Met mijn schuitjen zal ik je Overhalen.
Overhangen, o. w. -- Het O-- der achter- en voorsteven (de sprong of
valling der achter- en voorsteven).
Overhellen, o. w. -- Naar de zijde buigen, op een zijde liggen. De
wind deed het schip sterk O--.
Overladen, b. n. -- Te zwaar beladen.
Overladen, b. w. -- In een ander schip overbrengen, t. w. de lading.
Overland zeilen, o. w. -- Wordt gezegd, als men, naar het bestek,
het land reeds meent bereikt te hebben en er nog ver van af is, zoodat
men dan niet over 't werkelijke, maar over 't gegiste land zeilt.
Overlast, z. n. m. -- Alle overtollige of overkompleete zaken, die
zich in een schip bevinden.
Overlating, z. n. v. -- Akte, waarby men aan den Verzekeraar het
verlies van een vaartuig of van goederen, welke hy verzekerd heeft,
en welke men hem Overlaat, aankondigt, met sommatie om er de waarde
van te voldoen. Zie Wetb. van Kooph. art. 663 en volgg.
Overleggen, b. w. -- t. w. het roer. Zie Omleggen.
Overliggen, o. w. -- te weten op een anderen boeg. Zie Boeg.
Overloopen, (het) z. n. o. -- Benaming der steurharingvangst op
de kusten van Engeland en Schotland (van half September tot half
December).
Overmast, b. n. -- Te hoog van mast.
Overnemen, b. w. -- Aan boord nemen: Wy kregen een kaag op zijde
met 24 soldaten, 1 koebeest, 6 schapen, 3 varkens; namen al het vee
over. In een enger beteekenis heet O--: het volk van een gegeven
prijs aan boord nemen.
Overschepen, b. w. -- Van het eene vaartuig in 't andere brengen.