En all'de takelingh van zenuwen en leden

en nog eens:

Een Haegsche joffers hoofd, dry uren langh gehult,

Ten breedsten uytgestelt, gevlochten en gekrult

Schijnt by een zeilend schip niet kwalick vergeleken

Met touw en takelingh en vlaggen uytgestreken.

Takelloods, z. n. v. -- Loods, waar, op 's Rijks werven, alles wordt

gereed gemaakt tot het optuigen der schepen.

Tal, z. n. o. -- 200 stuks. De haring brengt na Paschen niet meer op

dan 20 Cts. het T--.

Talie, z. n. v. -- Zie Takel.--Van Talen (trekken) dus eigenl.:

trektouw. AchterT--s, InhaalT-- (die gebezigd worden om het geschut

uit de geschutpoorten te halen.)--ZijT--s (die tot het vastsjorren

der stukken gebezigd worden.) Enkele T-- of klaplooper. Dubbele

T--:--RifT-- (die tot reeven dient.) StagT-- (die aan de stags

der lage masten gehecht is en tot het oplichten van kleine lasten

dient.) WantT--s (die dienen om het want aan te halen.) HalsT--,

RakkeT--, T-- van de topreep, BakstagT--s. T-- van den boom (die dienen

om een zeil, een rak, enz. aan te halen.) Losse T--s (die geen vaste

plaats hebben.) StortT-- op de marsera, SlingerT-- (die de raas by

het slingeren voor een schip in haar stand moeten houden.) PenterT--

(die tot het openen en sluiten der geschutspoorten dient.) HaakT--

(die met een haak voorzien is.) Yzeren T--, KettingT-- (die met een

ketting voorzien is).

Taliën, b. w. -- Optaliën, aan een Talie of Takel ophijschen.

Taliereep, z. n. v. -- Zie Talreep.

Talreep, z. n. v. -- Klein touw, dat, door twee stagkousen of

doodshoofden loopende, dient om deze tot elkander te brengen en

daardoor een zwaarder touw aan te halen, dat door een dier stagkousen

of doodshoofden loopt. T--en van het want, T-- van de pardoens,

enz. De T--, die door de doodshoofden van de puttingyzers en van het

staande want loopt, dient om het onder- en staggewant vast te zetten.

Tanden, b. w. -- Met yzeren haken omhalen. Een schuit T--.

Tandlasch, z. n. m. -- Haaklasch, waarvan het schuine vlak als met

Tanden voorzien is om in keepen te sluiten.

Tanen, b. w. -- Met Taan verwen. Een Getaand zeil.

Tang, z. n. v. -- Nijptang.

Spreekwijze: Het sluit als een T-- op een varken (het sluit niet).

Tap, z. n. m. -- 1o. Plaats waar men Tapt.

Spreekwijze: Hy zal beteren, als Scharrebier op den T-- (hy zal nog

slimmer worden).

2o. Korte ronde metalen of yzeren klos, aan de zijde van het kanon

uitstekende, waarmede het in het rolpaard ligt.

Tapbeugel, z. n. m. -- Yzeren beugel op het rolpaard, die over den

Tap sluit.

Tapbout, z. n. m. of Draaibout. -- Bout, die in de karronade steunt.

Tarm, z. n. m. -- Staanman. Naam der stutten, die boven de boorden

van een schip uitsteken. 't Is 't Lat. terminus (paal).

Tartaan, z. n. v. -- Vrachtschip op de Middellandsche zee. Het draagt

maar een mast met een latijnzeil, en is als een galei getuigd. Saïken

en Tartanen zegt Antonides. Zie Saïck.

Tasse, z. n. v. (veroud.). -- Aangevoegde verbreeding op de

waterdracht.

Tchichernee, z. n. v. -- Turksch vrachtschip, op de Zwarte zee varende.

Teeken, z. n. o. -- Aanwijzing. Zeezwaluwen in 't kielwater is een

T--, dat de harde wind zal aanhouden. Den Albatros te zien vliegen,

is een T--, dat men de Kaap nadert.

Teekenen, o. w. -- Wordt de zee gezegd te doen, wanneer het water,

met de eb vallende, een vochtig merk op het strand achterlaat, dat

aantoont, hoe ver het is afgeloopen sedert het hoog water was. Het

water Teekent: men moet met het afloopen beginnen.

Teer, z. n. m. -- Zwarte, lijmachtige zelfstandigheid, die uit

den pijnboom vloeit, wanneer deze aan de werking van 't vuur wordt

blootgesteld. KoolT-- (die uit steenkolen getrokken wordt). In den T--

zetten (beteeren).

Teeren, b. w. -- Met Teer besmeeren.

Spreekwijze: T-- en smeeren (slempen en brassen).

Teerketel, z. n. m. -- Ketel, waarin Teer gekookt wordt, waarvan nog

te Amsterdam de T--steeg haar naam draagt.

Teerkwast, z. n. v. -- Kwast, tot het Teeren gebruikt.

Teerling, z. n. m. -- Neut aan den Top. Zie Neut.

Teers, z. n. m. -- Groote houten marlpriem, met yzer beslagen.

Teerstoof, z. n. v. -- Werkplaats, waar Teer bereid wordt.

Teerton, z. n. v. -- Ton met Teer.

Teertuin, z. n. v. -- Omheinde plaats, binnen welke Teer gesmolten

en bereid wordt. Een buurt te Amsterdam heet nog de T--en.

Tegen, voorz. -- Tegenover. T-- elkander in liggen (wanneer schepen

in tegenovergestelde richting varen).

Tegen, bw. -- Onvoordeelig. Wind en stroom waren ons T--.

Tegenbrassen, b. w. -- T-- om hoogte te nemen. De zeilen T-- (de

zeilen tegen den wind inbrengen, ten einde het vaartuig te doen

bydraaien of zijn vaart te stoppen).

Tegenliggen, o. w. -- Wordt van de zeilen gezegd, als zy den wind

van voren ontfangen, zoo dat zy tegen den mast drukken. Een T--d

marszeil. Dat zeil Ligt Tegen.

Tegenloopen, o. w. -- Schralen: wordt de wind gezegd te doen, wanneer

hy een by-de-wind zeilend schip niet langer dient. De wind Loopt

Tegen voor het schip: hy Loopt N. streken Tegen.

Tegenstroom, z. n. m. -- Stroom, die Tegen is.

Tegenwind, z. n. m. -- Wind, die noodzaakt scherp by-de-wind te

houden en gangen te doen, om zooveel mogelijk den koers te bewaren,

dien men volgen wil.

Tegenzee, z. n. v. of Weerzee. -- Terugdeinzing van den golf, die

Tegen een rots of hoogte geslagen heeft.

Teisteren, b. w. -- Sterk bewegen, niet zonder schade aan te

brengen. De wind Teisterde ons schip. Het schip werd zwaar Geteisterd

door den storm.

Spreekwijze: Iemand T-- (hem kwellen).

Tengel, z. n. m. -- Strook hout of lat, tusschen verschillende stukken

getimmerten gesteld, die aan elkander behoorden te sluiten en het

niet volkomen doen.

Tent, z. n. v. -- Linnen scherm, horizontaal geplaatst, en 't welk men

over de dekken of de kampanje van een schip op geringe hoogte spant om

zich tegen den regen of de zon te beschutten. Zie ZonneT--. SloepT--

(tent met yzeren schepters over de zeet van een sloep).

Term, z. n. m. -- Zie Tarm.

Terugvloeien, o. w. -- Rugwaartsche beweging van vloeibare stoffen. Als

de zee zich verheft, Vloeien de rivieren Terug.

Tieren, z. n. m. mv. -- Open ruimten tusschen de ingescheepte vaten.

Tillen, o. w. -- By de scheepstimmerlieden in gebruik voor: smal en

scherp van onderen oprijzen.

Timmeren, o. en b. w. -- In 't algemeen: van hout iets vervaardigen;

meer bepaaldelijk: een vaartuig bouwen. Ik laat op die werf T--. Ik

Timmer op deze werf.

Timmerman, z. n. m. -- Zie Scheepstimmerman.

Timmerspijkers, z. n. m. mv -- Gewone benaming der spijkers, tot den

aanbouw van een schip gebezigd: zy worden onderscheiden in dunne en

dikke: de dikke van 0,10 tot 0,31: de dikke van 0,10 tot 0,41 lang.

Timmerwerf, z. n. v. -- Zie Werf.

Tip, (end) In de spreekwijze Tip en Takel. Voor T-- en Takel

lenzen. Zie Top.

Tjalk, z. n. v. of Tjalkschip. -- Friesch vaartuig.

Tobbe, z. n. v. -- Zie Balie, Koelbalie.

Tocht, z. n. m. -- Beweging, trek, van daar ook reis. Zie Zeetocht. De

T-- naar de Noordpool. Dat schip heeft al menigen T-- gedaan.

Tochtjen, z. n. o. -- Luchtjen, windtjen, briesjen. Dat laatste T--

bracht ons de haven binnen.

Tochtschuit, z. n. v. -- 't Zelfde als Trekschuit. Schuit, die gebruikt

wordt, om door Tochtslooten of binnenvaarten te gaan.

Sloepen, booten

En speeljacht, toghtschuit, kogge en ponten.

Antonides. IJstroom.

Tochtsloot, z. n. v. -- Breede sloot, waar men een vrijen doortocht

heeft.

Toe, bw. -- 1o. Dicht, gesloten. De luiken zijn T--. De haven ligt T--

(het water in de haven is bevroren). Halzen T-- (komm.).

2o. Heen. Waar is de reis naar T--?

Toehakking, z. n. v. -- Het naderen der voor- en achtereinden van

de kiel.

Toeleggen, b. w. -- Op stapel zetten.

Toerusten, b. w. -- Uitrusten, voorzien. Die schepen zijn van alles

Toegerust (van al het noodige voorzien).

Toetakelen, b. w. -- Van de noodige takelaadje voorzien. Die schepen

zijn behoorlijk Toegetakeld.

Zy taeklen vloot op vloot in alle havens toe.

Antonides, Bellone.

Spreekwijze: Hy is zonderling Toegetakeld (vreemd opgeschikt).

Iemand deerlijk T-- (hem afranselen, dat hy blond en blaauw ziet).

Toetuigen, b. w. -- Zie Optuigen.

Toewater, z. n. o. -- Water, dat bevroren is, zoo dat de vaart

belemmerd is. Het was T--, men was genoodzaakt, de vaartuigen uit

te ijzen.

Tol, z. n. m. -- Geld, dat aan sommige plaatsen voor den vrijen

doortocht betaald moet worden. De T-- aan de Sond.

Tolk, z. n. m. -- Staafjen om boutgaten mede te meten.

Ton, z. n. v. -- 1o. Inhoudsmaat van een schip, die 1000 kilo

weegt. Een schip van 600 T-- (dat 600 maal 1000 kilo voeren kan.) Dat

schip heeft 800 T-- belastbare ruimte.

2o. Tonvormige boei, hoedanige men aan den ingang van de stroomen

en zeegaten of aan wederszijden van naauwe vaarwaters plaatst, om

de vaart af te bakenen. De T--nen zijn van onderen spits toeloopende

en beschilderd, aan elke zijde des vaarwaters met een verschillende

kleur. Wy zijn de laatste T-- nog niet voorby (van 't strand komende,

dus: nog niet in volle zee).

Tong, z. n. v. -- 1o. Split van een standaart.

2o. Uitstekende punt van een strook land, zandbank, enz.

Tonie, z. n. v. -- Soort van Indiaansche schuit.

Tonneboei, z. n. m. -- Boei, uit duigen vervaardigd.

Tonnegeld, z. n. o. -- Belasting, welke geheven wordt naar het aantal

Tonnen, 't welk de inhoud van een schip bevatten kan. Deze belasting

was by ons geregeld geworden by de Algemeene Wet van 26 Augustus 1822

(Stbl. no. 38) Hoofdst. 25, art. 292-310; doch is in 1855 afgeschaft.

Toonen, b. w. -- In de samenstelling: een vlag T--, kleuren T--

(zich door het hijschen der vlag doen kennen). Zie Vlag.

Zy naadren zonder vlag te toonen,

Maar ras ontdekt zich wie ze zendt.

Van Haren, de Geuzen.

Top, z. n. m. -- Het bovenste en naakte gedeelte van den mast of de

stengen. T-- van den mast. T-- van den bramsteng of bovenbramsteng. De

vlag in T-- hijschen (de vlag naar den T-- van den mast hijschen.) Het

zeil in T-- halen (het zoo hoog mogelijk brengen).

Het zeil te trekken in den top

Dat rijst veel uit een lossen kop.

Cats.

Voor T-- en takel (d. i. zonder eenig zeil) voor-de-wind afloopen.

Spreekwijze: Het zeil in T-- voeren (een hooger staat voeren).

Top (van) te weten, "van den masttop," bw. V-- T-- was niets van de

eilanden meer te zien.

Topbocht, z. n. v. -- De hoogste bocht of zeegt van een schip.

Toppen, b. w. of Optoppen. -- In een rechte lijn opzetten. De ra

T--. In rouw T-- (de raas in den vorm van een Sint Andrieskruis T--).

Toppenant, z. n. m. -- samengetr. uit Toppen-want (want dat aan de

toppen zit.) Touw, dat, ter weêrszijde aan de nokken van de ra vast

gemaakt, dient om deze te Toppen. Enkele T-- (die door een strop of

ring loopt.) Dubbele T-- (die door een blok loopt.) BovenbramT--,

MarsT--, Groote T--, enz. Looze T--, T-- der bezaansra (Zie Bekaaier).

Toppet, z. n. o. (veroud.). -- Verkleinwoord van Top, gelijk banket

van bank, klinket van klink, parket van park enz.

Heeft op het hoog Toppet den bezem uitgestoken,

zegt Antonides.

Topreep, z. n. v. -- Toppardoen, hanger van den grooten- en fokkemast.

Topsenten, z. n. m. mv. -- De bovenste Senten.

Topstander, z. n. m. -- Vlag, die van de bovenste steng waait.

Wat waepens brommen hier, in wimpels, toppestanders

En sluiers, fijn van draet!

zegt Vondel in het Lof der Zeevaart.

Topzeil, z. n. o. -- Bovenste zeil op een vaartuig met een mast.

Toren, z. n. m. -- Zie Vuurtoren.

Tornen, b. w. -- Wederhouden. Een schip T-- (beletten, dat het te

snel afloopt).

Spreekwijze: Er valt wat aan te T-- (er is veel aan vast).

Torntouw, z. n. o. -- Touw, tot Tornen gebezigd.

Totebel, z. n. v. -- Kruisnet zonder handvatsel, dat als een weegschaal

hangt en met een houten vork wordt opgehaald.

Touw, z. n. o. -- 1o. Algemeene benaming van saamgevlochten

draadwerk. T-- slaan (T-- vervaardigen).

2o. Kortheidshalve voor KabelT--, AnkerT--, BootsT--, GeiT--,

HaakT--, PoortT-- enz. T-- dat op en neêr staat (dat strak staat

op het anker.) T-- dat op zijn end is (dat alleen met het end op

de betings vast zit.) Het T-- staat recht vooruit (het maakt in de

richting van het kluisgat tot het anker een rechte lijn uit.) Het T--

kappen (door midden kappen en met het anker prijs geven.) Het T--

slippen (het met het anker laten varen met een boei om het terug te

vinden.) T-- steken (het los laten en laten zakken.) T-- opschieten

(het hoepelsgewijze laten zakken.) Een slag in het T-- hebben (wanneer

twee kabels ten gevolge van de bewegingen van het schip in elkander

verward raken.) T-- klaren (de slagen uit een T-- draaien.) Het T-- is

onklaar (het is verward.) T-- en Takel worden veel samen gebezigd als:

Men recht er boomen op met takelen en touwen.

Vondel. Lof der Zeevaart.

Gelyck men niet en kan in een groot schip aanschouwen

Noch taekels zonder nut, noch bruykeloose touwen.

De Groot. Bewijs van den Waren Godsdienst.

Spreekwijze: Aan een T-- vastzitten (in zijn handelingen niet vrij

zijn).

Daar is geen T-- aan te beleggen. Zie Beleggen.

Touwladder, z. n. m. -- Ladder, geheel of hoofdzakelijk van Touw

vervaardigd.

Touwstopper, z. n. m. -- Touw, waarmede een kabel omwonden en

stijfgehouden wordt.

Touwstrop, z. n. m. -- Zie Strop.

Touwtjen, z. n. o. -- Dun Touw, als marling, enz.

Spreekwijze: Hy heeft het T-- aan zijn been (hy zit er aan vast).

Men moet het T-- wat vieren (men moet iets toegeven).

Trek niet aan dat T-- (roer die zaak niet aan).

Touwwerk, z. n. o. -- Benaming van de Touwen, die tot optuiging

van een schip dienen. Zwaar, dik T--. Licht T--. Geteerd T--. Wit

T--. T-- van de eerste, van de tweede soort. Ndraads T-- (uit N draden

samengesteld.) Nstrengs-T-- (uit N strengen samengesteld.) Opgeslagen

T-- (vervaardigd uit touw, dat reeds gediend heeft).

Trabacolo, z. n. m. -- Soort van koopvaardyschip, in gebruik op de

Adriatische zee. Het voert twee masten en twee loggerzeilen.

Tramontane, z. n. v. -- Italiaansche benaming der poolster, die men,

op de Middellandsche zee zijnde, boven de Alpen ziet en dus stella

tramontana (de ster aan gene zijde der bergen) noemt.

Spreekwijze: De T-- kwijt zijn (zijn koers kwijt zijn, in de war

zijn: om dat voor de uitvinding van het kompas, een schipper, die

ster uit het oog verliezende, waar hy zich op richtte, gevaar liep,

zijn koers kwijt te raken).

Transport, z. n. o. -- Vracht.

Transportschip, z. n. o. -- Schip, dat tot vervoer van krijgsvolk, van

gevangenen, van veroordeelden, van landverhuizers, enz. gebezigd wordt.

Trap, z. n. m. of Ladder. -- Algemeene benaming van de treden,

langs welke men zoo binnen als buiten het schip op- en afklimt. T--

van het grootluik (langs welken men van het bovendek op het halfdek

komt.) T-- van het voorluik van het volk (die naar het verblijf der

matrozen geleidt.) ValreepT--. TusschendeksT--pen (die zich tusschen

de dekken bevinden.) T--pen, opgangen van de kampanje (waarmede men

van het opperdek naar de kampanje klimt.) Groote T-- buiten boord

(die, als het schip ter reede ligt, op eene der zijden midscheeps

wordt uitgehangen).

Travaat, z. n. m. -- Korte, doch hevige bui, met stortregen.

Traven, b. w. -- Een soort van stouwen. Zie Duiveljagen.

Trebizonde, z. n. v. -- Turksch vaartuig, op de kusten der Zwarte

zee in gebruik. Het draagt een vierkant zeil op een grooten mast.

Trechter, z. n. m. -- Buis, door welke men iets laat heen loopen,

om het van het eene bevattingsvoorwerp in 't andere over te gieten

of te storten. KruitT--, Zeildoeksche T--.

Treil, z. n. o. -- Oorspronkelijk 't zelfde als treklijn: zoo

dat de uitdrukking: ik koop uw schuit met zeil en T-- beteekende:

"uw schuit, met al haar toebehooren". In vervolg van tijd is door

verloop der beteekenis, het woord overgebracht op al wat tot de

beweging van een schip even onmisbaar is als de zeilen en het want,

zoo als: de kaapstanders, het roer, de ankers enz. Door Zeil en T--

wordt alzoo nu het geheele tuig van een schip verstaan.

Treis, z. n. m. -- Bras van de blinde en schuifblinde ra.

Treisblok, z. n. o. -- Blok, waar iets door Getreisd wordt.

Treissen, b. w. -- Iets door middel van touw en blok ophalen.

Trek, z. n. m. -- Haal: het woord wordt inzonderheid op de vischvangst

met netten toegepast. Zy vingen een goede zoo visch met den eersten

T--.

Trekhaak, z. n. m. -- Zie Balkhaak.

Trekken, b. w. -- Voorthalen, bepaaldelijk aan een lijn of touw.

Trekkers, z. n. m. of Steunders. -- Kruisverbanden, die zich van

de kimwegers tot de verbindingsklossen van het laagste geschutdek

uitstrekken en naar het midden vallen.

Treklijn, z. n. v. -- Zie Jaaglijn.

Trekschuit, z. n. v. of Jaagschuit. -- Schuit, die door de

binnenwateren aan een lijn wordt voortgetrokken.

Trekzaag, z. n. m. -- Soort van Zaag.

Trensen, b. w. -- De ruimte opvullen tusschen de touwen, waaruit een

stag is samengesteld.

Trensing, z. n. v. -- De daad of de uitslag van het Trensen.

Troebel, b. n. -- Bastertwoord, voor bewogen, versteurd, beroerd.

Spreekwijze: In T-- water is goed visschen (wanneer er oneenigheid

heerscht trekken listige lieden er partij van).

Troebel water, 's visschers zin:

Want daar ligt zijn voordeel in.

Cats.

Trommel, z. n. m. -- Losse kast, die het stuurrad overdekt.

Trommelrand, z. n. m. -- Ondergedeelte der galery.

Tromp, z. n. v. -- Het mondstuk van 't kanon.

Tromp die trompte met zijn trompen

Op 's vyands vloot.

Dat men brein en bloed zag pompen

Terwijl hy schoot.

Brandt.

Trompstuk, z. n. o. -- Cirkelvormig stuk hout, op den tweeden

gangbalkweger van een schip gespijkerd, en tegen hetwelk men een

gedeelte der monding van een stuk geschut doet steunen, wanneer men

dit aan den weger vastsjort.

Tros, z. n. m. -- Lijn, uit drie of vier strengen gevlochten.

Trotseering, z. n. v. -- Naam, die aan de schuinte van een helling

gegeven wordt.

Tuianker, z. n. o. -- Anker, waaraan het schip voor ebbe vast ligt.

Tuig, z. n. o. -- Al wat er noodig is om een mast, een ra, enz. in

behoorlijken staat te brengen. Een mast van zijn T-- voorzien (van

blok, touwwerk, enz.) Die mast heeft zijn T-- verloren. Waarloos T--

(dat in rezerve, dat ongebruikt is).

Tuigaadje, z. n. v. -- Wat tot de optuiging behoort. Het schip is

van zijn T-- voorzien.

Tuigen, b. w. -- Optuigen, van Tuig voorzien. Een hooggetuigd schip.

Tuimelbank, z. n. m -- Bank, waarvan de ruggesteun kan omgezet,

of omgetuimeld worden.

Tuipoel, z. n. m. -- Zie Drijfkist, Meerpoel.

Tuits, (een) z. n. o. -- Touw van het Tuianker, ook een tot verbranden

klein gekapt touw.

Turken, z. n. m. mv. -- Benaming, aan stelbouten gegeven.

Turksche pas, z. n. m. -- Soort van zeebrief of vrijgeleide, waarvan

de schepen, die de Middellandsche zee bevoeren, zich voorzagen om

geen overlast te hebben van de Barbarijsche zeeroovers.

Tusschenwegers, z. n. m. mv. -- Langsscheeps geplaatste planken, die

de ruimte vullen tusschen den balkweger en zetweger. Op geschutdekken

dragen zy den naam van Binnengeschutgang.

Tweemast, Tweemaster, z. n. m. -- Schip met twee masten.

Twil, z. n. m. -- Zie Broek.

Tij, z. n. o. voor Getij. -- Tijd, welken de zee bezig is om op

te komen en af te loopen; duur van eb en vloed. Het T-- heeft twee

malen plaats in een etmaal, met een verloop van 48 min. telken dage;

ieder vloed en ieder ebbe duurt zes uur en 12 min. Opkomend T--

(wassend water.) Afgaand T-- (vallend water.) Laag T-- (wanneer de

eb ophoudt en de vloed gereed staat op te zetten.) Hevig, zwaar T--

(wanneer de stroom snel loopt) Het T-- loopt met den wind (d. i. in

de richting van den wind.) Hoog T-- (wanneer de vloed op het hoogste

staat: dat by sommige gelegenheden, als by nieuwe en volle maan,

plaats heeft.) Afgaand T-- (staartjen van eb of vloed.) DoodT--

(wanneer het water maar flaauw opkomt, als by kwartiermaan.) Tij

stoppen (Zie Stoppen.) T-- kavelen. Het T-- breekt den hals (het

verzwakt.) Het T-- vergast (is te gast, er is geen T--).

Spreekwijze: Hy laat het T-- verloopen (hy laat de gelegenheid

voorbygaan).

Het T-- wacht naar niemand (liet de schipper aan Keizer Karel V

weten, toen deze, na den afstand der Nederlanden, van Vlissingen zoû

uitzeilen, en niet spoedig genoeg aan boord kwam: en de spreekwijze

strekt om te herinneren, dat men de gelegenheid behoort waar te nemen).

't Is Dood T-- (er is geen handel). Zie Stroom.

Hy weet wel T-- te kavelen (zijn slag waar te nemen).

Als het T-- verloopt, verzet men de bakens (Zie Baken).

Tijdmeter, z. n. m. -- Zie Kronometer.

Zeemans-Woordeboek Behelzende een verklaring der woorden, by scheepvaart en den handel in gebruik en een opgave der algemeene wetsbepalingen daartoe · 第 61 / 74 题