3o. De Kapitein van zoodanig vaartuig, die voor eigen rekening ter
Kaap vaart en buit gaat halen op de vyanden van den Staat.
Kaapvaart, z. n. v. -- Koopvaardersbedrijf. Een schip ter K--
uitrusten. De K-- drijven.
Kaart, z. n. v. -- Van 't Ital. carta (blad) en daarom by uitnemendheid
een blad, een bord of rol papier of andere zelfstandigheid,
waarop de ligging van eenig land, zee, plaats of hemelstreek is
uitgedrukt. Zie Paskaart, Waereldkaart, Zeekaart, Platte K-- (waarop
alleen breedte is afgeteekend en die dus alleen voor de Noord-,
Oostzee, enz. dient). Ronde K-- (waarop ook lengte is afgeteekend).
Spreekwijze: Hy heeft de K-- niet (hy mist den noodigen leiddraad of
de inlichtingen, hoe zich in die zaak te gedragen).
Hy vaart maar op een platte K-- (zijn begrip reikt niet ver).
Kaaskamer, z. n. v. -- Plaats, waar de kaas bewaard wordt.
Kabas, z. n. v. (veroud.) -- Fuik.
Kabbeljaauw, z. n. m. -- Bekende zeevisch.
Spreekwijze: Een spiering uitwerpen, om een K-- te vangen (een klein
geschenk geven om er een grooter te bekomen: een kleinigheid wagen
om een belangrijke winst te doen, enz.).
De spiering doet den K-- afslaan (de hoeveelheid van slechte waar
is somtijds oorzaak, dat de goede voor een spotprijs moet verkocht
worden).
Er kan nog een K-- onderdoor (er is nog genoeg water onder de kiel;
er is nog geld, wijn enz. genoeg).
Kabel, z. n. m. of Kabeltouw. -- Zwaar touw, uit drie ineengedraaide
touwen samengesteld, en voornamelijk strekkende om het schip aan
een uitgeworpen anker bevestigd te houden. K-- insteken (het K--
in den ankerring vastmaken). K-- korten (het inhalen of inwinden om
het spil). K-- uitsteken (het uitvieren, bot geven). K-- om (wind het
anker!). Aan boord is echter over 't algemeen het woord zwaar Touw
meer in gebruik dan dat van K--. Volgends Bild. zou K-- van Oostersche
afkomst zijn en "Verdubbeling" beteekenen. Zie zijn Gesl. in v.
Spreekwijzen: Zoo grof als een K-- (ruw, onbehabbeld).
De derde streng maakt den K-- (de derde man brengt de praat aan).
Hy heeft een K-- maar die ligt op zolder (hetgeen men noodig heeft
is niet by de hand).
Daar is een kink in de K-- (er is een zwarigheid in den weg
gekomen). Zie Kink.
Zich in een K-- laten beschieten (zich buiten schoots houden).
Kabelaring, z. n. o. of Kabellarga. -- Een, van kabelslag gedraaid,
van afstand tot afstand van muizings, en aan de beide enden van oogen
voorzien touw, waarvan het middel voor tusschen de kluizen en de enden
langs stuur- en bakboordsbattery tot aan het achterspil gebracht met
drie slagen om dat spil gelegd, en dus de beide enden door die oogen
aan elkander gebonden worden; voorts met seisings op het ankertouw
vastgemaakt en dienende om het anker te lichten. Kommando: Maakt klaar
de K--! Smijt de K-- op het spil! K-- naaien! Spiltuigen. d. i. K--
op het spil te doen.
Kabelen, b. w. -- Aan kabels vastmaken.
De minder Booten
Gekabelt aen den rugh van die haer vorens gaen.
Huyghens, Spiegel.
Kabelgaauw, b. n. -- Die vlug met de kabels kan omgaan. Aardig is de
woordspeling van Huygens, die in zijn Zedeprinten een matroos noemt
Een Kabeljauws genand, van wegen 't Kabel-gauw.
waaruit op nieuw bewezen wordt, wat ik elders herhaaldelijk heb
aangevoerd omtrent de immer zachte uitspraak der g bij onze vroegere
schrijvers.
Kabelgaren, z. n. o. -- Uit het hondenend van 't zwaar of ander
dienstig touw gehaald, dient voor schiemansgaren, platting en andere
losse bindsels.
Kabelgast, z. n. o. -- Zie Kapitein van het kot.
Kabelgat, z. n. o. -- De scheepsruimte, waar de ankertouwen en ander
waarloos touwwerk geborgen worden.
Spreekwijze: Hy kruipt in 't K-- (hy is een bloodaart).
Kabelketting, z. n. v. -- Yzeren kabel.
Kabellarga, z. n. v. -- Zie Kabelaring.
Kabellengte, z. n. v. -- Lengte van een Kabel, of 120 vademen. Het
schip ligt op twee K--n van den wal.
Kabelslaan, o. w. -- Een kabel vervaardigen.
Kabelslag, z. n. o. -- Touw, waarvan de garens by 't slaan rond zijn
ineengedraaid.
Kabeltouw, z. n. o -- Zie Kabel.
Kade, z. n. v. -- Zie Kaai.
Kadet, z. n. m. -- Aspirant, kweekeling, die voor Officier wordt
opgeleid.
Kadraaier, z. n. m. -- Zie Kaaidraaier.
Kaïck, z. n. v. -- 1o. (veroud.) Benaming, die gegeven plach te worden
aan de sloep eener galei.
2o. Klein vaartuig, in gebruik op de Zwarte Zee.
Kajuit, z. n. v. -- Kamer voor den Kommandeur; op schepen, die geen
westergang hebben, is zy het achterste gedeelte van het kuildek,
bevattende tot aan den bezaansmast of onder de kampanje. De Voor K--
is op 't kuildek, van den bezaansmast tot aan het voorste van den
rooster van 't halfdek. Op de Koopvaardyschepen is zy--gelijk het
woord aanduidt--oorspronkelijk "stookplaats" van Kaîen (branden,
stooken) en meer bepaald, de stookplaats op een vaartuig. Deze werden
langzamerhand ruimer en gemakkelijker; doch de naam bleef bewaard,
en thands verstaat men door K-- een met slaapstede en andere gemakken
voorziene kamer aan boord. Groote K-- (de grootste dier kamers, waar
de hutten der Officiers of passagiers op uitkomen en het middagmaal
gehouden wordt).
Spreekwijze: Zie Hut.
Kajuitsjongen, z. n. m. -- Knaap, die op Koopvaardyschepen de kajuit
en meer byzonder den Kapitein bedient.
Kajuitswachter, z. n. m. -- Knaap, die op Koopvaardyschepen den
Kapitein ten dienste staat.
Kaken, b. w. -- De haring in kaken of tonnen slaan.
Kalderstok, z. n. m. -- Zie Holderstok.
Kalefaten, b. w. Kalfaten of Kalfateren.-- Een schip breeuwen by de
timmering. Zie Breeuwen. 't Is van 't Ital. Calfatare.
Spreekwijze: Ik zal dat wel K-- (ik zal dat gat wel stoppen).
Kalenboeg, z. n. m. (veroud.) -- Schip, dat zijn ankers verloren
heeft en welks boeg dus kaal is. Zie Kaal.
Kalf, z. n. o. -- 1o. Een stop- of aanvullingsstuk; vanwaar het ook
in gebruik raakte voor kleine briefjes in grootere gestoken. Het was
zoo een K--jen, in een brief der Staten aan Neyen en Verreycken door
Oldenbarneveldt gestoken, 't welk hem later zuur opbrak.
2o. Een inkeep in de zijplanken van de rampaarden, waar de stelhouten
op worden vastgelegd, om het geschut naar tijdsgelegenheid daarmede
te doen rijden of dompen.
Kalfaatshamer, z. n. m. -- Hamer, waarvan men zich by 't kalfaten
bedient.
Kalfaattang, z. n. v. -- Tang om by het zware breeuwen, het kalfaatyzer
mede vast te houden.
Kalfaatyzer, z. n. o. -- Yzeren beitel, van onderen met een ronden
kant, waarin een sleuf is.
Kalfateren, b. w. -- Zie Kalefaten.
Kalfatering, z. n. v. -- Het kalfateren.
Kaliber, z. n. o. -- Betrekkelijke zwaarte b. v. van den kogel,
die uit een stuk geschoten moet worden. Stuk van 30, van 24 ponds
K--. Een schip van het zwaarste K-- (een driedekker).
Kalken, b. w. -- De buitenhuid van een schip (vooral in de West-Indiën)
met een dikke kalkpap besmeeren tegen den invloed van den worm in
't aangroeien.
Kalmte, z. n. v. -- Windstilte.
Kam, z. n. m. -- Smalle strook houts onder aan den uitlegger,
hebbende de gedaante van een kam, en met twee gaten voorzien, die
tot het toezetten der holgen dienen.
Kammen, z. n. m. mv. (veroud.) -- Twee lange houten met ronde gaten,
die onder de raas gespijkerd worden, om de zeilen daaraan te rijgen.
Kameel, z. n. o. -- Groot gevaarte van byzonderen vorm, in 1698 te
Amsterdam door Bakker uitgevonden, en dienende om schepen te lichten,
om die over Pampus te brengen.
Kamerband, z. n. m. -- Ring of astragaal van het Bodemstuk.
Kamerstuk, z. n. o. -- Zie Steenstuk.
Kamhout, z. n. o. -- Opvulling tusschen de slooiknieën tegen de scheg,
somtijds met snijwerk voorzien.
Kampanje, z. n. v. -- Licht dek, dat op groote schepen gebouwd wordt
boven het halfdek en van den bezaanmast tot aan het achterschip loopt:
onder de K-- is de kajuit, doch op linieschepen, die geen westergang
hebben, zijn de hutten voor de Officieren onder de K-. Antonides
gebruikt het woord onzijdig.
Klim op dit schip omhoog,
Dit oorlogsslot, en laet van 't steil Kampanje 't oog
Uitstrecken over 't vlak, van daer de witte duinen
Zich schijnen in de lucht te heffen met hun kruinen.
Antonides Ystroom.
Kanaal, z. n. o. -- Zeestraat, zeeëngte. Meer byzonder wordt by ons
door het K-- verstaan de zeeëngte tusschen Frankrijk en Engeland. Er
hebben veel aanzeilingen plaats in 't K--: wy werden door tegenwind
belet door 't K-- te komen.
Kanbeitel, z. n. m. -- Soort van beitel.
Kanetas of Kanevas, z. n. o. -- Van 't Ital. canavaccio, dat weder van
't Lat. cannabis (hennip) afkomt. Grof doek, zeildoek.
Kanon, z. n. o. -- 't Ital. canone, pijp, buis.--Stuk geschut.
Kant, z. n. m. -- Zoom, zijde, byzonder van 't Land.
Spreekwijze: Het raakt K-- noch wal (het komt er in 't geheel niet by,
het heeft zin noch slot.)
Kant (over) b. w. -- Een schip O--K-- (over zijde) halen, om te
koperen.
Kant zetten, b. w. -- In orde stellen: De zeilen K-- Z--, (ze stellen
gelijk ze wezen moeten).
Spreekwijze: Kant en klaar (in behoorlijke orde).
Kanterstok, z. n. m. -- Zie Kolderstok.
Kanthaak, z. n. m. -- Zie Balkhaak.
Kantimaroen, z. n. m. -- Zoo noemt men twee of drie saêmverbonden
kanoos, welke men op de kust van Koromandel tot de vischvangst bezigt.
Kap, z. n. v. -- Beschot van lichte planken, dat aan boord van
koopvaardyschepen den achtertrap, op oorlogschepen den kop van het
roer bedekt.
Kapen, b. w. -- Rooven.
Kaper, z. n. m. -- Vaartuig, door byzondere personen uitgerust om
afbreuk te doen aan de vyanden van den Staat.
Spreekwijze: Er zijn K--s op de kust, (er zijn er, die ons zouden
benadeelen). De uitdrukking wordt veelal gebezigd door een minnaar
ten opzichte van zijn medevrijers.
Kapitein of Kaptein, z. n. m. -- 1o. De eerste gezachvoerder aan boord
van een oorlogschip. K-- van de vlag (de gezachvoerder aan boord van
het Amiraalschip.) By de manschap gaat de K-- doorgaands onder den
naam van den Ouwe door.
2o. De gezachvoerder aan boord van elk vaartuig, 't zij
koopvaardyschip, 't zij trekschuit. In het eerste geval is de
benaming door 't gebruik gewettigd, in het laatste wordt zy alleen
beleefdheidshalve of uit scherts gegeven.
Spreekwijze: Booi is K--; zie Booi.
Kapitein-Luitenant, z. n. m. -- Zeeofficier, in rang volgende op den
Kapitein ter zee, en gelijkstaande in rang met den Luitenant-Kolonel
der Landtroepen.
Kapitein ter zee, z. n. m. -- Zeeofficier, den rang voerende van
Kolonel.
Kapitein van het kot, z. n. m., Kabelgast of man in het kabelgat. --
Matroos, die voor de dagelijksche behoeften, als kaarsen, touwwerk,
enz., zorg draagt.
Kaplaken, z. n. o. -- Geschenk, aan den gezachvoerder van een
koopvaardyschip verzekerd by volbrachte reis.
Kappen, b. w. -- Doorhakken. Het anker K-- (het touw doorhakken waar
het anker aan vast is, als men geen tijd meer heeft het te winden).
Zy kappen d' anckers buiten hoop,
En drijven d'een op d'ander.
Vondel, Neerlaeg der Turksche Vloot.
Kapseizen, o. w. -- Omslaan. Wy liepen gevaar van te K--. De
uitdrukking is zeldzaam in gebruik.
Karak, z. n. v. -- Zie Kraak.
Karakor, z. n. m. -- Borneoosch vaartuig.
Karavaanschip, z. n. o. -- (veroud.) Marseljaansch vaartuig, dat van
haven tot haven met koopwaren op de Levant plach te varen.
Karavel, z. n. v. -- Zie Karveel.
Karbeel, z. n. v. -- Zie Karveelhout.
Kardeel, z. n. m. of Val. -- Touw, dat gebezigd wordt om een zeil,
vlag of wimpel op de begeerde hoogte te brengen.
Kardeelbloks, z. n. mv. -- Bloks, dienende om de onderraas op hare
plaats te hijschen en in de rakken te hangen.
Kardoes, z. n. v. -- 1o. Zakjen van papier waarin een lading kruit voor
een vuurmond geborgen wordt. 't Woord is verbasterd van kaartedoosjen,
't welk nog letterlijk in 't Fr cartouche gehoord wordt. De eerste
K--zen waren namelijk kokers van kaartblad, en hingen aan de
bandelieren der schutters.
2o. Stuk hout, onder den verbindingsklos onder elken balk recht op
en neder geplaatst en van achteren tegen de wegers gesteund.
Kardoeskist, z. n. v. -- Kist, waarin de Kardoezen bewaard worden.
Kardoeskoker, z. n. m. -- Ronde koker van dun hout, geschikt om een
Kardoes te bevatten.
Kardoesstok, z. n. m. -- Vorm, waar de Kardoezen, volgends de bepaalde
maat, op genaaid worden.
Karga, z. n. v. -- Lading, vracht.
Kargadoor, z. n. m. -- Spaansch woord, bevrachter, doch by ons ongeveer
't zelfde als konvooilooper beteekende. Zie Konvooilooper.
Kargalijst, z. n. v. -- Zie Ladingsbrief.
Kargazoen, z. n. o. -- Spaansch woord, voor vracht en lading.
Karmoezaal, z. n. m. -- Turksch koopvaardyvaartuig, met hoog
achterschip: het voert een grooten mast, een boegspriet en een
kleinen bezaan, het draagt een marszeil boven 't groote zeil, een
klein achterzeiltjen en een stagzeiltjen voor.
Karreldoek, z. n. o. of Noyaalsch Doek. -- Soort van zeildoek, dat
voornamelijk te Noyalle, dorp in de nabyheid van Rennes in Bretanje,
gefabriekt wordt.
Karronade, z. n. v. -- Metalen stuk geschut, aldus genoemd naar
Karron, eigenaar der gietery in Schotland, waar de eerste stukken
van die soort in 1774 gegoten werden.
Karronadeslede, z. n. v. -- Soort van affuit.
Kartélschip, z. n. o. -- Schip, dat gevangenen vervoert, die
uitgewisseld moeten worden.
Kartouw of Kortouw, z. n. v. -- Zwaar stuk geschut. 't Woord beteekent
volgends Bild. kar-toge (kartrekking). Zie Bld. Gesl. in v.
De Sultan dondert zonder nut
Met zwangere kortouwen
Vondel, Neerlaegh der Turksche vloot.
Karveel, z. n. v. of Karavel. -- 1o. Portugeesch vaartuig van
middelbare grootte, en met latijnzeilen getuigd.
2o. Vracht of scheepslading.
3o. (Veroud.) Soort van zwaar blok, van een koperen of palmhouten
schijf voorzien, en dienende om raas en stengen op te hijschen.
Karveelhout, z. n. o. of Karbeel. -- Balk of stang, die tot stut of
verbinding strekt onder de ribben langs scheeps.
Karveelnagel, z. n. m. of Knevel. -- Houten of yzeren nagel om touwwerk
aan te beleggen.
Karveelswerk, z. n. o. -- Houtwerk, waarvan de planken of balken
met de kanten over elkander heen schieten: welke betimmering de
krapschuitsgewijze betimmering verving.
Karveelschip, z. n. o. (veroud.) -- Benaming van schepen, waarvan
Velius gewach maakt in zijne Beschrijving van Hoorn als volgt: "In
het jaar 1460 werden hier te Hoorn de eerste Karvielschepen gemaakt,
daar men te voren niet hadde als Hulken, Razeilen en Krajers en die
altemaal gewrocht crapschuitswijze met de planken op malcander."
Karwylnagel, z. n. m. -- 't Zelfde als Karveelnagel. Zie ald.
Kassen, b. w. -- Elkander door het slaan van water nat maken.
Kasteel (voor of achter) z. n. o. -- (veroud.) Getimmerte op den voor-
of achtersteven opgericht.
Daer praelt de goude Leeu manhaftig op 't kasteel
Van 't zware zeegevaerte.
Antonides, IJstroom.
Kat, z. n. v. -- 1o. of Katankers. Werpanker, dienende om een zwaarder
anker te katten.
Spreekwijze: Hy heeft de K-- op het anker gezet (zie Anker).
Het Katjen van de baan (de voorste om aan te grijpen; even als de K--
het anker 't eerst grijpt).
2o. Anker met maar eene tand.
3o. Geitouw onder de kraanbalk, waarmede het anker wordt voorgeheschen.
4o. Paal of stut in 't algemeen, en in 't byzonder een paal, op de
kaai geslagen, en waar de ankerstok aan gehecht wordt.
5o. Soort van klein vaartuig, tot lichter in de havens gebruikt.
6o. Met negen staarten, zweep van touwen om mede te slaan.
Kathaak, z. n. m. -- Zware ijzeren haak, dienende om den ring van
't anker te vatten.
Katrol, z. n. v. en o. -- Voor katte-rol: 't zelfde als Blok, doch
aan boord min gebruikelijk. Zie Blok.
Katten, b. w. -- 1o. Twee ankers op elkander uitwerpen, ten einde
het eene by zwaren wind niet medega.
2o. Palen slaan voor een anker, dat op den wal ligt.
Kattekop, z. n. m. -- 1o. Houten spaak, die in de gaten van een
windas gestoken wordt, om op een klein vaartuig aan een touw tot
beting te strekken.
2o. Korte houwitser, op kanonneer- en bombardeerbooten in gebruik.
kattespoor, z. n. o. (veroud.) -- Spantvormig samenstel, dwars over
het zaadhout tegen de binnenoppervlakte der inhouten geplaatst en
zich tot zekere hoogte tegen het boord uitstrekkende. Het diende om
de dwarsscheepsche doorzetting tegen te gaan.
kattestaart, z. n. m. -- 1o. Ronde vijl, in eene punt uitloopende en
dienende om gaten uit te vijlen en te verbreeden.
2o. Wimpel van een koopvaardyvaartuig.
3o. Losgerafeld touw.
kavelen, b. w. -- In den vloed zeilen om de ebbe af te wachten.
Maar, t'wijl een ander, als hy kan;
Ook zyn gety niet t' onrecht kavelt.
Oudaen, Zweedsche hoogmoet.
kayak, z. n. m. -- Esquimoosch vaartuig.
keel, z. n. v. (veroud.) -- Smal toeloopende strook van een plank,
eigentlijk geul, (wat 't zelfde woord is, als zijnde beiden 't
Lat. gula) en aldus gesneden om beter te voegen.
keep, z. z. m. -- Sleuf, inhaksel, sponning: in 't byzonder de sleuf,
rondom in het blok gemaakt, om den strop te laten inloopen.
keerkringen, z. n. m. mv. -- Naam van elk der beide kleinere
kringen van den aardbol, die, evenwijdig met de middellijn, door de
zonnestanden, d. i. door punten, ongeveer 23 1/2 graad verwijderd
van de middellijn, getrokken worden, en tusschen welke kringen de
zon haar jaarlijkschen omloop heeft.
keernagels, z. n. m. mv. -- Nagels, waarmede de kiel bevestigd wordt.
keerring, z. n. m. -- Koker, waar de mast van een haringbuis in staat.
keg, keggen, z. n. v. -- Houten of yzeren wig, dienende om voorwerpen
mede te splijten of te schoren.
kelder, z. n. v. -- Bergplaats van scheepsvoorraad, doch
overdrachtelijk voor al wat beneden is, en dus voor de zee zelve.
Spreekwijze: Naar de K-- zijn (in zee vergaan).
kenten, z. n. m. mv. (veroud.) -- Scheepstimmermans kunstwoord,
waardoor verstaan werden eenige latten, die, ter weêrszijden van
inhouten werden gespijkerd, tot een schets om het beloop van het schip
naar aan te leggen. 't Woord is waarschijnlijk 't zelfde als kanten.
kenteren, o. w. -- Letterlijk: herhaaldelijk op zijn Kent (kant),
draaien, en dus: omwentelen, veranderen. De stroom K-- (de stroom
is aan 't walen.) De mast K-- (rolt om.) Ook het doorkomen van eb
of vloed:
Zie daar een derde vloot verschenen,
Door 't reeds gekenterd tij geleid.