Er was een tijd, dat de Indianen geen cassave hadden en dat zij allen
honger leden. Ook de dieren hadden weinig te eten en leden honger.
Alleen Maipoeri* ging geregeld iederen morgen er op uit en ’s avonds
kwam hij glimmend van gezondheid en vet van zijn tochten terug. De
andere dieren die de overblijfselen van zijn maal—bananenschillen,
suikerrietresten, enz.—zagen liggen, zeiden tegen elkander: „Maipoeri
moet zeker een goede plaats gevonden hebben, waar hij eten vindt. Laten
we hem volgen”. Alzoo zonden zij er den volgenden morgen de Boschrat*
op uit, die hem op de hielen zou volgen. Zoo hoorden zij, op welke
wijze hij er zoo lekker doorvoed uitzag. Want toen de boschrat deed,
wat hem was opgedragen, en Maipoeri ver in het bosch volgde, zag zij
hem eindelijk onder een enormen boom halt houden en de vruchten
oprapen, die naar beneden waren gevallen.
Deze boom was de Allepántepo, en wonderlijk, al wat maar kon verlangd
worden, groeide op zijn takken—maïs, bananen, [31] cassave, jams*,
ananassen* enz.
Zoodra nu Maipoeri zijn maag gevuld had, klom de rat in den boom,
verzadigde zij zich aan maïs en toen zij niet meer kon, daalde zij weêr
naar beneden, een korrel meebrengend om haar lotgenooten te laten zien,
wat zij gevonden had.
De Indianen volgden den anderen morgen de rat op weg naar den boom en
toen zij ter plaatse waren aangekomen, zagen ze onder den boom een
menigte bananen, jams, tajerknollen* en ananassen liggen, die de boom
had laten vallen. Nadat ze zich aan alles te goed hadden gedaan en er
niets meer was blijven liggen, probeerden zij in den boom te klimmen,
om nog meer te halen; maar de stam was te glad en te dik, zoodat zij
moesten besluiten, den boom te vellen.
Zij maakten een stellage om den stam en begonnen met hun steenen
bijlen* den boom te bewerken. Tien dagen bleven ze hakken, maar hij
wilde maar niet vallen—zoo’n kolos was Allepántepo. Nog eens tien dagen
gingen ze er meê voort, en nog hadden ze hem niet naar beneden.
De Indianen begonnen er dorst van te krijgen, en daarom deelden zij aan
alle dieren een kalebas uit, om water voor hen te gaan halen; alleen
aan Maipoeri gaven ze er een, die als een zeef doorboord was. Toen de
dieren de rivier bereikt hadden, begonnen zij uit de kalebas te
drinken, maar bij Maipoeri wilde het niet lukken, want zóó was zijn
kalebas vol water, of het liep er even hard weêr uit; dit was reeds een
deel van zijn straf, zoo begeerig te zijn geweest, om het geheim van
den milden boom alleen voor zich te willen houden.
Eindelijk, na nog eens tien dagen gewerkt te hebben, viel de boom neêr.
De Indianen namen toen als hun aandeel al de cassave, het suikerriet,
de jams, de tajers, de bananen, pompoenen, de watermeloenen er af,
terwijl Acouri, Oerana* en andere dieren op de takken der boomen
klommen, om, wat hun tot voedsel kon strekken, er af te halen.
Maipoeri keerde na eenigen tijd van den rivieroever terug en toen hij
zag, dat voor hem alleen de pruimen* waren overgebleven, was hij zeer
vertoornd. Nog altijd moet de Tapir voor zijn inhaligheid boeten; want
hij moet zich nog steeds daarmede tevreden stellen.
Wat de Indianen op den wonderboom hadden ingezameld, namen zij naar hun
dorp mede, en legden er hun kostgronden meê aan. De Bunia-vogel* was
het, die hen alles omtrent de cultuurplanten uitlegde, de kweekwijze en
de toebereiding, vooral op het hart drukkend, de bittere cassave* vóór
het gebruik goed te koken.