en nog eens:
Een Haegsche joffers hoofd, dry uren langh gehult,
Ten breedsten uytgestelt, gevlochten en gekrult
Schijnt by een zeilend schip niet kwalick vergeleken
Met touw en takelingh en vlaggen uytgestreken.
Takelloods, z. n. v. -- Loods, waar, op 's Rijks werven, alles wordt
gereed gemaakt tot het optuigen der schepen.
Tal, z. n. o. -- 200 stuks. De haring brengt na Paschen niet meer op
dan 20 Cts. het T--.
Talie, z. n. v. -- Zie Takel.--Van Talen (trekken) dus eigenl.:
trektouw. AchterT--s, InhaalT-- (die gebezigd worden om het geschut
uit de geschutpoorten te halen.)--ZijT--s (die tot het vastsjorren
der stukken gebezigd worden.) Enkele T-- of klaplooper. Dubbele
T--:--RifT-- (die tot reeven dient.) StagT-- (die aan de stags
der lage masten gehecht is en tot het oplichten van kleine lasten
dient.) WantT--s (die dienen om het want aan te halen.) HalsT--,
RakkeT--, T-- van de topreep, BakstagT--s. T-- van den boom (die dienen
om een zeil, een rak, enz. aan te halen.) Losse T--s (die geen vaste
plaats hebben.) StortT-- op de marsera, SlingerT-- (die de raas by
het slingeren voor een schip in haar stand moeten houden.) PenterT--
(die tot het openen en sluiten der geschutspoorten dient.) HaakT--
(die met een haak voorzien is.) Yzeren T--, KettingT-- (die met een
ketting voorzien is).
Taliën, b. w. -- Optaliën, aan een Talie of Takel ophijschen.
Taliereep, z. n. v. -- Zie Talreep.
Talreep, z. n. v. -- Klein touw, dat, door twee stagkousen of
doodshoofden loopende, dient om deze tot elkander te brengen en
daardoor een zwaarder touw aan te halen, dat door een dier stagkousen
of doodshoofden loopt. T--en van het want, T-- van de pardoens,
enz. De T--, die door de doodshoofden van de puttingyzers en van het
staande want loopt, dient om het onder- en staggewant vast te zetten.
Tanden, b. w. -- Met yzeren haken omhalen. Een schuit T--.
Tandlasch, z. n. m. -- Haaklasch, waarvan het schuine vlak als met
Tanden voorzien is om in keepen te sluiten.
Tanen, b. w. -- Met Taan verwen. Een Getaand zeil.
Tang, z. n. v. -- Nijptang.
Spreekwijze: Het sluit als een T-- op een varken (het sluit niet).
Tap, z. n. m. -- 1o. Plaats waar men Tapt.
Spreekwijze: Hy zal beteren, als Scharrebier op den T-- (hy zal nog
slimmer worden).
2o. Korte ronde metalen of yzeren klos, aan de zijde van het kanon
uitstekende, waarmede het in het rolpaard ligt.
Tapbeugel, z. n. m. -- Yzeren beugel op het rolpaard, die over den
Tap sluit.
Tapbout, z. n. m. of Draaibout. -- Bout, die in de karronade steunt.
Tarm, z. n. m. -- Staanman. Naam der stutten, die boven de boorden
van een schip uitsteken. 't Is 't Lat. terminus (paal).
Tartaan, z. n. v. -- Vrachtschip op de Middellandsche zee. Het draagt
maar een mast met een latijnzeil, en is als een galei getuigd. Saïken
en Tartanen zegt Antonides. Zie Saïck.
Tasse, z. n. v. (veroud.). -- Aangevoegde verbreeding op de
waterdracht.
Tchichernee, z. n. v. -- Turksch vrachtschip, op de Zwarte zee varende.
Teeken, z. n. o. -- Aanwijzing. Zeezwaluwen in 't kielwater is een
T--, dat de harde wind zal aanhouden. Den Albatros te zien vliegen,
is een T--, dat men de Kaap nadert.
Teekenen, o. w. -- Wordt de zee gezegd te doen, wanneer het water,
met de eb vallende, een vochtig merk op het strand achterlaat, dat
aantoont, hoe ver het is afgeloopen sedert het hoog water was. Het
water Teekent: men moet met het afloopen beginnen.
Teer, z. n. m. -- Zwarte, lijmachtige zelfstandigheid, die uit
den pijnboom vloeit, wanneer deze aan de werking van 't vuur wordt
blootgesteld. KoolT-- (die uit steenkolen getrokken wordt). In den T--
zetten (beteeren).
Teeren, b. w. -- Met Teer besmeeren.
Spreekwijze: T-- en smeeren (slempen en brassen).
Teerketel, z. n. m. -- Ketel, waarin Teer gekookt wordt, waarvan nog
te Amsterdam de T--steeg haar naam draagt.
Teerkwast, z. n. v. -- Kwast, tot het Teeren gebruikt.
Teerling, z. n. m. -- Neut aan den Top. Zie Neut.
Teers, z. n. m. -- Groote houten marlpriem, met yzer beslagen.
Teerstoof, z. n. v. -- Werkplaats, waar Teer bereid wordt.
Teerton, z. n. v. -- Ton met Teer.
Teertuin, z. n. v. -- Omheinde plaats, binnen welke Teer gesmolten
en bereid wordt. Een buurt te Amsterdam heet nog de T--en.
Tegen, voorz. -- Tegenover. T-- elkander in liggen (wanneer schepen
in tegenovergestelde richting varen).
Tegen, bw. -- Onvoordeelig. Wind en stroom waren ons T--.
Tegenbrassen, b. w. -- T-- om hoogte te nemen. De zeilen T-- (de
zeilen tegen den wind inbrengen, ten einde het vaartuig te doen
bydraaien of zijn vaart te stoppen).
Tegenliggen, o. w. -- Wordt van de zeilen gezegd, als zy den wind
van voren ontfangen, zoo dat zy tegen den mast drukken. Een T--d
marszeil. Dat zeil Ligt Tegen.
Tegenloopen, o. w. -- Schralen: wordt de wind gezegd te doen, wanneer
hy een by-de-wind zeilend schip niet langer dient. De wind Loopt
Tegen voor het schip: hy Loopt N. streken Tegen.
Tegenstroom, z. n. m. -- Stroom, die Tegen is.
Tegenwind, z. n. m. -- Wind, die noodzaakt scherp by-de-wind te
houden en gangen te doen, om zooveel mogelijk den koers te bewaren,
dien men volgen wil.
Tegenzee, z. n. v. of Weerzee. -- Terugdeinzing van den golf, die
Tegen een rots of hoogte geslagen heeft.
Teisteren, b. w. -- Sterk bewegen, niet zonder schade aan te
brengen. De wind Teisterde ons schip. Het schip werd zwaar Geteisterd
door den storm.
Spreekwijze: Iemand T-- (hem kwellen).
Tengel, z. n. m. -- Strook hout of lat, tusschen verschillende stukken
getimmerten gesteld, die aan elkander behoorden te sluiten en het
niet volkomen doen.
Tent, z. n. v. -- Linnen scherm, horizontaal geplaatst, en 't welk men
over de dekken of de kampanje van een schip op geringe hoogte spant om
zich tegen den regen of de zon te beschutten. Zie ZonneT--. SloepT--
(tent met yzeren schepters over de zeet van een sloep).
Term, z. n. m. -- Zie Tarm.
Terugvloeien, o. w. -- Rugwaartsche beweging van vloeibare stoffen. Als
de zee zich verheft, Vloeien de rivieren Terug.
Tieren, z. n. m. mv. -- Open ruimten tusschen de ingescheepte vaten.
Tillen, o. w. -- By de scheepstimmerlieden in gebruik voor: smal en
scherp van onderen oprijzen.
Timmeren, o. en b. w. -- In 't algemeen: van hout iets vervaardigen;
meer bepaaldelijk: een vaartuig bouwen. Ik laat op die werf T--. Ik
Timmer op deze werf.
Timmerman, z. n. m. -- Zie Scheepstimmerman.
Timmerspijkers, z. n. m. mv -- Gewone benaming der spijkers, tot den
aanbouw van een schip gebezigd: zy worden onderscheiden in dunne en
dikke: de dikke van 0,10 tot 0,31: de dikke van 0,10 tot 0,41 lang.
Timmerwerf, z. n. v. -- Zie Werf.
Tip, (end) In de spreekwijze Tip en Takel. Voor T-- en Takel
lenzen. Zie Top.
Tjalk, z. n. v. of Tjalkschip. -- Friesch vaartuig.
Tobbe, z. n. v. -- Zie Balie, Koelbalie.
Tocht, z. n. m. -- Beweging, trek, van daar ook reis. Zie Zeetocht. De
T-- naar de Noordpool. Dat schip heeft al menigen T-- gedaan.
Tochtjen, z. n. o. -- Luchtjen, windtjen, briesjen. Dat laatste T--
bracht ons de haven binnen.
Tochtschuit, z. n. v. -- 't Zelfde als Trekschuit. Schuit, die gebruikt
wordt, om door Tochtslooten of binnenvaarten te gaan.
Sloepen, booten
En speeljacht, toghtschuit, kogge en ponten.
Antonides. IJstroom.
Tochtsloot, z. n. v. -- Breede sloot, waar men een vrijen doortocht
heeft.
Toe, bw. -- 1o. Dicht, gesloten. De luiken zijn T--. De haven ligt T--
(het water in de haven is bevroren). Halzen T-- (komm.).
2o. Heen. Waar is de reis naar T--?
Toehakking, z. n. v. -- Het naderen der voor- en achtereinden van
de kiel.
Toeleggen, b. w. -- Op stapel zetten.
Toerusten, b. w. -- Uitrusten, voorzien. Die schepen zijn van alles
Toegerust (van al het noodige voorzien).
Toetakelen, b. w. -- Van de noodige takelaadje voorzien. Die schepen
zijn behoorlijk Toegetakeld.
Zy taeklen vloot op vloot in alle havens toe.
Antonides, Bellone.
Spreekwijze: Hy is zonderling Toegetakeld (vreemd opgeschikt).
Iemand deerlijk T-- (hem afranselen, dat hy blond en blaauw ziet).
Toetuigen, b. w. -- Zie Optuigen.
Toewater, z. n. o. -- Water, dat bevroren is, zoo dat de vaart
belemmerd is. Het was T--, men was genoodzaakt, de vaartuigen uit
te ijzen.
Tol, z. n. m. -- Geld, dat aan sommige plaatsen voor den vrijen
doortocht betaald moet worden. De T-- aan de Sond.
Tolk, z. n. m. -- Staafjen om boutgaten mede te meten.
Ton, z. n. v. -- 1o. Inhoudsmaat van een schip, die 1000 kilo
weegt. Een schip van 600 T-- (dat 600 maal 1000 kilo voeren kan.) Dat
schip heeft 800 T-- belastbare ruimte.
2o. Tonvormige boei, hoedanige men aan den ingang van de stroomen
en zeegaten of aan wederszijden van naauwe vaarwaters plaatst, om
de vaart af te bakenen. De T--nen zijn van onderen spits toeloopende
en beschilderd, aan elke zijde des vaarwaters met een verschillende
kleur. Wy zijn de laatste T-- nog niet voorby (van 't strand komende,
dus: nog niet in volle zee).
Tong, z. n. v. -- 1o. Split van een standaart.
2o. Uitstekende punt van een strook land, zandbank, enz.
Tonie, z. n. v. -- Soort van Indiaansche schuit.
Tonneboei, z. n. m. -- Boei, uit duigen vervaardigd.
Tonnegeld, z. n. o. -- Belasting, welke geheven wordt naar het aantal
Tonnen, 't welk de inhoud van een schip bevatten kan. Deze belasting
was by ons geregeld geworden by de Algemeene Wet van 26 Augustus 1822
(Stbl. no. 38) Hoofdst. 25, art. 292-310; doch is in 1855 afgeschaft.
Toonen, b. w. -- In de samenstelling: een vlag T--, kleuren T--
(zich door het hijschen der vlag doen kennen). Zie Vlag.
Zy naadren zonder vlag te toonen,
Maar ras ontdekt zich wie ze zendt.
Van Haren, de Geuzen.
Top, z. n. m. -- Het bovenste en naakte gedeelte van den mast of de
stengen. T-- van den mast. T-- van den bramsteng of bovenbramsteng. De
vlag in T-- hijschen (de vlag naar den T-- van den mast hijschen.) Het
zeil in T-- halen (het zoo hoog mogelijk brengen).
Het zeil te trekken in den top
Dat rijst veel uit een lossen kop.
Cats.
Voor T-- en takel (d. i. zonder eenig zeil) voor-de-wind afloopen.
Spreekwijze: Het zeil in T-- voeren (een hooger staat voeren).
Top (van) te weten, "van den masttop," bw. V-- T-- was niets van de
eilanden meer te zien.
Topbocht, z. n. v. -- De hoogste bocht of zeegt van een schip.
Toppen, b. w. of Optoppen. -- In een rechte lijn opzetten. De ra
T--. In rouw T-- (de raas in den vorm van een Sint Andrieskruis T--).
Toppenant, z. n. m. -- samengetr. uit Toppen-want (want dat aan de
toppen zit.) Touw, dat, ter weêrszijde aan de nokken van de ra vast
gemaakt, dient om deze te Toppen. Enkele T-- (die door een strop of
ring loopt.) Dubbele T-- (die door een blok loopt.) BovenbramT--,
MarsT--, Groote T--, enz. Looze T--, T-- der bezaansra (Zie Bekaaier).
Toppet, z. n. o. (veroud.). -- Verkleinwoord van Top, gelijk banket
van bank, klinket van klink, parket van park enz.
Heeft op het hoog Toppet den bezem uitgestoken,
zegt Antonides.
Topreep, z. n. v. -- Toppardoen, hanger van den grooten- en fokkemast.
Topsenten, z. n. m. mv. -- De bovenste Senten.
Topstander, z. n. m. -- Vlag, die van de bovenste steng waait.
Wat waepens brommen hier, in wimpels, toppestanders
En sluiers, fijn van draet!
zegt Vondel in het Lof der Zeevaart.
Topzeil, z. n. o. -- Bovenste zeil op een vaartuig met een mast.
Toren, z. n. m. -- Zie Vuurtoren.
Tornen, b. w. -- Wederhouden. Een schip T-- (beletten, dat het te
snel afloopt).
Spreekwijze: Er valt wat aan te T-- (er is veel aan vast).
Torntouw, z. n. o. -- Touw, tot Tornen gebezigd.
Totebel, z. n. v. -- Kruisnet zonder handvatsel, dat als een weegschaal
hangt en met een houten vork wordt opgehaald.
Touw, z. n. o. -- 1o. Algemeene benaming van saamgevlochten
draadwerk. T-- slaan (T-- vervaardigen).
2o. Kortheidshalve voor KabelT--, AnkerT--, BootsT--, GeiT--,
HaakT--, PoortT-- enz. T-- dat op en neêr staat (dat strak staat
op het anker.) T-- dat op zijn end is (dat alleen met het end op
de betings vast zit.) Het T-- staat recht vooruit (het maakt in de
richting van het kluisgat tot het anker een rechte lijn uit.) Het T--
kappen (door midden kappen en met het anker prijs geven.) Het T--
slippen (het met het anker laten varen met een boei om het terug te
vinden.) T-- steken (het los laten en laten zakken.) T-- opschieten
(het hoepelsgewijze laten zakken.) Een slag in het T-- hebben (wanneer
twee kabels ten gevolge van de bewegingen van het schip in elkander
verward raken.) T-- klaren (de slagen uit een T-- draaien.) Het T-- is
onklaar (het is verward.) T-- en Takel worden veel samen gebezigd als:
Men recht er boomen op met takelen en touwen.
Vondel. Lof der Zeevaart.
Gelyck men niet en kan in een groot schip aanschouwen
Noch taekels zonder nut, noch bruykeloose touwen.
De Groot. Bewijs van den Waren Godsdienst.
Spreekwijze: Aan een T-- vastzitten (in zijn handelingen niet vrij
zijn).
Daar is geen T-- aan te beleggen. Zie Beleggen.
Touwladder, z. n. m. -- Ladder, geheel of hoofdzakelijk van Touw
vervaardigd.
Touwstopper, z. n. m. -- Touw, waarmede een kabel omwonden en
stijfgehouden wordt.
Touwstrop, z. n. m. -- Zie Strop.
Touwtjen, z. n. o. -- Dun Touw, als marling, enz.
Spreekwijze: Hy heeft het T-- aan zijn been (hy zit er aan vast).
Men moet het T-- wat vieren (men moet iets toegeven).
Trek niet aan dat T-- (roer die zaak niet aan).
Touwwerk, z. n. o. -- Benaming van de Touwen, die tot optuiging
van een schip dienen. Zwaar, dik T--. Licht T--. Geteerd T--. Wit
T--. T-- van de eerste, van de tweede soort. Ndraads T-- (uit N draden
samengesteld.) Nstrengs-T-- (uit N strengen samengesteld.) Opgeslagen
T-- (vervaardigd uit touw, dat reeds gediend heeft).
Trabacolo, z. n. m. -- Soort van koopvaardyschip, in gebruik op de
Adriatische zee. Het voert twee masten en twee loggerzeilen.
Tramontane, z. n. v. -- Italiaansche benaming der poolster, die men,
op de Middellandsche zee zijnde, boven de Alpen ziet en dus stella
tramontana (de ster aan gene zijde der bergen) noemt.
Spreekwijze: De T-- kwijt zijn (zijn koers kwijt zijn, in de war
zijn: om dat voor de uitvinding van het kompas, een schipper, die
ster uit het oog verliezende, waar hy zich op richtte, gevaar liep,
zijn koers kwijt te raken).
Transport, z. n. o. -- Vracht.
Transportschip, z. n. o. -- Schip, dat tot vervoer van krijgsvolk, van
gevangenen, van veroordeelden, van landverhuizers, enz. gebezigd wordt.
Trap, z. n. m. of Ladder. -- Algemeene benaming van de treden,
langs welke men zoo binnen als buiten het schip op- en afklimt. T--
van het grootluik (langs welken men van het bovendek op het halfdek
komt.) T-- van het voorluik van het volk (die naar het verblijf der
matrozen geleidt.) ValreepT--. TusschendeksT--pen (die zich tusschen
de dekken bevinden.) T--pen, opgangen van de kampanje (waarmede men
van het opperdek naar de kampanje klimt.) Groote T-- buiten boord
(die, als het schip ter reede ligt, op eene der zijden midscheeps
wordt uitgehangen).
Travaat, z. n. m. -- Korte, doch hevige bui, met stortregen.
Traven, b. w. -- Een soort van stouwen. Zie Duiveljagen.
Trebizonde, z. n. v. -- Turksch vaartuig, op de kusten der Zwarte
zee in gebruik. Het draagt een vierkant zeil op een grooten mast.
Trechter, z. n. m. -- Buis, door welke men iets laat heen loopen,
om het van het eene bevattingsvoorwerp in 't andere over te gieten
of te storten. KruitT--, Zeildoeksche T--.
Treil, z. n. o. -- Oorspronkelijk 't zelfde als treklijn: zoo
dat de uitdrukking: ik koop uw schuit met zeil en T-- beteekende:
"uw schuit, met al haar toebehooren". In vervolg van tijd is door
verloop der beteekenis, het woord overgebracht op al wat tot de
beweging van een schip even onmisbaar is als de zeilen en het want,
zoo als: de kaapstanders, het roer, de ankers enz. Door Zeil en T--
wordt alzoo nu het geheele tuig van een schip verstaan.
Treis, z. n. m. -- Bras van de blinde en schuifblinde ra.
Treisblok, z. n. o. -- Blok, waar iets door Getreisd wordt.
Treissen, b. w. -- Iets door middel van touw en blok ophalen.
Trek, z. n. m. -- Haal: het woord wordt inzonderheid op de vischvangst
met netten toegepast. Zy vingen een goede zoo visch met den eersten
T--.
Trekhaak, z. n. m. -- Zie Balkhaak.
Trekken, b. w. -- Voorthalen, bepaaldelijk aan een lijn of touw.
Trekkers, z. n. m. of Steunders. -- Kruisverbanden, die zich van
de kimwegers tot de verbindingsklossen van het laagste geschutdek
uitstrekken en naar het midden vallen.
Treklijn, z. n. v. -- Zie Jaaglijn.
Trekschuit, z. n. v. of Jaagschuit. -- Schuit, die door de
binnenwateren aan een lijn wordt voortgetrokken.
Trekzaag, z. n. m. -- Soort van Zaag.
Trensen, b. w. -- De ruimte opvullen tusschen de touwen, waaruit een
stag is samengesteld.
Trensing, z. n. v. -- De daad of de uitslag van het Trensen.
Troebel, b. n. -- Bastertwoord, voor bewogen, versteurd, beroerd.
Spreekwijze: In T-- water is goed visschen (wanneer er oneenigheid
heerscht trekken listige lieden er partij van).
Troebel water, 's visschers zin:
Want daar ligt zijn voordeel in.
Cats.
Trommel, z. n. m. -- Losse kast, die het stuurrad overdekt.
Trommelrand, z. n. m. -- Ondergedeelte der galery.
Tromp, z. n. v. -- Het mondstuk van 't kanon.
Tromp die trompte met zijn trompen
Op 's vyands vloot.
Dat men brein en bloed zag pompen
Terwijl hy schoot.
Brandt.
Trompstuk, z. n. o. -- Cirkelvormig stuk hout, op den tweeden
gangbalkweger van een schip gespijkerd, en tegen hetwelk men een
gedeelte der monding van een stuk geschut doet steunen, wanneer men
dit aan den weger vastsjort.
Tros, z. n. m. -- Lijn, uit drie of vier strengen gevlochten.
Trotseering, z. n. v. -- Naam, die aan de schuinte van een helling
gegeven wordt.
Tuianker, z. n. o. -- Anker, waaraan het schip voor ebbe vast ligt.
Tuig, z. n. o. -- Al wat er noodig is om een mast, een ra, enz. in
behoorlijken staat te brengen. Een mast van zijn T-- voorzien (van
blok, touwwerk, enz.) Die mast heeft zijn T-- verloren. Waarloos T--
(dat in rezerve, dat ongebruikt is).
Tuigaadje, z. n. v. -- Wat tot de optuiging behoort. Het schip is
van zijn T-- voorzien.
Tuigen, b. w. -- Optuigen, van Tuig voorzien. Een hooggetuigd schip.
Tuimelbank, z. n. m -- Bank, waarvan de ruggesteun kan omgezet,
of omgetuimeld worden.
Tuipoel, z. n. m. -- Zie Drijfkist, Meerpoel.
Tuits, (een) z. n. o. -- Touw van het Tuianker, ook een tot verbranden
klein gekapt touw.
Turken, z. n. m. mv. -- Benaming, aan stelbouten gegeven.
Turksche pas, z. n. m. -- Soort van zeebrief of vrijgeleide, waarvan
de schepen, die de Middellandsche zee bevoeren, zich voorzagen om
geen overlast te hebben van de Barbarijsche zeeroovers.
Tusschenwegers, z. n. m. mv. -- Langsscheeps geplaatste planken, die
de ruimte vullen tusschen den balkweger en zetweger. Op geschutdekken
dragen zy den naam van Binnengeschutgang.
Tweemast, Tweemaster, z. n. m. -- Schip met twee masten.
Twil, z. n. m. -- Zie Broek.
Tij, z. n. o. voor Getij. -- Tijd, welken de zee bezig is om op
te komen en af te loopen; duur van eb en vloed. Het T-- heeft twee
malen plaats in een etmaal, met een verloop van 48 min. telken dage;
ieder vloed en ieder ebbe duurt zes uur en 12 min. Opkomend T--
(wassend water.) Afgaand T-- (vallend water.) Laag T-- (wanneer de
eb ophoudt en de vloed gereed staat op te zetten.) Hevig, zwaar T--
(wanneer de stroom snel loopt) Het T-- loopt met den wind (d. i. in
de richting van den wind.) Hoog T-- (wanneer de vloed op het hoogste
staat: dat by sommige gelegenheden, als by nieuwe en volle maan,
plaats heeft.) Afgaand T-- (staartjen van eb of vloed.) DoodT--
(wanneer het water maar flaauw opkomt, als by kwartiermaan.) Tij
stoppen (Zie Stoppen.) T-- kavelen. Het T-- breekt den hals (het
verzwakt.) Het T-- vergast (is te gast, er is geen T--).
Spreekwijze: Hy laat het T-- verloopen (hy laat de gelegenheid
voorbygaan).
Het T-- wacht naar niemand (liet de schipper aan Keizer Karel V
weten, toen deze, na den afstand der Nederlanden, van Vlissingen zoû
uitzeilen, en niet spoedig genoeg aan boord kwam: en de spreekwijze
strekt om te herinneren, dat men de gelegenheid behoort waar te nemen).
't Is Dood T-- (er is geen handel). Zie Stroom.
Hy weet wel T-- te kavelen (zijn slag waar te nemen).
Als het T-- verloopt, verzet men de bakens (Zie Baken).
Tijdmeter, z. n. m. -- Zie Kronometer.