Hout, z. n. o. -- 1o. Al wat van boomen afkomstig is en tot de
timmeraadje dient. Goed H--, Deugdzaam H--, Vervuurd H--, Gezaagd H--
enz. H-- voorscheen (het boord van het schip). Het schip staat vol H--
(de kiel, stevens en inhouten zijn aangebracht en geplaatst).
2o. Naam, die aan de rollen en planken gegeven wordt, waarop een
visschersschuit geplaatst wordt om haar in zee te brengen. De man is
op het H-- geholpen (de schuit is op rollen gezet).
Houtverband, z. n. o. -- Verband, dat van Hout is saamgesteld.
Houvast, z. n. m. --- Zie Balkhaak.
Houzee, of Hoezee. -- Echte Hollandsche uitroep, doch verdrongen door
't Hoogduitsche of liever Kozaksche Hoera, waarop het geestige vaersjen
van Staring slaat:
Is 't hoêra, is 't hoerá?
Brul, spreek ik, geen Kozakken na,
Als Willems batteryen spelen,
Als Fredriks oorlogstrommen slaan.
Blijve onze kreet val aan!
Als jong en oud in 't heil der overwinning deelen,
By Quatre-Bras trofee,
Blijve ons gejuich: hoezee!
En te recht! Hoera is een bloote schreeuw, waar zich geen denkbeeld
ter waereld aanhecht. Hou-zee daarentegen (zoo als de oude zeelui
nog roepen) geeft te kennen: "blijf in zee, al splijt de mast, al
kraakt de kiel, al scheuren de zeilen, blijf in zee, al bulderen de
orkanen, al ratelt de donder, al zocht elk de haven!"--maar ook op de
levenszee--"laat u niet afschrikken, door tegenspoeden, door onheilen,
door laster, door volksgeschreeuw--Hou-zee! hou moedig zee!"
Huid, z. n. v. -- Zie Dubbeling.
Huidspijkers, z. n. m. mv. -- Spijkers, die tot aanhechting der
dubbeling worden gebezigd.
Huis, z. n. o. -- 1o. Het lichaam van een blok, waar een schijf in
besloten zit.
2o. Het schip zelf, b. v. in de uitdrukking: het anker te H-- halen,
(het anker opwinden).
3o. Het vaderland. Een te H-- vaarder (een schip, dat naar 't vaderland
keert.) De te H-- reis, (de reis naar 't vaderland).
Spreekwijze: Oost, West, t' H-- best.
Hulk, z. n. v. -- Vaartuig, by onze voorouders in gebruik, en waarvan
de gedaante nog voorkomt op het oude Amsterdamsche wapen.
Ten lesten ick mijn Hulk, op 't vlacke van den stroom,
Voor anker ryen zie,
zegt Vondel, Lof der Zeevaart.
Hut, z. n. v. -- Vertrek tot logies der officieren: op sommige
koopvaardyschepen is er een H-- op 't bovendek, tot byeenkomst voor
de passagiers.
Spreekwijze. Als het in de kajuit regent, druipt het in de hut,
(als meerderen er van lijden, krijgen minderen ook hun deel:--of wel:
als de kapitein bromt, knorren de mindere officieren).
Hijschen, b. w. -- Met touwen ophalen. Een marszeil in top H--. De
sloepen H--. Met alle kracht H-- (met schokken en geweld van
handen). Langzaam, gestadig aanH--. (met levendigheid en terwijl de
handen elkander beurtlings vervangen).