In vroeger tijden leefde de Dood niet onder de menschen, maar heer Spin
lokte hem uit het bosch.
Op zekeren morgen ging Anansi als gewoonlijk naar het woud met zijn
koeroe-koeroe* op zijn rug en ging den Dood opzoeken:
„Odi mâti Déde!” [276]
„.....”
„Ik groet U vriend!”
„.....”
„Hm!” dacht heer Spin, die een brabakóto [277] met gedroogd vleesch zag
staan, „dat is een goed teeken. Vriend, kan ik wat van dat gedroogde
vleesch nemen?”
„.....”
„Ik heb een mooie dochter, vriend, ik zal ze je tot vrouw geven!”
„.....”
Heer Spin vulde zijn koeroe-koeroe* en vertrok. Thuis gekomen, vertelde
hij zijn vrouw, dat hij een vriend had gevonden, die alles voor hem
over had, en dat hij hem zijn dochter Akoeba tot vrouw wilde geven.
Den volgenden dag herhaalde heer Spin zijn bezoek.
„Ik groet je, vriend Dood!”
„.....”
„Akoeba laat je groeten!”
„.....”
Heer Spin vulde weêr zijn koeroe-koeroe en ging weêr heen. Zoo kwam hij
iederen dag terug, tot al het gedroogde vleesch op was. Den dag daarop
kwam hij met zijn dochter Akoeba, die hij zijn vriend wilde
voorstellen. Ook nu weêr had hij zijn korf meêgenomen.
„Dag vriend!”
„.....”
„Akoeba is je komen bezoeken!”
„.....”
„Akoeba groet je!”
„.....”
„Wil je haar dan niet hebben?”
De Dood stond op en velde haar met één slag neêr; daarna achtervolgde
hij heer Spin, dien hij ook tot zich wilde nemen. Deze echter liep veel
vlugger, en bereikte zijn huis schreeuwende:
„Schuilt! Daar komt de Dood!”
Niemand begreep hem, want de Dood was destijds niet bekend. Heer Spin
verschool zich in een beslagruimte, en de Dood trad zijn woning binnen,
waar hij zijn gansche gezin neêrvelde.
Toen de Dood weêr vertrokken was, kwam heer Spin uit zijn schuilplaats
te voorschijn en zong hij:
Héli kóndre sa sóengoe!
Alla soema sa déde!
Anansi wawán sa tan! [278]