2o. Een vaartuig, of

3o. De Kapitein van zoodanig vaartuig, die voor eigen rekening ter

Kaap vaart en buit gaat halen op de vyanden van den Staat.

Kaapvaart, z. n. v. -- Koopvaardersbedrijf. Een schip ter K--

uitrusten. De K-- drijven.

Kaart, z. n. v. -- Van 't Ital. carta (blad) en daarom by uitnemendheid

een blad, een bord of rol papier of andere zelfstandigheid,

waarop de ligging van eenig land, zee, plaats of hemelstreek is

uitgedrukt. Zie Paskaart, Waereldkaart, Zeekaart, Platte K-- (waarop

alleen breedte is afgeteekend en die dus alleen voor de Noord-,

Oostzee, enz. dient). Ronde K-- (waarop ook lengte is afgeteekend).

Spreekwijze: Hy heeft de K-- niet (hy mist den noodigen leiddraad of

de inlichtingen, hoe zich in die zaak te gedragen).

Hy vaart maar op een platte K-- (zijn begrip reikt niet ver).

Kaaskamer, z. n. v. -- Plaats, waar de kaas bewaard wordt.

Kabas, z. n. v. (veroud.) -- Fuik.

Kabbeljaauw, z. n. m. -- Bekende zeevisch.

Spreekwijze: Een spiering uitwerpen, om een K-- te vangen (een klein

geschenk geven om er een grooter te bekomen: een kleinigheid wagen

om een belangrijke winst te doen, enz.).

De spiering doet den K-- afslaan (de hoeveelheid van slechte waar

is somtijds oorzaak, dat de goede voor een spotprijs moet verkocht

worden).

Er kan nog een K-- onderdoor (er is nog genoeg water onder de kiel;

er is nog geld, wijn enz. genoeg).

Kabel, z. n. m. of Kabeltouw. -- Zwaar touw, uit drie ineengedraaide

touwen samengesteld, en voornamelijk strekkende om het schip aan

een uitgeworpen anker bevestigd te houden. K-- insteken (het K--

in den ankerring vastmaken). K-- korten (het inhalen of inwinden om

het spil). K-- uitsteken (het uitvieren, bot geven). K-- om (wind het

anker!). Aan boord is echter over 't algemeen het woord zwaar Touw

meer in gebruik dan dat van K--. Volgends Bild. zou K-- van Oostersche

afkomst zijn en "Verdubbeling" beteekenen. Zie zijn Gesl. in v.

Spreekwijzen: Zoo grof als een K-- (ruw, onbehabbeld).

De derde streng maakt den K-- (de derde man brengt de praat aan).

Hy heeft een K-- maar die ligt op zolder (hetgeen men noodig heeft

is niet by de hand).

Daar is een kink in de K-- (er is een zwarigheid in den weg

gekomen). Zie Kink.

Zich in een K-- laten beschieten (zich buiten schoots houden).

Kabelaring, z. n. o. of Kabellarga. -- Een, van kabelslag gedraaid,

van afstand tot afstand van muizings, en aan de beide enden van oogen

voorzien touw, waarvan het middel voor tusschen de kluizen en de enden

langs stuur- en bakboordsbattery tot aan het achterspil gebracht met

drie slagen om dat spil gelegd, en dus de beide enden door die oogen

aan elkander gebonden worden; voorts met seisings op het ankertouw

vastgemaakt en dienende om het anker te lichten. Kommando: Maakt klaar

de K--! Smijt de K-- op het spil! K-- naaien! Spiltuigen. d. i. K--

op het spil te doen.

Kabelen, b. w. -- Aan kabels vastmaken.

De minder Booten

Gekabelt aen den rugh van die haer vorens gaen.

Huyghens, Spiegel.

Kabelgaauw, b. n. -- Die vlug met de kabels kan omgaan. Aardig is de

woordspeling van Huygens, die in zijn Zedeprinten een matroos noemt

Een Kabeljauws genand, van wegen 't Kabel-gauw.

waaruit op nieuw bewezen wordt, wat ik elders herhaaldelijk heb

aangevoerd omtrent de immer zachte uitspraak der g bij onze vroegere

schrijvers.

Kabelgaren, z. n. o. -- Uit het hondenend van 't zwaar of ander

dienstig touw gehaald, dient voor schiemansgaren, platting en andere

losse bindsels.

Kabelgast, z. n. o. -- Zie Kapitein van het kot.

Kabelgat, z. n. o. -- De scheepsruimte, waar de ankertouwen en ander

waarloos touwwerk geborgen worden.

Spreekwijze: Hy kruipt in 't K-- (hy is een bloodaart).

Kabelketting, z. n. v. -- Yzeren kabel.

Kabellarga, z. n. v. -- Zie Kabelaring.

Kabellengte, z. n. v. -- Lengte van een Kabel, of 120 vademen. Het

schip ligt op twee K--n van den wal.

Kabelslaan, o. w. -- Een kabel vervaardigen.

Kabelslag, z. n. o. -- Touw, waarvan de garens by 't slaan rond zijn

ineengedraaid.

Kabeltouw, z. n. o -- Zie Kabel.

Kade, z. n. v. -- Zie Kaai.

Kadet, z. n. m. -- Aspirant, kweekeling, die voor Officier wordt

opgeleid.

Kadraaier, z. n. m. -- Zie Kaaidraaier.

Kaïck, z. n. v. -- 1o. (veroud.) Benaming, die gegeven plach te worden

aan de sloep eener galei.

2o. Klein vaartuig, in gebruik op de Zwarte Zee.

Kajuit, z. n. v. -- Kamer voor den Kommandeur; op schepen, die geen

westergang hebben, is zy het achterste gedeelte van het kuildek,

bevattende tot aan den bezaansmast of onder de kampanje. De Voor K--

is op 't kuildek, van den bezaansmast tot aan het voorste van den

rooster van 't halfdek. Op de Koopvaardyschepen is zy--gelijk het

woord aanduidt--oorspronkelijk "stookplaats" van Kaîen (branden,

stooken) en meer bepaald, de stookplaats op een vaartuig. Deze werden

langzamerhand ruimer en gemakkelijker; doch de naam bleef bewaard,

en thands verstaat men door K-- een met slaapstede en andere gemakken

voorziene kamer aan boord. Groote K-- (de grootste dier kamers, waar

de hutten der Officiers of passagiers op uitkomen en het middagmaal

gehouden wordt).

Spreekwijze: Zie Hut.

Kajuitsjongen, z. n. m. -- Knaap, die op Koopvaardyschepen de kajuit

en meer byzonder den Kapitein bedient.

Kajuitswachter, z. n. m. -- Knaap, die op Koopvaardyschepen den

Kapitein ten dienste staat.

Kaken, b. w. -- De haring in kaken of tonnen slaan.

Kalderstok, z. n. m. -- Zie Holderstok.

Kalefaten, b. w. Kalfaten of Kalfateren.-- Een schip breeuwen by de

timmering. Zie Breeuwen. 't Is van 't Ital. Calfatare.

Spreekwijze: Ik zal dat wel K-- (ik zal dat gat wel stoppen).

Kalenboeg, z. n. m. (veroud.) -- Schip, dat zijn ankers verloren

heeft en welks boeg dus kaal is. Zie Kaal.

Kalf, z. n. o. -- 1o. Een stop- of aanvullingsstuk; vanwaar het ook

in gebruik raakte voor kleine briefjes in grootere gestoken. Het was

zoo een K--jen, in een brief der Staten aan Neyen en Verreycken door

Oldenbarneveldt gestoken, 't welk hem later zuur opbrak.

2o. Een inkeep in de zijplanken van de rampaarden, waar de stelhouten

op worden vastgelegd, om het geschut naar tijdsgelegenheid daarmede

te doen rijden of dompen.

Kalfaatshamer, z. n. m. -- Hamer, waarvan men zich by 't kalfaten

bedient.

Kalfaattang, z. n. v. -- Tang om by het zware breeuwen, het kalfaatyzer

mede vast te houden.

Kalfaatyzer, z. n. o. -- Yzeren beitel, van onderen met een ronden

kant, waarin een sleuf is.

Kalfateren, b. w. -- Zie Kalefaten.

Kalfatering, z. n. v. -- Het kalfateren.

Kaliber, z. n. o. -- Betrekkelijke zwaarte b. v. van den kogel,

die uit een stuk geschoten moet worden. Stuk van 30, van 24 ponds

K--. Een schip van het zwaarste K-- (een driedekker).

Kalken, b. w. -- De buitenhuid van een schip (vooral in de West-Indiën)

met een dikke kalkpap besmeeren tegen den invloed van den worm in

't aangroeien.

Kalmte, z. n. v. -- Windstilte.

Kam, z. n. m. -- Smalle strook houts onder aan den uitlegger,

hebbende de gedaante van een kam, en met twee gaten voorzien, die

tot het toezetten der holgen dienen.

Kammen, z. n. m. mv. (veroud.) -- Twee lange houten met ronde gaten,

die onder de raas gespijkerd worden, om de zeilen daaraan te rijgen.

Kameel, z. n. o. -- Groot gevaarte van byzonderen vorm, in 1698 te

Amsterdam door Bakker uitgevonden, en dienende om schepen te lichten,

om die over Pampus te brengen.

Kamerband, z. n. m. -- Ring of astragaal van het Bodemstuk.

Kamerstuk, z. n. o. -- Zie Steenstuk.

Kamhout, z. n. o. -- Opvulling tusschen de slooiknieën tegen de scheg,

somtijds met snijwerk voorzien.

Kampanje, z. n. v. -- Licht dek, dat op groote schepen gebouwd wordt

boven het halfdek en van den bezaanmast tot aan het achterschip loopt:

onder de K-- is de kajuit, doch op linieschepen, die geen westergang

hebben, zijn de hutten voor de Officieren onder de K-. Antonides

gebruikt het woord onzijdig.

Klim op dit schip omhoog,

Dit oorlogsslot, en laet van 't steil Kampanje 't oog

Uitstrecken over 't vlak, van daer de witte duinen

Zich schijnen in de lucht te heffen met hun kruinen.

Antonides Ystroom.

Kanaal, z. n. o. -- Zeestraat, zeeëngte. Meer byzonder wordt by ons

door het K-- verstaan de zeeëngte tusschen Frankrijk en Engeland. Er

hebben veel aanzeilingen plaats in 't K--: wy werden door tegenwind

belet door 't K-- te komen.

Kanbeitel, z. n. m. -- Soort van beitel.

Kanetas of Kanevas, z. n. o. -- Van 't Ital. canavaccio, dat weder van

't Lat. cannabis (hennip) afkomt. Grof doek, zeildoek.

Kanon, z. n. o. -- 't Ital. canone, pijp, buis.--Stuk geschut.

Kant, z. n. m. -- Zoom, zijde, byzonder van 't Land.

Spreekwijze: Het raakt K-- noch wal (het komt er in 't geheel niet by,

het heeft zin noch slot.)

Kant (over) b. w. -- Een schip O--K-- (over zijde) halen, om te

koperen.

Kant zetten, b. w. -- In orde stellen: De zeilen K-- Z--, (ze stellen

gelijk ze wezen moeten).

Spreekwijze: Kant en klaar (in behoorlijke orde).

Kanterstok, z. n. m. -- Zie Kolderstok.

Kanthaak, z. n. m. -- Zie Balkhaak.

Kantimaroen, z. n. m. -- Zoo noemt men twee of drie saêmverbonden

kanoos, welke men op de kust van Koromandel tot de vischvangst bezigt.

Kap, z. n. v. -- Beschot van lichte planken, dat aan boord van

koopvaardyschepen den achtertrap, op oorlogschepen den kop van het

roer bedekt.

Kapen, b. w. -- Rooven.

Kaper, z. n. m. -- Vaartuig, door byzondere personen uitgerust om

afbreuk te doen aan de vyanden van den Staat.

Spreekwijze: Er zijn K--s op de kust, (er zijn er, die ons zouden

benadeelen). De uitdrukking wordt veelal gebezigd door een minnaar

ten opzichte van zijn medevrijers.

Kapitein of Kaptein, z. n. m. -- 1o. De eerste gezachvoerder aan boord

van een oorlogschip. K-- van de vlag (de gezachvoerder aan boord van

het Amiraalschip.) By de manschap gaat de K-- doorgaands onder den

naam van den Ouwe door.

2o. De gezachvoerder aan boord van elk vaartuig, 't zij

koopvaardyschip, 't zij trekschuit. In het eerste geval is de

benaming door 't gebruik gewettigd, in het laatste wordt zy alleen

beleefdheidshalve of uit scherts gegeven.

Spreekwijze: Booi is K--; zie Booi.

Kapitein-Luitenant, z. n. m. -- Zeeofficier, in rang volgende op den

Kapitein ter zee, en gelijkstaande in rang met den Luitenant-Kolonel

der Landtroepen.

Kapitein ter zee, z. n. m. -- Zeeofficier, den rang voerende van

Kolonel.

Kapitein van het kot, z. n. m., Kabelgast of man in het kabelgat. --

Matroos, die voor de dagelijksche behoeften, als kaarsen, touwwerk,

enz., zorg draagt.

Kaplaken, z. n. o. -- Geschenk, aan den gezachvoerder van een

koopvaardyschip verzekerd by volbrachte reis.

Kappen, b. w. -- Doorhakken. Het anker K-- (het touw doorhakken waar

het anker aan vast is, als men geen tijd meer heeft het te winden).

Zy kappen d' anckers buiten hoop,

En drijven d'een op d'ander.

Vondel, Neerlaeg der Turksche Vloot.

Kapseizen, o. w. -- Omslaan. Wy liepen gevaar van te K--. De

uitdrukking is zeldzaam in gebruik.

Karak, z. n. v. -- Zie Kraak.

Karakor, z. n. m. -- Borneoosch vaartuig.

Karavaanschip, z. n. o. -- (veroud.) Marseljaansch vaartuig, dat van

haven tot haven met koopwaren op de Levant plach te varen.

Karavel, z. n. v. -- Zie Karveel.

Karbeel, z. n. v. -- Zie Karveelhout.

Kardeel, z. n. m. of Val. -- Touw, dat gebezigd wordt om een zeil,

vlag of wimpel op de begeerde hoogte te brengen.

Kardeelbloks, z. n. mv. -- Bloks, dienende om de onderraas op hare

plaats te hijschen en in de rakken te hangen.

Kardoes, z. n. v. -- 1o. Zakjen van papier waarin een lading kruit voor

een vuurmond geborgen wordt. 't Woord is verbasterd van kaartedoosjen,

't welk nog letterlijk in 't Fr cartouche gehoord wordt. De eerste

K--zen waren namelijk kokers van kaartblad, en hingen aan de

bandelieren der schutters.

2o. Stuk hout, onder den verbindingsklos onder elken balk recht op

en neder geplaatst en van achteren tegen de wegers gesteund.

Kardoeskist, z. n. v. -- Kist, waarin de Kardoezen bewaard worden.

Kardoeskoker, z. n. m. -- Ronde koker van dun hout, geschikt om een

Kardoes te bevatten.

Kardoesstok, z. n. m. -- Vorm, waar de Kardoezen, volgends de bepaalde

maat, op genaaid worden.

Karga, z. n. v. -- Lading, vracht.

Kargadoor, z. n. m. -- Spaansch woord, bevrachter, doch by ons ongeveer

't zelfde als konvooilooper beteekende. Zie Konvooilooper.

Kargalijst, z. n. v. -- Zie Ladingsbrief.

Kargazoen, z. n. o. -- Spaansch woord, voor vracht en lading.

Karmoezaal, z. n. m. -- Turksch koopvaardyvaartuig, met hoog

achterschip: het voert een grooten mast, een boegspriet en een

kleinen bezaan, het draagt een marszeil boven 't groote zeil, een

klein achterzeiltjen en een stagzeiltjen voor.

Karreldoek, z. n. o. of Noyaalsch Doek. -- Soort van zeildoek, dat

voornamelijk te Noyalle, dorp in de nabyheid van Rennes in Bretanje,

gefabriekt wordt.

Karronade, z. n. v. -- Metalen stuk geschut, aldus genoemd naar

Karron, eigenaar der gietery in Schotland, waar de eerste stukken

van die soort in 1774 gegoten werden.

Karronadeslede, z. n. v. -- Soort van affuit.

Kartélschip, z. n. o. -- Schip, dat gevangenen vervoert, die

uitgewisseld moeten worden.

Kartouw of Kortouw, z. n. v. -- Zwaar stuk geschut. 't Woord beteekent

volgends Bild. kar-toge (kartrekking). Zie Bld. Gesl. in v.

De Sultan dondert zonder nut

Met zwangere kortouwen

Vondel, Neerlaegh der Turksche vloot.

Karveel, z. n. v. of Karavel. -- 1o. Portugeesch vaartuig van

middelbare grootte, en met latijnzeilen getuigd.

2o. Vracht of scheepslading.

3o. (Veroud.) Soort van zwaar blok, van een koperen of palmhouten

schijf voorzien, en dienende om raas en stengen op te hijschen.

Karveelhout, z. n. o. of Karbeel. -- Balk of stang, die tot stut of

verbinding strekt onder de ribben langs scheeps.

Karveelnagel, z. n. m. of Knevel. -- Houten of yzeren nagel om touwwerk

aan te beleggen.

Karveelswerk, z. n. o. -- Houtwerk, waarvan de planken of balken

met de kanten over elkander heen schieten: welke betimmering de

krapschuitsgewijze betimmering verving.

Karveelschip, z. n. o. (veroud.) -- Benaming van schepen, waarvan

Velius gewach maakt in zijne Beschrijving van Hoorn als volgt: "In

het jaar 1460 werden hier te Hoorn de eerste Karvielschepen gemaakt,

daar men te voren niet hadde als Hulken, Razeilen en Krajers en die

altemaal gewrocht crapschuitswijze met de planken op malcander."

Karwylnagel, z. n. m. -- 't Zelfde als Karveelnagel. Zie ald.

Kassen, b. w. -- Elkander door het slaan van water nat maken.

Kasteel (voor of achter) z. n. o. -- (veroud.) Getimmerte op den voor-

of achtersteven opgericht.

Daer praelt de goude Leeu manhaftig op 't kasteel

Van 't zware zeegevaerte.

Antonides, IJstroom.

Kat, z. n. v. -- 1o. of Katankers. Werpanker, dienende om een zwaarder

anker te katten.

Spreekwijze: Hy heeft de K-- op het anker gezet (zie Anker).

Het Katjen van de baan (de voorste om aan te grijpen; even als de K--

het anker 't eerst grijpt).

2o. Anker met maar eene tand.

3o. Geitouw onder de kraanbalk, waarmede het anker wordt voorgeheschen.

4o. Paal of stut in 't algemeen, en in 't byzonder een paal, op de

kaai geslagen, en waar de ankerstok aan gehecht wordt.

5o. Soort van klein vaartuig, tot lichter in de havens gebruikt.

6o. Met negen staarten, zweep van touwen om mede te slaan.

Kathaak, z. n. m. -- Zware ijzeren haak, dienende om den ring van

't anker te vatten.

Katrol, z. n. v. en o. -- Voor katte-rol: 't zelfde als Blok, doch

aan boord min gebruikelijk. Zie Blok.

Katten, b. w. -- 1o. Twee ankers op elkander uitwerpen, ten einde

het eene by zwaren wind niet medega.

2o. Palen slaan voor een anker, dat op den wal ligt.

Kattekop, z. n. m. -- 1o. Houten spaak, die in de gaten van een

windas gestoken wordt, om op een klein vaartuig aan een touw tot

beting te strekken.

2o. Korte houwitser, op kanonneer- en bombardeerbooten in gebruik.

kattespoor, z. n. o. (veroud.) -- Spantvormig samenstel, dwars over

het zaadhout tegen de binnenoppervlakte der inhouten geplaatst en

zich tot zekere hoogte tegen het boord uitstrekkende. Het diende om

de dwarsscheepsche doorzetting tegen te gaan.

kattestaart, z. n. m. -- 1o. Ronde vijl, in eene punt uitloopende en

dienende om gaten uit te vijlen en te verbreeden.

2o. Wimpel van een koopvaardyvaartuig.

3o. Losgerafeld touw.

kavelen, b. w. -- In den vloed zeilen om de ebbe af te wachten.

Maar, t'wijl een ander, als hy kan;

Ook zyn gety niet t' onrecht kavelt.

Oudaen, Zweedsche hoogmoet.

kayak, z. n. m. -- Esquimoosch vaartuig.

keel, z. n. v. (veroud.) -- Smal toeloopende strook van een plank,

eigentlijk geul, (wat 't zelfde woord is, als zijnde beiden 't

Lat. gula) en aldus gesneden om beter te voegen.

keep, z. z. m. -- Sleuf, inhaksel, sponning: in 't byzonder de sleuf,

rondom in het blok gemaakt, om den strop te laten inloopen.

keerkringen, z. n. m. mv. -- Naam van elk der beide kleinere

kringen van den aardbol, die, evenwijdig met de middellijn, door de

zonnestanden, d. i. door punten, ongeveer 23 1/2 graad verwijderd

van de middellijn, getrokken worden, en tusschen welke kringen de

zon haar jaarlijkschen omloop heeft.

keernagels, z. n. m. mv. -- Nagels, waarmede de kiel bevestigd wordt.

keerring, z. n. m. -- Koker, waar de mast van een haringbuis in staat.

keg, keggen, z. n. v. -- Houten of yzeren wig, dienende om voorwerpen

mede te splijten of te schoren.

kelder, z. n. v. -- Bergplaats van scheepsvoorraad, doch

overdrachtelijk voor al wat beneden is, en dus voor de zee zelve.

Spreekwijze: Naar de K-- zijn (in zee vergaan).

kenten, z. n. m. mv. (veroud.) -- Scheepstimmermans kunstwoord,

waardoor verstaan werden eenige latten, die, ter weêrszijden van

inhouten werden gespijkerd, tot een schets om het beloop van het schip

naar aan te leggen. 't Woord is waarschijnlijk 't zelfde als kanten.

kenteren, o. w. -- Letterlijk: herhaaldelijk op zijn Kent (kant),

draaien, en dus: omwentelen, veranderen. De stroom K-- (de stroom

is aan 't walen.) De mast K-- (rolt om.) Ook het doorkomen van eb

of vloed:

Zie daar een derde vloot verschenen,

Door 't reeds gekenterd tij geleid.

Zeemans-Woordeboek Behelzende een verklaring der woorden, by scheepvaart en den handel in gebruik en een opgave der algemeene wetsbepalingen daartoe · 第 40 / 74 题