Heer Spin zit vol listen en streken.
Gedurende een grooten hongersnood kreeg hij van verschillende vrienden
een hoeveelheid aardvruchten, voldoende om hem en zijn gezin op de been
te houden.
Meer en meer teisterde de plaag het dorp, waar heer Spin woonde. De
dorpelingen wisten allen, dat hij een gestudeerde was, en verzochten
hem een gebed aan den barmhartigen God op te zenden.
Heer Spin nam op zich, eenige formulieren naar boven te zenden, op
voorwaarde, dat het volk hem iets zou geven voor de moeite.
Toen zei hij de gebeden op. Het volk was gerustgesteld en schonk hem
tal van belooningen voor de bewezen diensten.
Toen de voorraad op was, dacht heer Spin na, hoe opnieuw aan voedsel te
komen en besloot hij eindelijk, zich voor geestelijke uit te geven; ’Ma
Akoe keurde het goed met lachende lippen.
„Kaptin, joe tjári héde jeri, joe na wan man!” [264]
Heer Spin trok een lange jas met verder toebehooren aan, en ging toen
naar het dorp van het gevogelte, om er te preeken.
Een blinde eend, met zes kleintjes gezegend, hoorde van den nieuwen
geestelijke spreken en zij liet hem tot zich komen, om hem haar leed te
klagen.
Heer Spin kwam met een zwarten bril op en groette het gezin. Daar
begonnen allen te weêklagen. Zij hadden den heelen dag niet gegeten,
want er was niets.
„Het is immers hongersnood, ik ben toch wel gek, voor andermans
genoegen mijn longen uit te schreeuwen”.
Moeder eend wist niet, wie de geestelijke was en had hem hoog
opgenomen.
Heer Spin verging van honger; hij liet zich daarom door het oudste kind
den waterput aanwijzen, doch doodde het onderweg, at een gedeelte op en
nam de rest mede naar huis.
Zoo deed hij dag aan dag, tot het geheele gezin op deze wijze verdwenen
was.
Heer Spin ging toen overal preeken, maar toen hij het al te bont
maakte, werd hij afgeranseld en verminkt.
De dieren hebben hem weggejaagd uit hun midden, waarom hij zijn intrek
heeft genomen onder de menschen.
De kippen hebben wraak genomen, want zij eten iederen spin op, die zij
tegen komen.