Overstag gaan, o. w. -- Wenden, over een anderen boeg gaan.
Oversteken, b. w. -- Een rivier, een zee O-- (van den een naar den
anderen oever gaan).
Oversteken, o. w. -- Zich naar de overzijde begeven. Wy moeten naar
Engeland O-- (van hier naar Engeland gaan).
Overstrijken, b. w. -- Van boven met planken beleggen. Het Dek O--
(nieuwe planken over de oude heenleggen).
Overstuur, bw. -- Over een anderen boeg. O-- leggen. Spreekwijze:
't Is O-- (de boel loopt verkeerd).
Overtent, z. n. v. -- Zie Touw, Zeil, Tegenzeil.
Overvallen, b. n. -- Verrast. Wy werden door een bui, door storm O--.
Overwenden, o. w. -- Weder, op nieuw, nog eens wenden.
Overwinteren, o. w. -- In winterlaag liggen. Wy hebben in die haven
Overwinterd.
Overtijden, b. w. -- Het schip met de meest dienstige stroomen voort
laten drijven en het in het tegentij stoppen of voor anker leggen.
Overzeilen, b. w. -- Op een vaartuig aanzeilen, zoo dat het te gronde
gaat. Zie omtrent de gevolgen, welke dit voor den Overzeiler hebben
kan, Wetb. van Kooph. art. 534 en volgg.
Overzeiler, z. n. m. -- Hy die de Overzeiling doet.
Overzeiler, z. n. m. -- Zeefakkel, zeespiegel, zeeboek, graadboek:
Werk, dat de wegen, de kapen, ankerplaatsen enz. aanwijst. De O--
der Middellandsche zee.--De groote O-- (groote kaart van den Oceaan).
Overzeiling, z. n. v. -- Het ongeval van Overzeilen.
Overzetten, (goederen) b. w. -- Zie Lichten.
Overzwalpen, b. w. -- Zie Zwalpen,
Wanneer d'oploopenheit van vader Oceaan,
Met lossen toom, alreê te hoogh aen 't overvloeien
De weiden overzwalpt en stulp en dorp en koeien
En vee en velt verdrinckt.
Vondel. Zeemagazijn.