Taan, z. n. v. -- Verwstof, van run of eiken schors gekookt, en
waarmede de zeilen geel geverwd worden.
Spreekwijze: Hy ziet zoo geel als T--.
Tafelgeld, z. n. o. -- Geld, dat aan de zeeofficieren wordt uitbetaald
boven hun wedde, om er zich levensmiddelen voor te verschaffen.
Tak, z. n. m. -- Het kleinste gedeelte van een knie.
Takbout, z. n. m. -- Bout met een weêrhaak, zoodat die, eens ingedreven
zijnde, niet weêr kan worden uitgehaald.
Takel, z. n. m. -- Talie, derde hand, vierlooper. Verzameling
van touwen en katrollen, wier samenstel dient, om met geringe
krachtsaanwending groote zwaarten op te tillen. GaardT-- (die gebezigd
wordt om den bezaansgaffel van plaats te doen veranderen.) MantelT--
(die een mantel of schenkel heeft). NokT--s (die aan de nokken der
onderraas vast zitten en dienen om vrachten binnen het schip te
brengen.) Voor-zij-T--, zij- en kipT-- (die aan de toppen der lage
masten hangen.) SpilT--, stagT-- (die boven het grootluik overhangt).
De takels hijssen uit de schepen
Al wat haar ruimte houdt begrepen
Of tusschen dekken zich bevindt.
van Haren, de Geuzen.
Zie verder Touw, Tip.
Takbouten, z. n. m. mv. -- Bouten, aan hun vooreinde met een scherp in
doorsnede vierkante punt voorzien. Deze wordt op de hoeken ingehakt,
zoodat er scherpe uitstaande punten of Takken ontstaan, die als
weêrhaken werken.
Takelaar, z. n. m. -- Matroos, die zich binnen 's lands verhuurt,
om het schip op te tuigen.
Takelen, b. w. -- Het end van een loopend touw met Takelgaren bewinden
tegen 't uitrafelen.
Takelgaren, z. n. o. -- Garen, waar een Takel mede bewoeld wordt.
Takeling, z. n. v. -- (veroud.) Alles wat tot de uitrusting van een
schip behoort. Overdrachtelijk bezigt het Huyghens in zijn Sneldichten.