NO. 2. SPIN EN DE PRINSES.

Langen tijd bewoonde Spin een rijk, dat geheel omringd was door

onderhoorige dorpen. Hij was er erg bemind en bijna ieder meisje schonk

hem haar hart, want hij was buitengewoon schoon.

Na tal van jaren vestigde heer Spin zich in een ander rijk, dat aan de

hel grensde. De koning van dat land had drie dochters, die hij wenschte

uit te huwelijken.

Kapitein Spin vatte het plan op, een harer te gaan vragen. Hij liep

verschillende dorpen af om kleedingstukken te leenen, want hij bezat

niets; daarna begaf hij zich naar het paleis en deed aanzoek om de hand

der jongste dochter, die hij ook kreeg. Drie maanden bracht heer Spin

in het paleis door, maar niet één keer verkleedde hij zich.

Toen de dag van vertrek aanbrak, werd een 1ste klasse-stoomer voor het

jonge paar in gereedheid gebracht. Heer Spin sprak:

„Indien het U onverschillig is, zou ik de reis liever per rijtuig doen,

dan per stoomboot, daar mijn gezondheid er niet tegen kan”.

„Goed, zooals ge wilt, hoeveel paarden zal ik laten voorspannen?”

„Een stuk of tien”.

Aan het verzoek werd voldaan en heer Spin vertrok met zijn vrouw.

Aan het eerste dorp gekomen stapte hij uit en kwam hij na een kwartier

zonder hoed terug. Zijn vrouw durfde hem niet te vragen, waar hij

gebleven was, want heer Spin had haar onder bedreiging van den

doodstraf verboden te spreken of te schreeuwen.

Aan het volgende dorp gekomen, stapte hij weder uit en kwam hij na een

kwartier zonder regenscherm terug, Zijn vrouw schrok, maar durfde niets

te zeggen.

Kort daarop verwijderde heer Spin zich weder en nu kwam hij zonder jas

terug. Zijn vrouw werd angstig, toen zij hem op deze wijze van gedaante

zag veranderen.

Zoo ging het door van dorp tot dorp, tot hij eindelijk geheel naakt

terugkwam. Onderweg had hij achtereenvolgens teruggegeven, wat hij vóór

zijn huwelijk geleend had.

Thuis gekomen ging Meneer rusten. ’s Middags ging hij uit, zijn vrouw,

die aanhoudend weende, achterlatend. Hij ging toen naar zijn buurman,

den duivel, en vroeg hem, of hij iets wilde koopen. Samen kwamen zij

terug en anansi verkocht hem ’s vorsten dochter. Didibri [241] nam haar

mede, liet haar in kettingen slaan en onder aan een boom binden.

De Koning, die gehoord had van het droevig lot van zijn dochter, snelde

haar te hulp. Hij trof heer Spin thuis en sprak:

„Ellendige, waar is mijn dochter?”

„Jouw dochter?”

„Ja, mijn dochter?”

„Dat gaat je niet aan; ik ben toch met haar getrouwd, je hebt niets

meer met haar te maken”.

„Wat zeg je daar, vent!”

„Ben je doof?”

„Pakt dien ellendeling op!”.

„Een oogenblik. Je dochter is bij mijn vriend. Je kunt haar gaan

halen”.

De vorst, die zijn plichten als vader wilde vervullen, begaf zich op

aanwijzing van heer Spin naar het naburige dorp, de hel. Hij schrok

hevig, want zijn dochter stond op korten afstand van een grooten ketel,

die minstens wel vijf man kon bevatten.

„Kind, wat is er gebeurd?”

„Heer Spin heeft mij aan den duivel verkocht. Heden word ik geslacht.

De duivel heeft tal van vrienden uitgenoodigd, om aan het feestmaal

deel te nemen. Spin komt mij binnen het uur slachten. Papa ga weg,

anders ondergaat U hetzelfde lot als ik”.

De duivel kwam thuis en anansi zong:

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 70 / 174 题