Kaag, z. n. v. -- Platboomd vaartuig op onze binnenwateren in
gebruik. Het heeft een enkelen schuinschen mast en een halve
boegspriet. Het voert een sprietzeil en een of twee fokkezeilen.
Een menigte vertrekt met Kagen, smak en jaght,
Naar 't Vlie en Tessel, waar hun de oorlogsvloot verwacht.
Antonides, Ystroom.
Spreekwijze. De K-- is nog niet overgewonden--t. w. van 't eene water
in 't andere--('t gelukt nog niet.)
Kaagman, z. n. m. of Kaagschipper. -- Schipper eener Kaag.
Kaagschipper, z. n. m. -- Zie Kaagman.
Kaai of Kade, z. n. v. -- Dijk, dam: oorspronkelijk een zoodanige,
die alleen gelegd werd om het zomerwater te keeren: thands meer
bepaaldelijk een steenen wal, waar schepen aanleggen. Zoo is te
Amsterdam de Geldersche K-- die, waar de schepen, uit Gelderland
komende, plachten aan te leggen. Van K-- dat "keer" beteekent, komt
bekaaid, d. i. verkeerd.
Kaaiboef, Kaailooper, z. n. m. -- Kruier of kraankind, die aan de
Kaai zijn kost zoekt te verdienen.
Kaaidraaien, o. w. -- Met een klein vaartuig by de schepen rond gaan
om eetwaren te verkoopen.
Kaaidraaier, z. n. m. -- Het vaartuig, waarmede Gekaaidraaid wordt,
of de man, die het voert.
Kaaien, b. w. -- Strijken. De raas K-- (de raas schuins overeinde
toppen, om daardoor by het verhalen in een haven niet aan scheepstuig
van een ander schip onklaar te raken).
Hoe grote een vlote leght daar met zijn zees Gekaait.
Antonides, Ystroom.
K-- wordt ook in 't algemeen gebruikt, voor: "van richting doen
veranderen". Wanneer de bramraas opgebracht worden, staan zy overend:
op 't komm. K--! worden zy horizontaal (vierkant) gehaald. De onderraas
Gekaaid, d. i. langs scheeps liggende.
Kaaigeld, z. n. o. -- Geld, dat betaald wordt om aan de kaai te
mogen liggen.
Kaailooper, z. n. m. -- Zie Kaaiboef.
Kaaimeester, z. n. m. -- Beämbte, die voor het onderhoud der Kaaien,
voor het innen van het Kaaigeld en de legplaats der schepen zorgt.
Kaairing, z. n. m. -- Ring, aan de Kaai bevestigd, en waar de schepen
aan worden vastgesnoerd.
Kaak, z. n. v. -- 1o. Ton; 2o. Harde wind;--doch in beide beteekenissen
verouderd.
Kaal, b. n. -- Ontbloot. Een K--le ra (een ra zonder zeilen). Een
K--le boeg (een boeg zonder ankers), enz.
Kaan, z. n. v. (veroud.) -- Licht vaartuig.
Kaap, z. n. m. of Voorgebergte. -- Van 't Spaansch Cabi en dit van
't Lat. Caput, d. i. hoofd, als zijnde een stuk lands of hoofd,
dat in zee uitsteekt. Den K-- te boven komen (hem omzeilen).
Spreekwijze: Hy zal den K-- niet halen (hy zal van zijn ziekte niet
opkomen). Door den K-- wordt hier verstaan de K-- de Goede Hoop,
waar de schepen die naar O. Indiën varen, zich plachten te ververschen.
Kaap, z. n. m. -- Houten gevaarte op het land, dienende tot baken
by peilingen.
Kaap, z. n. v. -- Roof, alleen gebruikelijk in de uitdrukking ter K--
varen (ter roof, om buit varen).
Kaapstander, z. n. m. -- Zie Spil, gangspil, aardewind.
Kaapvaarder, z. n. m. -- 1o. Een vaartuig dat op den Kaap de Goede
Hoop vaart.