op het eerste gezicht weinig belangrijk lijkt, blijkt dikwijls van
groot gewicht te zijn.
[162] Daar roept een vogel!
[163] Wanneer een vogel roept, kan geen waar woord meer gesproken
worden.
[164] De verteller bedoelt hiermede: wij moeten nu weder tot de
werkelijkheid terugkeeren.
[165] Daar in de negervertellingen de spin steeds mannelijk gedacht is,
mag in deze bladzijden de vrijheid genomen worden het geslacht te
veranderen.
[166] No. 1–22 en No. 25–32 zijn afkomstig van M. H. Nahar en
gedeeltelijk (C. d.) of geheel (C. e.) reeds gepubliceerd; No. 23 is
overgenomen uit den bundel van A. P. Penard (P.); No. 24 is afkomstig
van Anonymus en No. 33 heb ik te danken aan mijn tochtgenoot C. van
Drimmelen.
[167] De Boschneger-Anansitori is overgenomen uit een kleine
verzameling van F. Stähelin (S.).
[168] De vertellingen van Curaçaosche negers zijn overgenomen uit een
kleine verzameling, door J. H. J. Hamelberg in het licht gegeven.
[169] De in dezen bundel opgenomen negervertellingen van Jamaica zijn
bewerkt uit bet boek van Walter Jekyll (Je.).
[170] Hoe groote plaats de Spin in bet leven der Surinaamsche negers
inneemt, moge blijken uit de volgende spreekwijzen, aan de Spin
ontleend:
1e. Als een kind met vuur speelt, wordt het gewaarschuwd met: „no play
nanga faja noso anansi de go kori joe”, d.i. speel niet met vuur,
anders gaat de Spin je bedriegen, m.a.w. zal je vannacht in bed
wateren.
2e. Als een kind in bed gewaterd heeft, zegt het: „Anansi kori mi”,
d.i. de Spin heeft mij gefopt.
3e. Wanneer iemands been slaapt zegt men: „mi foetoe kisi anansi”, d.i.
Spin heeft mijn been gekust.
4e. Dunne dijen worden in Suriname „Anansi-bouten” genoemd, enz.
[171] Mr. Spider in de Neger-vertellingen van Sierra Leone.
[172] Brer in de Spinvertellingen van Jamaica (zie verder).
[173] Mijn Kapitein.
[174] Kapitein Spin.
[175] Opvallend zijn in de door Nahar bijeengebrachte vertellingen de
vele in het Surinaamsche Neger-Engelsch niet voorkomende onvertaalbare
woorden, die ongetwijfeld van Afrikaanschen oorsprong zijn. Vele dieren
worden er nl. niet met den Neger-engelschen, doch met den
vermoedelijken Afrikaanschen naam aangeduid, zooals: Timekoe, voor
konijn, Kitmawle voor vleermuis, Okekre voor schildpad, Akajoe voor
kat.
[176] Dr. H. D. Benjamins deelt mij mede, dat, toen jaren geleden een
circus voorstellingen te Paramaribo gaf, de negerbevolking de grootste
vreugde toonde, toen zij Asaw in levenden lijve mocht aanschouwen. De
marktvrouwen kwamen met bananen voor het dier aandragen, ja, het kwam
bij de negers tot een ware vereering voor het dier, die den
circuseigenaar geen windeieren gaf; want de voeding van zijn olifant
heeft hem al dien tijd niets gekost.
[177] Van „cunning” = geslepen.
[178] Zie blz. 230.
[179] De Surinaamsche Negers schijnen een buitengewone vereering te
hebben voor Napoleon. In een met mij gevoerd gesprek sleepte een
Creool* er telkens Napoleon bij, terwijl bij gelegenheid van een
dansfeest, door de Boschnegers ter mijner eere gehouden, een voorwerp
van aardewerk, voorstellende Napoleon, rustende tegen een schelp, met
zichtbaren trots vóór mij werd neêrgezet (C.a.).
[180] Daar deze verzameling in Paramaribo is bijeengebracht, vlucht
Anansi, als hij in het nauw gebracht wordt, steeds in zg.
beslagruimten.
[181] Het gebruik, om bij sterfgevallen anansi-tori’s te vertellen,
wordt ook bij de Boschnegers aangetroffen, C. v. Coll (Co. a.) deelt
mede, dat het in het Boschnegerkamp van Broos aan de Surnau kreek de
gewoonte was (begin 19e eeuw) om bij een sterfgeval, als het een man
gold, drie, voor een vrouw twee achtereenvolgende Zaterdagen bij
elkander te komen, om anansi-tori’s te hooren vertellen.
[182] Niet alleen hierom, doch ook ten einde den lezer de poëzie te
doen gevoelen, die de harten dezer eenvoudige natuurmenschen vervult,
heb ik ter vergelijking aan dezen bundel negervertellingen toegevoegd
de bewerking (Bijvoegsel II) van een der hoofdstukken uit het
merkwaardige boek van Miss Cronise en Henry F. Ward (Cr.)
[183] Dit opstel, mij door M. H. Nahar bij de door hem opgeteekende
anansi-tori’s toegezonden, gaf ik reeds vroeger in het licht (C. d. en
C. e.).
[184] Wat, anansi-tori’s op klaarlichten dag vertellen!
[185] Zie blz. 258.
[186] De kerk is al aan.
[187] Mijnheer, gij zijt geen kind meer, ge zijt een Surinaamsche
Creool, en weet heel goed, wat anansi-tori’s zeggen willen.
[188] Van de Moravische broedergemeente.
[189] Ik ken er geen.
[190] Sterfhuis.
[191] Kwaadaardige geest.
[192] Je vertelt ze niet goed.
[193] Sterfhuisratten; zoo noemen de negers ongenoode gasten, die de
sterfhuizen afloopen.
[194] Wanneer de anansi-tori niet naar den smaak van het gehoor is,
omdat zij vervelend is of slecht verteld wordt, maar vooral als men
meent, dat de verteller maar wat aan het liegen is, begint er dikwijls
tusschen twee of meer toehoorders een heftig dispuut, dat steeds
eindigt met een zg. koti siengi (= schimplied). Dit koti siengi nemen
de negers in het algemeen te baat, wanneer zij aan hun ergernis uiting
willen geven of geplaagd zijn. Zij beginner er dikwijls eerst mede, als
hun gemoed vol is. Wanneer bijv. de negermeid des morgens de woning
binnenkomt met een voor deze stemming bepaaldelijk gevouwen hoofddoek,
weet men zeker, dat men dien dag tot vervelens toe vergast zal worden
op haar koti siengi. Het improvisatietalent van den neger komt haar
hierbij goed te pas.
[195] Wanneer hij je in de rede valt.
[196] Zie je dat je ruzie met me zoekt.
[197] Hij schimpte voortdurend op mij.
[198] Hoedoe = hout, het bosch, dus: Loop naar het bosch! Velen hebben
in de ongezonde oerwouden van Suriname den dood gevonden; van daar deze
verwensching.
[199] Krijg ik krampen in mijn arm.
[200] Jongeheer.
[201] Mijn been slaapt.
[202] Maar, jongeheer, op Godsdag wilt ge anansi-tori’s vertellen?
[203] Een stopwoord van negerinnen.
[204] En zoo zou men onschuldig sterven.
[205] Meneer, U moet alles zoo niet uitvorschen, u gaat te ver met mij.
[206] Hm, wel niet aan zijn blauw flikkerend licht; in den slavenstand
heb ik er een gezien, bij de plantage, die de vrouw van den bastiaan*
Kofi kwam uitzuigen. Wel, dat is nog niets, de blanken zelf kunnen het
getuigen.
[207] Indiaansche priesters.
[208] Er bestaan verborgenheden.
[209] Mannetje van een gronduil* (uil, die laag bij den grond nestelt).
[210] Vloermat.
[211] Bezem, van den vruchttros van den pina-palm gemaakt.
[212] Afrikaansche afgoden-priester.
[213] Inlandsche dokter.
[214] Koperen dwergspook.
[215] Kruispunt van wegen.
[216] Meneer, er bestaan dingen.
[217] Vriend.
[218] Afrikaansch snaarinstrument.
[219] Mijnheer, steek er den draak niet mede.
[220] Laat mij met vrede.
[221] Dat gaat het menschelijk verstand te boven.
[222] Land der blanken.
[223] Vergiftigen.
[224] Mijn ziel, mijn geest.
[225] Het is beter er niet over te spreken.
[226] De slaap doodt me—ik heb slaap.
[227] Dank zij den leeraren, die de oogen, die nog gesloten waren,
geopend hebben.
[228] Zie: blz. 213.
[229] Ja kapitein, vaarwel.
[230] Kleine korjaal, kano.
[231] Weten is duur, m.a.w. berouw komt te laat.
[232] Goeden dag, mijn Gouverneur.
[233] De reiziger ziet spoken, m.a.w., wie veel bij den weg is, ziet
spoken.
[234] Pap van bananenmeel.
[235] Gouverneur, denkt U, dat het kind braf (soort soep) zal willen
slikken?
[236] Soep van tajers*.
[237] Wilde tajer, die giftig is.
[238] Ik wensch papieren.
[239] Kaart.
[240] Ruimten tusschen planken en stijlen.
[241] De duivel.
[242] Ik heb mijn azeman verkocht.
[243] Onvertaalbaar.
[244] Onvertaalbaar.
[245] Gouverneur Spin.
[246] Mijn Gouverneur, bespeel uwe viool.
[247] Ik hoor, het jonge meisje wenscht geen man.
[248] Het is goed, ga, ik kom.
[249] Hert, hert, wat zijt ge een dom dier.
[250] Vriend.
[251] Pens.
[252] Pens.
[253] Verheugt hij zich in een goeden eetlust.
[254] Moeder Akoeba, de vrouw van de Spin in de Anansi-tori’s.
[255] Hoe zal ik doen van daag?
[256] Man, wat moet ik doen, denk je?
[257] Mijn kindertjes, wie van jullie houdt het meest van vader?
[258] Ik.
[259] Man, meester, heer.
[260] Waternimf.
[261] Vriend Spin.
[262] Ba’ van baja = vriend. Pina = speld. Met Ba’ Pina wordt de kat
bedoeld.
[263] Ik ben het niet, heer Spin is het.
[264] Kapitein jij draagt een hoofd, weet je; jij bent me een man.
[265] Breng voor de bemanning.
[266] Zijn mond voorbijpraten.
[267] De Neger-Engelsche benaming voor de kikvorsch en de pad.
[268] Wat zal ik zeggen?
[269] Ja, meester.
[270] Ondank is ’s werelds loon.
[271] Vriend Hond.
[272] Kakkerlak.
[273] Stekelvarken*.
[274] De haan is mijn slaaf! reh! reh! reh!
[275] Die een graf graaft voor een ander, valt er zelf in.
[276] Goedendag, vriend Dood.
[277] Rooster.
[278] Het geheele dorp zal verzinken!
Alle wezens zullen sterven!
Spin alleen zal overblijven!
[279] Moeder Akoeba.
[280] Moeder Akoeba spreekt haar man dikwijls met „mi kaptin” (= mijn
kapitein) aan.
[281] Goeden dag, vriend Tijger.
[282] Past op, dat Anansi u niet fopt.
[283] Goeden avond, Kapitein.
[284] Kósi is een eerbiedige kniebuiging, waarbij de voeten
achterwaarts bewogen worden. Nog bij oude negerinnen (vooral onder de
Boschnegers C.a. blz. 245) is deze begroeting in gebruik.
[285] Neen, ik heb zeere oogen.
[286] Eendvogels.
[287] Waternimf.
[288] Kikvorsch.
[289] De vrouw van heer Spin in de anansi-tori’s.
[290] Vriend Spin.
[291] Het hert.
[292] Gouverneur, dorpshoofd.
[293] Konijn, konijn.
Ik ben je knecht niet.
[294] Dicht struikgewas.
[295] Jij, kwajongen van een haas.
[296] Goeden dag, mijn Oom.
[297] Schildpad*.
[298] Tante Akoeba, de vrouw van heer Spin.
[299] Vriend Vos (eigenlijk „Krabbenhond”), verlang je dan niet, je
tante te komen zien?
[300] Er was eens....
[301] Afkorting van Bája = vriend.
[302] Invloed der zending.
[303] Zie voor „schapen” in het verklarend register.
[304] Zoete pataten*.
[305] Naam, gegeven aan een (meestal oude) vrouw, die kinderen oppast.
[306] Mijn lieve jongeheer, wat scheelt U weêr?
[307] Ik ben ziek, néne.
[308] „Kakka” is haan. Wellicht is dit woord verbasterd Afrikaansch.
[309] Als je in de buurt bent, kom dan bij mij.
[310] Verbastering van Louise (Louisa).
[311] Vader noemt mij Leisah,
Moeder noemt mij Leisah,
Mina noemt mij Schuim!
[312] Vader noemt mij Leisah,
Moeder noemt mij Leisah,
Coba noemt mij Schuim,
Schuim ben ik en Schuim zal ik blijven.
[313] Meisje, geboren op Woensdag (zie blz. 213).
[314] Meisje, geboren op Vrijdag (zie blz. 213).
[315] Onvertaalbaar. Vermoedelijk Afrikaansch.
[316] Ik smeek mijn vader, door te mogen gaan.
[317] Toovermiddelen.
[318] Ge hebt het gezocht, ge hebt het gevonden, ge moet het dus
dragen.
[319] Jassi (in het negerengelsch) is een gevaarlijke, besmettelijke
huidziekte. Zie jas, in verklarend register.
[320] Mininimi, kom eten,
Krimintaria, kom eten,
Kopro Kanon, blijf daar!
[321] Wilt ge mij voor twee centen bakoven verkoopen?
[322] Mininimi is er niet,
Krimintaria is er niet,
Kopro Kanon alleen is er.
[323] Watermama.
[324] Opkomende vloed.
[325] Pagaal*.
[326] Zie No. 18 der Indianen-Serie.
[327] Kinderen der meermin.
[328] Is hier verband met den naam van een boomeend, skróerki genoemd.
(Zie noot blz. 163).
[329] De boa heeft zich aangekleed.
[330] Groote vergadering.
[331] Vriend Tijger.
[332] Slang.
[333] Aap.
[334] Dat deze tot de reigers behoorende vogel tot schildwacht was
gekozen, had hij te danken aan zijn uithoudingsvermogen, om urenlang,
onbewegelijk, aan den waterkant te kunnen staan, loerende naar voorbij
zwemmende visschen.
[335] Is hier verband met het geloof van den Goudkust-neger aan den
Zaterdag als een ongeluksdag, naar een op dien dag gehouden
noodlottigen veldslag? Volgens de Boschnegers zal, evenals bij de
Ashantijnen hij, die op Zaterdag geboren is, ongelukkig zijn.
[336] Meneer, morgen zult ge ons niet meer zien, miauw!
[337] Dans.
[338] Gij laat hem al het mooie zien; gij moet hem den leelijken kant
ook laten bekijken.
[339] Zie het uit dezen bundel in Bijvoegsel II overgenomen
Spinverhaal, waarvan No. 17 van onze stadsneger-verzameling een variant
is.
[340] Eerst kort vóór het afdrukken dezer bladzijden ontving ik nog
door de welwillendheid van den oud-gezagvoerder van St.-Eustatius, den
Heer G. J. van Grol een op dit eiland opgeteekende Spinvertelling, die
te belangrijk was, haar in dezen bundel niet op te nemen, in de plaats
van de vroeger reeds gepubliceerde (H.) Curaçaosche Spinvertelling
„Nansi en de bonte koe”.
[341] De opdracht aan iemand, die naar Suriname vertrok, medegegeven,
om de groeten aan een familielid op Curaçao over te brengen, wanneer
hij er eens op de thee mocht gaan, was dus een groote flater.
[342] Het feit alleen, dat de Afrikaansche vrouwennaam Akoeba, die de
echtgenoote van Vader Spin in de Surinaamsche negervertellingen steeds
draagt, op Curaçao vervangen is door Chi Maria (Chi—uitgesproken
Tsji—is het lidwoord vóór een vrouwennaam in het papiamento) zegt
genoeg, om den katholieken invloed te illustreeren. (Zie voor de
naamsverandering door de katholieken bij het doopen van Indianen: C.
a.).
[343] Cha (uitgesproken: „Tsja” = lidwoord vóór een mannennaam) Nansi i
pobbichi di breeuw.
[344] In het Neger-Engelsch „een lastig mensch”.
[345] Beteekenis onbekend. Vermoedelijk een Afrikaansch woord.
[346] Terwijl de West-Indische Negers onder den invloed der Zending hun
polytheïstisch geloof meer en meer hebben verlaten en in plaats van
hunne talrijke godheden, het Opperwezen der Christelijke leer zijn gaan
erkennen, hebben vele Afrikaansche negerstammen aan hun polytheïstisch
stelsel slechts een nieuwe godheid toegevoegd, die zij van de Blanken
hebben overgenomen. De erkenning toch, dat de blanken in ieder opzicht
boven hen staan en de overtuiging, dat hunne eigene goden hen niet meer
in staat stellen, tot voorspoed te geraken, deed hen gretig een God van
grooter macht aannemen (Ba. blz. 23), die zij Nana Nyankupon (= Heer in
den Hemel) noemen (El. blz. 24).
[347] Zie: Het eiland St.-Eustatius door G. J. van Grol,
oud-gezaghebber van het eiland, in de „Indische Mercuur” van 19 Maart
1907 en ook H. van Kol (Ko). De Heer van Grol heeft veel gedaan voor de
invoering van de katoencultuur en voor de aanmoediging der
bijenfokkerij.
[348] Zij vervangt de reeds elders verschenen Curaçaosche vertelling:
„Nansi en Bonte Koe”, in onze oorspronkelijke lijst van
negervertellingen (zie blz. 236) vermeld.
[349] Verpleegster, kindermeid.
[350] De afleiding van „Braha” is onbekend. Vermoedelijk is het woord
een verbastering van Bâja = vriend, of van Brâra (Brer’ in de
Jamaicaansche negerfolklore): broeder.
[351] Ik behoud de Statiaansche spelling.
[352] Het animistische geloof tiert nog welig op St.-Eustatius.
[353] In Suriname werden onder Marrons verstaan de Afrikanen, die al
aanstonds of kort na hun overvaart naar West-Indië van de slavenschepen
of van de plantages gevlucht zijn en in de bosschen de Afrikaansche
leefwijze gingen voortzetten. Van deze Marrons stammen de tegenwoordige
Boschnegers af.
[354] De taal der Fantijnen is een dialect van deze taal, die door
verschillende namen, als Twi, Shwi, Otyi en Ochi wordt aangeduid.
[355] De zwarte landkrab is een groote lekkernij voor den neger.
Eertijds had ieder eigendom een krabbenvanger, die te zorgen had, den
eigenaar van krabben te voorzien.
[356] Op Jamaica wordt de aankondiging van een groot feest of
plechtigheid aan een boom bevestigd. Het volk wordt met muziek
ontvangen en met muziek huiswaarts geleid.
[357] Te vertalen als: ’t orkest zet in.
[358] Den berg Sinaï gaan wij bestijgen.
[359] Onvertaalbaar. Salem is een groet en beteekent „vrede”.
[360] Enkelen onzer gaan naar den berg Sinaï.
[361] „Na eenig dralen” is kenschetsend. Men zou verwachten, dat na de
afwijzing de afgewezene dadelijk zou vertrekken. Een neger doet dit
niet. Hij is nooit beschaamd. Na de kortste weigering op een verzoek is
hij in staat te gaan zitten, over andere dingen te gaan praten en ten
slotte afscheid te nemen, alsof er niets gebeurd is.
[362] Pyang is het geluid van de Egret*. De a is niet de Engelsche a,
doch de a in het Hollandsche „gang” en moet in den zang sterk
geaccentueerd en met kracht uitgestooten worden.
[363] Uitroep: halo!
[364] Jewahlee is jubilé (jubelfeest).
[365] Er zijn dagen in de week, waarop negers niet willen trouwen. In
Suriname trouwt hij op Zaterdag niet, omdat in den slaventijd de ter
dood veroordeelden dan werden opgehangen. De huwelijken worden bij de
negers met veel praal gevierd. Menschen, die als gehuwd samenleven,
soms reeds volwassen kinderen hebben, stellen een wettig huwelijk,
waartoe zij op aandrang der Geestelijken hebben besloten, dikwijls uit,
omdat zij „nog niet gereed zijn”, d.i. nog niet genoeg gespaard hebben,
om een gloeienden fuif te geven.
[366] Deze vertelling moet zoo snel mogelijk afgerateld worden.
Ying de Ying zeggen de Negers, wanneer zij het geluid van een viool
bedoelen.
Take care you go talk en min’ (= mind) your tattling tongue wil zeggen:
Spreek niet te veel; spaar je tong.
[367] Dit spreekwoord komt merkwaardig overeen met het Fransche: Les
belles femmes, il faut les aimer, les épouser jamais.
[368] Hoofdstad van Sierra Leone.
[369] Dat hiermede niet bedoeld kan zijn de ongevoeligheid van den
Neger voor de schoonheden der natuur in algemeenen zin, weet hij wel
beter, die met negers dagen achtereen te midden eener weelderige
tropische natuur verkeerd heeft. (C. b. en f).
[370] Opgemerkt mag worden, dat de zang der Afrikaansche Negers,
evenals die der Surinaamsche Boschnegers (C.a.) van meer primitieven
aard is dan die der Negers van Jamaica, waarin de invloed van Engelsche
melodieën vaak duidelijk te herkennen is. (J.e. blz. 278–288).
[371] Zie blz. 29 en No. 19 en 31 van de Surinaamsche
Stadsneger-vertellingen en No. 18 der Indiaansche serie.
[372] Vergelijk No. 17 der Stadsneger-vertellingen.
[373] De vier van hoeven voorziene teenen zijn allen even groot, zoodat
bij hem van een kleinen teen geen sprake is.
[374] Hier brengt de Neger weder zijn overtuiging tot uiting, dat de
mensch door zijn verstand over de sterkste dieren het overwicht heeft
verkregen (zie blz. 205).
[375] Met dergelijke eenvoudige verklaringen voor het ontstaan van het
geschapene is de kinderlijke neger volkomen tevreden. Dat het op andere
wijze ontstaan kan zijn, komt in zijn brein niet op.
[376] Dit doet denken aan den enormen vischrijkdom van de Surinaamsche
rivieren (C. b., blz. 43, 48, 90 en 93).
[377] In deze fabel wordt de vraag behandeld: Hoe is het leven
begonnen?
[378] Opmerking verdient het, dat, evenals bij de Indianen (zie blz.
17), hier de vogels tegenover de overige dieren worden geplaatst.
[379] De Afrikaansche inboorling is zeer gevoelig in kwesties van
gelijkheid of verschil in rang en leeftijd.
[380] Bij de samenstelling van dit register is, behalve van de
geschriften, in het litteratuur-overzicht genoemd, een ruim gebruik
gemaakt van de Encyclopedie van Ned. West-Indië.
[381] Een gelijksoortig geloof komt ook bij andere primitieve stammen
voor (o.a. bij de oorspronkelijke Koeboes van Zuid-Sumatra).