NO. 5. ANANSI EN ZIJN KINDEREN.

Tijdens een hongersnood ging heer Spin gebukt onder kommer en verdriet.

Zooals iedereen weet, slaat hij een flinke vork [253] en hij bezit

bovendien een vrouw en twaalf kinderen.

Eens, toen ’Ma Akoeba [254] de kinderen te eten gaf, bemerkte zij, dat

haar voorraad niet toereikend zou zijn en vroeg haren echtgenoot:

„Fa’ mi de go doe tidè [255]. Wie moet eten en wie niet? Mass’ra, fa’

joe denki mi sa doe? [256] Zal ik je twee bananen, en de kinderen elk

één geven?”

„Wel neen, vrouwtje, geef die arme schapen hun portie, ik zal wel zien,

hoe ik aan eten kom”.

„Wil je dan niet eten van daag, of heb je geen honger?”

„Zorg voor jezelf en de kinderen, heb ik je gezegd, bekommer je niet om

mij”.

’Ma Akoeba gaf ieder kind twee bananen en behield er een voor zich.

„Ik ben klaar”.

Toen stond vader op, ging tusschen zijn kinderen staan en vroeg:

„Mi pikíen, mi pikíen, sóema foe óenoe lobi papa móro foeloe?” [257]

„Mi, mi, mi” [258] antwoordden de kinderen.

„Wel, dan moet ieder, die mij liefheeft, mij een banaan geven”.

Vader Spin deed de ronde en kreeg van ieder kind een banaan.

„Dat is niet eerlijk, mass’ra” [259] riep Akoeba.

„Dat is jouw zaak, vrouw. Ik heb je gezegd, voor je zelf te zorgen, jij

hebt het eten verdeeld. Dat jij slechts één banaan genomen hebt, kan ik

niet helpen”.

Moeder Spin zweeg en vader Spin at, als gewoonlijk, zijn bekomst.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 76 / 174 题